Recentie in het maandblad: "perspectieven van wordende cultuur" 6de jaargang. februari 1939



RATIO-OF ULTIMA-RATIO door Mr. Drs. A. Börger, uitgegeven bij Salm te A'dam. DE TITEL van dit boek zou ik vrij willen vertalen: de Rede of het Einde der Rede: de Oorlog.


DE BEDOELING van den schrijver lijkt me: Te onderzoeken hoe de mogelijkheid tot oorlog-voeren uit de gemoedsgesteldheid des mensen is te verklaren en hoe die mogelijkheid kan verdwijnen. De gedachte-lijn is zeer verkort weergegeven: Het oorlogvoeren ligt in de natuur des mensen, in zijn onbewuste aanvals- en geslachtlijke drang, die het vreemde tracht te overheersen tot eigen genot. Maar de mens kan zich bewust worden, hij is een redelijk wezen; dus ligt het in de rede, dat hij de blinde onbewuste drang doorziet door zijn rede. Dan kan de machtszucht van de aanvalsdrang worden tot het begrijpend beheersen van het vreemde door het denken, de geslachtsdrang worden tot liefde. Zoals het in de natuur des mensen lag bereid te zijn tot de oorlog, zo ligt het in zijn rede begrijpend en liefderijk te worden en dus vredelievend. In het zich bewust, in het redelijk worden des mensen ligt de oplossing van het vraagstuk van vrede en oorlog. "De bedoeling van dit werk is dus inzicht te geven in de ziel van den strijdenden soldaat, ten einde de mensen te dwingen om zelf te beslissen of zij aan het oorlogsbedrijf zullen deelnemen en of zij zulks voor zichzelf en tegenover de mensheid redelijk kunnen verantwoorden; want wij allen zijn mede aansprakelijk voor het wereldgebeuren. De mens dient het wat en waarom van zijn doen en laten te overdenken" blz. 16.

DE INHOUD. Hoofdstuk I toont hoe onze maatschappij van ver doorgevoerde arbeidsverdeling den mens verleidt het onredelijke, met verdrongen machtsbegeerten geladen, wezen te blijven, dat de oorlog aanvaardt als een uitredding. Immers de meesten behoeven bij hun werk niet te denken, van de wetenschappelijke leiders zelfs wordt slechts verwacht, dat zij denken, zover dat voor hun vakwerk nodig is. Vrijwel niemand overziet het maatschappelijk bestel meer, dus voelt bijna ieder zich machteloos overgeleverd aan een onbekende macht, die over zijn leven beslist. De geslachtelijke drang wordt eveneens opgesloten in de heersende moraal, waarvan de enkeling niet doorziet, dat hij haar zelf in stand houdt uit vrees voor zichzelf. En dat voor den mens, die toch vaag voelt, dat hij vrij behoort te zijn en die die vrijheid zich niet anders voorstellen kan dan door aanvallende overheersing van zijn omgeving, omdat hij, vrijwel redeloos gebleven, de vrijheid door het denken niet kennen kán en ook zijn liefde in macht wil uiten. Dien, in de maatschappij gevangen gehouden, machtsmens lokt de oorlog en de oorlogstemming als een bevrijding.

Hoofdstuk II bespreekt de gelijksoortigheid van oorlog en prostitutie als ontladers der verdrongen begeerten in roes en beider elkaar-doordringen. Het is mede een uitwerking van I met toelichtingen en voorbeelden, veel ook uit andere schrijvers. De schrijver toont zich een aanhanger door dik en dun van Freud. Het eindigt met de volgende aanhalingen over de verhouding stafofficieren-manschappen: "De moderne oorlog is een technische aangelegenheid, zooiets als een reusachtige fabriek, waarin menschen verwerkt worden en waarvan de commandeerende officieren de directeuren zijn." blz. 110. "De troep wordt in het vuur tot slakken verbrand."
"Men kan het het hoofdkwartier niet kwalijk nemen. Zij weten van de ziel van den frontsoldaat even weinig als de rijke van de armoede." Blz. 111.


Hoofdstuk III behandelt de propaganda, de wijze, waarop de wachtende verdrongen driften worden gewekt om de bevolking van lijdelijk tot handelend oorlogsbereid te maken: Leugen, phrase, parades, de verdedigende oorlog en de verschrikkelijkste drijfveer tot doden: de angst voor den vijand en voor de eigen leiders. "Het gaat niet, zoals ik wil en het schijnt me toe, dat U te familiaar bent met Uw mannen. U moet niet bang zijn er een stuk of 10, 20 of 100 te laten fusilleeren; als U niet aldus handelt, zal ik U aansprakelijk stellen." Gen. Gaillaumet tot zijn officieren. blz. 141.

Uit Hoofdstuk IV alleen enige aanstrepingen: "Wanneer de volkeren den oorlog begrepen, zouden zij hem ondenkbaar maken, maar om den oorlog te begrijpen, moeten zij hem doordenken. Te beleven is hij thans niet uit den aard der zaak." blz. 162.
"Niet de man, die viel, had in dit werk onze belangstelling, maar de man, die doodt. Omdat in zijn ziel alles moet worden afgebroken, wat naar het licht streeft. Omdat hij moet terugvallen tot volslagen barbarij en met zijn geschonden ziel verder door het leven moet gaan, kwaad stichtend, gebroken of versleten." blz. 163.
"Aan de macht is Europa, dat heel de wereld beheerscht, verarmd en in wanhoop gebracht. Aan de macht zal het lijden tot het zich bekeert. Europa nadert den tweesprong: ratio of ultima ratio." blz. 183 einde van het boek.

WAAROM IK U DIT BOEK ZO WARM, ZO DRINGEND AANBEVEEL.
Het is geschreven door een denker, wiens denken in de smidse der Hegelwijsbegeerte is gevormd, gehard en geslepen tot het verfijnde, staalharde, scherpe werktuig, dat in waarlijk bijna onpersoonlijke redelijkheid wordt gebruikt. Dit denken kan nooit een stelling in eenzijdigheid vasthouden, maar toont, dat ze slechts kan bestaan in tegenstelling tot een andere eenzijdigheid. Zo is veroordelen onmogelijk geworden, blijft slechts het begrijpend oordelen, het alles in zijn waarde laten gelden.
Daardoor is dit boek een wijs boek geworden, een boek van begrijpen hoe en waardoor alles worden moest, zoals het geworden is en hoe het daardoor betrekkelijk gerechtvaardigd is. Voor dit onpartijdig, onverblind begrijpen kan geen enkele onzuiverheid, geen enkele eenzijdigheid stand houden, het doorziet alles en geeft alles zijn juiste betekenis.
Daarin ligt de onthullende, verhelderende kracht van dit boek, dat het alles laat zien, zoals het is, door wijsheid ontdaan van de verdichtsels der eenzijdige liefde en der eenzijdige haat, in alzijdig begrijpen. Waar de schrijver deze helderheid volkomen bereikt, ontstaat uit de kracht van het zuivere denken van zelve bladzijde na bladzijde, die opvalt als zuivere schoonheid, eenheid van gedachte en uitdrukking.
Dit is geen anti-oorlogsboek, dat een gevoelen, door later bedachte bewijsgronden, tracht te rechtvaardigen. Het gaat uit van den mens, zoals de schrijver dien ziet, toont aan, hoe die mens nu oorlog moet doen ontstaan en hoe een zich helder begrijpen van dien mens hem moet leiden tot de omnogelijkheid oorlog te voeren.
Zo komt de schrijver tot de vele machtige bladzijden in de tweede helft van het boek, die gedragen worden door deernis met den mens, die niet weet, hoe hij zijn kàn en daardoor lijden moet. Dit ware gevoel, uit wijs begrijpen geboren, geeft ook dezen bladzijden weer een ontroerende, overtuigende schoonheid. Van meer uiterlijk belang is de uitgelezen verzameling aanhalingen uit boeken en tijdschriften, die u laten zien, hoè de laatste oorlog in werkelijkheid gevoerd werd. Ge krijgt hier een vrijwel volledig beeld van de oorlog, zoals die ondervonden werd door hen, die hem meemaakten en hoè de soldaten moesten worden, hoè de regeerders en stafofficieren om hem te kunnen voeren. Dit alles is, hoewel voor ieder toegankelijk, toch den meesten onbekend. Ik wilde u dit boek doen lezen, niet om u tegen de oorlog in te nemen uit een of andere staatkundige- of gevoelsoverweging, maar alleen, alleen, om u te stellen tegenover de zuivere waarheid omtrent de oorlog.
Ge ziet hier, wat wij allen aangericht hebben en nog dagelijks weer aanrichten en het is nodig, dat ge dat weet, onverbloemd.

BEZWAREN EN WAARSCHUWING.
Ik heb tegen den schrijver twee hoofdbezwaren.
Hij richt het voortreffelijk werktuig van het Hegeldenken niet tegen het Hegelstelsel, dat als stelsel een levensbeschouwing, geen vrij begrijpen is. Daardoor bereikt hij niet die vrijheid van denken, die voor hem mogelijk is. Hij leidt dan de werkelijkheid af uit de begrippen i.p.v. de begrippen uit de werkelijkheid te vormen. Vandaar: "de mens, die de openbaring der Mensheid is" - "de vrouw is van nature constructief, omdat zij kinderen vormt in haar schoot" - "de Liefde welker belichaming de Vrouw is, de beheerser der Rede de Man, beiden Vrouw en Man hier gesteld als principe der menselijke werkelijkheid". Dit is werken met abstracties, met hoofdletters. Het Hegel-stelsel is in wezen Geloof, aanbidding, vandaar de hoofdletters: Idee, Rede, Geest, Liefde, de Man, de Vrouw, de Mensheid.
Hetzelfde geldt voor den Freud-winkel, met welks vruchten we tot oververzadiging gevoed worden. De Freud-leer wordt als onaantastbaar gesteld. De schrijver loopt met zijn Freud-kennis rond als een kind met een nieuw stuk speelgoed, het moet overal bij gebruikt worden.
Als hij het Hegel-stelsel en de Freud-leer naar voren brengt, voel ik bij den schrijver niet meer den diepen begrijper aan, die daardoor schoonheid schept, den waren kunstenaar. Dan komt de geleerde te voorschijn i.p.v. den liefhebbenden begrijpenden wijze, dien hij zijn kan.
Enige afzonderlijke punten.
Blz. 164. "Der grote massa, die niet werkelijk doordenkt, moet een nieuw geloof bijgebracht worden."

Hiertegen verzet ik mij fel. Hier komt de Hegel-tirannie naar voren, wij kennen de waarheid, die algemeen geldend is, wij zijn de aristocraten van den Geest, die het volk een geloof zullen bijbrengen. Uit deze verwaandheid vloeien ook de enkele scheldwoorden voort, die het boek ontsieren: kantoorlummel, "lieden", canaille.
Wat waarborgt den schrijver, dat hij voor dat niet begrijpend volk niet wordt de charlatan, de demagoog, de Leider, dien hij zoo verguist, omdat zijn waarheid niet de waarheid voor dat volk is? Hier volgt onvermijdelijk een nieuwe onderdrukking, een nieuw geloven op gezag, dat weer zal uitbreken in geweld en vernieling. Ieder mens kan slechts waar zijn, als hij, zich begrijpend, zijn eigen waarheid heeft gevonden. Al het andere is waardeloos.

Dit uitzicht is troosteloos, want wanneer zal ieder, uit eigen begrijpen, zijn waarheid vinden en het geweld laten vallen als een onbruikbaar wapen? Maar wij zochten toch inzicht en niet troost?
Hierbij sluit aan het bezwaar, dat de schrijver door vele vreemde woorden zijn boek ontoegankelijk maakt voor hen, die weinig schoolgeleerdheid bezitten. Dit is ook een zich richten tot de z.g. geestes-aristocraten, een op zij schuiven van den niet geleerden mens. Echter, levensbegrip kan ook bij den niet-geleerde opbloeien en ook voor hem behooren de geleerden zoveel mogelijk hun begrijpen beschikbaar te stellen!
Men leze dit boek uiterst zorgvuldig, liefst in kleine kring met een voorlezer en bespreking van het gelezene om het van alle kanten te bezien. Het is Hegeldenken, als men daarom hier en daar een stelling, die bevalt, naar voren haalt en de tegenstelling, die volgt en die voor het begrijpen nodig is, weglaat, doet men den schrijver onrecht. Het is van een Hegel-wijsgeer, die u der overlevering getrouw af en toe zijn uitspraken wil opdringen met zijn gezag en zijn hoofdletters. Ook daarvoor zij men op zijn hoede!
A. C. SILLEVIS.