-------------------------------------------------------------

I

    Onder de vele misverstanden, welke in Europa heerschen, is een der bedenkelijkste het waandenkbeeld, dat het blanke ras superieur is aan alle andere rassen der wereld, dat alleen Europa door cultuurvolkeren bewoond wordt, en de taak heeft eigen beschaving aan de wereld te brengen.
    In dezen tijd, nu allerwege oorlog dreigt, een oorlog zoo ontzettend als de wereld nog niet heeft meegemaakt, een oorlog, waarbij men streeft naar de meest massale vernietiging, moet toch wel eenige twijfel opkomen aan de juistheid der bovengenoemde opvattingen omtrent het cultuurpeil van ons werelddeel. Tenzij men wil aannemen, dat de vernietigingswil, welke Europa thans sterker dan ooit beheerscht, niet in strijd is met het begrip cultuur.
    En hierbij dringt zich dan de vraag op: waaruit ontspruit de vernietigingswil in den mensch.
Laten wij deze kwestie nader beschouwen.
    In iederen mensch leeft het besef, dat hij meer is dan alleen maar natuur, bepaaldheid; dat hij ook bewustzijn is, en dat hij als zoodanig het bepaalde te boven en te buiten gaat. De mensch is bewustzijn (geest) en onbewust-zijn (natuur) tevens; hij is eenheid van beide en als zoodanig is hij ziel. Aangezien de ziel bewust en onbewust tegelijkertijd is, zooals de schemering licht en donker tegelijkertijd is, kunnen wij de ziel bewustzijnsschemering noemen.
    De ontwikkeling der menschheid is de ontwikkeling van het donker (het natuurlijke) naar het licht (het bewustzijn). Deze omschrijving houdt geen enkele veroordeeling van het natuurlijke in, is niet anders dan de vaststelling van een feit, dat nog altijd aan ieder menschenkind valt waar te nemen, want ieder mensch begint zijn leven als een stuk natuur, vrijwel volslagen onbewust in den zin van onwetend.
    En zooals in het kind het weten zich geleidelijk ontwikkelt, zoo ook in de menschheid, ofschoon de menschheid nog lang niet zooveel weet, als het blanke ras zich wel verbeeldt. De moderne psychologie heeft aangetoond, dat het onbewuste of onderbewuste een grooter rol speelt dan het bewustzijn. Maar zooals gezegd: de ontwikkeling gaat in de

3

richting van het weten; dit beseft ook de primitieve mensch en daaruit is het verklaarbaar, dat hij altijd neiging heeft den geest, zijnde het doel waarheen hij streeft, tot iets verhevens of het verhevene te bombardeeren.
    De geest is niet verheven boven het natuurlijke en dit laatste is niet zondig.
    Omdat hij den geest aanvoelt als het verhevene en onbewust voelt, dat hij mede geest is, voelt hij zich verheven boven alles en nog wat en tracht deze verhevenheid te verwerkelijken, voorloopig onbewust, d.w.z. natuurlijk.
    Om te beginnen streeft de mensch er zoodoende naar de bepaaldheid te boven te gaan door den machtswil, den wil alle bepaaldheid aan zich te onderwerpen, ook de menschen..
    De volslagen onderwerping wordt bereikt door de vernietiging van het onderworpene, het dooden van datgene wat leeft. De hebbelijkheid - beter gezegd onhebbelijkheid - van vele menschen om volkomen doelloos allerlei kruipend en over den grond wriemelend gedierte dood te trappen, vindt alleen hierin zijn diepste oorzaak.
    Door het dooden bevredigt de mensch eigen machtsbesef. Uit zich het machtsbesef oorspronkelijk alleen als vernietigingswil, langzamerhand neemt het minder absolute vormen aan, vooral ten aanzien van de menschen en wordt het verzacht tot heerschzucht en hebzucht, welke zich ten aanzien van de menschen verwerkelijkt als slavernij en later verzwakt tot hoorigheid, om in onzen tijd uit te monden in de economische hoorigheid, welke wij loondienst noemen.
    Al deze verhoudingen berusten op het natuurlijke, het onbewuste machtsbesef zijn uitingen van den vernietigingswil, welke zich zooals gezegd - doet gelden als heerschzucht en hebzucht.
    In den grond der zaak zijn deze verhoudingen dus barbaarsch, want in deze verhoudingen doet het werkelijke bewustzijn nog niet mee en daarom zijn ze nog niet menschelijk, want de mensch is eenheid van bewustzijn en onbewust-zijn.
    Eerst wanneer deze eenheid zich volledig laat gelden, wanneer er harmonie is in den mensch, wanneer alle onderdrukking en alle eenzijdigheid zal hebben opgehouden, zal er harmonie zijn in de menschenwereld en zal deze werkelijk cultureel zijn. Hiervan is thans nog geen sprake; Europa is alleen maar "geciviliseerd", d.w.z. dat het barbarisme gecamoufleerd is, dat wij ons ten onrechte beschaafd noemen. Wij verkeeren in een stadium tusschen barbaarschheid en cultuur, maar loopen gevaar terug te zinken in de volkomen barbaarschheid, volko-

4

mener dan die onzer voorouders. Wij zullen dit in den loop van dit geschrift nader belichten.
    Dit is niet uitsluitend een kwestie van denken, het is een kwestie van weten; niet alle weten is een resultaat van denken; maar daarover later.

II

    Laten wij thans de huidige samenleving nader beschouwen. Deze berust overal op het machtsprincipe, zoowel politiek als economisch, op godsdienstig en op onderwijsgebied, alsook op het gebied van het recht, en dit zoowel nationaal als internationaal.
    Overal vinden wij op politiek gebied den Staat als machtsorganisatie, waaraan de menschen onderworpen zijn, onverschillig of een land democratisch of dictatoriaal geregeerd wordt.
    Men zegt in het algemeen, dat in de "democratische" landen grooter vrijheid heerscht, dan in de dictatoriale landen; dit is wel goed bedoeld, maar eigenlijk onjuist gezegd, beter is het te zeggen, dat in de "democratische" landen minder onvrijheid heerscht, dan in de dictatoriaal geregeerde. In beide soorten landen wordt het volk overheerscht, regeert het niet zichzelf, al heeft dan in de "democratische" landen het volk het recht eigen regeerders te kiezen.
    Het feit dat iemand het recht heeft, zijn eigen beul uit te kiezen, maakt de executie niet minder pijnlijk. Democratie beteekent volksregeering en daarvan is nergens sprake in de wereld; het woord "democra- tisch" is dan ook misleidend en dient te worden nagelaten.
    Veel te roekeloos wordt met woorden omgesprongen; een woord is verklaring van een begrip, en misbruik van een woord beteekent daardoor begripsverwarring stichten.
    Op economisch gebied zien wij allerwege het verschijnsel, dat de productiemiddelen niet toebehooren aan degenen, die ze bedienen of op andere wijze - indirect - in het productieproces werkzaam zijn en dit geldt zoowel voor Rusland als voor overig Europa. Overal werkt men in loondienst, d.w.z. bestaat economische hoorigheid.
    Verder vinden wij de kerk als machtsorganisatie, het huwelijk, de school en niet te vergeten: het recht, in het bijzonder het strafrecht. Terwijl het strafrecht toch ten doel zou moeten hebben de verbetering van het individu, beoogt het niet anders dan haat en wraak; den

5

veroordeelde wordt leed aangedaan, zijn leven wordt geheel, of gedeeltelijk vernietigd.
    Terwille van het "recht" en "de orde" houdt de overheid - dit woord is kenmerkend - er diverse machtsapparaten op na en wel in het bijzonder de politie en het leger. Beide apparaten werken slechts door het benutten van de meest elementaire agressieve instincten der tot deze apparaten behoorende leden, de agenten en soldaten.
    In het leger wordt bovendien blinde gehoorzaamheid geëischt, omdat een leger zonder discipline volgens de gangbare opvatting een onding is.
    Zouden zij, die deze opvatting huldigen, er dan niet eens over gaan nadenken, of er misschien iets niet in orde is in onze samenleving, dat wij een dusdanig apparaat als het leger noodig hebben.
    Aangezien de menschheid overal en op alle gebieden overheerscht wordt en dus onderdrukt, is er van werkelijke cultuur nog geen sprake, omdat er geen harmonie in de wereld bestaat, zoolang er heerschers en overheerschten zijn.
    Onze samenleving - die eigenlijk heelemaal geen samenleving is; ook dit woord is misleidend - wordt in stand gehouden door het onderdrukken van zijn natuurlijke driften, het belemmeren van de sublimeering dezer driften en dit alles door het speculeeren op de grofste instincten van bepaalde groepen in de samenleving (politie, militairen en dgl.) en door bedrog en misleiding.
    Men zegt: nationaal besef, zin voor orde, de taak der vrouw is het moederschap, men spreekt van: de versterking van het zedelijkheidsbesef, van werkeloozenzorg, saamhoorigheidsgevoel en wat al niet meer.     Maar men bedoelt: nationaal egoïsme, gehoorzaam zwijgen, de taak der vrouw is kinderen te baren voor het militairisme, schijnheiligheid en verdringing van sexualiteit, werkeloozenuithongering, kuddeinstinct enz.
    Men spreekt in fraaiklinkende woorden en phrasen, maar daarachter verbergt zich het bruutste geweld, de grofste heerschzucht, de naakte vernietigingsdrang.
    De heerschers willen hun macht niet prijsgeven, kunnen eigen hebzucht en heerschzucht niet overwinnen, liegen en bedriegen opdat de menschheid de waarheid niet zal inzien; zij terroriseeren en beknotten steeds meer de vrijheid van denken en geweten. Het weinige, dat in cultureel opzicht bereikt was, wordt met koortsachtige snelheid vernietigd, omdat alle cultuur een bedreiging is voor de hebzucht en heerschzucht.
Op alle wijzen wordt de slavernij verheerlijkt, wordt gepredikt, dat

6

de heerschzucht het ware is, dat de massa zelfs bereid moet zijn tot, en eigen geluk moet zoeken in, het vernietigd worden voor de heerschers.
Dit zegt men natuurlijk niet zoo; het wordt heel fraai vermomd: men predikt de liefde tot het eigen land, nationaliteitsbesef en dgl. dingen meer. Het eigen land moet beschermd worden en dus is er een sterke weermacht noodig en viert het militairisme hoogtij in een tijd, waarin de positie der heerschers gevaar loopt, temeer waar de bevrediging van de hebzucht steeds moeilijker wordt. Alle uitbuiting heeft zijn grenzen; men kan de levensstandaard der massa niet al te ver onder het bestaansminimum drukken, terwijl bovendien de oorlogsvoor-bereiding momenteel de eenige belangrijke winstbron is en dus in de allereerste plaats aangewezen om de hebzucht te bevredigen.
    Hoe is het verklaarbaar, dat het grootste deel der menschen de phrasen over nationaal gevoel, vaderlandsliefde, heiligheid van den vaderlandschen bodem en al dergelijke nonsens meer accepteert? Want laten wij ons goed realiseeren: was dit niet het geval, waren de menschen niet vatbaar voor de bovengenoemde phrasen, dan was het uit met alle militair gedoe.
    En hetzelfde geldt analoog voor de hebzucht en heerschzucht, waarover wij nog nader zullen spreken in het vervolg van deze brochure.
    Voorloopig echter zullen wij het nationalisme en militairisme nader beschouwen.
    Om te beginnen dienen wij dan op te merken, dat de verdedigers van nationaal besef en van de noodzakelijkheid eener sterke weermacht, zich uitsluitend beperken tot pathetisch gephraseer en voornamelijk werken met leuzen, slagwoorden en zinnen. Laten wij nuchter nagaan, wat het beteekent, als er gezegd wordt: "Het vaderland roept" of "Wij zijn bereid te sterven voor de eer van de vlag", of "Onze onafhankelijkheid wordt bedreigd".
    Wat of wie is dat roepende vaderland? Wat is de eer van de vlag? En vooral niet te vergeten: Wat is onze onafhankelijkheid of onze vrijheid? Er is geen sprake van vrijheid in eenig land van Europa; alle zijn zij overdekt met een netwerk van verboden en geboden. En toch laat men zich doodschieten voor die niet bestaande vrijheid. Verder valt bij de phrase: "Onze onafhankelijkheid wordt bedreigd"' op te merken, dat elk militairisme zich op deze wijze vermomt, als een defensieve organisatie. "Ons" land wordt altijd aangevallen, "wij" vallen nooit aan. Dit geldt voor alle landen. Nuchter beschouwd is het praten van alle militairisten en nationalisten hol en leugenachtig, maar wij moeten

7

ons juist daarom afvragen hoe het mogelijk is, dat millioenen menschen onder den invloed van deze phrasen zich bereid verklaren ten oorlog te gaan.
    En hierbij moeten wij opletten op het antwoord, dat de militairisten en nationalisten klaar hebben, wanneer men de kwestie nuchter redelijk stelt.
    Zij zeggen dan steeds, dat dit alles een kwestie is van gevoel. En dit is juist, als men gevoel in dit verband tenminste opvat als instinct.
    De scherpste vorm, waarin nationalisme en militairisme zich uiten is het z.g. fascisme. Een der woordvoerders van deze beweging, Prof. Alfredo Rocco, Minister van justitie in Italië, omschrijft het fascisme als volgt:
    Fascisme is vóór alles actie en sentiment; het vertegenwoordigt "Onbewuste doorbreken van het nationaal instinct."
    Wij zullen dus goed doen ons af te vragen waaruit dit sentiment voortvloeit, en wat het nationale instinct, dat uit het onbewuste doorbreekt, eigenlijk is.
    Zooals bekend, vertoont de menschelijke ziel twee driften; n.l. de agressieve en de sexueele drift, welke niet scherp gescheiden zijn.
    Beiden kunnen in den oorlog worden uitgeleefd bandeloos, althans in den aanvang, en zeer zeker wordt het vermoed. Bovendien voelt de man zich in uniform meer manlijk; zijn manlijkheid wordt meer geaccentueerd en hierdoor wordt zijn sexueele ijdelheid gestreeld en zijn sexueel meerderwaardigheidsgevoel.
    De vrouwen, sinds eeuwen sexueel verslaafd, reageeren hier al te vaak op, zien bovendien in den uittrekkenden soldaat de beschermer van vrouwen en kinderen, van huis en haard. Dat dit volkomen onjuist is, behoeft geen betoog.
    De soldaten hebben nadrukkelijk opdracht vrouwen en kinderen zooveel mogelijk te vermoorden, hetzij direct (bombardementen van open steden enz.), hetzij indirect (uithongering van steden en geheele landen, zooals bijv. Duitschland en Oostenrijk uitgehongerd werden in den oorlog 1914-1918). Weliswaar zijn dit de vrouwen en kinderen van een ander volk, maar het zijn en blijven vrouwen en kinderen en het is noodig, dat de vrouwen hierover nadenken. De soldaat heeft tot taak zooveel mogelijk menschen te dooden, ook vrouwen en kinderen. Hij is dus allerminst een held, alleen maar een barbaar, die zelfs vrouwen en kinderen niet ontziet en zoo mogelijk vrouwen verkracht, want nog altijd is de vrouw voor de vijandelijke troepen in principe goede buit.
Men denke slechts aan het gebeurde in België tijdens den Duitschen

8

inval en de Duitsche soldaat is werkelijk geen uitzonderlijke verschijning, al schold de Engelsche legerleiding hem voor Hun uit.
    Alle soldaten zijn in oorlogstijd Hunnen. De Fransche en Engelsche soldaten hebben in den oorlog alleen minder kans gekregen, omdat zij niet op vijandelijk gebied streden.
    Het hier gezegde over de bescherming van vrouwen en kinderen is analoog uit te breiden tot de phrase van de verdediging van huis en haard. En bovendien, wat zullen de uitgetrokken soldaten er tegen kunnen doen, wanneer hoog door de lucht de bombardementsvliegtuigen voorbijgaan om huis en haard te vernietigen?
Wat zoekt de soldaat, jong en levenslustig, dan toch in den oorlog? Uitleven van zijn diepste oerinstincten.
    Het leven heeft niet slechts quantitatieve waarde, d.w.z. de waarde zit niet slechts in de levensduur, maar evenzeer in de qualiteit, in de innerlijke belevenissen.
    Inderdaad hecht Europa een zeer groote waarde aan de quantiteit men denke aan de enorme uitbreiding der hygiëne -, waardoor de qualiteit van het leven in Europa in het gedrang gekomen is en steeds meer in het gedrang komt, naarmate de materieele zijde van het leven meer overheerscht.
    De cultureele inhoud van het leven der z.g. betere standen en de middenstand is vrijwel gelijk nul. Een onmatig uiterlijk vertoon, deftigen gewichtigdoenerij en zoogenaamde algemeene ontwikkeling, d.w.z. dat men over allerlei onbelangrijke dingen uit het dagelijksch leven kan meepraten zonder werkelijk te denken. Verder wat "principes" in den zin van ondoordachte beweringen en alleen werkelijke belangstelling voor eigen levensdoel: bevrediging van de hebzucht.
    En de arbeidersmassa? Slecht onderwezen, afgestompt in de fabrieken, gebonden aan den strijd om het bestaan, kon haar leven geen cultureelen inhoud hebben.
    Naarmate de industrie zich meer ontwikkelde en de productie aan de loopende band terrein won, nam het afstompingsproces toe.
    Laatste toevluchtsoord: de bioscoop, welke geheel ingesteld is op het prikkelen der natuurlijke driften: sexualiteit (Marlène Dietrich, Greta Garbo etc.) en agressie (gangster- en oologsfilm, ook de z.g. antioorlogsfilms!) In de bioscoop wordt de cultuur nog verder ondermijnd.
De enkele cultureele films worden hier buiten beschouwing gelaten.
    De levensinhoud wordt met den dag meer ordinair en dus rijpt steeds meer de bereidheid tot oorlog, omdat in den oorlog allerlei - ook het nooit gedroomde - te beleven is.

9

    Misschien zal men hiertegen aanvoeren, dat toch de doodsangst een belemmering is en wij zullen dit zeker niet ontkennen, maar deze belemmering is zeer betrekkelijk.
    Angst voor den dood is een natuurlijk verschijnsel, maar daarnaast leeft in ons het doodsverlangen zooals Freud heeft aangetoond. Dit is logisch verklaarbaar.
    De mensch is ook geest en streeft er naar ook deze zijde van zichzelf te verwezenlijken en te doen gelden; aangezien de geest het tegendeel is van de natuur, is de mensch als geest het tegendeel van het bepaalde en beperkte en zoodoende streeft hij er naar, eigen bepaaldheid en beperktheid te boven en te buiten te gaan.
    In en door den dood wordt zijn bepaaldheid volkomen opgeheven, wordt de natuurlijke bepaaldheid eenzijdig ontkend.
    Maar ook op andere wijze is het mogelijk den drang om alle beperking te buiten te gaan te verwezenlijken; zoo o.a. in de extase en in de orgie.
    Beiden behooren tot de spheer van de bewustzijnsschemering en dus doet in beide het natuurlijke mede, in de orgie is dit zelfs geaccentueerd.
    Maar ook in de religieuse en de geluksextase kan het natuurlijke de overhand krijgen, vandaar de religieuse zelfkastijding (masochisme) en het sadisme en masochisme in sexueele verhoudingen, met als uiterste consequentie de religieuse en sexueele moord en zelfmoord.
    Deze consequentie geldt ook voor de orgie en hiertoe behoort de oorlog, de orgie van bloed en vuur en geweld, waarin de man onderduikt, volkomen losgemaakt van familie en huis, van zijn dagelijksch leven.
    In den staal- en vuurorkaan kan de barbaar in ons al zijn agressieve en sexueele driften, ook de meest troebele, uitleven, zoowel actief als passief.
    In dit alles wortelt het militairisme en zonder dit alles kan het niet bestaan; vandaar dat militairisme en cultuur doodsvijanden zijn.
    Militairisme is de toespitsing der meest primitieve agressie; het handelt derhalve volkomen primitief en dus onmiddellijk, ongecompliceerd; het streeft naar ongecompliceerde oplossingen in de uiterst gecompliceerde werkelijkheid.
    Historisch voorbeeld van militair handelen en tevens symbolisch is het doorhakken van den Gordiaanschen knoop door Alexander den Grooten.
    Alexander is vóór alles een militair genie; een ingewikkelde kwestie zooals door de Gordiaansche knoop gesymboliseerd wordt, kan hij alleen oplossen door een ongecompliceerde gewelddaad.

10

    Het behoeft geen betoog, dat het doorhakken van den knoop met het ontwarren ervan niets te maken heeft.
    Op de scholen en daarbuiten stelt men Alexanders handeling meestal voor als bewijs van zijn genialiteit en doortastendheid in moeilijke kwesties. In werkelijkheid is deze zwaardhouw alleen maar het bewijs van zijn militair-zijn. Het militairisme lost geen enkele kwestie op; het hakt knoopen door en laat de kwestie voor wat ze was.
    Het militairisme is de georganiseerde uiting van de agressie en dus ook van de heerschzucht en hebzucht der Europeanen. Het feit, dat de volkeren militairisme en kapitalisme dulden bewijst, dat de heerschzucht en hebzucht en in het algemeen de meest primitieve agressie in de overgroote massa der menschen leeft.
    Was dit niet het geval, dan was er geen sprake van, dat er ooit een leger op de been gebracht zou kunnen worden en wanneer dit niet zou kunnen, zouden ook revolutionnaire legers niet slechts niet noodig, maar ook niet mogelijk zijn.
    De brute agressie is in onze samenleving niet meer mogelijk in den naaktsten vorm: openlijke veroverings- en vernietigingsoorlog enkel om het veroveren en vernietigen, zooals tot voor enkele eeuwen nog het geval was. Er moet altijd zooiets bijkomen van de plaats in de zon, het vaderland wordt aangevallen enz. enz. Zelfs Mussolini praat hierover.
    En hetzelfde geldt voor de ietwat verzachte vorm van natuurlijke agressie: de hebzucht. De roofridder bijv. is niet meer toegelaten in onze samenleving, maar wel de grootkapitalist - waarmede allerminst gezegd is, dat alleen de grootkapitalist zijn agressie als hebzucht kan botvieren; maar hij is de moderne roofridder, de plunderaar op groote schaal.
    In dit licht moet men ook alle gepraat over de "vooruitgang" beschouwen. Zeer zeker is er technisch vooruitgang; onze woningen, ook de moderne arbeiderswoning, biedt meer comfort dan het hoogadelijk slot voor duizend jaar; misoogst beteekent, in Europa althans, niet meer hongersnood, omdat het verkeer zoo verbeterd is, dat de tekorten onmiddellijk kunnen worden aangevuld; in enkele dagen reizen wij naar Indië, terwijl onze voorvaderen daarvoor maanden noodig hadden. En zoo kunnen wij doorgaan.
    Maar innerlijk is de mensch er niet op vooruitgegaan; evenals voor eeuwen gebruikt men kerker en folter om het meest tyrannieke gezag te handhaven; evenals voor eeuwen wordt de gewetensvrijheid beknot, want het geweten is niet alleen een kerkelijk godsdienstige aangelegen-

11

heid; evenals voor eeuwen is er gruwzame armoede tegenover mateloozen rijkdom; evenals voor eeuwen heerscht het zwaard: toen de adel, thans de militaire kaste.
    Wel is hij innerlijk verarmd, de Europeesche mensch, want alle schoonheid is uit het leven gebannen en vreemd is hem de natuur geworden. Prat gaan wij op onze techniek, maar al deze techniek heeft de levenszekerheid niet vergroot, de armoede niet opgeheven.
    En dit alles is niet te verklaren uit de slechtheid der kapitalisten, uit de gemeenheid der heerschers, want deze lieden zijn geen aparte menschensoort. De massa erkent, in haar overgroote meerderheid, de tyrannie, de onderdrukking en uitbuiting, juicht haar zelfs veelal toe. En dit bewijst, dat al deze onmenschelijkheden in Europeesch bewustzijn verankerd liggen.
    Ook buiten de kleine wereld der grootkapitalisten vinden wij de natuurlijke agressie, de vernietigingswil, heerschzucht, hebzucht.
    Het feit, dat de militaire bereidheid bestaat, dat de jeugd voortdurend in massa's naar de kazernes trekt en haar dienstplicht vervult; het feit, dat het kapitalisme standhoudt, alle verarming ten spijt;
    het feit, dat de vrouw in sexueele slavernij leeft en niet als mensch erkend wordt;
    het feit, dat de arbeid en daarmede de arbeiders veracht wordt. (De heerscher veracht altijd de overheerschten, anders zou hij ze niet overheerschen, want wie een mensch als mensch erkent, kan nooit over hem heerschen. Het Duitsche nationaal-socialisme praat niet voor niets zoo druk over "opheffing" van den arbeiders en gelijkstelling van werkgevers en werknemers);
    het feit, dat de staat bestaat en ook in het revolutionnair denken meestal meegedacht wordt ("staat" hier bedoeld als gezagsorganisatie):
    dit alles bewijst, dat de natuurlijke agressie en dus ook de heerschzuch en de hebzucht zich doen gelden in de meeste menschen.
    Hiermede wordt niet ontkend, dat er millioenen zijn, die eerlijk een betere samenleving nastreven, maar het is noodzakelijk, dat de mensch weet waar hij aan toe is.

III

    Welke argumenten voeren de heerschers alzoo aan om hun heerscherspositie recht te praten?

12

    De kapitalistenklasse beroemt er zich zeer sterk op ontzaggelijk veel welvaart gebracht te hebben, doordat zij enorme hoeveelheden producten aan de markt brengt, waarvan men vroeger niet gedroomd had; en dat ook de arbeidersklasse van dezen vooruitgang geprofiteerd heeft.
    Zeer zeker heeft het kapitalisme de goederenstroom mateloos doen aanzwellen, dank zij de enorme ontwikkeling van de machine.
    De verdiensten van de kapitalistenklasse in dit opzicht echter is maar zeer betrekkelijk. Want niet de kapitalisten hebben de machines ontwikkeld en voortdurend verbeterd, maar de intellectueelen.
    De kapitalistenklasse heeft alleen het belang van deze uitvindingen begrepen en er handig gebruik van gemaakt ten eigen bate.
    De kapitalisten, dat zijn de sterksten, hetzij door slimheid, hetzij door leugenachtigheid of door z.g. handigheid, hetzij doordat zij op eenigerlei juridische wijze bezit verwerven zonder hun toedoen, in ieder geval zijn het de sterksten en dit spreekt vanzelf in een wereld, die op de natuurlijke agressie, op geweldpleging gegrondvest is.
    Het recht bepaalt de grenzen, welke de agressie niet mag overschrijden, terwijl het tevens op agressieve wijze de resultaten der rechtens toegelaten agressie beschermt. Ook het woord "recht" is misleidend, want het suggereert het begrip zedelijkheid, terwijl het in werkelijkheid in hoofdzaak onzedelijk, want gereglementeerde agressie is.
    Dat de kapitalistenklasse zoodoende ook "welvaart" bracht aan de arbeiders is voor haar bijzaak; haar doel was: rijkdom en macht. Maar zij kon dit streven alleen verwezenlijken door in steeds grooter hoeveelheden goederen te produceeren.
    De kapitalistische productie is ingesteld op veel en meer, op de quantiteit, niet op de qualiteit.
    De kapitalisten en met hen vrijwel alle Europeanen, leggen den nadruk op het nut; alle industrieproducten zijn nuttig - tenminste dat wordt beweerd -, maar is volstrekt onwaar, tenzij men het begrip "nuttigheid" buiten elke grens van redelijkheid wil uitbreiden en elk product nuttig noemt, omdat het gebruikswaarde heeft. De moderne industrie levert een ongehoorde hoeveelheid prullen, die feitelijk nergens bruikbaar voor zijn en waaraan geen schoonheid te bedenken valt.
    Dit laatste geldt overigens voor vrijwel alle industrieproducten, ook al zijn ze z.g. mooi.
    Wil een ding werkelijk schoon zijn, dan dient het aesthetische eraan te overheerschen en niet het nuttige.
    Aesthetisch is iets, wanneer het verbeelding of verklanking der werkelijkheid is tot harmonie.

13

    Criterium (kenmerk) voor een kunstwerk is tevens, dat de liefde van zijn schepper tot het werk, weerklank vindt bij hem, die het aanziet of aanhoort, zoodat er tusschen deze en het kunstwerk eveneens een liefdeverhouding ontstaat, d.w.z. dat men het in zich opneemt, er innerlijk één mee wordt. Deze liefde sluit onmiddellijk uit, dat men het verbruikt.
    Alle industrieproducten worden niet alleen verbruikt (daarvoor zijn ze immers "nuttig"), maar bovendien zijn ze nooit aesthetisch, omdat ze nooit harmonisch zijn. Altijd is het éénzijdige eraan geaccentueerd; zo; bijv. is aan de stroomlijn-locomotieven en dgl. de snelheid geaccentueerd, dus het speciaal nuttige van deze voorwerpen. Hetzelfde geldt voor de moderne fabriek en dgl.; hoe "mooier" en "moderner", des te leelijker ze zijn, want des te eenzijdiger.
    Nemen wij de rhytmische beweging - deze is schijnbaar aanwezig in het moderne productieproces o.a. de arbeiders aan den loopenden band. Maar de lichaamsbeweging van den arbeider is volstrekt eenzijdig en dus niet harmonisch.
    Wij dienen te erkennen, dat men het moderne product mooi vindt, waaruit volgt, dat de mensch de zin voor schoonheid verloren heeft door het moderne productieproces.
    In de Middeleeuwen stond de kunst midden in het leven; sinds de Renaissance is zij er buiten geraakt en bijgezet in de musea en thans zijn wij verzeild in de leelijkheid.
    De "welvaart" door de kapitalistenklasse gebracht beteekent dus allereerst verlies van cultureele waarden - het verdwijnen der aesthetiek uit het leven - en verder hebben de kapitalisten de machine, de voorwaarde voor deze welvaartsmogelijkheid, niet zelf uitgedacht, alleen maar er beslag op gelegd om hun heersch- en hebzucht te kunnen botvieren.
    Terwijl aan het moderne product dus nooit schoonheid te bekennen valt, het altijd "nuttig" zijn moet, kunnen wij bovendien nog constateeren, dat het juist ten aanzien van de nuttigheid meer en meer degenereert.
    Meer en meer wordt n.l. de innerlijke waarde (nuttigheid) opgeofferd aan den uiterlijken schijn.
Laten wij hierbij even stilstaan.
    De beteekenis van een mensch wordt bepaald door wat hij bezit; verder speelt de mate, waarin hij zijn heerschzucht kan doen gelden een beslissende rol. Men spreekt van "invloedrijke" mannen; "die of die is onmetelijk rijk" enz.
    Deze waardeering staat op hetzelfde peil, als die van het kleine jongentje voor zijn grooten broer.
Dat onze samenleving dergelijke waardeoordeelen er op na houdt,

14

bewijst alleen hoe infantiel (kinderlijk) deze z.g. beschaafde samenleving is.
    Dit infantilisme is algemeen en de kapitalistenklasse speculeert goeddeels onbewust, want zij is ook infantiel - op het infantilisme der koopers.
    Infantiel zijn beteekent tevens: zich minderwaardig voelen; elk kind voelt zich minderwaardig tegenover de volwassenen, omdat het alles waardeert van de natuurlijke kant; de volwassenen zijn grooter, sterker, kunnen van alles, wat het kind niet kan, vandaar zijn minderwaardigheidsgevoel.
    Verkeerde opvoeding, de gezagsverhouding in het gezin, de ondergeschiktheid der vrouw, de maatschappelijke verhoudingen met haar armoede en rijkdom werken allen mede om het minderwaardigheidsbesef te bestendigen.
    Op alle wijzen streven de menschen ernaar dit minderwaardigheidsbesef te overwinnen, omdat het in conflict komt met hun agressie, als heerschzucht en hebzucht en met hun menschelijkheidsbesef.
    Zooals de kleine jongen tracht zijn grooteren broer en zijn vader te evenaren door hen te imiteeren, zoo streeft de niet-rijke er naar den rijken te evenaren door het hebben van veel z.g. mooie dingen.
    Dat dit de verkeerde manier is om eigen minderwaardigheidsgevoel te overwinnen, behoeft geen betoog.
    De kapitalistenklasse komt aan dit streven tegemoet, door aan het product een schijn van duurte te geven; dit gaat natuurlijk ten koste van de innerlijke waarde van het product.
    Bovendien komt zij onwillekeurig en noodgedwongen - de uitvindingen hielden niet op - door haar ongeremde productievermeerdering tegemoet aan de hebzucht der koopers, waarbij zij echter gedwongen wordt haar producten steeds goedkooper te maken. De wereld wordt volgepropt met leelijke rommel; alles wordt gericht op quantiteit en tenslotte slaat het veel om in teveel. Dit is de huidige crisis, voorzooverre deze economisch is.
    Het nationaal-socialisme heeft het probleem quantiteit-qualiteit ingezien; vandaar het redeneeren over herstel van het handwerk en terug naar het gildewezen. Dit is natuurlijk zinledig gepraat. Ten eerste doet dit "terug naar het gildewezen" denken aan de grijsaard, die hoopt op een verjongingskuur. En bovendien: de kapitalistenklasse heerscht en haar productie-organisatie is ingesteld op quantiteit.
    Recapituleerend: Europa streeft naar bevrediging van de hebzucht door steeds grooter hoeveelheden goederen te produceeren, waarvan

15

het werkelijk nut steeds minder wordt, waarbij meer en meer het wezen wordt opgeofferd aan den schijn.
    Dit is slechts mogelijk, omdat en voorzooverre Europa den schijn verkiest boven het wezen. Maar het bergt een ontstellend gevaar in zich, omdat door deze ontwikkeling de vatbaarheid voor het aesthetische en het ethische steeds meer wordt afgestompt.
    Voor werkelijke schoonheid en goedheid is geen plaats meer in de samenleving, zelfs niet meer voor werkelijke nuttigheid, alleen nog maar voor schijn-nuttigheid en schijn-goedheid.
    Hiermede wordt allerminst beweerd, dat de economische ontwikkeling alles bepaalt. Of een bepaalde economische ontwikkeling mogelijk is, hangt onder meer af van de psychische gesteldheid der menschen.
    De mensch zoekt sublimeeringsmogelijkheden; in hoeverre hem dit gelukt, hangt af van: aanleg; opvoeding; milieu.
    De opvoeding lijkt vooralsnog naar niets, maar is in het algemeen gericht op "iets worden" in de wereld, "netjes en fatsoenlijk" zijn, geld verdienen en dgl.
    Middelen om dit doel te bereiken zijn in 'hoofdzaak: orde, tucht, inprenten van gehoorzaamheid, eerbied kweeken voor het gezag.
    Dat het doel van alle opvoeding alleen mag zijn: een kind te leeren mensch te worden, wordt over het algemeen niet beseft en "van hoogerhand" zelfs ontkend. Want mensch zijn, wil zeggen vrij zijn, omdat het wezenskenmerk van den mensch is bewustzijn, dat abstract en dus ontastbaar en onaantastbaar is, dus vrij.
    Wie erkent, dat de mensch in wezen vrij is, zal zijn medemenschen werkelijk eerbiedigen en ze dus niet in den weg loopen. Hij zal dus begrijpen, dat hij zichzelf dient te beperken en dat zelfbeperking pas werkelijke vrijheid is.
    Hierop is de opvoeding niet gericht en het milieu - in den ruimsten zin is dat de samenleving - werkt in alle opzichten tegen.
    De godsdienst biedt geen werkelijke sublimeeringsmogelijkheid, omdat hij veel te zwaar beladen is met angst voor het zieleheil en bovendien doordrongen met gehoorzaamheidsbesef aan de hemelsche machten, waardoor het minderwaardigheidsbesef levend gehouden wordt in de menschen.
    Het geloof zoekt andere banen, het religieus besef andere mogelijkheden. Wij komen hierop nog terug; de ethiek (de leer van het goede) en de aesthetiek (de leer van het schoone) zijn uit de samenleving verbannen, terwijl de logica (de leer van het ware) door het opwoelen van allerlei troebele driften meer en meer buiten het bevattingsvermogen

16

der menschen valt. En dit alles beteekent, dat wij steeds verder teruggaan, dat het beetje beschaving, dat wij bereikt hadden ten onder dreigt te gaan en dat wij verder en verder van de cultuur verwijderd raken inplaats van erheen te streven.
    Militairisme, nationalisme, kapitalisme, heerschzucht en hebzucht, agressie in den slechtsten zin des woords leiden ons bliksemsnel naar den ondergang.
    Willen wij dezen alnog voorkomen, zoo dienen wij dit alles definitief te verwerpen en te streven naar bewustwording, want het bewustzijn zoowel het middellijke, als het onmiddellijke, is de volslagen sublimeering.
    Werkelijk bewust leven wil zeggen redelijk leven, maar dit vereischt zelfkennis, waaraan vrijwel nog alles ontbreekt in Europa.
    Alleen als wij dit bereikt hebben, zullen wij werkelijk cultureele wezens zijn; zoolang zulks niet het geval is, zijn wij wezenlijk nog barbaren. Maar alleen ook als wij dit bereikt hebben, zal de samenleving werkelijk menschelijk zijn.
    Er wordt veel gesproken over "bewust" en "bewustzijn" in Europa, alsof de Europeaan alleen maar bewustzijn is; en verder wordt er heel hoog opgegeven van het denken als het toppunt van alle menschelijkheid. Zeer zeker willen wij het denken niet onderschatten; en evenmin het bewustzijn, dat - zooals gezegd - het wezenskenmerk is van den mensch.
    Het wetenschappelijk denken is het kenmerkende van Europa; in dit opzicht onderscheidt de Europeaan zich van ander rassen - wat niet wil zeggen, dat de andere rassen het wetenschappelijk denken niet kunnen leeren; nergens ter wereld echter bereikte het een dusdanige duizelingwekkende hoogte als in Europa. Daarom verbeeldt de Europeaan zich dan ook, dat hij meer is dan alle andere rassen, en dit is een schromelijke vergissing. Hij is alleen maar a n d e r s. Geen enkel volk of ras is meer, dan een ander volk of ras. Het is moeilijk voor ons blanken om tot dit besef te komen, om te begrijpen, dat wij niet meer zijn, dan alleen maar een der talrijke verschijningsvormen der menschheid, dus van den mensch.
    De rol, welke Europa door zijn agressiviteit, gepaard met zijn wetenschappelijkheid, in de wereld speelt, onze opvoeding, de geheele Europeesche geschiedenis, dus de wordingsgeschiedenis van den Europeeschen mensch en derhalve van elk onzer, zijn alle factoren, welke ertoe leiden, dat wij onszelf overschatten. Weldoordacht zijn wij alleen maar anders, al is ons kenmerk het wetenschappelijk denken.

17

    En laten wij vooral niet te prat gaan op dit wetenschappelijk denken, wanneer wij ons klaar voor oogen stellen, waarheen het ons voert, n.l. tot de meest massale vernietiging, welke denkbaar is. Laten wij onze wetenschappelijke vernietigingswerktuigen niet vergeten, welke ertoe moeten dienen om de machtswil in staat te stellen zich genadeloos te doen gelden.
    Nog steeds kan Europa zich geen samenleving zonder macht voorstellen, macht van menschen over menschen. En dit is toch logisch doordacht onmenschelijk.
    Immers - aangezien de mensch in wezen bewuste natuur is, en dus ook bewustzijn, is hij in wezen ontastbaar en derhalve onaantastbaar en dus vrij. De eenige, die derhalve redelijkerwijze macht over hem mag uitoefenen is hijzelf.
    Elke andere machtsuitoef ening leidt tot den ondergang. Laat men niet zeggen, dat het altijd zoo geweest is. "Altijd" is een groot woord en hier volkomen misplaatst. Europa speelt nog maar zeer kort een rol in de geschiedenis der wereld, want wat beteekenen daarbij een paar duizend jaar.
    En in de paar duizend jaar zijn al verschillende "wereldrijken" in Europa ondergegaan: dat van Alexander den Grooten, het Grieksch-Romeinsch Imperium, het Spaansche wereldrijk en het rijk van Napoleon.
    Als deze rijken berustten op macht en dus op geweldpleging; en ofschoon toegegeven moet worden, dat het geheele verleden logisch noodzakelijk was, desondanks wordt het tijd, dat wij ons bezinnen. Nog steeds gelooft Europa aan de macht, als de onmisbare factor; nog steeds gelooft het niet aan menschelijkheid.
    De Europeesche mensch overschat den geest onmatig, beschouwt het denken, als het eenige, wat de wereld vooruit helpen kan, ofschoon er teekenen zijn, die op een kentering wijzen.
    Hoe hoog wij het denken ook mogen aanslaan - het is toch altijd maar één zijde van het volle menschenleven, en wel de typisch manlijke zijde. Maar de Mensch is niet alleen manlijk, de Mensch is ook vrouwelijk, en het essentieel vrouwelijke is het "gevoelsleven", niet echter in den zin van sentimentaliteit, maar in dien van het onmiddellijke weten, het irrationeele weten, het weten zonder over het gewetene eerst te hebben gedacht. Het is meer dan alleen intuïtie, het is ook het geniale. Vrouwelijk is, dat uit het onbewuste rechtstreeks het juiste inzicht doorbreekt in het bewustzijn, buiten alle verstandelijkheid om.
Niet dat het denken aan de vrouw vreemd is, echter is het voor haar

18

in hoofdzaak de controleerende en aanvullende functie, terwijl het voor den man hoofdfunctie is, "het gevoelsleven" in den zin van onmiddellijk weten bijzaak.
    De onderschatting van het vrouwelijke in Europa is oorzaak, dat de man zich meestal schaamt voor zijn gevoel, omdat men er een bewijs van zwakte in ziet, wat volkomen absurd is.
    Europa wordt nu eenmaal door het manlijk denken beheerscht; het vrouwelijk "gevoelsleven" speelt geen rol, behalve dan een zeer ondergeschikte. En toch is het onmisbaar, omdat Europa zonder de volle medewerking van het vrouwelijke in den mensch eenzijdig en dus verkeerd leeft.
    In geen enkel opzicht is het vrouwelijke minderwaardig aan het manlijke.
    Het feit, dit niet te hebben ingezien, is oorzaak, dat wij thans in zoo onheilspellend tempo in de barbaarschheid terugzinken, want de overschatting van het manlijk denken dreef het Europeesch besef tot een angstwekkende eenzijdigheid en dit beteekent onevenwichtigheid, misvorming van het menschzijn.
    Als denken laat de natuurlijke agressie zich op abstracte wijze gelden; bij den man ligt het accent op de agressie; bij de vrouw op het sexueele, dat zich abstract laat gelden als liefde.
    Zonder erkenning van de vrouw als gelijkwaardige, zonder erkenning van het vrouwelijke, blijft Europa liefdeloos en zal er de haat heerschen.
    Liefde - dat wil zeggen zich één voelen met het andere van onszelf, onmiddellijk, volslagen één willen zijn, zonder iets dat scheidt, dus o; zonder het - middellijke - denken.
    Liefde - dat is het zich één voelen van het individu met de menschheid; het zich één voelen van het individu met de natuur, het leven, de oneindigheid; met een man of een vrouw; maar hoe ook - als het zich één voelen met het andere is het altijd het zich volmaakt en daardoor zich gelukkig voelen.
    De onderschatting en derhalve de verachting van het vrouwelijke en daarmede van de vrouw is oorzaak, dat de wereld der Europeanen vergiftigd is van vernietigingswil, strijdlust, machtshonger, armoede, angst en haat.
    En toch weet de wereld, zoowel Oost, als West, dat alleen het vrouwelijke de wereld redden kan. Isis, Kwan Yin, de Madonna, - altijd brachten vrouwen voor religieus besef den wereldverlosser, d.w.z. de redding der wereld.

19

    De vrouw alleen kan de wereld redden. d.w.z. het vrouwelijke, de Liefde.
    Hiermede wordt niet bedoeld, dat alleen het vrouwelijke de wereld moet regeeren; wij moeten niet in een andere eenzijdigheid vervallen; maar zonder de volkomen erkenning van de gelijkwaardigheid van het vrouwelijk en het manlijk menschelijke, kan nimmer de Mensch in Europa zich ontwikkelen en dus nooit de menschelijkheid.
    Zooals gezegd, deze verandering van bewustzijn is in aantocht, allerlei teekenen wijzen erop.
    En daarmede is tevens gezegd, dat alleen de verinniging, de inkeer tot onszelf, het afdalen in ons innerlijk, waarvan Freud de poorten openbrak, Europa redden kan.
    Dit vraagstuk is het essentieele van onzen tijd, hierin culmineert de crisis. Wordt dit niet opgelost, dan zal de agressie, welke thans onbegrensd heerscht in Europa, ons werelddeel medesleuren in een tuimel van bloed, angst en waanzin.
    Spengler voorspelde den ondergang van het Avondland en zijn voorspellig vond zoowel bijval als bestrijding.
    Zijn voorspelling is juist, echter alleen in dien zin, dat het Avondland (misschien eerst na door den vuur- en staalorkaan gegaan te zijn, waarvan velen droomen) een verandering van bewustzijn zal ondergaan, dat het het vrouwelijke zal erkennen en de vrouw zal verheffen tot den rang, die haar krachtens haar wezen toekomt.
    Al letten wij alleen maar op het terugdringen der vrouw in de sexueele slavernij en de minachting, waarin zij sinds eeuwen verkeert, en verder op het razend verzet der Europeesche machthebbers tegen het socialisme, dat op zijn wijze een streven is naar menschelijkheid, dus naar volmaaktheid.
    De fout van bijna alle "socialisten" is, dat zij gelooven in de macht, in het geweld; dat zij vrijwel uitsluitend wetenschappelijk zijn, al is dan ook voor de aanhangers hun bepaald socialisme in hoofdzaak een kwestie van gevoel. Dit zou een voordeel zijn, ware het niet, dat dit gevoel al te veel agressief gericht wordt en op materieele doelstellingen alleen, d.w.z. op één zijde van het leven.
    Weldoordacht kan socialisme niet anders zijn dan liefde tot de menschheid, eenheid van individu en menschheid en dus is het het tegendeel van vernietigingswil, machtswil, heerschzucht en hebzucht en is het niet alleen een wetenschappelijke kwestie.
    Het materialisme in Europa is een logisch uitvloeisel van de Europeesche geestesgesteldheid, welke zich in haar razende dynamiek laat gel-

20

den als imperialisme, oorlogsbereidheid, heerschzucht, macht over menschen en dingen, waarin alle contact met het innigste innerlijk is zoek geraakt, waarin voor liefde geen plaats is.
    De Europeaan wil weten - kennis is macht - om zijn heersch- en hebzucht te kunnen bevredigen. Zoo tracht hij menschen en dingen te onderwerpen, pluist ze uit om ze zoodoende maximaal te kunnen exploiteeren. Met een razende hartstocht heeft het blanke ras zich op de natuur geworpen om haar te leeren kennen, te binden en te gebruiken ter stilling van zijn mateloozen machtshonger. En hierbij vergat de Europeaan zichzelf, vergat hij mensch te zijn, vergat dat hij ook nog een innerlijk heeft; alleen het verstand was belangrijk, om de materie te leeren kennen en te exploiteeren ten eigen bate.
Verstand en materie.
    Toen kwam Einstein en bracht de geheele natuurwetenschap, de wetenschap van het materieele aan het wankelen. Dit is nog in geenen deele doorgedrongen tot Europeesch besef.
    En ook kwam Freud en hij brak de poorten der ziel open en toonde den Europeaan, dat er ook nog iets anders is, dan geest en stof.
    Dat Freud hierbij aanvankelijk nog in hoofdzaak materialistisch dacht, is van geen belang. In onzen tijd ontwikkelt de wetenschap zich in razend tempo en het Freudsche materialisme is sindsdien in de psychologie reeds overwonnen, gedeeltelijk ook door Freud zelf. Ook Freud en Einstein zijn symptomatisch voor de verandering, welke zich in Europeesch bewustzijn voltrekt. Niet alleen echter symptomatisch: het denken en werken van deze twee mannen betekent een definitieve inbreuk in het Europeesch bewustzijn; zij helpen door hun werk den weg bereiden voor de erkenning van het vrouwelijke; juist daarom is hun werk zoo belangrijk, omdat zij beide uitgaan van de materie, waaraan de Europeesche mensch zoo onmatig veel waarde hecht, meer dan aan iets anders, ook al is hij kerkelijk of godsdienstig, al doet hij aan kunst of wetenschap.
    Nu moet men beide mannen niet gaan beschouwen als incarnatie van de waarheid en de vroegere denkers verwaarloozen of onderschatten, of wegwerpen als onbruikbaar. Geen der groote denkers in de geschiedenis van Europa is te missen; ieder denken ontwikkelt zich aan dat van anderen. Het bijzondere belang van beiden is, dat zij uitgaan van het materialisme, verstandelijk materialistisch denken en in hun theorieën tevens het materialisme ondermijnen.
    Degene, die den eersten stoot gaf tot overwinning van het materialisme was Karl Marx, hoe absurd deze bewering ook moge klinken.

21

Marx toch doordacht het materialisme wijsgeerig en maakte het daardoor tot cultuur. Ten onrechte noemt hij zichzelf dialecticus; was hij dit geweest, dan zou hij nimmer tot een zoo groote eenzijdigheid vervallen zijn, als tenslotte het geval was en waarop o.a. Friedrich Engels gewezen heeft.
    Maar aan den anderen kant zou hij dan ook niet den storm van protest hebben doen opwaaien, tegen zijn vlijmende critiek op de kapitalistische samenleving, welke storm nog steeds onverminderd woedt en zelfs met den dag toeneemt.
    En evenmin zou zijn leer dan tot een geloof geworden zijn, wat zij momenteel is, juist door haar begripsverenging, kenmerk, maar tevens kracht van elke geloofsovertuiging.
    Elk geloof is - juist omdat het begripsverenging is - onverdraagzaam: Islam, Christendom, Bolsjewisme; maar terwijl de eerste twee gelooven reeds lang hun stootkracht verloren hebben, is dit met het Bolsjewisme nog niet het geval, ofschoon het met den dag meer verzwakt en meer in het defensief overgaat. In het overige Europa treedt tegen het bolsjewisme een ander geloof als concurrent op: het fascisme.
    Terwijl echter het Italiaansch fascisme zich beperkt tot vergoddelijking van den staat, een tamelijk zwak fundament, omdat het al te veel gebruikt is, heeft het Duitsche zich een veel hechtere geloofsbasis verschaft door de rassentheorie, de leer van bloed en bodem. Hierdoor speculeert het Duitsche fascisme op oer-instincten: o.a. grensfetischisme, de mystiek van het bloed, het geheimzinnig levenssap, het moedercomplex, terwijl het bovendien door de leer van de superioriteit en de wereldzending van het Duitsche volk het minderwaardigheidscomplex en de angst der individuen helpt overwinnen - althans in schijn.
    Als geloof is het sterker, dan het Italiaansche fascisme; zijn stootkracht is dan ook evenredig grooter. Aan beide fascismen gemeen is de eenheidsgedachte, welke gepredikt wordt als theorie van den autoritairen staat; en dus prediken beide in schijn de liefde, immers op volslagen verkeerde wijze, wat niet anders beteekent dan dat beiden den haat prediken.
    De liefde van het fascisme tot den staat, het volk, het ras, de natie is een liefde, "die grenzen kent", want zij houdt op bij de landsgrens, - althans de begeerde landsgrens; tot liefde tot de menschheid, dus tot menschenliefde komt het niet.
    De liefde tot het eigen superieure volk beteekent tevens verachting voor de andere volkeren en daarom heerschzucht ten aanzien van de andere volkeren, heerschzucht en hebzucht, dus vernietigingswil.

22

    Het fascisme is zoodoende niet anders dan sadisme, vandaar dat het het sadisme vertoont, moet vertoonen. En omdat het wezenlijk sadisme is, heeft het geen toekomst en staat het verre ten achter bij Islam, Christendom en Bolsjewisme. Want - ofschoon deze uit den aard der zaak, n.l. als geloof, schrikbarend agressief waren - zij predikten niet de superioriteit van het eigen volk, maar die der eigen leer; en zoodoende predikten zij ieder op zijn wijze, de menschenliefde, de eenheid der menschheid. Dat zij deze eenheid op verkeerde wijze wilden verwezenlijken, n.l. door geweld, was oorzaak, dat zij allen mislukten en tevens bewijs, dat zij de menschelijkheidsgedachte niet begrijpen en evenmin de eenheids-idee.
    De godsdienst predikt de eenheid in het hiernamaals, ontkent zoodoende de eenheid op aarde en daarmede de menschenliefde.
    Het Bolsjewisme predikt weliswaar een bepaalden vorm van eenheid van menschen en volkeren, maar is volslagen materialistisch ingesteld, heeft het verstandelijk materialisme als geloofsinhoud en bestendigt zoodoende de overschatting van het manlijke en daarmede de agressie, de machtswil, de vernietigingsdrang.
    De principieele fouten van het Marxisme vertoonen zich in en als Bolsjewisme, maar hierin zit tevens een onberekenbaar voordeel, juist om de reactie, welke hierdoor tegen het Marxisme wordt opgeroepen.
    Niet het fascisme is hierbij als reactie van belang, omdat het het Marxisme eenzijdig ontkent; en het behoeft geen betoog, dat het eenzijdig ontkennen van een geniaal denker als Marx alleen maar dom is.
Een eenzijdige ontkenning beteekent, dat men zelf in een eenzijdigheid vervalt.
    Bolsjewisme en fascisme zijn overigens elk op hun wijze een bewijs, dat Europa een geestelijke crisis doormaakt en dat er een geestelijke kentering plaats vindt, hoe verward, verkeerd, sadistisch het fascisme ook moge zijn. De Europeesche menschheid en in het bijzonder de jeugd zoekt naar een betere, een menschelijke samenleving, zij vraagt een nieuw geloof, zij eischt levensgeluk, dat in Europa teloor gegaan is, zij eischt een uitweg.
    Het élan van bolsjewisme en fascisme bewijst de geestelijke spanning, de geestelijke crisis, waarin Europa verkeert. Allerwege streeft men er daarom naar den uitweg te vinden, een nieuwe vorm van samenleving, een andere geestesgesteldheid.
    Van belang is daarom ook, dat ernaar gestreefd wordt het materialistisch denken wetenschappelijk te overwinnen en dit geschiedt ten aanzien van het Marxisme o.a. door Wilhelm Reich e.a., die ernaar streeft

23

door versmelting van de denkbeelden van Marx en Freud het Marxisme op hooger niveau te brengen, wat hij overigens vooralsnog verkeerd doet, omdat hij hierbij de psychologie verstandelijk materialistisch doordenkt, een essentieele fout, omdat de psyche niet eenzijdig materialistisch bepaald is. Zoodoende blijft Reich in de eenzijdigheid steken en dient zijn zienswijze overwonnen te worden. Desondanks beteekent zijn pogen, een door hem ongewild streven naar overwinning van het eenzijdig materialisme en daarmede van de suprematie van het manlijke in Europa.
    Deze crisis is in de allereerste plaats een geestelijke crisis; zij betekent een keerpunt in de geschiedenis van Europa. Ofschoon alle regeeringen, ook de Nederlandsche bij monde van onzen ministerpresident, verklaren, dat deze crisis principieel anders is dan alle voorgaanden, zoeken zij allen "genezing" van de economische zijde, omdat zij nog alleen maar materialistisch denken. Het wemelt van plannen en rapporten, zoo van kapitalistische, als van socialistische zijde, en al deze plannen beoogen economische reconstructie, eventl. economische revolutie.
Maar weerklank vinden zij niet of bijna niet.
    Bolsjewisme, fascisme en nationalisme kunnen al evenmin uitkomst brengen, omdat zij geen wezenlijke geestelijke omwenteling beteekenen.

    De redding van Europa is slechts te verwachten van een innerlijke ommekeer, een volledig inzicht in den mensch en in de wereld, opdat de overschatting van het intellect overwonnen worde en daarmede de vernietigingswil, de heerschzucht en de hebzucht; opdat de machine niet meer de beheerscher der wereld zij, maar dienaar der menschheid; opdat het vrouwelijke en daarmede de vrouw eindelijk geplaatst worde in den rang, die haar toekomt; opdat tenslotte niet de macht en de gehoorzaamheid, maar liefdevol de Rede heersche, en hierdoor

de Mensch.

Amsterdam, October 1935