Index-
pagina



Teneinde de leesbaarheid te verbeteren, heb ik aanhefteksten in 
vet gezet en extra lege regels tussengevoegd. (FdZ)
De getallen tussen haakjes() verwijzen naar het register op
de laatste pagina. 

 




	
	    Een filosofische 
	      beschouwing 
	     over de bijbel

           

V O O R W O O R D Van 1935 tot 1971 heeft Mr. Drs. Anton Börger (16-9-092 - 11-11-1971) vele cursussen gehouden over veler- lei onderwerpen. Uiteraard waren al die cursussen een uit- vloeisel van zijn denken, waarin één ding altijd centraal stond: de menswording. Heel sterk kwam dit tot uiting in zijn cursus over de Bijbel, die hij, over tien avonden verdeeld, in Mei en Juni 1951 hield. Op die avonden dacht hij zijn toehoorders vóór over datgene, waarover hij grondig had na- en dóórgedacht. In mij kwam de behoefte op om over zijn vóórdenken nog eens na te denken en ik kon dit doen, dank zij het feit dat een medecur- sist, de Heer C.Joon, mij de aantekeningen, die hij van boven- genoemde Bijbelcursus had gemaakt, ter beschikking stelde. Om dit echter vast te houden en er eventueel later nog eens over na te kunnen denken, wil ik deze aantekeningen in een iets gewijzigde redactie en aangevuld met wat eigen gedachten hier- na laten volgen. Om zijn, voor niet-filosofisch geschoolde toe- hoorders, vaak toch wel moeilijke gedachte-ontwikkeling te ver- duidelijken kwam Börger in de tweede en volgende avonden vaak nog eens terug op wat hij de avond(en) daarvoor ontwikkeld had. Gelukkig heeft Joon deze, zeker voor mij wel noodzakelijke, herhalingen ook in zijn aantekeningen opgenomen en ik zal dat in de pagina's hierna, enkele m.i. overbodige herhalingen uitgezonderd, ook doen. Dit heeft dan wel tot gevolg dat het weliswaar een logisch opgebouwde gedachtengang zal worden, maar, literair gezien, onder de maat moet blijven. Amsterdam, Februari 1987. H.C.M.Nijpels ************ -1- De Bijbel is wezenlijk de grondslag van onze West-Europese cultuur omdat deze de Christelijke cultuur is, de cultuur, waarin de mensheid als vrij wordt gesteld. Wat is de Bijbel verder nog ? God's woord, zeggen velen, maar evenveel zien daarbij niet in, dat God, zoals die in het Christendom wordt gesteld, totaal niets te maken heeft met Jahwe (Jehova, Adonai), de God der Joden, die donderaar uit het Oude Testament. Het Oude Testament is een samenbundeling van velerlei verhalen, goeddeels niet van Joodse (Hebreeuwse) oorsprong, maar aangepast aan de latere Joodse godsdienst. Er zal ver in de geschiedenis teruggegaan moeten worden; tot zelfs 4000 à 5000 jaar voor Christus, tot de oude rijken van het nabije Oosten: Syrië, Babylon, Perzië, Medië en Egypte. Vooral Egypte is zeer belangrijk. Eerst aandacht voor de oude Hebreërs, waar- van overigens niet zo heel veel meer vast staat dan dat het Semieten waren, waarschijnlijk een menging van en met vooraziatische uitlopers van het Alpineras, dat ook in Europa vertegenwoordigd was, maar hier later door de Kelten werd overheerst. Semieten, dus geen Ariërs, die in Azië een grote rol hebben gespeeld. De opvatting, die Hitler c.s. omtrent Ariërschap verkondigden had overigens met het wezen hiervan weinig of niets uit te staan. Ook het tegenwoordige India werd destijds door de Aziatische Ariërs veroverd. In die oude tijden vonden talrijke volksverhui- zingen plaats, zoals ook in Europa. In de periode van ca. 2000-1250 v. Chr. waren er een of meer grote Semietische volksverhuizingen. Deze volken waren vaak niet meer dan zwervende herdersvolkjes, Bedouïnen. Veel van de koningen, die in het Oude Testament genoemd worden, waren dan ook slechts herdersvorsten. De Hyksos, bekend om hun invallen in Egypte, waren misschien zg. Jacobs-stammen. Het is wonderlijk dat er omtrent het verblijf der Joden in Egypte historisch zo weinig zekerheid is te krijgen. Wel mag worden aangenomen dat zij er niet zo heel lang zijn geweest, naar schatting hoogstens een eeuw. Hierbij valt op te merken dat de door de Bijbel gegeven dateringen over het algemeen totaal fout zijn. Jahwe was niet oorspronkelijk de God der Joden; zij hadden niet zo veel origineels. Jahwe, Jehova is waar- schijnlijk ontstaan uit o.m. Jahoe, die reeds zeer lang voor Mozes bekend was. Achter Mozes zou een vraagteken geplaatst moeten worden. Zijn bestaan staat niet historisch vast, wat overigens niet zo belangrijk is. Mozes heeft de oude Jahwe op een veel hoger plan geheven. Van het Mozaïsch godsbegrip kwam uiteraard onder het volk niets terecht, wat echter ook gezegd kan worden t.a.v. de Christus-idee. Jehova zou alleen geest zijn, wat wel erg sober was voor het volk in vergelijking b.v. met de pracht en praal van de Baäl-cultus (de Gouden Beker cultus). Alleen maar geest, verder volstrekt onbepaald, zodat zelfs de naam van God niet uitgesproken mocht worden, behalve in de tempel. Een naam is immers een bepaling en dus een beperking. Het Oude Testament kregen wij niet van de Hebre- ërs; de meeste verhalen zijn daarvoor te oud en in die oude -2- rijken te veel voorkomend. Alles is zeer geleidelijk gegroeid, uit welk groeiproces zich tenslotte, ca. 1250 jaar v. Chr. de Joodse godsgedachte kristalliseerde. De oude Hebreërs leefden in elk geval nagenoeg zeker nog grotendeels van de jacht. De strijd om de voorrang van jacht of veeteelt/landbouw wordt uitgebeeld in de strijd om het eerstgeboorterecht tussen Ezau en Jacob! (1) Het Paradijsverhaal (2) is ook in Egypte te vinden; het is daar waarschijnlijk overgenomen uit Babel, evenals het zondvloedverhaal (3) (Assyrië-Babylon). Er heeft historisch ver- moedelijk wel zo iets als een zondvloed, althans een zeer grote overstroming, plaats gevonden. Er zijn "theorieën" over millioenen jaren geleden plaats gehad hebbende botsingen tussen planeten en/of meteoren met de aarde of de dampkring daarvan. Ook de doortocht van de Hebreërs door de Rode Zee zou met deze theorie te verklaren zijn (zie Immanuel Velikovs- ky: "Werelden in botsing"). Overigens staat met deze redelijk zeer aanvaardbare theorie de historiciteit niet vast. Het in de Bijbelverhalen beschreven leedrijke leven der Joden in Egypte was waarschijnlijk, wat wij nu noemen een "minderhedenkwestie". Overigens zal het leed wel niet zo erg geweest zijn, want in die tijd was ras-discriminatie nog totaal onbekend. Zo is er b.v. zelfs eens een Neger Farao geweest en werd Jozef, de zoon van Jacob, onderkoning van Egypte. Eigenlijk is de ras-discriminatie door de Joden in de wereld gebracht, aangezien zij zich (later) gingen beschou- wen als het uitverkoren volk. Deels was dit terecht, aange- zien en voor zover zij het eerste volk ter wereld waren, dat stelde dat God alleen zuiver geest is, hetgeen een enorme vooruitgang van de menselijke geest mag heten. Zij beschouw- den echter alle andere volken op grond van hun eigen "uit- verkorenheid" als minderwaardig en dat is toch wel ras- discriminatie. In die oude tijden was het mensdom vanzelfspre- kend nog niet gekomen tot het streng logisch denken; het den- ken was nog volkomen in de symboliek bevangen en dus nog geen redelijk, zuiver denken. Deze symboliek vertoont echter een wonderlijke diepte. De Babylonische God streed tegen de draak. Deze is symbool voor het water (golving van de figuur), de list, de duisternis en dus ook het onderbewustzijn, de intuïtie. Deze rol wordt in het Paradijsverhaal (2) vervuld door de slang, die symbolisch de gelijke van de draak is. Genoemde God onder- werpt de draak, overwint dus de duisternis; de mensen wisten wel dat het om het licht ging en gaat. De Perzen beleden dan ook een licht-godsdienst, een licht-cultus. De Licht-God was natuurlijk de God van het Goede. En deze God doet evenals de Bijbelse zijn Licht schijnen over goeden en kwaden gelijkelijk. Hier dus weer Perzische origine. Het Brahma is het toppunt van negativisme, volslagen wezenloos, leeg. Brahmanisme is atheïstisch. Boeddha trok uit het Brahmanisme de uiterste consequentie, zeggende: wanneer de werkelijkheid slechts een boze droom van het Brahma is, dan bestaat er helemaal geen werkelijkheid, is alles maar verbeelding. Logisch doordenkend zouden wij dan kunnen zeggen dat als deze boze droom de enige inhoud van het Brahma is, deze het Brahma IS; en aangezien ook een droom -3- een realiteit is, nl. een des geestes, zou hieraan te verbin- den zijn dat dus de werkelijkheid in wezen alleen maar denkbaar- heid is. Dit kon Boeddha natuurlijk niet. Ondanks de volslagen leegheid, onbepaaldheid van het Brahma, vermocht toch het volk der Hindoes zich Brahma-beelden te maken. Hetzelfde beeld dus als bij de Joden: het volk komt aan het zuivere niet toe. Of Boeddha als reëel persoon bestaan heeft is niet vast te stel- len. Indien wel, dan toch in elk geval omweven met een grote dosis legende; denk b.v. aan zijn geboorteverhaal. India is zelf de droom, het nog niet bepaalde. Alle godsdienstige gedachten zijn openbaring van het onderbewustzijn van de mens. Alle Goden zijn door de mensen uitgedacht, geschapen. Het heeft weinig zin een persoon aan te wijzen bij wie deze openbaring zich heeft ge- manifesteerd; veelal is dit ook niet mogelijk. Verder is hierbij te bedenken dat in de oude verhalen alles steeds in een of meer bepaalde personen wordt gefigureerd. Het gaat er alleen om dàt de openbaring heeft plaats gevonden en dus is geworden tot een geestelijke verworvenheid van het mensdom. Niet elke godsdienstige gedachte wordt uitge- drukt als God of Godin. Zo hebben de Chinezen b.v. geen Goden of Godinnen, doch slechts een algemeen religieus gevoel, dat wordt uitgedrukt door het Tao. Chinezen hebben dus eigenlijk geen godsdienst, maar een religie (van Latijn: religere = bin- den), omdat zij geen God dienen, maar een algemeen religieus ge- voel hebben dat hen bindt. Het Scheppingsverhaal. (4) In den beginne bracht God orde in de chaos. Zijn eerste scheppingsdaad was het bevel: daar zij licht. Atheïsten beweren dat dit niet klopt omdat de lichtgevende hemellichamen, zonder welke geen licht (zo zeggen zij), pas later kwamen. Toch klopt het wel. Wat zou er aan schepping zijn waar te nemen in de volstrekte lichtloze duisternis ? Bovendien is aan het lichtgeven toch altijd het begrip, het principe van het licht voorondersteld. En verder. God MOET, gelijk al zijn voorgangers (denk aan de draakgeschiedenis) be- ginnen met de duisternis te overwinnen, te ontkennen, haar als eerste te stellen van het dialectisch beginsel van alle werke- lijkheid. Het Scheppingsverhaal klopt wel met onze weten- schap, al is er natuurlijk geen kwestie van dat dit een werk van zes dagen was. Wij moeten hiervoor zien: phasen, zonder na- dere bepaling van de duur van elk dier phasen. De Bijbel geeft deze volgorde: Licht (een "big bang ?")- dode materie - leven - mens. Het woord Adam betekent: mens. Waarom eerst Adam ? Omdat immers tenslotte DE MENS moest verschijnen, de mens, die speci- aal gekarakteriseerd wordt door de geest, het denken, en het denken is een typisch manlijke eigenschap. Wil het denken zich echter verder ontwikkelen en zichzelf doordenken, dan zal het eerst geboren moeten worden en wel uit de intuïtie, die onmid- dellijk is en dat is het vrouwelijke: Eva. Het vrouwelijke, Eva dus, moet komen om het manlijke (Adam), dat er in aanleg dus al is, de mogelijkheid te verschaffen zich te ontwikkelen, het voort, verder te brengen. En dus komt Eva uit een rib van Adam en Jezus Christus uit de Heilige Maagd (onbevlekte ontvangenis, dus ook onmiddellijk). Het is hier op zijn plaats er op te wijzen dat met "het manlijke" en "het vrouwelijke" niet "de man" en "de vrouw" bedoeld worden. Het zielebeeld (Jung) van elk mens -4- toont verscheidene aspecten. Zowel man als vrouw hebben een manlijk en een vrouwelijk aspect. Bij de man noemt Jung het vrou- welijk aspect Anima, bij de vrouw het manlijk aspect Animus. Het is dus niet juist om te stellen dat een vrouw niet zou kunnen denken of dat een man geen gevoel of intuïtie zou kunnen heb- ben. Ook het verstandelijke denken (de medische wetenschap) heeft ontdekt dat de hersenen van elk mens een gevoels-(vrou- welijk) en een verstands- (manlijk) centrum hebben. Verder valt te zeggen dat de vrouw de waarheid van de man is: het begin- sel is in het begin voorondersteld. God is een begrip, een gedachte, het volmaakte, de Idee, Idealiteit en dit alles is alleen maar denkbaar, KAN dus niet "bestaan". God is volmaakt, dus moet hij ook het Kwade (de duivel) in zich hebben, zo niet, dan mist hij iets en is dus niet volmaakt. Daar God zijn schepping (= Alles = Heelal het hele Al) kan omvatten en begrijpen, zegt dus eigenlijk de Mens, die hem heeft uitgedacht, dat hij, de Mens, ook alles kan begrijpen. Omdat de Mens heeft ingezien dat alle "zijn" - "worden" is, zal hij ook begrijpen dat de schepping geen klaar afgewerkt product is, doch voortdurend evolueert = wordt. Het "Zijn" moet er zijn, wil het "Niet Zijn" er zijn en omgekeerd. In de gangbare opvattingen heeft God de schep- ping gemaakt zoals een meubelmaker b.v. een kast; hij heeft die schepping buiten zichzelf gesteld en vindt derhalve, zo gaat onze redenering dan verder, zijn grens aan zijn schepping en is dan niet meer oneindig, niet volmaakt dus en dan ook geen God. Zuiverder is dus de opvatting dat God alleen te kennen is in en als zijn schepping. De schepping IS God, hij kan niet anders dan scheppen. Hij schept het Heelal, dat is Alles. Hij is dan ook almachtig. Met het scheppen van de mens manifesteert zich den ook het Kwaad, dat in de schepping en dus in God aanwezig is. Schepping en Heelal zijn synoniem. God is dus ook (in het) Heelal. Logisch, want als God niet tot het Heelal zou behoren, dan is het Heelal niet het hele Al, omdat God er dan aan ontbreekt. Wanneer volgens het scheppingsverhaal in de Bijbel het werk gedaan is ziet God er naar en bevindt dat het zo goed is, d.w.z. dat het in overeenstemming is met zijn be- grip, het wezen van God. Dat hij dan daarna de zondvloed doet plaats vinden is niet erg logisch. Dat gebrek aan logica hoe- ven wij de schrijvers van de Bijbel niet te verwijten; de mensheid stond nog naar in zijn kinderschoenen en dan is het logisch denken nog niet zo bijster ver gevorderd. De gedachte-ontwikkelingen in de voorgaande alinea's is bij eerste lezing moeilijk te vatten. Zij komt hier- na echter nog herhaaldelijk in een andere vorm terug en wordt dan vanzelf begrijpelijker. Hetzelfde geldt voor het begrip "het denken", waarmee hier altijd het "zuiver (= redelijk) denken" en zeker niet het verstandelijk denken wordt bedoeld. Verstan- delijk denken komt tot een conclusie, bewijs, of theorie, analy- seert en gaat dan niet verder, terwijl zuiver, redelijk denken alles samendenkt, doordenkt en altijd doorgaat, op weg naar de waarheid en die staat nooit stil. De slang in het Paradijsverhaal is het beginsel van se list, de intuïtie, het onmiddellijke inzicht. Vanzelf- sprekend moest dus Eva Adam verleiden (inspireren). Zij, als -5- vrouw, is immers inituïtief, bereikt dus onmiddellijk het in- zicht, wat de man zich moeizaam moet bedenken. Ze eten dan van de vrucht (5) van de boom van de kennis van het onderscheid tussen goed en kwaad. Dan zegt God: Zie, de mens is ons gelijk geworden, zodat er geen reden is om, zoals de kerkelijken doen, God hemelhoog te verheffen en daar- tegenover de mens zo diep mogelijk te vernederen. Zolang Adam en Eva in het Paradijs vertoefden waren zij nog niet werkelijk menselijk; zij leefden in een dieren- tuin. Nu, na de appel, weten zij waarom het gaat: de strijd tegen de natuurlijkheid = mens-zijn. Aangezien dit zeer moeilijk is, lezen wij; "in het zweet uws aanschijns". (6) Nu gaan zij zich ook kleden, voorlopig nog spaarzaam, nl. alleen de geslachtsdelen worden bedekt, wat begrijpelijk is, omdat deze zijn op te vatten als concentratiepunten van de natuurlijke wil. Er zijn mensen, die zeggen: Hadden Adam en Eva maar nooit van die appel gegeten, dan waren wij nooit in deze bende terecht gekomen. Een nogal kinderlijke opvatting. Immers, wie dit zegt geeft kennelijk de voorkeur aan dierentuintje spelen (om met Börger te spreken: vreten, zuipen en hoereren) boven de- ongetwijfeld veel moeilij- ken- strijd tegen de natuurlijkheid. Overigens ook een zeer egoïstische opvatting, want als wij nooit tot de kennis van het onderscheid waren gekomen, dan zouden er nooit mensen gekomen zijn met een geestelijk leven, dan zouden nooit mensen de weg naar de waarheid gevonden hebben en nog kunnen vinden, niet zo een best werkstukje dan van God. En tenslotte: Adam en Eva hebben van de appel gegeten, de mens MOEST komen. God, de Geest, de Waarheid stopt niet bij het beest, hij gaat altijd door, moet steeds verder. De Joden kenden geen duivel; deze is van Perzisch- Babylonische oorsprong. De duivel is de macht van de duisternis. Hij wordt tegenover God gesteld als "het kwaad-willende". Toch is hij, aangezien ALLES door God geschapen is, door God geschapen, d.w.z. aanvankelijk uitgedacht. God had dus ook duivelse gedach- ten; hij moet dus ook duivels zijn, ook natuurlijkheid, dus niet enkel geest, zoals de Joden stelden. Maar de Joden waren ook nog maar een begin, nogal barbaars. Overigens leefden zij heel gemoe- delijk met hun God, die aanvankelijk gewoon familiegod was. En hun God was navenant: wreed, barbaars. Wat b.v. te denken van de zond- vloed, die hij over zijn schepping en schepselen uitstortte, of de talloze andere wreedheden, door hem bedreven jegens "de vijan- den van zijn volk ?" Dat is de duivelse kant van Jehova Ook andere Goden vertoonden meer dan één kant Baäl, de machtige, stralende, hoogverheven zonnegod, was ook God der mesthopen en mestvliegen en door deze gebrachte plagen. Hieruit groeide later Beëlzebub, dat is de duivel. Het Joodse godsbegrip was simpeler, soberder, na- turalistischer, maar hun zon (licht) was dan ook die (dat) van de woestijn, de schroeiende, teisterende, zengende. Later, veel later werd Jahwe zachtaardiger, minder bloeddorstig. De joden groeien gelijk op met hun volk. De geboden, (7) door Mozes geboekstaafd en verder in het Oude Testament te vinden komen goeddeels uit Babylonië en Egypte. Veel invloed heeft ook de voortreffelijke rechtsgeleerde koning Hammoerabi gehad (ca. 2250 jaar v. Chr.); een groot wet- gever. Veel van zijn werk vindt men terug in Exodus. Het begin van zijn wet: De God van het Licht heeft mijzelve deze wetten ge- -6- dicteerd. En zo sprak ook Mozes, op dezelfde berg Sinaï. Het Nabije Oosten stond op godsdienstig gebied veel hoger dan India, waar het goddelijke het lege niets was, waar men in de negativiteit bleef steken, zelfs het leven en de mens negeerde. Reeds in de Zonnegod is bijna het monotheïsme bereikt; later geheel bij Amenhotep. De Egyptenaren spraken reeds van een leven na de dood, de Joden niet; voor hen was dood ... dood, punt uit. De Egyptenaren duidden de eeuwigheid van het leven aan en drukten dat o.a. uit in de grandioze pyramides. Deze monsterbouwwerken aan de grens van de woes- tijn, die het symbool is van de dood, het niet-zijn (dus tevens van de geest), getuigen van de eeuwige menselijke levenswil. Zo ook de Sfynx, het specifieke Egyptische bouwsel, voorstellende en uitbeeldende de grote vraag, die bij de Egyptenaren gerijpt was, maar die zij maar niet konden beantwoorden: "hoe gaan natuur en geest samen?" Vanzelfsprekend wordt hierbij het dier- lijke gebruikt, omdat net dier voor de mens ondoorgrondelijk was. Het dier kan zich nl., in tegenstelling tot de mens, niet mede- delen, zodat wij zijn leven niet kunnen kennen en dat van de mens wel. Egypte met zijn stralende cultuur, Egypte, waar reeds ca. 4000 jaar v.Chr. de dierenriem was uitgedacht; waargenomen en benoemd is misschien beter. Egypte, waar men een tijdrekening had, vrijwel even nauwkeurig als de onze, zonder electronica, alleen met behulp van de stand van sterren en planeten (waar men overigens het verschil nog niet tussen wist) en de over- stromingen van de Nijl. Het beroemde astrologische mediteren van de Farizeërs kwam pas veel later. Het Brahma is neutraal, dat is typisch; het heeft als enige inhoud de boze droom, die wij werkelijkheid noemen. Ook het Tao van Lao Tse is neutraal, heeft ook reeds een vorm van drie-eenheid (Tao-te en Woe-Wei). Een analogie dus. Andere analogieën zijn: de bovennatuurlijke geboorte van Boeddha, de door het Christendom van de Perzen overgenomen laatste oordeelsdag en de wederopstanding, die voor licht-( = zon) aanbidders van- zelf sprak. Alleen de Joden komen van al dit natuurlijke los en daarmee slaan zij een brug tussen het Nabije Oosten en Europa, i.c. Griekenland. Waarom hebben de mensen heel de geschiedenis door altijd weer in enigerlei vorm een godsgedachte ? Omdat de mens WEET, ook wel zonder dat hij dit begrijpt, dat hij anders is, meer is dan het dier. Dit weet zelfs de meest primitieve mens. Hij weet dat er nog iets anders is dan alleen het zichtbare. Omdat het anders is beeldt b.v. de primitieve mens zijn, laat ons zeggen, hogere machten uit als anders dan de mens, b.v. in afzichtelijke, monsterachtige maskers. Omdat hij weet dat dat "anders dan de natuur" méér is, offert hij ook steeds aan de geest. De mens heeft er altijd tenminste een vermoeden van dat hij meer is dan de natuur. Wanneer hij hieraan uitdrukking wil geven doet hij dat uiteraard op natuurlijke wijze, dus als iets bepaalds. Daar verder aan het natuurlijke de veelheid inhaerent is, spreekt het vanzelf dat er aanvankelijk veel-godendom is; er waren toch ook zo veel sterrenbeelden en planeten: Stier, Vissen, Schorpioen, Leeuw, Mars, Venus, Jupiter, Saturnus, enz., enz. -7- Wanneer de mens meer cultuurmens wordt komt hij tot, de vraag: waar kom ik (komt alles) vandaan ? In de totem-cultus, die wij zelfs vinden bij de nog in het stenen tijdperk levende inboorling van Australië en eilanden in de Stille Oceaan, treffen wij een primitieve vorm van Darwinisme aan. De mens stamt af van het dier, het dier van de plant, de plant van de steen. Punt. Verder komt hij niet. Verklaren kan hij het niet; hij is ook nog niet aan logisch denken toe. De Australische inboorling gelooft in een Al-Geest, die hij zich bi-sexueel denkt. Dat wil zeggen dat hij nog niet aan het onderscheid toe is. Om deze Al-Geest te benaderen (de mens kan tenslotte niet anders dan trachten zuiver mens te zijn, dat is het geestelijke te benaderen) trachtten mannen van dat volk die bisexualiteit ook aan zichzelf zichtbaar te maken door middel van een levensgevaarlijke operatieve handeling. Uit dit alles blijkt een intense, geestelijke spanning, een streven om God (=het geestelijke) zoveel mogelijk te benaderen. Eigenlijk waren deze Aboriginals in dat opzicht wijzer dan velen van ons in de twintigste eeuw. Velen "geloven" nl. wel dat God alleen maar geest (denkbaar is), maar vrijwel niemand begrijpt dat de geest geen mens of dier is en dus geen geslacht kan hebben. Het geruzie en de discussies over het al of niet manlijk zijn van God is dus zeer onwijs. WETEN dat het niet gaat om wat wij zien; wij vinden het in China in het Tao, in India in het Brahma, in Perzië in de licht-cultuur, in Egypte in de sfinx-vraag: hoe gaan geest en natuur samen ? Hij, de Egyptenaar, kan de vraag niet oplossen, dat presteert pas de Griek, waarvan de Oedipus- sage getuigt. De massa, en dus de kerken, houden vast aan een "bestaande" God en kunnen niet anders zo lang het logisch denken ontbreekt. Maar de Gods- of Goden-gedachte zelf is al eert enorme prestatie van de mens. Als manifestatie van God is alles: openbaring van gedachte (God is immers geest). Daar- om is alles te begrijpen, omdat alles in wezen te doordenken is, waarmee niet gezegd is dat elk mens kan doordenken = logisch denken = redelijk = zuiver denken. Was dat maar waar, de wereld zou er heel wat beter uit zien. Wat is de zin van het menselijk zijn ? Vraag 1 van de roomse catechismus luidt: Waartoe zijn wij op aarde ? En het antwoord: Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen. Vervang God door "de Idee" en diezelfde roomse cate- chismus geeft het antwoord op de hierboven gestelde vraag, zegt de waarheid, IS niet de Waarheid, leidt hoogstens tot. De vraag kan ook op andere wijze beantwoord worden. De zin van het menselijk zijn is het mens-te-willen-zijn, dus vrij-willen- zijn, niet gebonden willen zijn aan dogma's (= geloven), maar willen zijn in en als zuivere liefde. Daarmee dienen wij de Idee. Streven naar een liefdevolle, redelijke, menselijke wer- kelijkheid, dus streven naar eenheid van de onvermijdelijke tegendelen (liefde verbind, alsook de rede). Streven naar de Idee = naar het ideale = naar het volmaakte = naar God. Van- wege de noodzakelijkheid van het lichamelijk bestaan kan dit echter nooit volmaakt bereikt worden. Het Paradijs met zijn slang. De slang in de betekenissen van; symbool van de chaos, van het water, van de duisternis, van het boze, van -8- het onbewuste. Het water is ook symbool van het onderbewuste. Een zg. overstromingsdroom bedoelt gewoonlijk de dromer er op te wijzen (dus wijst hij er zichzelf dan op) dat zijn on- of onderbewustzijn bezig is zijn bewustzijn te overspoelen. Het onderbewuste is tevens symbool van de innerlijke stem, de intuïtie. Die verleidt dan ook Eva. Egypte werkte uitsluitend met symbolen, waar- bij soms eigenaardige dingen te zien zijn. B.v. de zon, of liever de Zonnegod wordt gesyboliseerd door de mestkever. Dit is wel verklaarbaar omdat de mestkever van de mest een balletje maakt, dat hij voor zich uit rolt, zoals Ammon-Ra de zon voor zich uit rolt. Zon en mestkever werken beide bevruchtend. Het Joodse godsbegrip is niet ouder dan van ca. 1200 jaar v.Jhr. Voordien waren er reeds vele zondvloed- verhalen (o.a. in het Gylgamesh-epos). Uit het bijbelse zond- vloedverhaal wordt o.m. het verschil in rassen (8) "verklaard", al blijkt bij nader inzien dat vele rassen, b.v. het Mongoolse, zijn "vergeten". Men kende die in die tijd immers niet daar in het Nabije Oosten. Wij mogen niet te veel eisen. Eigenlijk was alles nog kinderlijk = onontwikkeld. Neem b.v. het verhaal over de de herkomst van de slavernij (9). Noach, die zich na de "drooglegging", waarschijnlijk uit louter levensvreugde, be- dronk, werd bespied door zijn zoon Cham (3). Wijn: symbool voor het levenssap, het levensbeginsel en de levensvreugde, ook zelfs voor de zon, voor het licht. Zelfs in het Christendom behield de wijn zijn symbolische waarde: de wijn als het bloed van Christus. Vrijwel het gehele boek Job is van Perzische oorsprong, hoewel de daarin vervatte gedachte ook elders wel leefde. Faust herinnert er sterk aan. Het verhaal van Kaïn en Abel(10) tekent het op- komende conflict in de mens: krachtmens- zachtmoedige. De laatste krijgt de gunst van God, al wordt hij hier nog ver- moord. Het geweld doodt de zachtmoedige mens. De mens be- drijft niet alleen geweld, is niet alleen mensenmoordenaar wanneer hij oorlog voert, maar ook wanneer hij kwaad doet of dit een medemens toewenst. Wanneer Adam en Eva de kennis van tiet onderscheid hebben gekregen, kennen zij dus ook het kwaad, hebben zij dus ook kwade gedachten. Wij kennen ze ook: hebzucht, zinnelijkheid, zinnigheid (=zijn zin willen hebben), gebrek aan eerbied voor de mens, ijdelheid (anders willen voorkomen dan men is), enz., enz. De mens is van nature moorddadig, juist omdat hij van goed en kwaad weet, de kennis van het onderscheid bezit. Het dier (alleen maar natuur) kan niet moorddadig zijn, heeft die kennis niet. Een mens doden is het mens-zijn ontkennen, de waarheid van de mens verraden, dus ook de zedelijkheid, het geestelijke, goddelijke, de vrijheid. Kaïn neemt zich een vrouw uit een ander land. Weer lachen de atheïsten. Kan niet, zeggen zij. Het hoeft echter ook niet alles logisch te kloppen, want van de logica had men toen nog niet zo veel last, net zo min als; een kind. Toch zeggen alle godsdienstige verhalen altijd waar het pre- cies om gaat: mens-zijn = geest en natuur = denken en liefde = liefdevolle, redelijke samenleving. Liefde is overigens meer dan alleen de verhouding, man-vrouw. -9- Abraham, een figuur, waarvan de historiciteit zeker niet vaststaat, hoewel door vele legendes omweven, zou ca. 2000 jaar v.Chr. geleefd hebben ?? In het land van Kanaän ?? Hij was de stamvader van de Joden en behoeder van de eredienst voor de Familiegoden. Hij was nog een halve barbaar en aan het latere Jehova-begrip zeker nog niet toe. Gehuwd met zijn halfzuster Sara. De vrouw was en is bij de Joden niet erg geacht, behalve dan als moeder, verre van geëmancipeerd, zoals wij nu zouden zeggen. Abraham betekent toch echter al veel. Hij immers overwon het mensenoffer; hij offerde een ram (11). Dit betekende een geweldige vooruitgang. Van oudsher bestond de opvatting dat de mens bereid moest zijn het natuurlijke, dus eventueel zijn eigen leven, te offe- ren aan de geest. Dat was heel gewoon. Ook de menseneterij wijst op hoge waardering voor de geest. Dat gebeurde nl. niet omdat men het zo lekker vond, maar omdat men aldus alle lichamelijke en geestelijke krachten van het slachtoffer zich meende toe te eigenen. Menseneterij beoefenen wij nu nog, alleen in overdrachtelijke zin, nl. geestelijk. Wanneer wij aandachtig naar een medemens luisteren nemen wij hem in ons op; dat is communiceren. Met de uitverkorenheid van de Joden kwam de rasdiscriminatie in de wereld. Alle andere volken waren min- derwaardig. Vreemde vrouwen mocht men dus niet hebben; het eigen volk moest zuiver blijven. Maar God, als God van alle mensen, KAN er natuurlijk geen uitverkoren volk op na houden. De strijd jacht/ veeteelt / landbouw staat in de Bijbel niet in het juiste tijdsverband, want Abraham beoefende al lang de veeteelt. In de godsdienst wordt de (bewust) wording (= ontwikkeling) van de mens getekend. Daarom ook groeien de Goden met het verder ontwikkelen van het bewustwordings- proces, komen zij dan langzaam aan op hoger plan. In de strijd om het eerstgeboorterecht (1) tussen Jacob en Ezau is het de vrouw, Rebecca, die het eerste weet (intuïtie) wat er gebeuren moet. Zij gebruikt daarvoor een list (de slang). Maar de strijd is nog niet beslist (de man, het denken, is nog niet zo ver), dus trekt Jacob voorlopig weg (2). Hij heeft dan later twaalf zonen (historisch ?). Twaalf (= 3 x 4) was evenals zeven (= 3 + 4) een symbolisch (heilig) getal en is dat in het collectief-onbewuste nog. Jozef is de belangrijkste en de lieveling van de zonen. Belangrijk alleen omdat hij naar Egypte gaat. Het is begrijpelijk, dat er vooral onder de jongeren der Joden, velen waren, die wel eens iets anders wilden dan rondzwerven met de kudden in een zeer sober bestaan onder de zo vaak schroeiende zon, zonder ook maar iets van dr culturele schittering gewaar te worden zoals Egypte die zo overvloedig ten toon spreiden kon. Egypte, land van een uiterst geregeld leven, met een zuivere recht- spraak, grote reinheid, maar ook hoogstaande kunst en grote feesten, lokte. Er vonden "infiltraties" plaats. Totdat de "minderhedenkwestie" ontstond. De Joden leerden er de Egyp- tische kunst en godsdienst kennen. Alles is er zo veel hoger en anders dan onder die woestijnzon, waar ook geen geweldige tempels gebouwd waren. In de Egyptische tempels vond men in het Heilige der Heiligen: de God met zijn vrouw en kind en naar dit voorbeeld bouwden de Joden later hun tabernakel (13). -10- Alleen de Godin Keith, de Godin van de nacht, zat alleen. Zij was tevens Godin van de maan (ook Isis geheten), het onbewuste. Op de voorhang van haar tempel stond: "Ik ben wat was, wat is en wat zal zijn. Mijn sluier heeft geen ster- veling opgelicht", d.w.z. het onbewuste was nog nooit tot bewustzijn gebracht. Uiteindelijk leefden er veel Joden in Egypte, zij leefden in welvaart, hun priesters hadden de rust en de tijd om na te denken en de Egyptische en andere cul- tuuruitingen diep in zich op te nemen en te verwerken. Uiter- aard verliederlijkte het gewone volk. Als zij dan weer uit Egypte weg moeten, komt de (historisch niet bewezen) figuur Mozes (14), zoon van een Hebreeuwse vrouw, opgevist uit de Nijl (dat is Osiris), symbool van de goddelijke bevruchter, de goddelijke (scheppings-) kracht. In de figuur van Mozes komen de Joden, heel langzaam en moeizaam tot hun hogere conceptie en dan ... moeten zij gaan, want willen zij die stellen, dan moeten zij uit de Egyptische sfeer weg, hun eigen, nieuwe sfeer zoeken. Jahwe wordt meer dan enkel Zonnegod, tenslotte steeds meer Wereldgod. Dit werd gevat op de berg Sinaï (15). Het natuurlijke bestaan van Mozes is onbelangrijk; het gaat om de geestelijke werkelijkheid. Mozes betekent het einde van de zuiver theocratische heerschappij. Na hem worden de Hebre- ërs wereldlijk, een politieke macht. Mozes-zelf kan daar niets meer mee beginnen; hij blijft voor de Jordaan staan (16). Hoe zat het nu met de Egyptische godsdienst, speciaal met het als dieren voorstellen van Goden ? De Egyp- tische dieren-goden waren oorspronkelijk gewone totemdieren, zoals wij die nu nog in de Stille Zuidzee, althans op enkele eilanden daarin en in Australië, Afrika en Amerika vinden. Hierin drukken de mensen een besef uit, dat zij van dat be- paalde totemdier zouden afstammen, b.v. van een kangoeroe. De totem-eenheid getuigt van het besef der eenheid van alle mensen, al wordt het voorlopig door een dier uitgedrukt. Het Darwinisme, echt product van de vorige eeuw, is een heel primitieve opvatting, maar toch wel wat meer dan het pri- mitieve "Darwinistische" besef der oervolken, om de eenvou- dige reden dat aan het Darwinisme van de vorige eeuw veel denkwerk is voorafgegaan in tegenstelling tot dat van de oervolken, wat puur intuïtief was; denken was er daar eigen- lijk helemaal nog niet bij. Later komen die totemdieren op hoger plan, krijgen hogere betekenis; zij worden tot symbool, al wordt dit niet strikt van het dier gescheiden. Goden worden als dier voorgesteld, waarmee de mens te kennen geeft, dat hij aan die God de door dat dier belichaamde of symbo- lisch voorgestelde kracht of kwaliteit toekent. Het dier verbeeldt de functie van de godheid. En verder zegt men door deze dierfiguur, dat in de grond der zaak de godheid ondoor- grondelijk is, want het dier, dat zich niet kan mededelen, wordt door de mens als volkomen ondoorgrondelijk, raadsel- achtig, beseft. En ... Egypte wist immers niet precies wat de geest is. Zo kan de Egyptenaar mens en dier in één figuur samendringen, zoals o.a. in de sfinx. Goed beschouwd is dit een mislukte eenheid, want onmogelijk. Naar het begrip van de eenheid, naar de oplossing van de grote vraag: "Hoe gaan geest en natuur samen" heeft geen enkel volk zo intens ge- zocht als het Egyptische. De sfinx is het beeld van een leeuw met een mensenkop. Dit beeld komt zeer veel voor in Egypte; -11- hele galerijen sfinxen zijn gevonden, doch meestal spreekt men over DE sfinx, de kolossale, grote, bij Thebe, aan de rand van de woestijn. De leeuw met mensenkop, die met dro- merige blik de woestijn inkijkt. De woestijn, symbool van de dood, van het niet-zijn, dus ook van de geest. Dier met men- senhoofd: levende natuur, waaruit zich vanzelf de geest moet ontwikkelen, te voorschijn brengen, geboren doen worden. De Egyptenaren voelden het wel aan, het leefde intens in hen, maar zij begrepen het nog niet. Al wat in een volk leeft, ook al manifesteert zich dit alleen bij een geestelijke elite, stelt dit volk als uiterlijke werkelijkheid. Ieder doet wat hij is, en kan niet anders. Zo is de geestelijke inhoud van een volk te constateren in en als zijn kunst en religie, later ook wijsbegeerte en andere veruiterlijkingen van geest en van denken. Wat de Bijbel aan jaartallen en "historische" gegevens bevat is zeer onbetrouwbaar. Alles werd veel later pas opgeschreven en toen werd alles geperst onder die later tot ontwikkeling gekomen Jahwe (= Jehova)-visie. De Joden waren geen grote denkers en verre van origineel. Zij namen van alles en allerlei volken en hun godsdiensten over. Er waren in het Nabije Oosten zeer veel Semietische volken, die zich veel en langdurig, gemengd heb- ben, ook na de conceptie van de gedachte: God is zuiver en alleen geest, zodat wel zeker te zeggen is dat er niet één zuivere Jood meer te vinden is. Wat wij meer bepaald als het Jodendom beschouwen (Israël en Juda) was de rest van de twaalf (staat niet historisch vast) Jacobsstammen. Wanneer wij bedenken dat de betekenis van twaalf eigenlijk jonger is dan de geschiedenis der oude Hebreërs, of beter gezegd, dat men zich par later bewust is geworden van die betekenis, dan moeten wij zeker aandacht schenken aan het feit dat in die oudere tijd veel van het religieuze denken werd bepaald door de astrologie. En dan: twaalf is het getal der tekens van de dierenriem. Alles werd astraal gedacht en veelvormig. In Egypte kende men de Zonnegod b.v. onder de namen Ra, Ammon- Ra en Osiris, die gedood werd door de God van de duister- nis Seth, die op zijn beurt weer werd gedood door Horus, een zoon van Osiris en Isis (" de maan, ook bekend als Neith). Deze Horus is dus ook al de zon, evenals Apis, de Stier, de Mestkever, enz. De zon is symbool van het licht, van het goede, van de bevruchtingskracht in het algemeen, zelfs van de geestelijke werkzaamheid, maar ook van het verschroeiende, verzengende. Ook de Egyptische Goden hadden dus al niet alleen maar het goede in zich, maar ook het kwaad, de duivel. Maar alles draait om zon, maart en sterren, alles werd daarop ge- projecteerd. Zon, maan en sterren werden tot Goden verheven, die alles van boven af regelden; alles stond "in de sterren geschreven" of wel alles werd door de Goden bepaald en voor- beschikt. Het Christendom schafte al die Goden af: "er is maar één God", "Credo in unum Deo" zegt de roomse kerk in zijn "geloofs"belijdenis. En nu krijgt die ene God het ook al moeilijk, men voelt er niet zo veel voor om te streven naar de Idee, streeft alleen maar naar een steeds beter gevuld loonzakje: Sanctus Economicus, Pecunia non olet, het hemd is nader dan de rok, hebben is hebben en krijgen is de kunst, enz., enz. Is het dan een wonder dat de kerken leeglopen ? 12 God "leeft" voor zeer velen niet meer. God is dood, hoort men alom, maar "geloven" (hierover later meer) in een be- staande God doet nog bijna iedereen. Jacob had dus twaalf zonen en zijn lievelings- zoon was Jozef. Toen deze werd geboren was Jacob reeds oud. Hij gaf Jozef een veelkleurige rok (17). Jozef droomde dat de zon (=vader), de maan (= moeder) en elf sterren (= broers) zich voor hem bogen (18). Penelope weeft overdag een veelkleurig kleed; 's nachts haalt zij het weer uit. Dit houdt een zonneverheer- lijking in: overdag tooit de zon de aarde als in een veel- kleurig kleed, dat 's nachts natuurlijk "verloren gaat". Het is altijd alles weer hetzelfde: zonneverheerlijking. Jozef is de nieuwe zon, die gaat opkomen en een kleurig kleed zal spreiden als al het andere is ondergegaan. De voornoemde Egyptische zonnegod Osiris wordt door Seth overwonnen, maar niet gedood. Osiris gaat naar de onderwereld, waar hij de overleden mensen gaat "wegen" in verband met hun daden in het leven (vinden wij ook al bij de oude Persen). Dit is een voorloper van de Griekse mythe (mene, mene tekel upharsin) en het Christendom (laatste oordeel). Zijn zoon Horus, die dus ook weer de zon is, wordt dikwijls afgebeeld als kind, op de schoot van zijn moeder Isis (evenals later het Christus- kind op de schoot van de Madonna). De dood van de zonnegod komt in elke godsdienst voor. Jozef is dus weer, evenals Horus, de zon van de toekomst. De Bijbel vertelt over Jozef in Egypte in Genesis. Interessant zijn daarin Jozef's droom- uitleggingen (voer voor psychologen), maar waar het om gaat is dat hij naar Egypte gaat. Over jozef en de Joden in Egypte heeft Thomas Mann een indrukwekkende roman in drie delen geschreven: "Die Joseph's Bücher", literair en psycholo- gisch en hoog niveau en nog amusant en boeiend ook. Egypte, het rijke graanland, waarheen de vele Bedouïnenvolkjes zich uiteraard herhaaldelijk wendden omdat zij zelf geen graan had- den. Wanneer zij weidegronden vroegen werd dit door de Pharao altijd toegestaan. Veel jongere Joden (Hebreërs) gingen er heen, hun namen zijn tot nu toe bij de opgravingen niet gevon- den. In ieder geval ondergingen zij sterk de invloed van het religieuze leven in Egypte, waarbij is aan te tekenen dat Amenhotep (ca. 1375 jaar v.Chr.) reeds tot een soort van ééngodedom (de Zon) kwam en wel een God, die medelijden, mensenliefde en zachtmoedigheid als voornaamste deugden bezat. In verband hiermee is het zeer onwaarschijnlijk dat de Joden onder hem (Amenhotep) uitgewezen zouden zijn. Waar- schijnlijker is dat dat gebeurd is onder Ramses II, de bouw- maniak, die tichelovens gebruikte, waarover veel gesproken wordt. Het kan, zoals reeds eerder gemeld, met die uitwijzing niet zo erg geweest zijn. Vloeide het "griezelverhaal" (20) mis- schien voort uit de later ervaren enorme hardheid der Assy- rische en Joodse vorsten, die ware Oosterse despoten waren ? Bij de berg Sinalï woonden reeds eeuwenlang volken, die min of meer met de gedachte van het monotheïsme vertrouwd waren. Aanvankelijk was Jehova, nog uiterst natura- listisch; hij kondigde zich immers ook aan door vuurgloed en donderslagen. En vuur is zonne-verbeelding (brandend braam- bos (21). Vuur is symbool voor het goddelijke, voor de geest. De Joodse geestelijke elite verwierf onsterfelijke verdienste door de conclusie dat God niet alleen vuur, niet slechts 13 licht, maar geest moet zijn. Onmisbare tussenschakel was het verblijf van Mozes aan het hof van de Pharao, dus in de priesterlijk, goddelijke sfeer, in het milieu van de geeste- lijke elite, die de religieuze problemen in den brede besprak. Goden groeien met hun volken. Wat later gesteld werd (Exodus) was goeddeels afkomstig van de wetten van Hammoerabi, maar dit is van weinig belang. De Joden brachten de "synthese" op hoger plan en dat was een enorme vooruitgang. Dat tegenwoordig de God van het Christendom nog steeds door vrijwel alle kerkelijken vereenzelvigd wordt met de oude donderaar van de berg Sinaï toont aan dat sinds- dien voor de massa geen verbetering, vooruitgang, aan te wijzen is. Het Joodse volk wist met de Mozaïsche wetten geen raad, had meer aan een gouden kalf. Ook in Egypte is sprake van een hemelkalf, zoals zij ook kenden : Apis, te Stier, symbool voor de zon, die weer kracht en bevruchting symboliseert. Overigens was veel in Egypte zo weinig scherp omlijnd, bepaald, dat Apis ook de maan kan zijn geweest; er werd nl. ook gezegd dat de maan, als sikkel, de gehoornde stier was. Na de wetgeving zwierf het volk van Mozes veertig Jaren alvorens het beloofde land te bereiken. De periode is historisch oncontroleerbaar, naar het getal 40 vinden wij dikwijls. Veertig is 5 x 8 en vijf is 2 + 3 en acht is 2 x 4. Het waren allemaal symbolische getallen. Op hun uittocht, op weg naar het beloofde land, ondervonden de Hebreërs eens een "aanval" van slangen. Dat kan. En natuur- lijk was dit omdat zij tegen Jahwe gezondigd hadden. Mozes maakte nu een koperen slang (Fetis) die als bezweringsmid- del op een staak werd meegedragen, ook het beloofde land in. Fetisjisme kwam in die tijd nog veel voor. Dit slangfetisj werd waarschijnlijk nog in de tempel van Salomo aanbeden. Daar gebeurde trouwens veel in, wat met de Jahwe-gedachte niets te maken had, wel met Baäl en aanverwante diensten. Mozes kon niet over de Jordaan meetrekken. Hij was symbool van de theocratische elite, heersend over en rondtrekkend met het volk, dat zich nu echter zal gaan vestigen en dan onvermijdelijk een wereldlijke, politieke macht moet worden. En wie aan politiek gaat doen moet wel heel veel water in de wijn doen. Nog nooit is er een volk geweest dat in over- eenstemming leefde met de wetten van hun geestelijke leiders, met de goddelijke wetten dus. Handel en wandel in Europa zijn ook nog nooit Christelijk geweest. "Verzamelt U geen schatten op aarde" (22), "Steek het zwaard in de schede" "Zo gij twee rokken hebt, zo geef er een aan uw broeder, die er geen heeft", enz., enz. Er is niets van dit alles terecht gekomen; had men er wel naar geleefd, dan zouden er nu geen kazernes en atoombommen zijn, geen haatprediking, enz. Altijd moet de naleving van de goddelijke geboden tenminste enigszins door een geestelijke elite worden afgedwongen. Het hoogste, wat daarbij te bereiken is, is dat het volk zich zo bij tijd en wijle tenminste eens probeert zich op te heffen uit de modder. Mozes was de man van de inspiratie. Onder Josua gaan de Joden Jordanië in (23) Josua, "die nooit van aan- 14 gezicht tot aangezicht tegenover God zal staan, nooit met hem zal spreken". Dus niet, zoals Mozes, een man van de - goddelijke-inspiratie. De wereld wordt anders. Er komt schei- ding, reeds hier, tussen godsdienstige en wereldlijke macht. Wanneer de Joden zich gaan vestigen beginnen zij, zoals te doen gebruikelijk was, hun "vijanden" uit te moor- den, ter ere van Jahwe (23). Geen enkel verschil met de conquis- tadores, die met het kruis voorop de Indianen in Zuid- en Midden-Amerika uitmoordden, of met de Dominicanen en Jezuï- ten, die honderdduizenden "ketters" (w.o. Jeanne d'Arc, die de roomse kerk later, toppunt van hypocrisie, heilig ver- klaarde) levend verbrandden, of met de bisschoppen, die nu nog in de oorlog wapens zegenden ter verdelging van de "god- deloze" communisten. Allemaal hetzelfde. Het Joodse volk komt te leven temidden van volken, die de zwoele pracht en praal van de Baäl-cultus genieten, de Babylonische cultuursfeer, met heilige bomen, heilige stenen en wat al niet voor heilige concrete dingen (fetisjisme vaak); volken dus, die nog dichter bij de natuur stonden dan de Joden. Het Joodse volk had echter aan die Baälgoden meer houvast dan aan Jahwe als enkel geest. Die enkele geest was hun te schraal, vandaar hun terug-val in de afgodendiens. Jahwe was groter dan Baäl, maar zij hadden dezelfde achtergrond: de zon. Dat het volk de soberheid verwierp voor de zinnelijkheid lag wel voor de hand. Het is al zo lang geleden en de mens stond toen nog maar in zijn kinderschoenen. De priesters zagen de toekomst duister in. Zij moesten, ondanks alles, trachten hun Godsgedachte zuiver te houden. Langzamerhand houdt het moorden op. Er moet een staatsorgnnisatie komen, een koning. Saul komt dan, hij wil zijn rijk beveiligen, bewapent zijn volk en voert oorlog waar hij dat nodig vindt (25). Nog nooit in de wereldgeschiedenis is er iets van een gedwongen ontwapening terecht gekomen. Het volk wilde persé onafhankelijk zijn, in vrijheid de eigen God op eigen wijze eren, wat de priesters allicht stimuleerden. Maar het was heel moeilijk door de voortdurende volksvermen- gingen. De binnenkomende vreemde elementen brachten hun eigen Goden en riten mee. Een God hoort bij zijn volk en omgekeerd. De God hoort ook bij het land, waar dat volk woont of ... woonde. Als later de Joden weggevoerd zijn vorderen de nieuwe bewo- ners Jahwe-priesters omdat Jahwe in dit land nu eenmaal ge- eerd moest worden. Hoewel, blijkens historische gegevens, het "Joodse volk" nooit veel te beduiden had, politiek nooit een werkelijke wereldmacht werd, was het andere machten aan~ vankelijk niet mogelijk het te onderwerpen. Tegen een algemene volkswil tot vrijheid is geen enkele wereldmacht opgewassen. Dat ondervonden ook de Filistijnen (26). Binnen het rijkje heerste de eeuwige strijd tussen koningen en priesters. Saul deed wat kwaad was in het oog van Jahwe. Ja, maar hij kon niet anders. De politie- ke noodzaak dwong de koningen anders te handelen dan Jahwe voorschreef. Saul wordt niet opgevolgd door een van zijn zoons, maar door de door de beroemde priester Samuel geko- zen David. Deze zei dit niet goed te vinden; liet zich des- ondanks zalven. In de grond van de zaak wilde de gewezen 15 hofmusicus heersen. Uit veiligheidsoverwegingen verliet hij het land; pleegde land- en hoogverraad, werkte samen met Saul's buitenlandse vijanden. Hij kon niet rechtlijnig werken (Saul laten vermoorden), want Saul was gezalfd, stond dus rechtstreeks onder Jahwe. David weet echter Saul's zelfmoord (28) te veroorzaken en moordt vervolgens de nodige tegenstanders uit. Liet dit althans doen, opdat hij zelf zijn handen in onschuld kon wassen. Dit spel heeft de geschiedenis al heel vaak vertoond. Bij ons werden de Gebrs. de Witt vermoord door het Haagse gepeupel, maar Willem III ... had de wacht laten retireren. Ook nu in onze dagen is het uit de weg laten ruimen van politieke tegenstan- ders een nieuwsbericht, waar niemand meer door geschokt is (C.I.A., K.G.B. en alle andere "Geheime Diensten", Legerafde- lingen over de gehele wereld, of hoe zij zich ook anders mogen benoemen). Ook in dit opzicht heeft het Christendom dus niets bereikt. David werd niet direct geaccepteerd. Hij bevestigde zijn positie door keiharde despotie en verslaat alle binnen - en buitenlandse vijanden. Hij was intelligent, hetgeen o.a. wordt geschetst in zijn strijd tegen de "reus" Goliath (29) (De Filistijnen, oud- Kretensers, waren groter en zwaarder van lichaamsbouw dan de Semieten). Oorspronkelijk waren er twaalf stammen. Waar die gebleven zijn en of het er wel twaalf waren is slecht na te gaan. Na ca. 1100 jaar v.Chr. wordt alles duidelijker dank zij de ge- schiedschrijving. Later valt het "Joodse Rijk" in tweeën: Israël en Juda. Het volk van Israël gaat onder na de wegvoering naar Assyrië, waar het lang bleef en zich totaal vermengde met ande- re Semietische volken. Het volk van Juda bleef wel bestaan, ook na de wegvoering. Maar zij hadden ook een grote voorsprong. Zij hadden de tempel, dus HADDEN zij de God. Dit klinkt misschien lachwekkend, dat is het echter niet. Bonden de bewoners van belegerde Romeinse steden (veel later al) niet hun godenbeel- den stevig, in de tempels vast om te voorkomen dat zij zouden deserteren naar de belegeraars, die royaal, maar nogal egoïs- tisch, aan hen offerden ? Dat was toen heel gewoon. Ook aan Jahwe werd veel geofferd, zelfs talrijke mensenoffers. De pries- ter Samuel was niet vies van een bloedig offer. Dat kon niet anders. Wij mogen van een historisch volk niet eisen dat het had moeten handelen naar de ethische (??) inzichten van onze dagen. Ging er dan van zo een godsdienst nog wel enige zedelijke verheffing uit ? Zeker wel. Het volk stond op veel lager plan en zou zich slechts met uiterste krachtsinspanning kunnen trach- ten op te heffen uit de sfeer van zinlijkheid, zinnelijkheid, macht, geweld, pracht en praal, tot het geestelijke, de sober- heid, de eenvoud, de rust. Ook had de Jahwe-gedachte nog uit- werking in wettelijke bepalingen, zoals de plicht om slaven na bepaalde tijd vrij te laten, grond periodiek opnieuw te verdelen, enz. De priesters en profeten leefden streng, een- voudig en sober. Het priesterdom verviel later tot corruptie; de profeten niet. David was keihard en niet overdreven rechtvaar- dig; hij kon echter aanblijven omdat hij het rijkje consolideerde. Hij werd opgevolgd door Salomo, de onkwetsbare, want deze zal de tempel opbouwen (30). Dit gebeurde naar Egyptisch model. In het Heilige de Heiligen stond de Ark des Verbonds. Hierin lagen waarschijnlijk delen van een meteoor, die in die oude tijd allicht voor een boodschap der Goden moet zijn gehouden. Meteoren kwamen 16 immers uit de hemel gevallen. Salomo's tempel was niet groot en niet hoog. Dit in tegenstelling tot de tempels van Babylo- nië en Egypte. Salomo's tempel was dus wel in overeenstemming met het sobere Joodse Godsbegrip, hoewel het een kostbare "doos" was, van buiten geheel, van binnen gedeeltelijk met goud bekleed en goud was toen nog schaars. De tempel werd gebouwd in heren- dienst en Salomo hief belastingen en vorderde krijgsdienst. Hij gedroeg, zich als waardig, Oosters despoot. Hard als steen, hofhouding in alle pracht en praal, harem met duizend vrouwen, wat alles bij elkaar massa's geld verslond. Maar zijn rijk was vredig, al begon het innerlijk te wankelen. Wegens het vele ritueel van andere oorsprong dan de Jahwe-dienst werd "de Here vertoornd op Salomo" (31) maar de priesters durfden hem wegens de tempel niet aan te vallen. De hem toegeschreven wijze spreuken waren niet van hem. Op den duur verdraagt Israël zijn druk niet langer en het rijk valt uiteen. Er volgt een eindeloze reeks van burgeroorlogen, waardoor het laatste beetje wereldlijke macht ook nog verloren gaat, zodat de Joden voortaan in knecht- schap leven, nu eens onder dit, dan onder dat volk en steeds maar weer schattingen moeten betalen. En de strijd tussen konin- gen en profeten ging voort. Achab (32), koning van Israël, die in zijn elpenbenen paleis te Samaria aan andere Goden, speciaal Baäl, offerde, werd vervloekt. Maar hij kon niet anders, hij had immers de Jahwe-tempel niet. De profeten hadden wel gelijk, zij hadden echter geen vat op de politieke ontwikkeling, ondanks slachtingen onder de Baäl-dienaren. Wat het afslachten van mensen betreft is er dus steeds niet veel veranderd in de wereld. Er zijn nu meer mensen om af te maken, maar wij zijn pienter en hebben ons slachtgereed- schap geperfectioneerd. Maar met dit alles moeten wij toch con- stateren dat de Joden de aanleg hadden, die leidde tot de ver- heffing van de "zon" tot zuiver enkel geest. Het is misschien vreemd, maar aan hun gebrek aan verbeeldingskracht hadden de Joden, althans hun geestelijke elite, het te danken dat zij de verbeelding ook niet nodig hadden om tot de verhevenheid van de geest te komen. Het denken heeft de verbeelding niet nodig; is zelf iets heel aparts en verhevens. Men moet er aanleg voor hebben, dan zijn er grootse dingen moge- lijk, zoals de Joodse Jahwe-conceptie en tegenwoordig het vol- slagen zuivere denken. Hierbij is wel te bedenken dat niemand iets op dit gebied kan presteren zonder het werk der voorgan- gers. Het is een kwestie van opnemen van geestes-inhouden, van gedachten dus, het verwerken en eventueel samenvatten hiervan, al dan niet met toevoeging van eigen wijzigingen en/of aanvul- lingen. Tenslotte blijft er dan nog de prestatie van het mede- delen van het innerlijk verworvene. De Joodse geestelijk elite (elk volk heeft zijn geestelijke elite) schonk de wereld deze samenvatting op hoger niveau. Zoals gezegd, goeddeels bij gebrek aan voorstellings- vermogen. Maar ook zonder dit laatste is de grote Idee mogelijk, zoals de Profeten tonen. De grote Idee, waarin de stem van het eeuwige klinkt: Het mens-willen-zijn is van alle volken. De Joodse Jahwe-idee heeft met de Griekse wijs- begeerte in Alexandrië (dat is nog Egypte, maar dat behoorde ook tot het Romeinse Rijk) gevoerd tot de conceptie van het Christendom. Hierdoor werd de ontwikkeling: familiegod- Zonnegod (Nabije Oosten)- Stamgod (Hebreeuws)- Geest voltooid. 17 Maar ... de God van het Christendom bleef belast met heel de zware last van zijn verleden, ondanks het feit dat dit volkomen in strijd was met zijn wezen: de Liefde. Dit, de Liefde, als wezen van God, sprak het Cristendom voor het eerst uit. Zuiver. Jehova hoort dus in het Christendom niet thuis, maar dit wordt in Christelijk-kerkelijke kringen nog steeds, na tweeduizend jaren niet begrepen. Daar beweert men nog dat Jezus uit het huis David is, maar dat is niet waar. Jozef was uit het huis David, Maria niet. En ... Jozef was niet Jezus' vader. Voorbereiding tot de Liefde, de zachtmoedigheid, het medelijden, enz. was er genoegzaam geweest. Zo b.v. in Perzië, dat grote invloed ook in Jeruzalem heeft gehad, met zijn zachtaardige lichtcultus. Opmerkelijk is dat als stichter wordt genoemd: Zarathoestra, die in de woestijn door de duivel wordt verleid, analoog met Boeddha en Christus. De grondgedach- te in elke godsdienst is de grote vraag: Waar vindt de mens zichzelf ? Hoe moet hij leven om te streven naar de Idee, dus leven in de voor hem geëigende sfeer ? Leven, niet in hemel of onderwereld, maar hier op aarde. Dan zegt de Bijbel: "Want zie, het Koninkrijk Gods is in U" (33). Wat staat er nu historisch vast ten aanzien van de wonderlijke doortocht door de Rode Zee, wanneer de Hebreërs Egypte weer gingen verlaten ? Niet veel; zie hierover meer op pagina 2, derde alinea. Bedenk hierbij ook dat er bij de oude volken een zeer sterke neiging bestond om alle "historie" te "mythologiseren", wat vanzelf spreekt. Waarom de Pharao hen met zijn leger natrok is ook alleen maar te gissen. Niets van dit alles staat historisch vast. Wel weten wij dat de Egyptenaren in het geheel niet treurden om het heengaan der Hebreërs. Moge- lijk is de Pharao er alleen maar achteraangegaan om plundering te voorkomen, wat voor zulk een Bedouïnenvolk niet verwonder- lijk zou zijn, ondanks de grote invloed van de Egyptische cul- tuur op de geestelijke leiders van het volk. De geestelijke voor- uitgang komt tot stand in een geestelijke elite. Dus niet in de massa ? Toch ook wel, uiteindelijk. God's molens malen langzaam. De massa wordt meegezogen door het hogere, dat de geestelijke elite heeft gesteld. Het volk kan de zuivere godsdienstige gedachten niet geheel volgen. Dit geldt niet alleen t.a.v. het Christendom, de Jahwe-dienst, de Mithras-dienst, de Baäl-gedach- ten. Dit geldt altijd. Ook de Baäl-dienst was onder het volk niet zuiver, al was er wel vroomheid in Babylon, intense vroom- heid zelfs. Hoe nobel en verheven was niet de zilveren Maan~ godin Istar (Astarte) ? In de tempels werden maagden aan haar gewijd. Deze maagdelijkheidsgedachte is belangrijk, maar voor het volk ging het tenslotte alleen om de tempelprostitutie. Het "volk van Jahwe" bemoeide zich meer met de Baäl-riten, dan met de eigen, ondanks de verbeten pogingen der priesters en profeten om het volk op te heffen. Het volk kán het niet en er valt dus niets te verwijten. Zoals er ook geen reden tot eigendunk is wanneer men toevallig, tot de geestelijke elite behoort. Dit is een gave, let wel ... een GAVE, doodsimpel een cadeau, waarvoor men dan maar dankbaar heeft te zijn. Jahwe is heel langzaam gegroeid, op hoger plan terecht gekomen en tenslotte in het Christendom. Maar daar hoort hij beslist niet thuis. Er zij nogmaals op gewezen dat Babel in die tijd het hart van de wereld was, hèt culturele centrum. De invloed, 17 ook daar, van Perzië was zeer belangrijk. Alleen Egypte is niet aan de invloedssfeer van de Babylonische cultuur ten onderge- gaan; de Egyptische cultuur was ouder en hoger. De verhouding tussen Egypte en Voor-Azië is als die van het duurzame tot het voortdurend veranderende. In heel die oude wereld vinden wij steeds weer lichtgoden. In alle mythologie doet de zon mee en het astrale in het algemeen. Zon, maan en sterren waren Goden. Van alles en nog wat werd mythologiseerd. Een voorbeeld is de geschie- denis van Samson (34), Hij doodt de Filistijnen in massa's en verricht allerlei krachttoeren. Totdat hij verliefd wordt op de Filistijn- se schone Delila, die achter het geheim van zijn kracht komt en hem aan de Filistijnen verraadt. Hij moet dan o.a. voor hen zin- gen in de Baältempel en hun gebeden zeggen. Wanneer hij in een droef moment zich nog eens in gebed tot Jahwe, zijn God, wendt, besluit deze het nog eens met hem te proberen en geeft hem zijn oerkracht terug. Dan drukt Samson de enorme zuilen van de tem- pel in elkaar, waarna deze instort; de Filistijnen vinden de dood, maar Samson ook. Zo sterk als Samson kan natuurlijk geen mens zijn. Wat is dan de zin van deze geschiedenis ? Samson is de perso- nifiëring van het Joodse volk, oersterk in zijn geloof, maar totaal verzwakt door de voortdurende vermenging met andere ere- diensten, vooral de Baäl-cultus, die door zijn schittering het Joodse volk verleidde (Delila) en verblindde. Wanneer tenslotte de bezinning weerkeert herkrijgt het volk zijn kracht en doet de Baältempel instorten. Maar ook Samson wordt verpletterd, wat er wel op wijst dat hier reeds een tragisch besef aanwezig is, waar- schijnlijk ontstaan door Griekse invloed. In het Palestina van omstreeks het begin van onze jaartelling waren drie stromingen: de Sadduceërs, vertegenwoor- digers van de orthodoxie van de Jahwe-dienst, de Farizeërs, die geloofden in de wederopstanding en de Esseërs, die geloofden aan de hemelvaart van de ziel. Beide laatste ideeën, niet ori- gineel Joods, gingen in het Christendom over. Reeds in Egypte leefde de ziel voort, zij het in de onderwereld. In Egypte was ook een geloof dat de ziel als ster voortbestond. Sterren en sterrebeelden werden oorspronkelijk als Goden aanbeden. De idee van de wederopstanding is van Perzische origine. Nu gaan die twee: wederopstanding en voortbestaan van de ziel slecht samen. Moet die van het lichaam "losgemaakte" ziel wellicht later weer in dat zieloze lichaam kruipen ? Op dit punt bestaat nog veel verwarring. Abram Kuyper beweerde b.v. dat er nog niemand in hemel of hel zou zijn. Alles zou nog op net jongste gericht wach- ten. De Perzische lichtgodsdienst was verheven en zachtaardig, maar ook fantastisch. Afkomstig van de Parsen en beschreven in de Zend- Avesta in de oudperzische taal, die verwant was aan het Sanskriet. De geboorte van de stichter Zarathoestra (=Zoro- aster) was ook al weer bovennatuurlijk, wat door het volk gewoon- lijk wordt opgevat als "boven" de natuur, vandaar de hoge positie van de hemel, al is daar, goed beschouwd, nergens plaats voor. Er kwamen ook herders in voor; er was de verzoeking in de woes- tijn, alles als in net Christendom. In deze religie vinden wij b.v. dat het goede en het kwade beide geboren worden uit het Al. Over goeden en kwaden gelijkelijk schijnt het licht. Er is een voortdurende strijd tussen de machten van het licht en van het duister, welke strijd twaalfduizend jaren zou moeten duren. 19 12, al weer 3 x 4 x 1000: het getal, waarmee in die oude tijden zeer algemeen de eeuwigheid symbolisch werd aangeduid. Dan zou de verlosser komen: Mithras, zoon van het Licht, Zonnegod. Ver- der was er een vagevuur, maar anders, menselijker dan in het Christendom, want bij het Christelijke vagevuur is er alleen sprake van tijdelijk branden, terwijl bij de Mithras-dienst gezegd wordt dat de kern van dit vagevuur ijzig koud is (wie de liefde absoluut negeert, komt onvermijdelijk in de kou) en dat het dien- de ter loutering. Daarna was opgang tot de hemel mogelijk. Dat vinden wij bij Dante terug. Verzoening dus. Bij de Mithras-dienst werd natuurlijk ook geofferd, maar het geofferde vlees werd daar- na opgegeten, waarbij men de zegen daarover door bidden afsmeek- te. Er werd innerlijke en uiterlijke reinheid geëist. Het hoofd- motief was de verdraagzaamheid. Deze dienst kwam door heel de wereld van die tijd. De zachtaardigheid kwam ook uit in het feit dat koning Cyrus de Joden verlof gaf naar het land Kanaän terug te keren en hun tempel te herbouwen. Wanneer de minderheden gebruiken hadden, strijdig met die van de Mithras-dienst, dan werd hun eerst verzocht ze na te laten. Mithras werd o.m. in mysteriën gediend. De dienst was esoterisch, dus alleen voor ingewijden. Dit was het Christendom aanvankelijk ook. Wanneer de mysteriën in het Nabije Oosten algeme- ner worden krijgen de Griekse Orpheus-mysteriën grote invloed. Aanvankelijk gaan deze voornamelijk over de gedachte der ziels- verhuizing. Tenslotte hielden zij van alles in, mogelijk omdat Orpheus pan-hellenistisch was, terwijl de stedelijke autoriteiten onder geen beding toestonden dat andere dan de stadsgoden wer- den gediend, wat onder het mom van het Orpheus-mysterie enigs- zins mogelijk werd. Bij de Grieken ontbrak nog het algemene zonde - of schuldbesef, dat voorwaarde is voor de heilsverwachting, die in Mithras-Jahwe- en Christushistorie is uitgewerkt. Daar de Mithras-dienst geheel parallel loopt aan het Christendom heeft er zeer lang een harde strijd gewoed om de voorrang, in welke strijd het Christendom moest zegevieren, omdat het de WAARHEID omtrent de mens zegt (zie in dit verband ook pag. 7, vijfde alinea), waar de Mithras-dienst juist nog niet aan toe komt. In Perzië hield men vast aan het licht, dat weliswaar abstracte materie is, materiële abstractie, maar met dat al toch nog natuurlijk, al is het de zuiverste natuurlijke bespiegeling van de geest. Daarnaast kwam men wel tot het inzicht van de nood- zaak van de vrije wil. Wat hun dagelijks leven betreft stonden de Parsen veel hoger dan welk ander volk ook hoger dus dan wij West-Europeanen. Uit al het voorgaande blijkt wel dat het Chris- tendom alles behalve origineel was, maar dat hindert niet. Het Christendom kwam als resultaat van duizenden jaren geestelijke inspanning. Om een beeldspraak te gebruiken: "het werd geweven met de Joodse Jahwe-gedachte als schering en de Griekse filoso- fie en (belangrijk) theosofie als inslag". Er deed overigens nog veel meer aan mee, tot zelfs de inzichten van China: Lao Tse, ook al bovennatuurlijk geboren. Toen hij ter wereld kwam was hij 72 (6 X 12) jaren oud. Zijn moeder was bevrucht door een licht- straal van een verschietende ster. Ook India en heel het Nabije Oosten, intens gemengd o.a. door de enorme veroveringen van de geniale jongeling Alexander de Grote, deed er aan mee. Een van diens geniaalste daden was de stichting van de stad Alexandrië, die het trefpunt werd van alle culturen van heel de toen bekende 20 wereld. En nog steeds is Alexandrië belangrijk. Bibliotheken zijn daar als nergens elders; iets dergelijks is er eigenlijk nooit meer geweest. In dit cultuurcentrum, het cultuureentrum, werd het Christendom geboren door verdieping van het religieus besef, verdieping van het besef omtrent het wezen van de Godheid. Alles uit heel de toen bekende wereld (en ook Caesar had een heel stuk wereld opengebroken) kwam hier samen, werd hier verwerkt. Zowel de monotheïstische gedachte, als de gedachte van een middelaar, die zou moeten komen om de mensheid te verlossen (Heracles was er ook al een); zo ook de gedachte van de Griekse onderwereld met zijn schimmen zonder nadere bepaling, en de hemelgedachte (de Olympus was geen hemel, was niet voor stervelingen toegan- kelijk; het Walhalla en de eeuwige jachtvelden was en waren dat wel). Men weet hier nu dat het niet gaat om het "hier beneden", er was een streven naar "omhoog", naar vervolmaking. Voor het volk moest dit uiteraard simpel, zelfs kinderlijk worden voor- gesteld. Zo hoopt men b.v. altijd in de hemel te komen, overi- gens echter niet zo zeer om eeuwig God te loven (wat een lol), maar omdat men bang was en is voor de hel. Voor die kinderlijke voorstelling zorgt dan de Bijbel, waarin Christus o.m. zegt: "Laat de kinderen tot mij komen".(67) In de Mithras-dienst stonden de Godheid en de Godsverkondiger (resp. Mithras en Zarathoestra) nog afzonder- lijk. In het Christendom zijn beiden door de Heilige Geest vere- nigd tot de Heilige Drieëenheid: Mithras wordt God de Vader, Zarathoestra wordt Jezus. De figuur van Jezus Christus hebben wij groten- deels te danken aan de te Alexandrië levende, totaal vergriek- ste Joden, waarvan Philo zeer bekend is. De hierna volgende alinea is een artikel van Dr. J. van Mansfeld, overgenomen uit deel 15 van de Grote W.P., zevende druk. Philo was een Joods-Griekse wijsgeer, afkomstig uit een der aanzienlijkste families van de grote gehelleniseerde Joodse gemeenschap van Alexandrië. Hij leefde van pl.m. 25 v.Chr. tot pl.m. 45 n.Chr. Het was Philo's vaste overtuiging dat Plato en andere Griekse denkers hun inzichten hadden ontleend aan Mozes (dat is ook "aan de "Boeken van Mozes"). Zijn gigantisch oeuvre is o.m. ook een poging deze stelling te bewijzen en te gebruiken. Deze hebraïsering van de Griekse filosofie resul- teerde in werkelijkheid echter in een hellenisering van Mozes en de Thora. Mozes had, volgens Philo, al bereikt, waar de Grieken naar hebben gezocht. Hij heeft dit echter niet op directe, maar op verborgen wijze in zijn geschriften medegedeeld. Deze moeten dan ook worden onderzocht op hun dieper liggende beteke- nis; middel daartoe is de allegorische verklaring (een methode van Grieksen huize). De hiervoor genoemde vergriekste Joden waren grote denkers, die de verzoening van alles zochten, o.a. van Jahwe en Mithras en de andere "groten", alsook van hetgeen de Griekse filosofie bracht. Zij kenden Plato en de neo-platonici, Aristoteles en de neo-aristotelici, de Stoa, Pythagoras, enz. In het begin was er het besef dat het niet gaat om die vele oude verhalen, enz., maar om de zin, het wezen der dingen. En dan sluiten zij aan bij de Messias-gedachte van de Joden, wat niet geheel juist is, omdat de, oude Joden een wereldlijke ver- losser verwachtten. Niemand komt van zijn oorsprong los, ook volken niet, ook Goden niet. En zo moeten zij wel beginnen met 21 aan te sluiten bij Palestina. De Alexandrijnen kennen de geschie- denissen, weten dat de Joden onder Josua het beloofde land zijn binnengegaan. Josua, de wereldse opvolger van Mozes, verlatijnst wordt dit Jezus. De naam van Mozes' zuster, Mirjam, is vervormd tot Maria. Als de moderne Mohammedaan het over Jezus Christus heeft spreekt hij over "Isa ben Miriam". Het was de bedoeling der Alexandrijnen een voorbeeldige figuur te stellen. De Griekse, uit het Sanskriet afkomstige, naam voor deze figuur zou Chrestos moeten zijn. Jezus Christus werd de voorbeeldige figuur, die het volk in het, geestelijk gedachte, beloofde land zou binnen- voeren. En er werd gezegd: leef volgens dit voorbeeld. Het Christendom vertelt de waarheid omtrent de mens en is dus de ware religie. Oorspronkelijk was het slechts een schets HOE te leven en deze was uiterst streng. Zo werd o.m. gegist: het aquariaat, het vegetariaat en het celibaat. Deze uiterste "ab- stinentie" is een typische en felle reactie op het Romeinse Rijk, dat toen reeds sterk in verval was: alleen nog maar geweld, strijd, zinnelijkheid en onrecht, alle vier begrippen, waar wij in onze twintigste eeuw veelvuldig mee geconfronteerd worden. Is het dan vreemd om te stellen dat onze West-Europeese beschaving aan het ondergaan is en dat er dus een nieuwe moet komen ? Verder was daar een waarachtige almachtige God op aarde: de Keizer, aan wie dan ook geofferd werd en in ver- gelijking met wie Jupiter slechts onbenullig was. Het spreekt vanzelf dat deze onwaardige wereld de ziel der mensen deed hun- keren naar verlossing uit deze aardse ellende. In onze dagen ook al geen onbekend geluid; l'histoire se répète toujours, maar altijd op andere wijze. De verlossing uit deze aardse ellende trachtten de Alexandrijnen te bereiken door verdieping van de gedachte. God is alleen maar Geest. En dat zou dan voor alle mensen moeten kunnen gelden. De Verlosser kan alleen naar zijn de Rede (Grieks: Logos). Het evangelie van Johannes begint al- dus: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God (35). Een vertaling uit het Grieks, waar niets op aan te merken valt, wel op te merken en wel dit: het Griekse woord "Logos" heeft,behalve de hier gebruikte betekenis "Woord", nog vele andere betekenissen. In het Beknopt Grieks-Nederlands Woordenboek van Dr. Fred. Muller en Dr. J.H. Thiel (Uitg. bij J.B. Wolters Uitgevers-maatschappij) staat als zesde betekenis van "Logos": het Denken als scheppende kracht: de GEEST; spec. (in de Joodse Alexandrijnse filosofie van Philo: de scheppende gedachte van God) "de Rede". De Rede dus en uit het redelijke- goddelijke beginsel is alles voortgekomen. Jezus Christus is dus een uitgedacht voorbeeld. Hij heeft nooit als reëel persoon be- staan. Het voorbeeld eist afstand te doen van het natuurlijke, zelfinkeer. Deze strenge theorie was in zekere zin waardeloos voor de massa. Wil men de massa bereiken, dan moet men de taal van die massa spreken, wat Christus dan ook doet in b.v. de Gelijkenissen. Beeldspraak. Slechts enkelen kunnen het begrijpen: alleen de ingewijden. Overigens is denken en begrijpen zo moeilijk, dat, zoals Schelling al zei; esoterische gemeenschappen behoe- ven niet te worden gevormd. Zij sluiten de massa automatisch uit. Men moet het origineel dus gaan aanpassen, naar beneden, het- geen in de Bijbel zeer royaal en met talloze vervalsingen is ge- daan. De kruisiging b.v. was origineel niet bedoeld als aardse kruisiging. Het denkbeeld was afkomstig uit de Mithras-dienst, 22 waarbij Mithras (de Zon) immers telkens door het kruis gaat en wel het Zuiderkruis, een sterrenbeeld van vier sterren in een kruisvorm. In deze dienst werd ongedesemd brood gegeten, waarin een kruis was afgedrukt. Later wordt er steeds meer geknoeid, hetgeen niet verwonderlijk is als men in het oog houdt dat het eeuwen heeft geduurd voor en aleer e.e.a. te boek werd gesteld. Het evangelie van Marcus, dat als het oudste wordt genoemd is in werkelijkheid het jongste en het meest vervalst. Paulus was een geweldige figuur; bij hem vindt men origineel ook steeds aquaraat, vegetariaat en celibaat. Hij bracht door zijn zendbrieven het Christendom naar Europa. Het is logisch en dus aanvaardbaar dat men ging "aanpassen", maar in feite is er geknoeid en men heeft daarbij uit het oog verlo- ren dat het "aangepaste" toch in elk geval zo hoog moet blijven dat de massa zich er aan moet kunnen blijven optrekken. Van het vegetariaat bleef alleen bij de Katholieken over dat zij op Vrij- dag geen vlees mochten eten, van het aquariaat (geen alcohol) is niets overgebleven en het celibaat wordt alleen in de Katho- lieke kerk, met moeite, gehandhaafd. Momenteel is er geen religieus besef meer in de wereld. Europa leeft door en door onchristelijk. En door de toe- nemende druk van de zorg om het dagelijks bestaan wordt dit steeds erger; er blijft geen tijd over voor de mensen om zich met de waarheid, de geest, het verhevene, de cultuur bezig te houden. Tragisch, maar niets aan te doen. Het zuiverst is wellicht gebleven het evangelie van Johannes. In het Nieuwe Testament zien wij dan Jezus Chris- tus als voorbeeld gesteld. Ter wille van het volk doet hij dan allerlei wonderen, genezingen, enz. In het Oude Testament vin- den wij overigens ook al het verhaal van de oliekruik van de oude vrouw, die maar niet leeg wilde raken door Elisa's toedoen. De zin hiervan is: wie geestelijk voedsel tot zich neemt kan altijd dooreten, dat raakt nooit op. Jezus wordt Nazarener genoemd, maar in de histo- rie is de naam Nazareth onvindbaar. Een plaats van die naam bestaat nu wel in de moderne staat Israël. Ook dit doet er al weinig toe. Men stond nu eenmaal voor de noodzaak op Palestina aan te sluiten. Niets kan zo maar ergens in de ruimte beginnen. En Jahwe had toch beloofd dat er een verlosser uit het huis David zou voortkomen. En verder: Adam en Eva, hadden de boel verknoeid en dus moest er tenslotte iemand komen, die het weer goed maakte. Het Christendom liet als eerste religie het natuurlijke geheel los. Het Nieuwe Testament is "slechts" een verhaal, maar een met een zeer diepe zin. Christus is immers de mens, die, zich verkeert tot eigen waarheid, eigen wezen, en daarom moet hij lijden. Dit gegeven vinden wij trouwens overal, maar het zuiverst in het Christendom, dat resultaat is van duizenden jaren geestelijke inspanning en ontwikkeling. De waar- heid wordt in de Bijbel alleen-gezegd op een aangepaste wijze, die goed is voor het kind, dat is de mens, die nog niet kan denken. Hoe is dat "aanpassen" in zijn werk gegaan ? De theorie moest voor die massa in een vorm gegoten worden, die voor hem gemakkelijk aanvaardbaar was. De massa heeft niets aan ideële theorieën, die vindt dat alles maar "gezweef in de ruimte", zij wil "houvast", zij wil zich er iets concreets, iets Ç 23 natuurlijks, bij voor kunnen stellen, evenals het kind. Het kind heeft iets aan een sprookje, daar "geloven" zij graag en gemakke- lijk in (kabouters, elfen, feeën, tovenaars). Zij staan, evenals de primitieve volken, die dus ook nog in de kinderschoenen van het mensdom staan, dichter bij de natuur dan ouderen. Sprookjes bevatten verborgen wijs-(-waar)heden. De massa gelooft niet meer in sprookjes, maar de daarin verborgen wijsheden zien zij ook niet. Zij doen sprookjes dus maar af met: leuk en aardig voor de kin- deren. Er zijn overigens nog wel mensen, niet veel, alleen zij, die nog- net als het kind- dicht bij de natuur staan, die rots- vast van het bestaan van kabouters, enz. overtuigd zijnen beweren ze gezien en met hen gesproken te hebben. Marten Toonder is daar een voorbeeld van. Voor de massa moest dus een andere vorm ge- vonden worden en die vond men in de "gevoelvolle voorstelling"; dat is het Nieuwe Testament. Eigenlijk ook een sprookje, waarin natuurlijke figuren optreden en natuurlijke dingen gebeuren, die even natuurlijk onmogelijk zijn, maar waar ook een diepe wijs(-waar) heid achter zit. De verborgen waarheid van een sprookje is aan een wat ouder kind best aan te tonen. De verborgen waarheid van de Bijbel aan een weldenkende mensheid ook, maar... de mensheid denkt niet zo wel en de kerken hebben er geen enkel belang bij om de mensen wel te leren denken. De meeste pastoors en domi- nees kunnen of willen die verborgen waarheid niet zien en be- houden liever hun "geloof" of moeten dat van hogerhand. En dan... als de kerken hun "gelovigen" wel de waarheid zouden aantonen, dan zouden zij hun "gelovigen" verliezen en wat zijn kerken zonder gelovigen ? De mensheid tot de 'Waarheid of tot God te brengen, dat is natuurlijk hetzelfde. Jezus zegt toch: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven" (36). De kerken brengen de mensheid echter niet tot de Waarheid, al zeggen alle godsdiensten dat zij het "ware geloof" verkondigen. Geloof en Waarheid zijn twee tegen- sprakigheden. Men zou hoogstens kunnen zeggen dat het geloof een stap is naar de Waarheid. Maar als die stap is gezet- het geloof is aangenomen- dan is de weg naar de Waarheid doodgelopen. De Waarheid is altijd onderweg (Hegel), zij staat nooit stil, ont- wikkelt zich steeds, terwijl het geloof stil staat en dus nooit tot de Waarheid kan voeren. Paus Johannes XXIII wilde een tweede stap doen. De stap bleek te groot, hij stierf in het vijfde jaar van zijn pontificaat en kon de stap niet afmaken. Zijn opvolgers haastten zien de begonnen stap terug te doen. Zo is de kindsheid een stap naar volwassenheid. Geloven in een kinderlijke (geen kinderachtige, dat is iets anders) aangelegenheid. Wie gelooft, weet nog niet en wie weet gelooft niet meer. Wel is degene, die tot wijsheid komt begonnen met te vermoeden (geloven) dat hij er toe komen kon, omdat hij er anders niet mee begonnen zou zijn. Een wijs mens begrijpt het ge- loof, maar een gelovige begrijpt de wijsheid niet. Deze uitspraak wordt door de gelovigen voor ijdelheid uitgemaakt, naar zij is het niet, want wie begrijpt is uiteraard-bescheiden. Het woord "geloven" wordt nogal eens verschillend geïnterpreteerd. In de filosofie is geloven: iets, wat je zelf niet redelijk kunt of wilt doordenken en dus niet kunt begrijpen (=verklaren) voor waar aannemen op gezag van een ander. Die ander kan zijn: a iemand, die iets zelf ook niet kan, wil of mag doordenken en die dus maar iemand napraat of zegt dat hij het van "de 24 genade" heeft of uit "intuïtie", of dat hij het zo "aanvoelt". Zijn ituïtie en gevoel hier overigens niet synoniem ? Deze ander is een echte gelovige, hij weet nog niet; credo quia absurdum. Voorbeelden van deze ander: pastoor, dominee, priester, maar ook de waarzegster, de astroloog. b iemand, die iets zelf wel geheel heeft doordacht en dus heeft begrepen. Hij praat niemand na, gaat overigens wel uit van zijn onbewuste (gevoel, intuitïe), maar maakt dat door het te doordenken bewust en tot begrip; hij kan dat iets dan ook beredeneren, bewijzen. Dit laatste woord "bewijzen" is fout. Ik streep het echter niet door, omdat ik het beter vind te verklaren waarom het fout is. Een bewijs is nl. een conclusie, dat is een einde en dat is de rede nooit. De zuivere rede is de weg naar de waarheid en die staat nooit stil, die heeft geen einde, daar kan geen punt achter. Deze tweede ander dus gelooft niet, hij weet en hier dus geen credo quia absurdum. Voorbeeld van deze ander: de filosoof. Zuiver begrip is wijsheid. Begrijpen is weten. Aan het begrijpen is het vermoeden voorondersteld, want het begin van het begrijpen is het nog-niet-begrijpen. Door het begrijpen wordt het vermoeden verkeerd tot zekerheid, tot weten. Het be- grip wordt. Zolang het nog niet geworden is, is het vermoeden en het vermoeden behoort tot de sfeer van het gevoel. Het ver- stand vermoedt dat er rede is in de werkelijkheid, want waar zoekt het anders naar. Maar omdat het enkel verstand is loochent het de rede tevens. De Heilige Maagd is logisch ondenkbaar; ook het verstand kan haar geen bestaansmogelijkheid toekennen. Dit kan alleen het geloof. Het geloof is tot elke fantasie in staat. Iemand, die bereid is te geloven kan men van alles "wijs- maken". Het geloof biedt geen enkele zekerheid. Toch zegt de gelovige dat hij het "zeker weet". Dat is natuurlijk niet waar, omdat hij alleen nog maar gelooft en dat is wat anders dan weten. Het geloof is nooit zonder twijfel. Daarom zijn gelovigen vaak zo onverdraagzaan. Börger zei eens: "ik kan alles begrijpen". Ik heb over die uitspraak niet nagedacht en haar klakkeloos aangeno- men, geloofd dus, erger nog, ook zelf wel eens gebruikt. Nu weet ik dat een mens niet alles kan begrijpen. DE Mens (die al- leen maar denkbaar is, net als God en die dus niet bestaat), kan dat wel. Nu wist Börger heel veel en was dus een zeer wijs man, hij begreep (wist) alles wat Socrates, Plato, Kant, Hegel en ga-maar-door doordacht hadden en dat is heel veel, maar niet alles. Als spreekbuis van DE Mens is zijn uitspraak natuurlijk in orde en als zodanig moet zij ook begrepen worden. En ieder- een, die kan doordenken zou deze uitspraak zelfs moeten gebrui- ken als hij zich opstelt als spreekbuis van DE Mens. Börger's uitspraak is ook in orde als men onder "alles begrijpen" ver- staat: ook begrijpen dat er voor elk mens onbegrijpelijke gedach- ten zijn. Ik weet zeker dat dat er voor Börger maar weinig waren, hij was zeer wijs, maar niet alwetend, hij zei nl. dat hij alles kon begrijpen, niet dat hij alles begreep = wist, pretendeerde dat ook in de verste verte niet, al zagen sommigen hem daar tot zijn grote woede- wel eens voor aan. Ik heb wel alles begre- pen wat Börger mij vóórgedacht heeft, al duurde dat lang, maar ben te lui om alles te begrijpen (doordenken) wat b.v. Kant, Hegel en professoren in de wijsbegeerte vóórdenken. Daar zal ik het dus- als ik er interesse voor heb- met geloven moeten doen. 25 Zoals hiervoor al enkele keren gesteld had het oorspronkelijke Christendom niets met een aardse Christus en dus niets met een bestaande Christus te maken. De opzet was nl. een "astraal wezen" en als zodanig wordt hij dan ook in de Bijbel meermalen beschreven. De grondslag waren de Griekse mysteriën, waarin de geestelijke invloed van Plato zeer belangrijk is. De meeste zijn samen te vatten onder de naam Orphische mysteriën, want die waren de belangrijkste. De kernfiguur hierin was de halfgod Dionysos (= Bacchus bij de Romeinen). Deze halfgod was afkomstig uit Klein Azië, waar hij echter nogal wild was. Daar de Grieken het volk van de schoonheid waren konden zij niet anders doen dan alle Goden, die zij overnamen om te vormen tot schoonheden, wier daden schone daden werden. In hun mysteriën vinden wij al een besef van het tragische. Plato, de grote dich- ter-filosoof sprak dikwijls over de ziel, die "gekluisterd in de mens, een sterk heimwee zou hebben naar de Olympus, vanwaar zij kwam. Op haar tocht door het luchtruim zou zij op aarde neer- gestort zijn, waarbij zij haar vleugels brak". Deze heimwee is er altijd, ook in de liefde, die Plato, bij monde van Socrates, de goddelijke waanzin noemt. Dus toch in elk geval goddelijk. Wat de Alexandrijnen omtrent Chreistos vertelden lijkt sprekend op de oude Perzische Mithras-mysteriën. Daar werd ook water gedronken, geen wijn. Er was ook een heiland, een ver- losser, een voorbeeld en ook een laatste oordeel, waarbij de zielen der afgestorvenen naar een hemel gingen of naar de onder- wereld, de hel. Dit laatste echter niet voor eeuwig. De weder- opstandingsleer, in de Roomse kerk de verrijzenis des vlezes = de wederopstanding van het lichaam is niet uit de Mithras mys- teriën afkomstig en er door het Christendom in opgenomen. De samenbundeling der diverse verhalen en theorieën gebeurde veel- al niet door deskundigen. Men kende oorspronkelijk alleen de hemelvaart van de ziel. Dit was een Grieks-Orphische gedachte. Dionysos, in die Orphische mysterieën als de verlosser voorge- steld, was de God van de roes, leefde op de grens van waken en dromen, van bewustzijn en onbewustzijn, was echter nooit stom- dronken. Hij was geen Olympiër, doch een aardse God. In de herfst werd hij verscheurd, gedood dus en begraven, in het voorjaar kwam hij terug. Orpheus daalde met een lier in de onderwereld af om de, Goden van die onderwereld te ontroeren en gunstig te stemmen teneinde hen te bewegen Eurydice aan hem terug te geven. Dit is een geschiedenis, die veel voorkomt. Ook Istar deed zo iets om haar zoon terug te halen. De Orphici (ook wel Mysten of Mystici) bedoelden met hun God Phanes: het licht en wel de kern van het licht, de goddelijke onzichtbare bron van alle licht. De zon en de maan werden in die oude mythen gewoonlijk ook als planeten beschouwd. Buiten deze en de aarde waren er slechts vier planeten bekend: Jupiter, Saturnus, Mercurius en Venus (allen Goden dus); zij werden ook als geesten der lucht gezien. De hemelen of sferen waren de sferen van die planeetgeesten. Er was niet maar één God alleen, er waren er vele. Als er een hogere God werd ontdekt (uitgedacht dus) werden de oude niet afgeschaft; men trachtte alleen de nieuwe boven hen te plaatsen. Alle Goden hadden een taak. In de catacomben zijn wel schilderingen gevonden van Christus met een lier, waar- uit blijkt dat hij door de schilder als Orpheus (Dionysos) werd aangevoeld. 26 Voor de Alexandrijnen was God het niet-zijnde, alleen geest. Bij de oude Jahwe-dienst was dit ook zo, maar de eredienst aan Jahwe met zijn slacht-, brand- en reukoffers was nog barbaars. Hier was dus sprake van een verschil tussen de inhoud en de vorm van die dienst. De vergriekste Joden in Alex- andrië konden dat niet langer aanvaarden. Philo, "de Jood van Alexandrië", denker, maar nog geen echte filosoof, bracht een doorbraak door te stellen: Licht is Waarheid. Hij interpreteerde Phanes als Waarheid, die inhield de eenheid van: God als voortbrenger en God, die zich- zelf heeft voortgebracht, eenheid dus van God de Vader en God de Zoon. En als deze eenheid was hij dus de Heilige Geest, toen Aither genaamd of Pneuma; de Drieëenheids- of drievuldigheids- gedachte dus (44). Grieks to pneuma = de adem, de ziel en Grieks aither = lucht, rook, adem. Philo noemt God de Zoon: Logos, dat is Rede. God heeft zichzelf voortgebracht, dus zich (uit-) gedacht. Pneuma was voor Philo het wezen; het werd voor de wereld van die tijd de quinta essentia = de vijfde essentie, het vijfde element naast vuur, water, lucht en aarde. De God, die Philo aldus uitdacht was hoger dan de Joodse. Dat de God van het Christendom niet de God van de Joden is, is in de Bijbel wel te vinden, al is het er waarschijnlijk bij vergissing in blijven staan. De Alexandrijnen gaan dus uit van de Joodse godsdienst, die zij nader gaan interpreteren en allegoriseren aan de hand ook van de oude geschriften. God, als enkel Geest, wordt gesteld als doel van de mens (Waartoe zijn wij op aarde ? zie pag. 7, vijfde alinea), waarmee men dus uitdrukt dat het zuiver geestelijke het doel is van het mens-zijn. Vandaar ook dat gegist werd dat eten en drinken zouden geschieden op basis van een uiterst minimum, terwijl geslachtelijk leven, dat veelal en zeker in die tijd als specifiek natuurlijk wordt beschouwd, geheel uit den, boze was. Paulus spreekt dan ook van voortdurende zelfkastijding, kastijding des vlezes (45). Dit alles was sterk esoterisch; de massa werd veracht. Vandaar in o.a. Mattheus: "Geeft het heilige niet aan de honden" (46) en "Werpt uw parelen niet voor de zwijnen". Ook de mysteriecultus was geheim, alleen voor ingewijden. Niet-ingewij- den konden ook niet zalig worden. Als het zuivere aan de massa gegeven wordt maakt zij er toch alleen maar modder van. Dit alles is zeer hard en hoort dan ook beslist niet in het Christendom thuis. Het is Alexandrijns. Uitwerking van de Drievuldigheidsgedachte. (44) Het gaat om de Zoon, die overigens niet is zonder de Vader, die op zijn beurt weer geen vader zou zijn, dus niets, zonder de zoon. God, de Vader: het geestelijke principe, de aan- leg, het wezen, dus alleen denkbaarheid, abstract, nog slechts mogelijkheid, niet concreet. God, de Zoon: de mens als in aanleg geestelijk, mogelijkheid tot geestelijkheid, in wezen geestelijk, niet alleen deze bepaalde Zoon, deze bepaalde mens, maar ook het goddelijke, geestelijke, menselijk in het algemeen. Hij gaat alle eigen bepaaldheid te buiten en te boven, want is als Geest volstrekt algemeen. Als hij begrijpt dat hij niet alleen deze bijzondere, bepaalde mens, doch eenheid van God en bepaaldheid, eenheid van het algemene en het bijzondere is, dan is hij, als dit begrip, de Heilige Geest. "Ik en de Vader zijn één".(51) Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten" (Kloos). In de Egyp- tische tempels: de God met zijn vrouw en kind. Veel Joden waren in die tijd (omstreeks het begin 27 van onze jaartelling) teruggevallen tot verering van Saturnus, naar wie de Zaterdag is genoemd, waarop de Joden hun Sabbath hielden. Dit ondanks hun oude Jahwe, die toen was afgezakt tot een soort vijfde planeetgeest, die nu toevallig de aarde had gemaakt. Toch was Jahwe in die tijd nog steeds "de Heer", de "God der wrake", die elke dag "vol gram" is, "vergramd", zijn "zwaard wet", "zijn schichten tot brandpijlen gemaakt", enz., enz (37) Niets te maken dus met de liefdevolle, zachtmoedige Jezus uit het Nieuwe Testament, die dan ook meermalen zegt dat de God der Joden niet zijn Vader is. Weliswaar zeggen Jezus, en later zijn apostelen, dat er "geen God is dan één", maar er wordt toch ook vaak over meer Goden (38) en over de "strijd tegen de geesten in de hemelse gewesten" (39) gesproken. Het Christendom was oorspron- kelijk allesbehalve monotheïstisch. Er was strijd met alle nog meedoende Goden om het monopolie voor deze ene nieuwe. Deze strijd speelde zich grotendeels af in de sfeer van de theosofie, die nog volkomen aan de natuur vast zat en aan de geest nog niet toe was. De naam Jezus is Grieks. In gebruik waren oor- spronkelijk de namen Jes(j)ua en Jos(j)ua, die voor de Grieken onuitspreekbaar waren. De Joden in Alexandrië waren wel ver- griekst, maar desondanks hielden zij aan hun wetten vast. Zij stonden echter voor de hiervoor (pag. 26, eerste alinea) reeds gemelde moeilijkheid dat zij de barbaarse vorm van deze cultus niet meer adequaat achtten aan hun godsgedachte. Zij gaan dan om een verbetering te krijgen allegoriseren = zinnebeeldig voor- stellen. Ook dit is een vorm van verheffing: men gaat de zin der verhalen zoeken en die uitdrukken in nieuwe verhalen. Zij vonden het oude beloofde land nog niet het ware beloofde land. Daarheen moest het volk nog steeds gevoerd worden; dus moest ook steeds de ware Josua (Jezus) nog komen). De Bijbel bevat allerlei vreemde invloeden. Zelfs de Oosterse reïncarnatieleer komt in het Christendom voor (40). Er werd nu eenmaal van alles samengeraapt. Zo was de kruisiging oorspronkelijk projectie van het Lichtwezen op de hemel, naar analogie van het door het (Zuider-) kruis gaan van de zon. Mattheus laat Jezus ook duivels uitdrijven (41). Dit is afkomstig uit de Thalmoed. De kruisdood als doodstraf kenden de Joden niet. Hun doodstaf, die zelden werd uitgesproken, werd voltrokken door steniging. Het Joodse Sanheddrin was een zeer serieus rechtscollege, dat nooit des avonds of 's nachts bijeen kwam en dus zeker niet een vonnis als dat over Jezus Christus kan hebben geveld onder de in de Bijbel genoemde omstandigheden. Bovendien zou doodstafvoltrekking, n.b. op het Paasfeest, hèt feest der Joden, en nog wel door een niet door Jahwe erkende vorm van executie, het gehele land Kanaän ontwijd hebben. Er klopt dus niets van; Joods gezien is dit alles onzin. Symbolisch is het, zoals vrijwel de gehele Bijbel, wel in orde, immers het Licht (de zon) gaat door het (Zuider-) kruis onder. Het oorspronkelijke Christendom kende de weder- opstanding niet. Deze gedachte werd er later (afkomstig van de Arabieren) via de Griekse cultuur ingebracht. Het oorspronkelijke Christendom zocht het innerlijke Koninkrijk der hemelen, vandaar dat Jezus zei: het Koninkrijk der hemelen is in U. (33) De Chrestos-gedachte is in de grond der zaak Platonisch. Chrestos = de voorbeeldige, wiens voorbeeld gevolgd 28 worde. Een mens kan op verschillende manieren handelen: goed met kwaad vergelden, dan handelt, dus is men slecht; goed met goed en kwaad met kwaad vergelden, dan handelt men rechtvaardig; kwaad met goed vergelden, dan is men meer dan rechtvaardig, dan is men edel, nobel, voorbeeldig: Crestros. Chrestos werd later Creistos = de gezalfde en dit in een verandering van karakter. Gezalfd waren ook de koningen cm de hogepriesters, die de rol van middelaar tussen God en volk vervulden en die ook Jezus Cristus te vervullen kreeg. Ondanks de vele vervalsingen uit onwetendheid en ... uit noodzaak is de zin van het evangeliever- haal gebleven nl.: Jezus is de middelaar tussen God en volk en die middelaar moest lijden en sterven en dan natuurlijk later wedergeboren worden, want daar gaat het, om. Uit noodzaak ver- valst omdat anders deze gedachte bij net volk geen ingang kon vinden. De evangeliën dateren waarschijnlijk van ca. 130 jaar na Chr. later. Zij zijn in belangrijke mate verwerking van de oude mysteriespelen, vermengd met veel andere bestanddelen. Het hele drama was noodzakelijk en een onmisbare voorwaarde om de wederopstanding te doen plaatsvinden; historisch gezien echter ongerijmd. Om tot het volk te spreken moest Christus ,mens worden, d.w.z. historisch in plaats van symbolisch. Toen men later niet meer aan de historische godenzoon geloofde maar hem toch als historische figuur wilde handhaven heeft men allerlei gewone menselijke eigenschappen geabstraheerd en bleef er een soort eerzame rabbi over, die predikend rondtrok. Dat heeft met de Cristus-idee niets meer te maken. De Christus-idee: dat God zichzelf voortbracht en dus zijn eigen zoon was. Logos: de Rede, de wil ook zichzelf te stellen als ontkenning van het andere. De Zoon is het andere van de Vader; door hem wordt de Vader eerst vader. Het is een lang en moeizaam proces geweest om tot dit inzicht te komen; een enorme geestelijke werkzaamheid, die vóór ons is verricht en waar wij nu de vruchten van kunnen pluk- ken. Heracles was een voorloper van Cristus; een godenzoon, tevens mensenzoon. Het was in Griekenland niet moei- lijk zich als mens uit te geven voor een afstammeling van God. In Rome kwam dat vrijwel niet voor. Van de bluf van Caesar, door de bewering dat hij afstammeling zou zijn van Venus, zette het volk dan ook zeer grote ogen op. In hogere kringen liep men er echter niet in; men zocht er terecht achter dat hij hier iets mee bedoelde (vergoelijking van de door hem gewilde dictatuur). De gedachte van de Heilige Maagd is mooi en te begrijpen als de zuivere ongerepte mens, de zuivere ongerepte ontvankelijkheid, berucht door het zuiver menselijke naar zijn mannelijkheid: de Geest. Jezus Christus werd geboren in een stal (42), weg van het werelds gedruis en niet in de herberg. Daar is geen plaats om het denken geboren te laten worden, kan daar ook niet geboren worden. De aanbidding door de herders is van Perzische oorsprong; de aanbidding door de Koningen (wijzen uit het Oosten) is ven Boedistische oorsprong. Het kind werd in doeken gewikkeld (42). Het moest dus nog uitgewikkeld worden, tot ontwikkeling komen. Evenals bij Zarathoestra en Boeddha ging dit nogal vlug; het kind was zeer vroeg wijs. 29 Het is altijd dezelfde gedachte: de waarheid van de mens is in het denken, dus in de geest, anders gezegd: de mens is in waarheid geest, de geest, die reeds vroeg tot de mensen spreekt. Nu, na de wereldswording, kan Christus gaan prediken. Zijn eerste exoterische prediking is de bergrede. Daarvóór was hij echter reeds gedoopt. Waarom ? Johannes de Doper is het begin. Alles moet bij het begin beginnen. De doop is noodzakelijk. Symbolisch stelt hij de dood voor, de ondergang, de onderdompeling, begrafenis, waarin het natuurlijke, het kwade verzaakt wordt, om reine wedergeboorte mogelijk te maken. In de brief aan Titus schrijft Paulus: "de duivel verzaken; dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende,(48) matig, en rechtvaardig en godzalig leven. Bij de doop wordt het natuurlijke, de begeerte overwonnen, overmeesterd, niet gedood. Als de begeerte (drang) naar eten, drinken, voortplanten gedood - er niet meer-zou zijn, dan kan de mens er niet meer zijn en dat is niet de bedoeling van de doop. En verder: als de mens er niet meer zou zijn, kan zijn geest er ook niet meer zijn. Is de Geest dus ook sterfelijk ? Nee, de Geest heeft geen begin en geen einde, is er altijd geweest en zal er altijd zijn, omdat God, de Idee, waarin alles is, Goed en Kwaad (Satan), Geest en Natuur (Satan) er altijd geweest is en er altijd zal zijn. God op zich~ zelf bestaat niet. Op zichzelf is God alleen nog, maar mogelijk- heid, aanleg, gedachte, denkbaarheid. God is naar zijn waarheid uitsluitend in en als de mens en dus moet hij ook natuurlijk, duivels zijn. Dat kan niet anders, want, zo niet, dan zou hij onvolmaakt zijn. De volmaaktheid is immers ondenkbaar zonder de, natuur, vandaar dat de mens dat de mens toch ook altijd bestaan moet om door het ontwikkelen, voortbrengen van het den- ken te streven naar de Idee. Er waren ( en er zijn misschien nog wel) "vrome" mensen, die zich door zelfkastijding van de laatste de drie bovengenoemde begeerten trachtten te bevrijden, hetgeen natuur- lijk nooit kan lukken, aangezien men door zelfkastijding juist aan deze drift gebonden blijft, er zich immers bij voortduring mee bezig houdt. Zeer terecht neemt Boeddha dan ook stelling tegen de zelfkastijding. Zelfkastijding, als bewerking van de buitenkant, belemmert het tot rust, zelfinkeer, verinnerlijking komen en die zijn nodig om tot zuivere gedachten (= ontwikkeling = menswording) te komen. De massa kan dit niet; zij moet verhaaltjes hebben. Dit is geen verwijt. Men kan en mag van een mens nooit meer eisen dan hij presteren kan. Wie werkelijk begrijpt ergert zich dan ook niet meer aan de vele domheden, schurkenstreken, het alleen naar op "hebben" en niet op "zijn" gericht zijn en aan het gebrek aan belangstelling voor het zuiver geestelijke, dus zuiver menselijke. "Ik ben de weg en de Waarheid en het Leven" zegt Cristus in de bijbel (36). De kerken zeggen: de Bijbel is God's woord en God kan niet liegen, dus de Bijbel is de Waarheid. Vervang, evenals op pag. 7 vijfde alinea, het woord God door Idee en het is alles in orde. Immers de weg naar de Idee is de Idee, is het zuiver denken, is DE MENS, is geboren worde van gedachten, ontwikkeling van gedachten, sterven en herboren worden van gedachten. Anders gezegd: elke gedachte roept van- zelf haar ontkenning (= tegendeel) aan zich op. Of: elke gedachte kan tegengesproken worden; doet men het zelf niet, dan doet een ander dat wel t.z.t., niets gaat op in een eenzijdigheid, elke 30 medaille heeft zijn keerzijde, geen licht zonder schaduw, enz., enz. De waarheid is niet te vatten in één gedachte, de waarheid is in de eenheid van tegendelen. Een duidelijk voorbeeld: de veelheid der filosofische stelsels. Zij lijken zich alle tegen te spreken, hetgeen door niet-filosofen wel aangevoerd wordt als bewijs voor de stelling dat de filosofen het ook niet weten. De niet-filosofen begrijpen echter niet, omdat zij niet zuiver denken kunnen (willen), dat de geschiedenis der filosofie het dialectisch proces is van de ontwikkeling van het denken en dat de tegensprakigheid der scholen dit dialectisch proces is. De wijsbegeerte praat niets goed, praat niet recht wat krom is, of of krom wat recht is; stelt alleen alles op de plaats, waarop het recht heeft, geeft alles zijn juiste plaats in het al-verband. Voorbeeld: Lodewijk XI, op de Franse troon gekomen, die voor- dien door Jeanne d'Arc in zijn glorie was hersteld, was een schobbejak, hechtte aan niets, ook niet aan zijn eigen ridder- woord, verried alles en iedereen, moordde er lustig op los, maar desondanks deed hij een groot werk: vervulde de opdracht van Jeanne d'Arc, nl. Frankrijk tot eenheid brengen. Alle filosofie is in de grond der zaak uit de oude theosofie "voort"gekomen. Theosofie betekent "godswijsheid", d.i. wijsheid als die van de Goden (meervoud). Wanneer dus nu veel mensen terugkeren naar het theosoferen, dan betekent dit een grote terugval. Voor de oude tijd was de theosofie vanzelf- sprekend en in orde. Men dacht altijd in beelden en in mythe- vorm. De vlucht naar Egypte (47) was een noodzakelijke phase in het verhaal teneinde het verband te leggen met Egypte, want daar kwam het Christendom oorspronkelijk vandaan. Alles moet bij het begin beginnen. Egypte met zijn grote vraag: hoe gaan natuur en geest samen ? was het begin. Eerst moet de vraag gesteld worden, wil men het antwoord kunnen ontwikkelen. Dit antwoord: het gaat om de volslagen zelfbewuste mens, vrij van alle natuur- lijke begeerten, alleen verlangend naar de waarheid. Zonder Alexander de Grote zou het Christendom ondenkbaar zijn; hij was immers de grote volksmenger. De verzoeking in de woestijn (48). Ook bij andere volken reeds bekend, die de Chris- telijke gedachte dus ook al benaderden. Het is de gedachte dat de mens met zichzelf in het reine moet komen, waartoe hij zich op zichzelf moet terugtrekken (betrekken), zodat hij eenzaam wordt; eenzaam temidden van de woestenij van zijn natuurlijke be- geerten moet ronddolen. Christus vast veertig (40) dagen en veertig nachten. Geen mens kan veertig etmalen achtereen zonder voedsel. Veertig moet ook hier dus weer niet letterlijk maar symbolisch (5 x 8) gezien worden. Na die veertig etmalen heeft hij honger en dan komen de verzoekingen. Als eerste probeert Satan = de natuur): "Indien gij God's zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden", waarop Christus antwoordt: "Er staat geschreven dat de mens niet alleen van brood zal leven, maar van alle woord, dat uit den mond God's uitgaat". Hij weigert dus natuur(lijk) voedsel en stelt daar God's woord (de logos) boven. Als tweede verzoeking neemt Satan hem mee naar de heilige stad en plaatst hem op de rand van het dak van de tempel en zegt: "Indien gij God's zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven dat hij aan zijn engelen opdracht zal geven aangaande U, en op de handen zullen zij U dragen, opdat gij uw 31 voet niet aan een steen stoot". Christus antwoordt. "Gij zult den Here, uw God, niet verzoeken". Hiermede wordt aangeduid dat Christus Jahwe en diens dienst (de tempel) te boven is gekomen, dat hij hoger is en dit ook weet, Wie zich "hoog" weet wordt altijd door de hoogmoed bedreigd. Hij werpt zich niet naar beneden, want God is hoog en verheven en een zo hoge en verhevene mag niet op de proef gesteld (verzocht) worden. Börger's verkla- ring van Jezus' antwoord op deze tweede verzoeking vind ik zwak. Zijn verklaring van de derde verzoeking, die hierna volgt, lijkt mij veel beter en zou van toepassing kunnen zijn op alle drie de verzoekingen. Derde verzoeking: Satan neemt hem mee naar een hoge berg en toont hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheden en zegt dan: "Dit alles zal ik U geven, indien gij U nederwerpt en mij aanbidt". Christus weigert weer omdat hij zich bewust is dat het de mens alleen om de geest te doen mag en kan zijn, om zijn eigen waarheid, anders gezegd: om God en niet om wereldlijke macht (natuur = kwaad). Hij jaagt Satan weg en weet dat het niet gaat om eten en drinken (verzoe- king 1), de voeten stoten aan een steen (verzoeking 2), of wereldlijke macht (verzoeking 3), kortom alles natuurlijkheden, maar om de geest. Rome heeft deze derde verzoeking dus niet weerstaan, want het heeft het zwaard genomen en streeft naar wereldlijke macht. De Bergrede (49) De eerste exoterische preek van Christus. Zij heeft nog een sterk Alexandrijnse achtergrond ondanks het feit dat de evangeliën pas na ca. 130 jaar n.Chr. te boek zijn ge- steld. Rome wil alles exoterisch maken, eigenlijk alleen maar het volk naar de mond praten, het volk, dat geen heiligheid wil, maar brood en spelen, hetgeen dan overigens ook gezegd kan worden van hen, die deze verhalen opschreven. Rome was niet cultureel. "Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen". Hier worden niet de onnozelen of zwak- zinnigen bedoeld, maar: zij, die arm zijn naar de geest. De geest is, materieel gezien, de armoede zelf, absolute armoede, dus armoede zonder grens, dus volstrekt algemeen, denkbaarheid, materieel gezien: niets. De geest, dat is het niet-zijnde, be- hoort dus tot de categorie van het Zijn en niet tot die van het Hebben. De tekst van deze zaligspreking in de Bergrede heb ik letterlijk overgenomen uit de nieuwe vertaling van de Bijbel op last van en in 1954 uitgegeven door het Nederlands Bijbelgenoot- schap. Börger spreekt niet over de "armen van geest", maar over hen, die "arm zijn naar de geest" en laat daar dan zijn verklaring op volgen. Hij spreekt deze tekst anders uit om duidelijker te maken dat hier geen zwakzinnigen bedoeld zijn, zoals dat door zeker 95 % van alle bijbellezers wordt aangenomen (wat overigens ook een gedachte is). Börger weerspreekt terecht deze gedachte (alles laat zich weerspreken en niets gaat op in een eenzijdig- heid) en denkt verder door in zijn verklaring. Velen met mij kan deze verklaring niet bevredigen omdat hij niet duidelijk maakt waarom hij het niet met de "zwakzinnigentheorie" eens is. Ik heb naar een betere gezocht en vond die tenslotte in de oorspron- kelijke Griekse tekst. "Armen van geest" en "arm naar de geest" staan daar nl. als ptoochoi ( = armen = meervoud van ptoochos) tooi (= derde naamval van to = naar, in) pneumati (= derde naamval van pneuma = geest). Nu is "ptochos wel "arm" in het 32 Nederlands, maar het is ook "bedelaar". En "to" is behalve "naar" en in", ook "om". Deze twee andere betekenissen toepassend wordt de tekst: "bedelaars om de geest", of, wat fraaier gesteld: Ç"zij, die hongeren naar de geest". Nu is de gehele tekst meteen duidelijk, want zij, die hongeren naar de geest (= de waarheid, de Idee, God) zijn zalig en hebben zeker het Koninkrijk der heme- len in zich. Dit Koninkrijk der hemelen is voor het volk een oord, ergens hierboven. Maar in het heelal is geen boven en geen bene- den. De Bijbel zegt dan ook: het Koninkrijk der hemelen (ook wel het Koninkrijk God's) is in U (33) en niet: zal in U zijn in enig namaals of iets dergelijks. Men houdt echter, ondanks alles, aan de voorstelling vast. Alleen in de geest, dus in de Mens, is het Koninkrijk der hemelen. Tot slot over deze tekst uit de Berg- rede nog dit : De hier besproken tekst is uit het evangelie van Mattheus (49). De Bergrede is echter ook te vinden in het evangelie van van Lucas (49). Daar luidt de tekst : "Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods". Hier wordt "naar de geest" dus weggelaten en kunnen wij twee kanten op: hongeren naar de geest of hongeren naar eten en drinken. Ik houd het maar op het eerste, want waarom zou iemand, die hongert naar eten en drinken zalig zijn en het Koninkrijk der hemelen in zich hebben ? "Zalig, die treuren, want zij zullen vertroost worden". (49) Ideale uitspraak voor, dominees en pastoors, die iemand willen troosten. Maar daar gaat het niet om. De mens, en wel de Griekse mens, had reeds gezegd dat de natuur, de wereld, de werkelijkheid, een troosteloos oord is voor de geest, die daarin wordt verblind en bedrogen door de (bovendien vaak te- leurstellende) begeerten. God (de Geest ) treurt in de natuur omdat hij zich daarin verloren weet. Zo komt het grote heimwee, waaruit, alle kunst, alle grote dromen en sproken voortkwamen, naar het ideale (= goddelijke). Er waren altijd en overal wel mensen, die het wisten. In Rome was zeker reden tot treuren, in die verliederlijkte, alleen door geweld staande gehouden wereld, die dus zeker niet de ware woning van de geest was. Wie treurt, moet zich op de geest bezinnen en zal daarin troost vinden. Wie werkelijk begrijpt, vindt zijn troost in de wetenschap dat alles is zoals het onvermijdelijk zijn moet, dat het niet anders, kan. Verdriet kan zo een mens nog wel hebben, maar hij zal zich spoedig daarvan herstellen, evenals hij woede, ergernis e.d. zal overwinnen. Verdriet, dat is besef van onvolmaaktheid, dat het verlangen naar volmaaktheid oproept. Dit is onze mens- wording. Maar hierom vragen de meesten niet. Zij prefereren eten, drinken, vrolijk zijn, en ... klagen. Daar gaat hun leven in op. Wie, zoals het volk, het heimwee niet kent, die zal geen troost verkrijgen. Daarom is er leed, twijfel en zelfs vertwijfe- ling, angst. Zij kennen zichzelf niet en dat is meelijwekkend. "Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven".(49) Alleen de gerechtigheid tot mens-zijn is voor de mens en niet tot natuurlijk-zijn, want dat is de sfeer van het dier. Wie zachtmoedig, werkelijk zachtmoedig is, die dringt zich niet op, is niet op "hebben" uit, is vergevensgezind, vraagt niets voor zichzelf, maar krijgt daardoor alles, wordt echter nooit rijk. "Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al het andere zal U toegeworpen worden" (50). Een wereld, die toestaat dat mensen rijk worden is een verkeerde wereld. Om zich rijk te maken moet men 33 nl. het menselijke verzaken, moet men zich geheel in de materiële sfeer bewegen en daarin is de waarheid niet. "Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerech- tigheid, want zij zullen verzadigd worden" (49). Let wel: hier staat niet "rechtvaardigheid" en dat is goed en en kwaad met kwaad vergelden, oog om oog, enz. Gerechtigheid is méér. Deze zaligspreking wil zeggen dat de mens als mens gerechtigd is jegens de mens. Dat is men alleen wanneer en voor zo verre de mens streeft naar waarachtige mense- lijkheid; dat is een zich richten op de waarheid van de mens, de geest. Daarvoor is kerkbezoek niet noodzakelijk. Nogmaals: dit houdt, niet in dat het natuurlijke volstrekt verworpen zou moeten worden, want dit zou, consequent doorgevoerd, zelfmoord beteke- nen. Wil de mens, en dus God, bestaan, dan moet de mens (ook) natuurlijk zijn, maar hij moet zich bewust zijn van zijn menselijk- heid, zijn geestelijkheid, die zijn natuurlijkheid dient te ver- edelen. Jezus moet lijden om zijn natuurlijkheid omdat anders, zijn voorbeeldigheid niet blijkt. Wie zijn natuurlijkheid veredelt, stelt haar in diens van zijn mens-zijn. Wie zich daarentegen uitsluitend op zijn natuurlijkheid richt, verloochent de geest en dus het menszijn; hij leeft als het dier en dat is dus beest- achtig. "Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartig- heid geschieden" (49). Dit klinkt alleen vreemd voor hen, die de mensen uit elkaar denken. Wat een mens een ander mens doet, doet hij DE MENS, de mensheid, waar hijzelf ook toe behoort en dus ook zichzelf. In geven kan nooit een andere beloning liggen dan de vreugde van het geven zelf. Wie geeft om iets terug te krijgen, geeft in waarheid niet, hij wil, alleen maar ruilen en liefst tegelijk oversteken. De beloning kan alleen zijn dat de ander onvangt, kàn ontvangen, De beloning is eigenlijk alleen de vreugde van de zelfverwerkelijking. Wie, barmhartigheid bewijst, verwerkelijkt zich in de sfeer der barmhartigheid, als barmhar- tigheid. En men mag dankbaar zijn als dat gelukt. Want alleen door waarachtige zelfverwerkelijking komt de mens tot vrijheid. "Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien" (49) Dat hier "van hart" gezegd wordt en niet "van hoofd" spreekt vanzelf. Wiens gevoelens zuiver menselijk zijn, die is immers God. (Zie wat op pag. 26, derde en vierde alinea geschreven staat over de Drievuldigheidsgedachte). "Zalig de vredestichters, want zij zullen kinde- ren Gods, genoemd worden" (49). Wie in waarheid alles begrijpt, alles daarom aan- vaardt, die heeft vrede met alles. Alles moet er zijn zoals het is en is dus zo in orde. Ook onze tijd. Deze moet er zijn, omdat de verwording voorwaarde is voor nieuwe opbouw. Het nieuwe, dat komen gaat is altijd beter, altijd een verder stadium, al is alle begin barbaars, chaotisch en dus lager. Griekenland was vol van een welhaast volmaakte schoonheid, een schoonheidsaanbidding, die nooit eerder en nooit daarna is gepresteerd. In de geschiedenis is alles eenmalig. Maar de geschiedenis herhaalt zich toch steeds ? Ja, maar steeds op andere wijze. Rome was nuchter, stug, volkomen op nut inge- steld, aan hebberigheid verslaafd. Toch legde het, al was het nog zo oppervlakkig, de grondslag voor de verdere ontwikkeling. Rome was in het geheel niet vroom, wel doodernstig, met als doel 34 de persoonlijke vrijheidsgedachte. Armzalig van dorheid. Hegel: Rome brak het hart van de wereld. De Germanen, die daarna kwamen, waren nog, volslagen oerwoudbarbaren, maar met een zuiver instinct, dat zei, dat de enige rechter over de mens tenslotte de mens zelf is. Zij namen de waarheid omtrent de mens als religie over, en werkten die heel, heel langzaam uit tot... zuiver geest, zuiver begrijpen van de mens, de waarheid, de Idee, God. De wereld moet verder. Wij zijn nog niet zo erg ver, nog niet eens zo ver dat wij Christelijk zijn geworden. Wij hebben het nog steeds te druk met, onszelf om in te zien dat het niet gaat om IK, maar om WIJ. Wij zijn echter op weg naar een betere wereld. Wie de mens begrijpt als Jezus Christus en deze als de mens, die heeft vrede met, alles, is aldus vanzelf God's kind, zoon des mensen. "Zalig zijt gij, wanneer men U smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van U spreekt om mijnentwil". (49) Hiermee wordt gezegd dat zij de nobelen zijn, die nagevolgd moeten worden. De eerste Christenen voerden deze ge~ dachte zo ver door dat zij soms zelf de vervolging, zochten, om ... zalig te worden. Daarom zegt Augustinus dat de mensen alleen zichzelf zoeken. Zij zijn, zegt hij, godsdienstig en gelovig uit ... angst voor de verdoemenis. Toch was de moed van die mensen, die de arena, ingingen, bewonderenswaardig. Hierdoor maakte hun God een enorme indruk op de Romeinen. Deze moed, ook wel "egoïs- me- over- het- graf" genoemd, heeft enorme betekenis gekregen. De arena was een grote propagandaplaats voor het Christendom. Zeker toen gold: wee hem, die de waarheid zegt. De massa kan niet anders dan de waarheid als onwaarheid zien; zij kan de waar- heid nu eenmaal niet bereiken. Nog enkele beroemde uitspraken: Wie heeft, dien zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden". (52) Deze uitspraak heeft er toe geleid dat men wel beweert dat het Christendom een zuiver kapitalistische gods- dienst, is. Dit is belachelijk. Eerstens is de strekking van deze uitspraak geheel anders, volkomen immateriëel en ten tweede is het Cristendom eigenlijk niet eens een godsdienst, hoogstens een religie, dus een uitdrukking van het besef van alverbonden- heid . Als het Christendom heeft de godsdienst, zichzelf opgehe- ven. Hier is immers een God - de Vader, die zijn Zoon en alle mensen, die "zijn kinderen zijn", liefheeft- Kinderen kunnen niet in dienst van hun liefhebbende vader staan, hoogstens kunnen zij vrijwillige liefdediensten bewijzen. De Joodse godsdienst was nog wel een godsdienst, maar Jahwe was dan ook niet de liefde- volle, hij was slechts de rechtvaardige. Daarom moest hij steeds wraak nemen en straffen, wat eigenlijk op hetzelfde neerkwam. Alleen rechtvaardig zijn is goedkoop, nog niet veel bijzonders. Wie heeft die zal gegeven worden, enz. : Dat wil zeggen : wie in aanleg Is, wat hem verkondigd zal worden, alleen die kan het ontvangen. Men kàn niet geven aan iemand, die niet kàn ont- vangen. Wie niet heeft, enz.: Wie niet de aanleg heeft en de bereidheid zich tot de waarheid te wenden, maar wel de aanleg en bereidheid heeft zich tot andere (natuurlijke) zaken te wen- den, die zal steeds verder zinken in de modder der natuurlijk- heid. Geen mens is echter ooit geheel van de Idee, van God, verlaten. Het past dus niet te spreken, zoals de esoterici deden, van honden en zwijnen (46). Het gaat altijd om mensen, ook al zijn die 35 nog zo slecht, zo verliederlijkt, zo diep gezonken. "Gij zijt het Licht der wereld" (53). De mens is als geest liet grote licht, dat alles verlicht, dat weet men al duizenden jaren (zie zon- en licht- aanbidding, pag. 2 zesde alinea). Alle Goden van Egypte zijn dan ook afbeeldingen van de goddelijke energie, "belichaamd" in de zon. Aton is de zon in de middag, zuiverste verschijning van het licht, dus van God. Kerstmis is de geboorte van het licht; dan worden de dagen immers weer langer en wordt het licht weder- geboren. De mens is het licht der wereld, zijn denken doorlicht alles, hij kan alles be"grijpen" (dat is iets anders dan alles weten of kennen), want het zuivere, redelijke denken verkeert alles tot enkel gedachten. Als enkel gedachte is het redelijke denken: God (enkel geest, zeiden de Joden reeds). De inhoud der begrippen is aanvankelijk de voorstelling, dus nog natuurlijk; de Vorm (gedachte) is dan nog niet adequaat aan de inhoud (voor- stelling). Doordenkend zuivert het denken zich tot enkel gedachte, waarin de voorstelling dus niet neer mee doet. Denken staat voor niets, want het heft alle bepaaldheid op tot algemeenheid. Elk begrip is algemeen. Wij kunnen niet anders zeggen dan bijzon- dere algemeenheden, b.v. : dit (bijzonder) is een boom (algemeen, i.c. soort). Elke enkelheid is verbijzondering van het algemene. Elk mens is verbijzondering van DE MENS. Dus zijn zij allen broeders en zusters. Maar deze gedachte leeft nog niet in die mensen, die nog steeds meer werken met Kaïn dan net Christus. Als wij allen kinderen van één God, van één Vader zijn, dus van gezin (een goed gezin, want met een liefdevolle redelijke Vader), dan dienen wij anders tegenover elkaar te staan dan de wereld nu te zien geeft. Maar de anderen zijn nog steeds de Anderen, niet behorend tot Wij. God's molens malen langzaam, hoewel de geest "snel" is, want hij is absoluut en heeft dus geen tijd nodig. De massa, die aan de geest niet toekomt, moet nu eenmaal alle verblinding van het begeren doorworstelen. Vandaar: "Indien iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge mij (54). Van de mens is te eisen dat hij Mens zij, kind van dit ene grote gezin (Waartoe zijn wij op aarde? PAg. 7 vijfde alinea). Dat is belangrijker dan alle begeerten, waaraan steeds de armoede, de ellende en de angst vastzitten. Wanneer in een gezin een kind zwak is, krijgt dit van de anderen van alles extra en dat wordt vanzelfsprekend gevonden. Christus zegt de waarheid. Maar zo lang wij alleen maar het aardse (natuur- lijke) najagen, zien wij die waarheid niet, zien wij geen licht, maar blijven in het duister steken en zijn onchristelijk. Al 2000 jaren lang wordt dit alles gezegd en er komt nog steeds niets terecht van deze mooie Christelijke Idee, het lijkt nog nergens naar. Europa is de AANVANKELIJKE verwerkeling van de Christe- lijke cultuur, de cultuur van de vrijheid. Maar een mens kan al- leen waarlijk vrij zijn als alle mensen vrij zijn. Jezus Christus, zoals in de evangeliën beschre- ven, kan niet bestaan hebben, al was het alleen maar omdat dan mensenkind niet uit een maagd geboren kan worden. Wie heeft dan de leer van het Cristendom het eerst verkondigd ? Dat waren de Alexandrijnse Joden. Zij hebben de Christus-GEDACHTE (Chrestos) gebracht als hun gnosis, hun esoterische mysterie-gedachte. Onder hen was Philo een vooraanstaande figuur. De oorspronke- lijke gedachte was in die vorm voor het volk te moeilijk; de ge- middelde mens wil houvast hebben, wil beelden hebben, zodat zij 36 zich iets voor kunnen stellen. Anders gezegd: de massa is on- volwassen, dus kinderlijk en kinderen kunnen nog niet redelijk denken, zij kunnen alleen nog naar kijken en niet zien, alleen horen en niet luisteren. Kinderen kunnen en moeten dus plaatjes kijken, verhaaltjes horen, de buitenkant zien en horen, aan de binnenkant - zien, luisteren, denken - zijn zij nog niet toe. Dat is er in de loop der eeuwen nog niet veel op vooruitgegaan; God's molens malen langzaam. Zeker, er zijn nu, zowel in aantal als procentueel, meer en betere denkers, maar de massa, lijkt in deze tijd steeds onvolwassener, kinderlijker te worden, vandaar de nog steeds toenemende behoefte aan plaatjes kijken: beeld- romans, stripverhalen, bioscoop, televisie, geïllustreerde encyclopedieën. Rome zag zich dus genoodzaakt de abstracte eso- terische gnosis van de Alexandrijnen te historiseren, zoals in de oude mysteriën, speciaal in Griekenland, het lijden van de God (Dyonisos) zinnebeeldig werd voorgesteld als toneelspel, waarbij de mystici wisten dat het zinnebeeldig was. Als Rome het daar nu maar bij gelaten had, dan zou dat een daad van mens~ lievendheid zijn geweest. In de Bijbel is echter ontstellend veel onzin gestop en dat is pure vervalsing, kan dus nooit God's woord zijn want God kan niet vervalsen. God kan ook geen won- deren doen. Immers, als God een wonder doet, ontkent, heft hij de wetten van de natuur, die hij zelf door zijn rede ingesteld heeft, op. Dat zou het toppunt van onredelijkheid zijn en dat kan niet bij God ( = de Idee = zuivere redelijkheid) Een ander voorbeeld van het houvast willen hebben van de massa is dat zij een begin van de schepping willen hebben. Men zei dan maar dat God haar geschapen heeft, waarop de onver- mijdelijke vraag kwam waar die dan vandaan kwam. De Alexandrijnen, maar zij niet alleen, antwoordden hierop: God heeft zichzelf ge- schapen. Dit is al een zeer oude gedachte, waar de mensen toen en ook nu nog genoegen mee namen en nemen. Een, wellicht begrij- pelijker, antwoord zou geweest zijn: God is er altijd geweest, want, hij is oneindig, eeuwig en kan dus geen begin gehad hebben. Dat was - en is vaak nog te moeilijk voor de massa. Een "eeuwige" gelukzaligheid ingaan na de dood is onzin. Een contradictio in terminis. Voor wie de eeuwigheid in gaat heeft die eeuwigheid immers een begin. De kerken houden niettemin dat GELOOF in de eeuwige zaligheid hardnekkig vast. Het bevordert immers het doen van goede werken, de vroomheid, de kerkgang en het doen van schenkingen ( met name aan de kerk). En wie doet dit alles niet graag voor een zo meer dan vorstelijke, zelfs "eeuwigdurende" beloning ? Bepaald een koopje. Het Nieuwe Testament is in wezen één permanente discussie tussen de aanhangers van de oude tempelleer en de nieuwere Joodse opvattingen. Orthodoxie tegen de nieuwe stro- ming, die het "beloofde land" op hoger plan bracht. het Konink- rijk der hemelen. Over Johannes de Doper zegt Jezus: "Ik zeg U, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan hij, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij" (55). Ook hierom kon Jezus niet uit een vrouw ge- boren zijn, want hij was wel groter. In deze tijd kunnen wij ons wel eens ergeren over allerlei inconsequenties in het bijbelverhaal; de mensen in het begin van de jaartelling, deden dat niet; zij hadden nog geen last 37 van de logica (kinderen nu ook nog niet). Verder is hierbij te bedenken dat het verhaal in de eerste plaats het lagere volk, in hùn taal aansprak. Het lagere volk, dat het in het Romeinse Rijk wel zeer zwaar te verduren had. En verder dat de Openbarin- gen in die tijd eigenlijk waren, wat wij nu zouden noemen "een illegaal geschrift". De keizer was immers de God op aarde. Het verhaal is dus aan het lagere volk aangepast omdat dit zeer zeker geen troost zou vinden in de abstracte ideële Christus. Het volk hunkerde naar troost en verlossing, en als die niet "hier en nu" te krijgen zou zijn, dan desnoods in de "eeuwige zaligheid" in een hiernamaals. In de tweede brief van Paulus aan de Corinthiërs (56) schrijft hij dat Jezus hem de bevoegdheid heeft gegeven om op te bouwen en niet om af te breken. In de Tien Geboden en in de evangeliën (57) wordt gezegd: "Gij zult niet doodslaan". Beide uit- spraken pleiten voor zachtmoedigheid en tegen agressie. Jezus gaat in Mattheus nog verder: "Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht". Is dus schul- dig en zondigt. De zonde is des geestes. Dat vinden wij ook al bij de Alexandrijnen en in Genesis (59). Wie boos is ("toornt") is boos, kwaad, d.w.z. resp. uit den boze, niet goed. Alleen de mens kan zondigen. Het dier niet, omdat dit geen geestelijk wezen is en dus het onderscheid tussen goed en kwaad niet kent. "Gij zult geen overspel doen" stond er al in de Mozaïsche wet; er stond steniging op. Ook hier gaat Jezus nog verder: "Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd".(60) Vanzelfsprekend zijn al de eisen, die Jezus aan de mensen stelt te hoog. De mensen kùnnen dit alles niet, maar le- ven dan dus principieel onchristelijk. "Liberté, Egalité, Frater- nité, het Christendom "in a nutshell", predikte de Franse Revolu- tie. Ook niet zo veel van terecht gekomen. Heeft het Christendom dan helemaal niets bereikt ? Zeker wel, al ziet het er op het eer- ste gezicht niet naar uit. Maar het "eerste gezicht" ziet alleen maar de buitenkant en daar gaat het niet om. Wie door kan (wil) denken, naar binnen doordringen zal bemerken dat velen tot het inzicht beginnen te komen dat de waarheid van de mens is: de menselijkheid, de vrijheid, de broederschap. Daar gaat het om en dat is de blijde boodschap, in het Grieks: euaggelion en niet meer: maatschappelijk aanzien, rijkdom, huidskleur, hebberigheid, enz. Dit inzicht komt vanzelf, ongemerkt, maar ... en dan nog maar eens. God's molens malen langzaam. De schrijvers van de evangeliën snapten dit alles niet. Met de beste bedoelingen, maar heel plomp, verpakten (ver- valsten) zij de waarheid, zodat de lezers er helemaal niets van begrepen. Die - zeker destijds noodzakelijke - plompe verpakking biedt ons echter het voordeel dat zij licht te doorzien is. Helaas lang niet voor iedereen. Luister maar eens naar de baar~ lijke nonsens, die vele dominees, pastoors, Jehova-getuigen e.d. uitkramen. In het recht wordt veel gewerkt met de eed, die in groot ceremonieel wordt gehuld. Maar Christus zegt: "Maar ik zeg U, in het geheel niet te zweren, enz." Eigenlijk vreemd, de eedsaflegging, omdat men blijkbaar van de gedachte uitgaat dat er normaliter maar raak gelogen wordt en mag worden. Het eedsformulier is dan ook niet eerbiedwekkend, eerder een felle aanklacht. Men zweert bij God bij zulk een gelegenheid en zal in 38 dat geval dan maar een keer de waarheid spreken uit vrees voor de verdoemenis. In onze tijd loopt het met die vrees voor de verdoemenis zo een vaart niet meer. Wie gelooft daar nog in ? Een achterlijke dorpspastoor of Jehova-getuige misschien. Het is nu meer de vrees voor gevangenisstraf wegens het plegen van meineed. Een vrees, die overigens ook al niet zo groot meer is voor de moderne "penetentiaire inrichtingen" met eenpersoons kamers, radio, televisie, betaald werk, weekendverlof, enz. Het "Onze Vader". (63) Onze Vader: het goddelijk beginsel van de mens, alleen denkbaar, enkel Geest, dus onaantastbaar = heilig. Het gaat om de verwerkelijking van het goddelijk - menselijk beginsel en dus "in de hemel, zo ook op aarde". Dat men bidt, dus zich wendt tot dit beginsel, is in orde. Wat echter te denken van de Roomse school, waar kindertjes werd (en misschien nog wel wordt) aangeraden te bidden tot de Heilige Antonius als zij hun gummetje verloren hadden ? Bidden moet zijn: zich wenden tot God (= het goddelijke, de Geest, het denken of tenminste de wil tot denken) "Zoekt en gij zult vinden; klopt en U zal worden open- gedaan" Alles zeer juist: wendt U tot de Geest, DENKT, en al wat U vraagt zal U gegeven worden, de hele wereld zal voor U opengaan, want het denken is alomvattend en zal elke vraag be- antwoorden. "Uw wil geschiede"= het menselijke geschiede. "Geef ons heden ons dagelijks brood" (in de Leidse vertaling: "geef ons heden ons brood voor morgen"). MEER NIET. De mens heeft alleen recht op handhaving van lijf en leven. Vandaar ook: Verzamelt U geen schatten op aarde, enz>. (64) Wie meer eist of neemt dan dit elementair noodzakelijke besteelt zijn medemensen. Klinkt wat overdreven, maar is niet onjuist. "Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij verge- ven onze schuldenaren". Wie zijn schuldenaren vergeeft komt met hen tot verzoening, verwerkelijkt daardoor de wil tot eenheid, tot men- senliefde. De wil tot verdeeldheid van de mens is zondig. Hij stelt nl. het IK op de voorgrond en tegenover al het andere en alle anderen en ontkent deze(n). En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze". Deze laatste zin hoorde er oorspronkelijk niet bij; hij is er later aan toegevoegd. Overigens is het onzin, want de mens, altijd in verzoeking door zijn natuurlijk bestaan, hoeft niet meer in verzoeking geleid te worden en is met "den boze" onverbrekelijk verbonden. "Komt tot mij, allen, die vermoeid en belast zijt, enz.". (66) God, de Geest moet begrepen worden als het begin- sel van de menselijkheid. Het moment van de identiteit moet on- derkend worden, er moet gedacht, begrepen worden, de werkelijk- heid tot begrip gebracht, dan pas wordt er tot rust gekomen. Wie begrijpt, begrijpt ook het kwaad en dat het er nu eenmaal MOET zijn en heeft er vrede mee. Wie het kwaad onderkent moet er wel het zijne van zeggen, scherp en hard desnoods, zoals Christus ook Farizeeërs en Schriftgeleerden aanspreekt met "Slangen, addergebroed en huichelaars" (67) de boosdoeners er echter niet om haten. Uitschelden mag wel ?? Het is de taak van de mens om tot de waarheid (de geest, het redelijk denken) te komen. Weinigen slagen daarin, 39 velen zoeken en verdwalen vaak, omdat de massa nu eenmaal niet tot zuiver begrip kán komen. Alleen uit het gevoel kan zij komen tot een besef, een vermoeden van de waarheid. En de kerken zijn verstard, versteend, traditie geworden, dus goddeloos. De kerken moeten tot het besef komen dat het niet gaat om het natuurlijke, maar om de geest. Anders kan zij nooit een wereld scheppen, waar- in de mens vrij kan zijn, een wereld, waarin het subject zich ver- houdt tot het objectieve (deze wereld) als tot zichzelf. "Laat de kinderen tot mij komen". (68) Het geloof is een kinderlijke aangelegenheid, maar niet kinderachtig. Kinderen kunnen nog niet redelijk denken, de geest is alleen nog maar in aanleg aanwezig. Kinderen kunnen die geest dus nog niet gebruiken en zijn dus alleen nog maar natuurlijk, zitten nog geheel vast aan de natuur. Omdat zij nog niet kunnen denken, kunnen zij nog niet begrijpen, de binnenkant nog niet zien; maar wel de buitenkant. Vandaar dat kinderen graag plaatjes kijken (= openstaan voor symbolen), sprookjes horen vertellen, de gevoelvolle voorstelling van het leven, lijden en sterven van Jezus (veel meer is het Nieuwe Testament niet) horen vertellen of uitgebeeld zien. Vandaar dat kinderen gemakkelijk geloven in de goede, en boze, fee in het sprookje, in Sinterklaas, in de zoete, almachtige Jezus, die al goed - en wonderen - doende rondging. En stond de geest (het denken), toen het Nieuwe Testament geschreven werd, ook niet nog in zijn kin- derschoenen ? En is de geest van de "gelovigen" van nu dan eigen- lijk ook nog geen stap verder ? Het kind kan mens (volwassen) worden, wordt dat echter lang niet altijd. Psychologen beweren dat de gemiddelde ontwikkeling van de massa, die is van een kind van dertien jaar. Dat is niet zo best voor die massa, ver- moedelijk echter wel een juiste bewering. Dat Jezus de kinderen tot zich trekt is symbolisch voor de ware menswording. Want: uit het kind wordt de mens en zo ook: uit het geloof de zuivere rede. "Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet". (69) De kerk houdt hier streng aan vast, maar begrijpt niet waar het om gaat, dus houdt zij deze regel als formaliteit, als lege vorm. Waar gaat het dan om ? Wat God verenigt, dat is wat het goddelijke, de liefde verenigt, zal de mens niet scheiden. Dat kan hij trouwens ook niet, want wat de liefde vereent IS een eenheid en een eenheid kan niet gescheiden worden. Wanneer het goddelijke, het moment der eenheid (= de liefde) echter ontbreekt, of er niet meer is, dan MOET er een mogelijkheid tot echtschei- ding zijn. In het verhaal van de rijke jongeling (70) wordt uit- drukkelijk gezegd dat een rijke het Koninkrijk Gods niet binnen kan gaan: "gemakkelijker gaat een kameel door het oog ener naald, dan dat een rijke het Koninkijk Gods binnengaat". "Verzamelt U geen schatten op aarde, enz~" Dit alles wil zeggen dat hij, die naar rijkdom streeft het natuurlijke boven de geest verkiest en dus nooit mens kan worden, onchristelijk leeft. Ware menselijk- heid is niet te vinden in de sfeer van het hebben, maar alleen in de sfeer van het zin, dus van de geest. De meeste mensen leven nog steeds in de sfeer van het hebben en daarom is te zeggen dat Judas over hen regeert. Wie zich op materieel bezit richt IS Judas. "Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard". (71) 40 Veel bloedige terreur, ook van kerkelijke zijde, is hiermede al "goedgepreekt". Het gaat hier natuurlijk niet om een echt zwaard. Christus is de volslagen zelfbewuste mens. Het volslagen zelfbewustzijn is het dialectisch denken, dat door zijn oneindige zelfverkering (= zelfontkenning) DE grote "onrust- stoker" is. Wie eenmaal geleerd heeft dialectisch te denken, zit in de eeuwige strijd, die hem - geestelijk - nooit meer met rust zal laten; de dialectiek houdt hen; in opstand tegen zijn eigen natuurlijkheid. In Goethe's Faust is Mephisto dialectisch, ech- ter nagenoeg enzijdig, als hij zegt: "Ich bin ein Teil von jener Kraft, die steLs das Böse will und stets das Gute schafft". De waarheid gaat echter in geen enkele eenzijdigheid, geen enkele bepaaldheid op, want zij IS de voortdurende zelfverkering. Wan- neer Jezus zegt, dat de "Zoon des mensen geen plaats heeft om het hoofd neer te leggen" (72), dan is dit geen lamenteren om een huis, bed, of kussen, maar dit betekent alleen dat de Rede nergens rust heeft, de voortdurende zelfverwerkelijking is. Dit denken produceert zijn eigen inhoud, heft die weer op door van elke gedachte het tegendeel te stellen, welke "ontkenning" door de volgende ontkenning op hoger plan komt. De hogere rust (syn- these) is die van het weten der waarheid en is dus niet in een of andere hemel, "het Koninkrijk der hemelen is in U". (33) HEt is niet ruimtelijk en niet tijdelijk, maar denkbaarheid en dus door het zuivere denken wel te bereiken. Niet iedereen kan dat; het is een gave, een kwestie van aanleg. Overigens waren ook niet- filosofen wel in het Koninkrijk der hemelen, of liever, was dit in hen, zoals b.v. in Rembrandt, Beethoven, Goethe en vele andere kunstenaars, wanneer zij hun grote werken schiepen. Het Koninkrijk der hemelen is dus ook in de kunst en ook in de inner- lijke verstilling, die voor iedereen te bereiken is en ook, speciaal door diverse grote mystici uit de Middeleeuwen (Meister Eckehart b.v.) wel degelijk gekend werd. De gelijkenis van de verloren zoon. (73) De verloren zoon wordt gewoonlijk opgevat als voorbeeld hoe het niet te doen, terwijl men zijn broer als beter beschouwt. Dit is niet juist. De verloren zoon is in wezen (en daar gaat het altijd weer om) de mens, die jong het leven, de wereld ingaat, het leven en zijn natuurlijke genoegens en moeilijkheden doorworstelt, aan de werkeliJkheid tenslotte stuk- loopt en dan terugkeert, in het besef en bekennende dat hij fout ging, op een verkeerde, doodlopende weg was. Hij is de ware zoon, die door alle leed en modder is gegaan en zo tot inzicht in de ware menselijkheid gekomen. Dan moet hij terug tot de Vader: de aanleg tot het menselijke, het Ideële, het geestelijke prin- cipe. Meestal wil men de gang door het kwaad niet, hij is echter onvermijdelijk vanwege onze natuurlijkheid. De grootse ontwikkeling van het denken in Europa is dan ook alleen maar tot stand ge- komen door enorm veel strijd en - daarmee gepaard - leed, waaruit verinnerlijking voortkwam. Rondkijkend lijkt het in deze wereld niet op verinerlijking. Toch is zij er wel voor wie kan zien. Wij staan voor een wedergeboorte. Alleen uit het duister kan het licht opkomen, uit de chaos de kosmos. De uitspraak over de ergernis.(74) Deze is ook weer logisch bedoeld, d.w.z. het is in orde, het licht in de rede, dat de ergernis komt. En zij komt steeds weer. Om dit verder te verduidelijken vond ik het gemak- kelijker het woord "ergernis" te vervangen door "aanstoot". 41 Paulus doel dit in zijn brief aan de Romeinen ook (74) evenals van Dale, in zijn Woordenboek der Nederlandse Taal (onder "aanstoot" staat o.a.: -4.Bijb. een steen des aanstoots, oorzaak van erger- nis). Nu kan men aanstoot geven door kwaad te doen, maar ook door goed te doen: "Is uw oog boos, omdat ik goed ben ?" (76) In het voorgaande is gesproken over het Joden - en Christendom, beide met als achtergrond de oude zonnenmythe. Veel werd gesproken over de grondgedachte van dit alles: de ondergang, de herrijzenis, de wedergeboorte, o.a. bij de doop (zie pag. 29, eerste alinea). Dit alles kan gezien worden als een vaag besef, een vermoeden van het dialectisch beginsel. De zon werd toen AANGEVOELD als natuurlijke afspiegeling van de geest. Verder kon de mens toen nog niet komen. En de geest, zuiver genomen de rede, werkt nu eenmaal volgens het principe dat alles wat zich laat zeggen zich ook laat tegenspreken, d.w.z. dat elke gedachte onmiddellijk zijn eigen tegendeel aan zich meebrengt, aan zich oproept. Deze tegendelen bepalen el- kaar zoals b.v. "goed" en "kwaad". Wij kunnen nooit bij een be- paalde gedachte blijven staan, want elke bepaaldheid komt aan zijn grens en daar begint haar andere, gaat over in iets anders. Voorbeeld: hoezeer de mens ook het goede wil, nooit komt hij zonder het kwaad uit, dat is zijn natuur. zijn natuur- lijkheid. Zijn wezen, zijn ware menselijkheid, staat vijandig tegen- over zijn eigen natuurlijkheid, die echter niet eenzijdig te ont- kennen is omdat die mens daar nu eenmaal onverbrekelijk mee ver- bonden is. Zonder zijn natuurlijkheid zou de mens niet meer kunnen bestaan en dat wil hij niet; hij wil steeds zijn mens-wording voortzetten. Alleen de mens kent het onderscheid tussen goed en kwaad, d.w.z. dat hij redelijk is, de levende rede en daarom gelijk aan God (5). Hij is dus dialectisch. Het dialectisch beginsel is altijd voorhanden, hoe dan ook, zelfs b1j de negers in Afrika, de Aboriginals in Australië. De mens weet altijd, hoe dan ook, zijn eigen waarheid en drukt die op enigerlei wijze uit. Wij weten het volkomen, hebben het ten volle begrepen en kunnen het zuiver uitdrukken, maar dit is nog maar theorie en slechts voor enke- lingen. De wereld moet nog redelijk worden. Maria Magdal(en)a, waarvan Jezus zegt dat overal waar het evangelie verkondigd zal worden, ook over haar gesproken zal worden (77). Het is voor kerkelijken mogelijk wel wat moeilijk dat het evangelie zo sterk wordt gebonden aan de naam van een hetaere, een publieke vrouw, een zondares dus, die de weg gegaan is naar zinnelust, weelde, luxe, enz. en die dus evenals de verloren zoon "verkeerd begonnen" is, nl. natuurlijk in plaats van gees- telijk. Alles begint verkeerd, verkeert zich tot zijn tegendeel. Maar het kan niet anders. Zij zit neer aan Jezus' voeten en wast die met haar tranen (van berouw), waarna zij ze met haar haar droogt en ze zalft ("voor de begrafenis" (77). Maar zij is tot in- zicht gekomen; heeft zich aan het natuurlijke ontworsteld en dat is veel. Hartstochten zijn niet zo naar weg te schuiven. Om er een paar te noemen: de drang naar bezit, aanzien, macht. Onze psychologen noemen dat geldingsdrift. Allemaal moeten wij nu eenmaal natuurlijk beginnen, nl. als kind en gaan zo dan maar het leven in en aan de opvoeding (= voorbeeld geven) ontbreekt nog wel het een en ander. Opvoeding kan een goede zaak zijn, maar uiteindelijk moet ieder het voor zichzelf doen. Maria Magdalena zocht het geluk daar, waar het niet te vinden is, nl. in de 42 bevrediging van verlangens. Maar: elke vervulde begeerte wekt nieuwe begeerte(n). Men komt op die wijze nooit tot rust, nooit tot vrede. Het enige wat werkelijk vrede geeft is zuiver begrij- pen. De mens moet beginnen met het fout te doen en dan de fouten overwinnen. Het kind begint met te geloven en moet dan van geloof tot begrijpen, weten, wijsheid komen. Maria Magdalena treurde om haar fouten, kwam tot het inzicht dat het om het menselijke gaat. Deze "slechte" vrouw was waarlijk mens geworden. Zij blijft dan ook altijd bij Jezus (de Waarheid) tot en met zijn dood en begra- fenis en is de eerste aan wie hij zich na zijn verrijzenis toont. Jezus' moeder, de Heilige maagd, was niet bij de wederopstanding. Natuurlijk niet zij was een aardse vrouw, die slechts toevallig met de Geest in aanraking kwam. Zij hoort bij de aarde, meer bij het onbewuste dan bij het bewuste. Ook zij is intuïtie, maar niet gelijk Maria Magdalena, die door de hevige ervaring van het wereld- se leven tot INZICHT gekomen was. Het laatste avondmaal. Typisch hierbij is de voetwassing. Deze is zo te begrijpen: de voet beroert de aarde, de voet wordt dus speciaal besmeurt. Door de voet staat men in contact met de aarde (= de wereld = het natuurlijke). Het is dan ook vanzelfsprekend dat de voeten voor het avondmaal gereinigd worden. Speciaal voor het Heilig Avondmaal. Eerst het wereldse verwijderen, dan en daardoor tot het Heilige komen. Wie heilig wil worden moet de zonde gekend hebben, Dat spreekt vanzelf, maar veel atheïsten wroeten desondanks erg graag in de zinden, het zondige verleden der heiligen, terwijl het er juist om gaat dat zij zich hieraan onttrokken hebben, zich hier bovenuit gebracht hebben. Bedoeld gewroet kan dan ook niets afdoen van de werkelijke heiligheid van figuren als b.v. Augustinus en vooral Franciscus van Assisië, de zachtmoedige, kinderlijke ziel, die innig vroom was, maar kerk en geloof wilde zuiveren. Hij leefde van 1182 tot 1226, werd ook wel gezien als eerste aanwijzing voor Renaissance. Onvoorwaardelijk bleef hij trouw aan zijn kerk, ook al kostte het hem in sommige geval- len moeite zichzelf te overwinnen en de richtlijnen der kerkelij- ke leiders te aanvaarden. De schanddaden van de kruisvaarders, voornamelijk de vierde kruistocht in 1203 tegen Constantinopel, droegen hier niet weinig toe bij. De gelijkenis van de ponden (78) is vrijwel identiek aan de gelijkenis zoals besproken op pag. 34 (52) en komt in het kort hierop neer dat een koning aan tien van zijn slaven een pond geeft, waarmee zij moeten gaan verdienen. Eén heeft dat pond be- graven en geeft het later terug. Hij had gevreesd het niet goed te zullen doen en was bang voor de koning, "omdat gij een streng mens zijt" en juist daarom wordt zijn pond hem afgenomen en ge- geven aan de slaaf, die met zijn pond het meest verdiend had. Hierop sluit aan: "aan eenieder, die heeft, zal gegeven worden, en hem, die niet heeft, zal ontnomen worden ook wat hij heeft". Een fraaie zin ter verdediging van het rentestelsel. Maar zo is het niet bedoeld; het is alles allegorisch. Jezus heeft het nooit over bezit, rijkdom enz., integendeel alleen maar over de geest, de liefde, enz. Maar voor velen is nu eenmaal met de bijbelteksten elke ploertigheid te dekken. Deze gelijkenis wil alleen zeggen dat de mens zijn gaven, zijn talenten moet gebrui- ken, zijn aanleg tot menselijkheid dus moet ontwikkelen. Wie dit niet doet is een verloren mens; wie zijn aanleg ten volle ont- 43 wikkelt, die ontvangt steeds meer, steeds groter wordt zijn innerlijke rijkdom, zijn levensvreugde, zijn zekerheid. Deze on- aantastbare, want geestelijke rijkdom ( "een schat, die nooit op- raakt, in de hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot ze schaad" (79) kan alleen de mens zelf in zichzelf produceren. Wie zijn menselijke, dus geestelijke aanleg, niet tot ontwikkeling brengt, wordt een stomzinnig individu, alleen maar etend en drinkend en verder dommelend, nooit komend tot het innerlijke licht, die dus zichzelf opsluit in de duistere kerker der na- tuurlijkheid, die zijn "pond in een doek wegbergt en bewaart". (78) Mysteriespelen waren middeleeuwse, godsdiensti- ge toneelspelen, o.a. betrekking hebbend op de geboorte en het lijden van Cristus. Het drama van Jezus begint 's avonds, dan volgt zijn arrestatie, de rechtspraak van het Sanheddrin, Pilatus, geseling, kruisiging en begrafenis. Alles in nog geen vieren- twintig uur samengeperst. Dit is vooral te zien als een eis van toneeltechniek. Het drama begint met het Avondmaal. Jezus breekt het brood: "dit is mijn lichaam, dat voor U gegeven wordt" en ten aanzien van de wijn: "deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor U uitgegoten wordt" (80). Dit alles werd figuurlijk bedoeld en zo werd het aanvankelijk ook opgevat. In de Katho- lieke kerk is de mis een stuk van het drama: het "wonder" van de transsubstantiatie heet zich dan te voltrekken. Een gevolg van het feit dat de Katholieke kerk deze tekst letterlijk neemt en tot dogma verklaart. De ouwel en de wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus en wordt door de priester genut- tigd en later het lichaam alleen, nl. de ouwel) door de gelo- vigen, die ter communie gaan en die daarmee dus menseneterij plegen. Bedoeld is slechts: dit is het brood des levens en de drank des levens. En: wie hem aldus in zich opneemt, wordt één met hem en komt aldus, tot het eeuwige leven, de geest, de waarheid. In primitieve vorm gingen de Kannibalen ook zo onge- veer te werk. En wie een redenaar beluistert eveneens, maar dan alleen geestelijk. Wij zijn tot het inzicht gekomen dat de ware omgang van mensen met mensen de geestelijke omgang is en dat het enige ware gevecht van de mens alleen maar de discussie kan zijn. Jezus kondigt zijn eigen verraad aan. (81) Diep tragisch is de gang van Judas, die zijn Heer voor dertig zilverlingen ver- raad. Jezus ziet erg op tegen wat er zal gaan gebeuren en bidt dan ook: "neem deze beker van mij weg" (82). Pijnlijker is zijn vraag: "waart gijlieden zo weinig bij machte één uur met mij te waken?" (83) Nee, dat kunnen zijn apostelen niet. De mens moet zelf de worste- ling strijden, heel alleen, om tot eigen waarheid te komen. Hij moet zelf tot het inzicht komen dat het gaat om "kruisiging des vlezes", afstand van nacht, grootheid, rijkdom, aanzien, weelde, zinnelijkheid, enz., enz. Later zegt hij dat hij de beker drinken zal en tot de apostelen: 'Slaapt nu maar en rust". (84) "De strijd is gestreden, het inzicht is verworven dat de mens alleen dient te strijden, al is er in het normale lever altijd wel iemand tegen wie men zijn hart kan uitstorten, of wie men om voorlich- ting kan vragen. Maar die ander kan het niet doen; het is een kwestie van zelfontplooiïng van de aanleg, idee, geest. En zo is Christus eenzaam in Gethsémane en lijdt het grote innerlijke leed van de strijd. De rest moet noodzakelijk volgen en is vrij onbelangrijk. Gethsémane is het hoogtepunt van het drama. Van de twaalf ( 3 x 4 ) apostelen treden er 44 eigenlijk maar, drie op de voorgrond: Johannes, Petrus en Judas. Zij zijn elk uitbeelding van een bepaald mensentype. Johannes blijkt speciale aantrekkingskracht te hebben voor kunstenaars en theologen. Hij was de jongste en blond. Hij staat het dichtst hij Jezus, houdt ook het meest van hem en dat is wederkerig. Hij is jong en vraagt dan ook veel, is nog in aanleg, maar dan ook zuivere aanleg tot christelijkheid. Het doet vreemd aan dat Petrus tot voornaamste apostel is bestempeld, want dat is hij zeker niet. Hij is echt het type van de grote enthousiast, de mens, die heel gemakke- lijk ergens voor warm loopt en er zich dan meteen voor uit gaat sloven. Hevig, maar slechts zeer kort. Hij verraadt Jezus uit lafheid; hij loochent hem terwille van eigen veiligheid. Hoewel Judas "slechter" is omdat hij verraadt uit het principe van di- rect, gewin, staat hij door zijn consequentie als mens hoger. Petrus loopt hart van stapel. Als hij dan ook Jezus eens over het meer, zag gaan (85) stapt hij uit het schip om naar hem toe te gaan. Hij werd echter bang, ging twijfelen en begon te zinken, waarna Jezus hem redt. Wat betekent dit alles ? Jezus wandelt op het water, dat tot rust komt, waar hij gaat. De Rede, het kosmisch beginsel staat boven het chaotisch beginsel, dat ge- woonlijk door water wordt gesymboliseerd. De Rede staat erboven, ordent, "kalmeert" het. Petrus verzinkt, want wel was hij direct overtuigd, maar, zoals altijd, slechts zeer oppervlakkig. In de grond der zaak heerste in hem nog niet het redelijk beginsel, maar steeds de twijfel, dus het chaotische. Petrus was een zwakke broeder, te licht overtuigd, oppervlakkig, wankelmoedig. Jezus' uitspraak; "Gij zijt Petrus (Grieks Petros = rotsblok) en op deze petra (Grieks voor steenrots) zal ik mijn kerk bouwen" (86) doet dan ook wat vreemd aan. Bij de liefde behoort van nature de haat, die wij vinden bij Judas, de bij uitstek verstandige, verstandelijk denken- de mens. De zakelijke; hij wil en zoekt voordeel, geen liefde (dat is de ander), maar in wezen alleen zichzelf, een echt IK- mens. Het verstand is de grote moordenaar, als ontkenning (tegen- deel) van de liefde. Maar met dat al hoort het verstand er wel bij; het is aan de, rede voorondersteld. Wie wil begrijpen zal eerst tot te kennis van het onderscheid moeten komen, maar daar mogen wij niet bij blijven. De rede zal het verstand "tot rede moeten brengen". Het christelijke is liet niet-egoïstische. Judas houdt vast aan het Ik, dus is hij egoïstisch, ontkent hij de (mensen-)liefde. Als dan ook de liefde van Christus tot hem komt zet zij zich om in haat. En hij gaat heen, de nacht in, om de liefde, het menselijke te verkopen ten bate van het eigen Ik. Hij komt bij de priesters terecht, die hem de beroemde dertig zilverlingen uitbetalen. Die priesters zijn dan ook schuldig. Ook nu is het priesterschap schuldig omdat door zijn toedoen het Cristendom nog steeds geen werkelijkheid geworden is. Jezus spreek al zeer verwijtend over de priesters: "Nu gij ziet zijt ge zondig" (87). Dat wil zeggen: gij zegt te weten waarom het gaat voor de mens, desondanks ontkent gij het menselijke en ver- koopt gij het en dit is wel zeer zondig. De kerken zijn nog steeds machtig genoeg om het bevel te geven: "Geen massamoord meer", maar zij doen het niet. Veel, zeer veel millioenen mensen staan onder priesterlijke leiding. Alleen Judas heerst nog maar in de wereld. De priesters zijn van de waarheid niet gediend, zij willen niet dat Christus macht zal krijgen over de mensen, omdat zij 45 zelf deze macht willen behouden. Judas, de verstandige, de slim- me verraadt Jezus met een kus, een liefdebetoon. Dat gebeurt nu nog steeds. Iedereen zegt Christelijk te zijn, dus de mensen- liefde te hebben, politici omarmen elkaar, maar verraden elkaar voortdurend in de grootst mogelijke schijnheiligheid. Het is be- droevend, maar waar: hoe kerkelijker, hoe schijnheiliger. Judas is de grote schijnheilige, toch hoort hij bij Jezus als diens schaduw. Judas, dat is het mensdom, verraadt hem telkens weer, maar altijd vervalt Judas, dus de mens, in zijn tragisch lot, terwijl Christus tenslotte triompheert. Als Judas zijn zonde in- ziet wil hij de zilverlingen teruggeven. Maar dat mag niet; er mag geen bloedgeld in de tempelkas binnenkomen, ook niet als het geld er eerst uitgehaald is om het bewust tot bloedgeld te maken en wat het dus in feite al is. Ook dit is lage schijnhei- ligheid. Jezus verwijt dit de Farizeërs ronduit en herhaaldelijk, door hen "huichelaars", "blinde wegwijzers", "gewitte graven" (88) te noemen. Jeruzalem's tempel was geworden tot de beurs van het gehele Nabije Oosten. De priesters lieten dit alles toe; het ging hen tenslotte alleen om de invloed op het volk, om macht, heerschappij, dus ... haat. En daar gaat het in de wereld nog steeds om. Christus sprak alleen van liefde, telkens weer en liefde verdraagt geen macht, geen heerschappij, geen gezag. De kerken zweren nog steeds bij het Oude Testament, bij de grote God der wrake, bij hel en verdoemenis, maar het Christendom heeft met een dergelijke, welhaast wellustige, braadpartij niets te maken. in Nederland werd in de kerk soms (!) zeer vrij ge- predikt. De gebroeders van den Bergh van Eysinga brachten n.b. zuiver Hegelianisme. Dit mag niet meer. De Hervormde Kerk heeft de reglementen beperkt. En dus alweer: er mag niet redelijk ge- dacht worden, want dan gaat het geloof verloren. Van het oor- spronkelijke Christendom is een verhaaltje gemaakt in de Bijbel. Als wij dat alles letterlijk nemen, en dat doen alle kerken, dan is het een verhaaltje vol ongerijmdheden, vol dwaze onzin, vol onmogelijkheden, historisch totaal onverantwoord. Maar voor wie er de zin van gevat heeft, is het een waarlijk groots verhaalt een grootse Idee, met recht God's woord en dat kan natuurlijk nooit onzin zijn, integendeel. Alle apostelen waren nog niet zo veel bijzonders. Op het kritieke moment slapen zij. Dat wil eigenlijk zeggen dat zij verkeerden in de sfeer van het niet-bewustzijn. Dus konden zij geen deel hebben aan de strijd van de Mens, die de waarheid zocht, want dit kan alleen gebeuren in klaar bewust~zijn. In hen ontbreekt de beleving van het Christelijke; zij volgden slechts in theorie, geloofden alleen nog maar en toen het er op aan kwam namen zij de vlucht. Dan volgt de tempelrechtspraak onder leiding van Kajafas. Historisch ook weer een onmogelijk verhaal, maar dat doet niet ter zake. Kajafas wil dan, gelijk de tempelleer eist uitroeiïng van de nieuwe ideeën, die Christus stelde en eist dus zijn dood. Het was nodig dat Jezus toen voor Pilatus kwam, aangezien deze de wereldlijke macht vertegenwoordigde, die de kerkelijke uitspraken moest sanctioneren. Het volk schreeuwt van alles naar Jezus, maar deze reageert daar niet op. Terecht. Met hatenden valt niet te praten. Als Pilatus hem vragen stelt, antwoordt hij wel. Typisch is dat de vrouw van Pilatus komt vertellen: "Bemoei U toch niet met dien rechtvaardige" (89). De 46 vrouw van Pilatus, dat is Pilatus zelf naar zijn vrouwelijke kant (zie pag. 3, vierde alinea en pag. 4, eerste alinea), naar de kant van het onmiddellijke, intuïtieve weten, het is zijn eigen innerlijk, zijn "innerlijke stem". Maar tenslotte zit deze echte Proconsul alleen maar in Jeruzalem om het volk uit te zuigen en er verder voor te zorgen dat hij geen herrie met ze krijgt, dat er geen opstand of iets dergelijks uitbreekt. De gods- dienstige rellen van de Joden onderling en of een van hen nu wel of niet godslastering bedreven had, dat alles interesseerde deze Romein niet. Godsdienstige zaken stonden bij de Romeinen in die tijd niet in aanzien; alles was verlopen. Typerend is hier het argument van de Joden: als ge hem niet veroordeelt, zijt ge niet meer de vriend van de keizer. Alles was gruwelijk corrupt, dus was dit een "gewone" aanmaning tot voorzichtig- heid. Het volk zou dan ook nog geschreeuwd hebben: wij hebben geen koning, erkennen alleen de keizer. Dit is zonder meer een leugen, daar de Joden vrijwel niet anders deden dan conspireren tegen de keizer. Zij hadden een veel te sterk zelfbewustzijn, dat tot voortdurend verzet aanzette. Pilatus stelt het volk dan voor de keuze: Bar Abbas vrijlaten of Christus. Natuurlijk kiezen zij Bar Abbas. De wereld kiest altijd de moordenaar. Want de wereld leeft uit het beginsel van de verdringing, de mensen- haat, totaal onchristelijk. Dit Bar-Abbas-verhaal is waarschijn- lijk terug te brengen op een Babylonische gewoonte. Daar was nl. eens per jaar een misdadiger één dag koning, aan het einde van welke dag hij dan ter dood gebracht werd. Een rudiment van de "koningsmoord", die bij de primitieve volken heel gewoon was. Wanneer men daar meende dat de magische macht van het stamhoofd vernieuwd moest worden, dan werd hij geofferd. Men kiest dus Bar Abbas en Pilatus "wast zijn handen in onschuld". Dit trieste toneel is al heel vaak opge- voerd. En ook wel begrijpelijk. Er is voor een politicus waarach- tig wel reden zijn handen "in onschuld" bij tijd en wijle te wassen, want politiek is een smerige zaak, kan ook nooit anders zijn. Dit zei Bismarck, en die kon het weten. En Lenin zei: wie in de politiek wil gaan moet niet bang zijn voor vuile handen. Er zijn er in de politiek veel, die veel meer dan alleen hun handen vuil maken. Het volk zou ook geroepen hebben: "Kruisigt hem !" Kan weer niet, want hun doodstraf was de steniging. Maar het moest wel kruisiging worden omdat het ging om de mens als gees- telijk wezen, die moet lijden en schijnbaar ondergaan aan het kruis, dat is het natuurlijke, waaraan hij altijd gebonden blijft en waar- voor het kruis vanouds het symbool is. Het was ook het teken van het zonnekruis, het-zenith-kruis, symbool van de zon zelf. Er bestaan veel soorten kruisen. Oorspronkelijk gelijkarmig, in het Christendom lange poot met korte arm en ook is er het zon- nekruis dat Hitler gebruikte, het "hakenkruis", waarbij hij echter, zonder het te weten, een aardige voorspelling deed: hij gebruik- te dat zonnekruis dat de ondergaande zon betekent. En Jezus werd gekruisigd, waarbij Pilatus boven zijn hoofd laat zetten: I.N.R.I., wat staat voor: Iesus Nazarenus Rex Iudeorum, waarover veel te doen is geweest. Zuiver gezien is de kruisiging het beseffen van lijden. En dat lijden is tot het inzicht gekomen zijn (=weten, begrijpen) dat de menselijke geest altijd aan de natuur vast zit. Christus wist dit wel, maar voor hem betekende de kruisiging ook: ondergang van de natuurlijke wil ten behoeve van de heer- 47 schappij van de geestelijke wil teneinde de "wederopstanding". de hemelvaart, de zaligheid mogelijk te doen zijn. Wie tot de waarheid komt IS in het paradijs, IS gelukzalig; "Het Koninkrijk Gods is in U". (33) Jezus sprak verschillende "kruiswoorden", zoals o.a.- "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten"" Die wanhoop is wel begrijpelijk. Toen hij nog jong was, bij de verzoeking in de woestijn (48) b.v. kon hij nog licht zeggen: "Ga weg, Satan" in de kracht van een jonge overtuiging. Maar als hij de wereld door- gegaan is, deze enorme mensenhaat be- en doorleefd heeft, spreekt het vanzelf dat hij zich nogmaals afvraagt of zijn idee van de mensenliefde wel juist geweest is. Even twijfelt hij, dan is hij van God verlaten, maar dan weet, begrijpt hij weer dat hij, die de enorm talrijke verleidelijkheden der wereld werkelijk ver- zaakt, zichzelf hierdoor noodzakelijkerwijs eenzaam, esoterisch maakt in deze wereld. Hij weet weer dat in de wereld elke ver- vulde begeerte, na een zekere teleurstelling bij de vervulling zelf, toch altijd naar een nieuwe begeerte oproept. De wereld heeft nooit genoeg; in de natuur wordt nooit iets voor goed opgeheven; alles is maar tijdelijk. Aan het kruis stonden Maria, de Heilige Maagd en Maria Magdalena. En zij weenden. Vanzelfsprekend, want de kruisiging van Jezus is de kruisiging van de liefde, van de rede. De levende, beleefde rede is de liefde (de rede op vrouwelijke wijze). Als de liefde wordt gekruisigd is er zeker voor de vrouwen rede om te wenen. Met liefde wordt hier en in het voorgaande altijd de naastenliefde, dat is de liefde voor de medemens, voor alle mensen dus, bedoeld en niet alleen de liefde tussen man en vrouw. En nog steeds wordt de liefde ver- moord, lees er de kranten maar op na. De kerken, als eenheid, of eenheden, als belichamingen, organisaties van de Christelij- ke idee (en de naastenliefde was toch Christus' grootste gebod; het Nieuwe Testament - o.a. Johannes 15: 9-17 (91) staat er vol van) hebben geen werkelijke invloed ten goede gehad. Wat hebben zij in twintig eeuwen Christendom bereikt ? De wereld gaat nog steeds zijn gang, de oorlog zowel als de atoombom zijn nog steeds niet door de kerken veroordeeld, evenmin als het feit dat mil- lioenen mennen van honger en ellende kreperen. Zij veroordelen geen liegen, bedriegen, het verdienen van enorme kapitalen door de wapenindustrie, enz., enz. En aldus kruisigt de mens der wereld zichzelf hij bekommert zich niet om de waarheid. (Pilatus: "Wat is waarheid?" (93)). Het gaat hun om eten, drinken en vrolijk zijn, alles sterk afhankelijk van een liefst zo goed mogelijk gevuld loonzakje. Het is de Economie (= het tegenovergestelde van naas- tenliefde), die heerst en "van de naastenliefde kun je niet eten", daar "heb" je niets aan. Als Jezus sterft, als het grote offer is vol- bracht, scheurt de voorhang van de tempel", die het heilige der heiligen afsloot. Toen kon het licht dus ook in het Heilige der Godheid treden, want door de verinnerlijking was het godde- lijke (van de mens) bereikt. De Mystici beleefden, wisten en vertelden dit al (o.a. Meister Bekehart). Wanneer de mens de oergrond van zichzelf heeft begrepen, is ook: alle geheimzinnig- heid van het goddelijke (van God) verdwenen. Ook komt de duis- ternis; allicht, want als het Licht dood is kan slechts de duisternis overblijven met zijn angst en vertwijfeling. Dit te al een heel oud begrip, vastgelegd in allerlei verhalen van duistere 48 onderwerelden, zoals b.v. van Orpheus en Adonis, die bij zijn wederkeer het symbool voor de ontluikende lente is; tegen- woordig ons Paasfeest. Jozef van Arimathea biedt een nieuw graf aan, in de rotsen. (Mythra, de zonnegod, kwam oorspronkelijk ook uit de rotsen). Deze Jozef was ook leerling van Jezus geweest, besefte wel dat Hij de Waarheid verkondigde (was), maar hield deze voor zich. Aldus begroef hij de waarheid in zich en kon er ook gesproken worden van een nieuw graf, want elke mens is een nieuw mens. Dat volgens sommige verhalen Jezus voor zijn opstanding eerst in de hel zou zijn afgedaald en daar getroost zou hebben, is een zuiver Orphische gedachte en ... een zuivere gedachte, want als de waarheid klinkt in de wereld, werkt zij ook door tot in de verdorvenste ziel. Wanneer de wereld chris- telijk zou zijn, zou de christelijke liefde toch ook zijn als een blussende druppel, die viel in de brand van de zielen der onchris- telijken. Paasmorgen. Opstanding. Wedergeboorte van het Licht, waarvan de vrouwen het eerst kennis nemen. Dit kan ge- zien worden als een pendant van het Paradijsverhaal, voor zoverre het weer het vrouwelijke is, de intuïtie, het onmiddellijke kennis nemen (= weten) van de (weder)geboorte en dat het daarom gaat. Niet om het uiterlijke, dat is slechts bijkomstig en middel voor de mens (voor het dier: doel). Hier is nu eigenlijk het Paradijs- verhaal (zie pag. 2 derde en zesde alinea en Pag. 3 vierde alinea) afgesloten, dat begon met het onmiddellijke, intuïtieve, vrouwelijke weten (Eva) dat de mens meer is dan de natuur en dus ook meer dan het dier. Eva - het vrouwelijke - vond deze waarheid uiteraard het eerst, deelt deze aan Adam - het manlijke - mede (via de appel). De man beredeneert, doordenkt die waarheid dan, om haar, aldus tot volheid gebracht (Jezus), weer aan de vrouw mede te delen. De man verklaart aldus de vrouw aan haarzelf. Ook is de vrouw, zo gezien, beginsel en doel van de man. Dit spreekt ook uit het Paradijsverhaal: Eva is uit Adam genomen, lag dus - in beginsel - in hem, als beginsel in hem besloten. Man en vrouw zijn tegendelig. maar hun verschil is slechts een verschil in accent, er in geen sprake van meerwaardigheid van de een of van de ander. Logisch denken en liefde zijn twee kanten van één en hetzelfde: DE MENS. Het denken is typisch Europees. Azië heeft nooit logisch gedacht, heeft dus ook nooit filosofie gekend, is echter in de naastenliefde (het WIJ) verder dan de West-Europese mens. Hiermee is natuurlijk weer niet gezegd dat alle Europeanen denkers zijn en dat Azië niet één filosoof heeft gehad. Het denken in volledig ontwikkeld, dank zij het vrouwelijke, dat het heeft doen geboren worden. De man dient nu dus terug te treden naar de plaats, waar hij hoort te staan: naast de vrouw en niet meer er boven, noch er onder. Man en vrouw moeten gelijk- gerechtigd zijn en als zodanig niet los naast elkaar voortgaan, maar in samenwerking, zodat de volle menselijkheid bereikt kan worden, want deze is nog steeds lang niet bereikt. Het Paasverhaal is alles nog maar een verhaal en nog steeds niet werkelijkheid geworden, het is nog steeds niet gebeurd. Wij zitten nog steeds met Gethsemane, met Golgotha en met Judas en zijn dertig zilverlingen. Wij verraden Christus nog iedere dag en iedere dag wordt hij nog gekruisigd, maar is nog steeds niet opgestaan. Dat moet - redelijk doordenkend - zeker toch eens gebeuren en het vrouwelijke zal hem ook dan weer 49 het eerst herkennen, dat kan niet anders. Als Jezus nu dood is, wel dan is hij "astraal". Dat was voor die tijd heel gewoon. En ook heel gemakkelijk, want "astraal" kon hij overal doordringen, ook tot de gesloten kamer, waar de apostelen zich ophielden en waar hij dan Thomas, de on- gelovige, overtuigt met de woorden: "Omdat gij mij gezien hebt, hebt gij geloofd. Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven".(95) Een grote steun voor massa's mensen en voor de kerken, want zij hebben natuurlijk niets gezien en als ze nu toch maar braaf geloven, dan is hun zaligheid verzekerd. En om die persoonlijke. en nog wel "eeuwige" zaligheid gaat het nog altijd. Ondanks alle fouten en gebreken, vervalsingen en nonsens, die in de Christus-legende te vinden zijn, moeten wij toch vaststellen dat door hen, die deze verhalen schreven en/of samenvoegden goed werk is gedaan, gezien in het licht van hun tijd en gezien het publiek waarvoor het werd gedaan. Het moet stellig een "blijde boodschap", een stralend lichtende troost geweest zijn voor die mensen daar in "de poel des verderfs", Rome, waar mateloos veel ellende werd geleden en waar grote angst heerste. Het is alleen absurd dat alles nu nog steeds zo wordt geaccepteerd. Tenslotte vaart Jezus ten hemel. Hij moest nu een- maal weg, want het verhaal was uit. En de hemelvaart-gedachte was al lang bekend, ook bij de Farizeeërs. Door het tot dogma verklaren van de hemelvaart van Maria distancieert Rome, dat is de roomse kerk, zich momenteel zeer nadrukkelijk van alle andere kerken. Dit dogma kan geen enkele andere kerk aanvaarden. Dat Maria ook ten hemel zou zijn gevaren werd al lang en door velen geloofd, maar het was nog geen dogma. d.w.z. er mocht over gediscussieerd worden. Nu het dogma geworden is mag dat niet meer. Er is hevig tegen geprotesteerd. Dit moet gezien worden als een belangrijke actie in de voortdurende strijd van de roomse kerk tegen de oecumenische wereldraad der kerken. De roomse kerk verklaart nog altijd nadrukkelijk dat zij de alleen-zalig- makende leer vertegenwoordigt, dus dat alle andere kerken eigen- lijk ketters zijn. De roomse kerk kan en wil dan ook beslist niet met hen samenwerken, want dan zou zij hen als gelijkwaardig erkennen. De Openbaring van Johannes. Deze is ongeveer 95 jaar na Christus geschreven. waarschijnlijk door een Jood. Oorspronkelijk werd het door de Christenen niet geaccepteerd, wat wel begrijpelijk is omdat het sterk Babylonisch aandoet en zeer astrologisch is. Er wordt steeds maar met de getallen 7, 10 en 12 gewerkt, met de getallensym- boliek dus, die al duizenden jaren oud is en bijzonder sterk ook te vinden bij Pythagoras, wat wel vanzelfsprekend was omdat deze nu eenmaal altijd met getallen in de weer was. De Openbaring van Johannes was een "illegaal geschrift". Vandaar dat het nodig was met zeer bedekte termen te werken. Keizer Domitianus begon de Christenvervolgingen opnieuw en hiertegen wilde het geschrift waarschuwen; het wilde de wankelmoedige mens tot volharding op- roepen. Die Christenvervolgingen door de Romeinse keizers mag die keizers niet zonder meer verweten worden; zij konden niet anders, went de geest van het Christendom was volkomen in strijd met de Romeinse opvattingen t.a.v. de staat, een volslagen revolutie tegen de keizer, wiens heerschappij enkel op wereldlijk machtsbesef en geweld steunde. De Romeinen waren ook door en door anti-joods, ook al vanwege de voortdurende opstandigheid van de Joden. Ook de Christenen maakten het de keizer niet ge- 50 makkelijk, want zij bleven hardnekkig weigeren aan hem te offeren. De Joodse schrijver van de Openbaring voorspelt dat de vervolgingen weer zullen beginnen en stak zijn mensen een hart onder de riem. En hoe moest hij dat anders doen dan, hevig argumenterend, met de zaligheid tegenover de verschrikkingen van de hel. Hij stelt alles hyper kinderlijk, maar dat hindert niet. De mensen waren toen (en de "gelovigen" nu nog) nu een- maal nog kinderlijk en dus niet ontvankelijk voor diepzinnige gedachten. Voor ons is de Openbaring een nogal ingewikkeld ge- val, waarover wij veel moeten denken. De mensen uit die tijd snapten het veel gemakkelijker, want hun denkwijze was de sym- bolisch-allegorische. De bedoeling van heel deze allegorie is te herinneren aan het geloof van Christus met als beloning de hemelse zaligheid. Alles werd dus astrologisch geformuleerd: er waren 144.000 heiligen in de hemel en hij "voorspelt" de nederda- ling van het hemels Jeruzalem op aarde. Hij stelt de stad daarbij voor als een kubus. In die tijd was de kubus een teken voor het heelal (kosmos), overal heen even groot. Hij stelde in deze voor- spelling dus dat het kosmisch beginsel op aarde zal komen, aards zal worden. Dan zou het laatste oordeel volgen, enz. Dit lugubere gebeuren is volslagen onchristelijk. De Jehova-getuigen, maar ook nog pastoors en dominees hebben het er vaak erg druk mee, maar zij zijn dan ook aan het Christendom nog niet toe; Jahwe, de God der wrake, is nog hun God en niet de zachtmoedige, liefdevolle Christus-figuur. Toen het Christendom zijn intrede deed, was de mens nog sterk gebonden aan het natuurlijke, zelfs het dierlijke. In het Rome van die dagen was het een beestenboel; het mensdom stond voor een grote (cultuur)crisis. Het is dus verklaarbaar dat men in de "poel" van het Romeinse Rijk verviel tot extreem negativisme tegenover het natuurlijke. Het is niet alleen ver- klaarbaar, het was ook noodzakelijk, evenals de bedreiging met verdoemenis, hel en vagevuur. Tegenover de machtige overheersing van het natuurlijke moest iets eveneens geweldigs gesteld worden. In de evangeliën is het oer-Christendom reeds aanmerkelijk ver- zacht. Van het felle negativisme ten aanzien van het natuurlijke is nu alleen nog over een afkeer van het sexuele. Deze huivering ten opzichte hiervan is niet specifiek Christelijk; het komt veel voor, ook bij Primitieven, waar soms zeer strenge normen het sexuele leven beheersen. De mens vecht om mens te worden, want dat moet hij worden, omdat hij het in aanleg nu eenmaal is. Om zichzelf te worden dus, en derhalve vecht hij tegen zijn eigen natuurlijkheid. De geslachtsdrift in de sterkste en belangrijkste der natuurlijke driften. De belangrijkste omdat zij in aanleg de drift is, waardoor de mens zich in dienst stelt van het hogere, nl. de soort, de instandhouding van de soort. Dit vinden wij ook al bij het dier. Voor de mens is de instandhouding van de soort zonder meer wat al te natuurlijk, dus nog niet zo bijster verheven. Om werkelijk mens te worden dient al het natuurlijke op hoger plan gebracht te worden, tot Idee gemaakt te worden. De geslachtsdrift, opgeheven op menselijk niveau is de liefde, die echter niet zo beperkt gezien moet worden als alleen de liefde tussen man en vrouw, alleen nog maar persoonlijk dus. Waar komt alles vandaan ? Uit het voorgaande is, dunkt mij, het antwoord op deze vraag wel te halen. Niettemin besloot Börger zijn Bijbel- 51 cursus van 1951 met een - uiteraard - doordacht (en dus niet zo eenvoudig) antwoord op deze vraag te geven: De primitieve mens werkte met allerlei "hogere machten", en wel dermate vaag, dat hij zich die niet eens voor- stelde. Dit was het z.g. voor-animistische stadium. Later volgt de personificatie, de voorstelling als bepaaldheid. Weer later komen de Goden en tenslotte het begrip van de ene God, zoals bij resp. Egyptenaren, Grieken, Romeinen en Joden, Christenen. Goden of God maakte(n) eens hun schepping, wat men zich gewoon- lijk voorstelt als het maken van een kast door een timmerman. Zulk een God was onhoudbaar (pag. 4, derde alinea). Verder zou God zichzelf geschapen hebben. Dan is hij dus, en met hem zijn hele schepping, de hele kosmos, het "Hele Al", alles dus, ont- staan uit ... niets; beter gezegd: alles is nooit ontstaan, alles is er altijd geweest. Hiermede is het antwoord op de vraag gegeven. Kennelijk vond Börger dit antwoord voor zichzelf duidelijk, vol- doende en bevredigend omdat hij, en hij niet alleen, hier lang over had nagedacht. Voor minder begaafde nadenkers en simpeler zielen echter wel wat gecomprimeerd, weshalve hij na deze uit- eenzetting de gedachten nog eens weergaf, die hieraan vooraf waren gegaan. Wij kunnen hierover denken en moeten het ook doen, omdat wij moeten meewerken aan de mens-wording ( "waartoe zijn wij op aarde ?" Zie pag. 7, vijfde alinea), d.w.z. de bewust- wording, al zal de mens nooit absoluut bewust worden, nooit alleen-maar-bewust, want aan het bewuste is het onbewuste voor- ondersteld, het bewuste komt uit het onbewuste voort. Dit is de bewustwording, de verkering van natuurlijke kracht tot ideële, geestelijke kracht. Het woord "geest" verdient vermeden te worden omdat dit gewoonlijk de gedachte aan "een geest" oproept, aan zich meebrengt, zoals die gezien wordt door een "geestenziener". Wat zo een geestenziener dan eventueel "ziet" is overigens geen geest, want de geest is alleen maar gedachte, enkel denkbaarheid, verschijnt niet en bestaat dus niet. Daarom is het beter om te spreken van de idee, het ideële. God zou dus uit niets zijn ont- staan. Dat is een beetje moeilijk, al vonden de oude volken het vanzelfsprekend. De mens is immers "homo faber", d.w.z. het wezen dat zich werktuigen maakt en daarmee meer. En daarin is de mens wel zeer knap. Op grond van deze "maaklust" zien de oude volken alles om zich heen als "gemaakt". De mensen zagen (en zien nog vaak) alles als buiten zichzelf en door mensenogen. Het heelal, zoals wij dat waarnemen is nog niet alles; het meeste zit, bij wijze van spreken, in ons hoofd, omdat het alleen maar denkbaar is. Het heelal is pas volmaakt indien wij het begrijpen. Waar te nemen is niet alleen dat alles in be- weging is, maar ook dat alles opkomt en verdwijnt, ondergaat. Alles wat verschijnsel is is tevens verdwijnsel. Dit "is" moet eigenlijk zijn "wordt"; alles komt op en gaat voorbij. Alle zijn is worden. Niets houdt stand. Wat bestaat, (bestaan betekent standhouden) houdt geen stand, al ziet het er nog zo solide uit. De Mont Blanc is drie maal zo hoog geweest als hij nu is. Wat is daarvan geworden ? Slib, zoals dat waaruit de lage landen zijn ontstaan en daaruit o.m. graan, vee, enz. en aldus via vele omwegen uiteindelijk de mens. Er is geen ander zijn dan zijn als worden en verworden. Alles verandert dus alleen maar altijd, panta rhei. Ook de mens verdwijnt, wij hebben nl. niet het eeuwige leven; wij zijn geboren (begonnen) en gaan dus ook dood (eindigen). 52 Toch geloven velen nog in een eeuwig leven (eeuwige "zaligheid", als dat zou kunnen) en geloven dus dat zij in de eeuwigheid kun- nen treden. Dat kan natuurlijk niet, want dat zou dan een eeuwig- heid met een begin en dus ook met een einde moeten zijn. De mens verdwijnt dus. En dan ? Hij "leeft" wel voort, maar niet als geest of spook, niet in een eeuwige hemel of hel, maar alleen door wat hij deed, goed en kwaad, in de indrukken, die hij op de wereld maakte, zwak of diep en eventueel in zijn kinderen. Het is alles: ontstaan en vergaan: WORDEN en dat wil zeggen: wat is, is nog niet wat het zijn zal en is niet meer wat het was. Worden is een- heid van zijn en niet-zijn. Worden is nooit-iets-definitiefs-zijn Heel de kosmos is één groot proces van wording. Voltaire zei dan ook zeer terecht dat God nog altijd doende is met zijn schepping te scheppen; daar kan hij nooit mee ophouden (zie ook Pag. 4, derde alinea). Het worden leidt niet altijd tot iets positiefs, verworden valt immers ook binnen de categorie van het worden. Ook in het heelal zijn "gelukkige en ongelukkige bevallingen", zoal b.v. in hun wording ontploffende zonnen, meteoorsteenzwer- men. Niets kan eenzijdig gelukken, alles is relatief, alles is veranderend. Einstein: alles is tenslotte electrische trilling, spanning. Zo gezien biedt de materie nu niet bepaald het solide houvast, dat men er gewoonlijk aan meent te hebben. Sprekend over het heelal, spreken wij voorlopig nog maar over uiterlijkheden. Verandering is gedurig voortschrij- dend vertonen van wat er - nog niet waarneembaar - in zit, ontwikkeling. Zijn, als worden, is de gang van niet-zijn naar niet-zijn, van nog-niet naar niet-meer. Eens moet het niet-zijnde verschijnen, "uit niets geboren worden". "Niets" is niet natuur- lijk te denken, is volkomen onvoorstelbaar, alleen zuiver denk- baar. De kosmos is verschijning van verschillende objecten. Een object is IETS, dus een bepaaldheid, beperktheid, begrensdheid. Dan moet het eerst onbepaald zijn, anders zou er niets te bepalen zijn. Het bepaalde is verbijzondering als verenkeling van het algemene. "Ik ben een mens". Hier is "Ik" de enkelheid, "mens" het algemene (soort), maar nog geen absolute algemeenheid. Alle Ik's zijn identiek, al is er ook onderscheid, want elk Ik is op eigen wijze. De enige manier, waarop wij kunnen spreken, kunnen denken, kunnen bepalen, is in de verhouding: enkelheid - algemeen- heid. De kosmos is verenkeling van de absolute algemeenheid, die alleen maar denkbaar is, alleen Idee, ideëel. God, als abso- luut, is eveneens alleen maar denkbaar. Het absoluut algemene, volstrekt algemene, is niet iets bepaalds, niet iets, dus niets. Het heelal is verschijning, openbaring, van de Idee, de Idee van het zijn en het niet-zijn in enen (= wording). Iets anders wordt er nooit geopenbaard. Alles moet zich differentiëren. Het abso- luut algemene is eenheid met zichzelf. Het zijnde, als bepaalde, is ontkenning van het algemene, dus ook van het absolute, dus relatief, dus ook van de eenheid en dus veelheid. Veelheid van ietsen, die alle dus openbaring zijn van één en hetzelfde: de Idee, dat alle zijn worden is, zodat, als wordend, alles één en identiek is. De verschijning van het zijn is eerst aanleg tot zijn. Dat is dus nog niets, dus niet-zijn, anders zou het Zijn zijn. Daarom is alles uit NIETS ontstaan, beter: alles, als totaliteit, is nooit ontstaan, is er altijd geweest, waarmee tege- lijk gezegd is dat het heelal (alles) eeuwig is, zonder begin en zonder einde. Als ik die twee woorden "als totaliteit" in de 53 voorgaande zin niet toegevoegd zou hebben, dan zou ik zeggen dat alles en dus ook de mens er altijd geweest is, nooit ont- staan zou zijn en dus nooit zou eindigen, eeuwig zou zijn en dat is natuurlijk onzin. En nu pagina 26, derde alinea e.v. over de Drievuldigheidsgedachte nog eens teruglezen plus pagina 29, de eerste alinea. De schepping kan er niet niet-zijn en is dan ook geen gril van een of andere God. Er kan niet eenzijdig niets zijn. Niets is immers niet-iets-zijn, dus niet-zijn. Wie niet-zijn zegt, zegt ook zijn. Van Niets in Zijn niet weg te denken. Niets kan niet zijn zonder Iets. ER zijn veronderstelt de ruimte. De Mens is naar waarheid alleen Idee, denkbaar, maar moet, onvermijdelijk, het natuurlijke meeslepen. De "Mens- heid" is volstrekt algemeen, bestaat niet, is alleen maar denk- baar. Het is moeilijk voor ons om tot de zuivere Idee te komen omdat wij nu eenmaal alles in de tijd zien. Einstein werkte met een "vierde dimensie", die men met de tijd gelijk wil stellen. Dat is niet geheel zuiver, maar desondanks benadert Einstein hierdoor de wijsbegeerte zeer dicht. Hij was een fantastisch, groots fenomeen, maar naar de wijsbegeerte kon hij niet overstap- pen, al komt hij ook boven alle natuurkunde en natuurkundigen uit. De tijd is de "innerlijke" verschijningsvorm, waarnemingsvorm, terwijl de ruimte de uiterlijke is. Deze twee komen samen in het punt. In wezen, als niet-zijnde, begrepen, als enkel zuiver be- grip, komt het heelal pas tot volmaaktheid, want het zuiver be- grip omvat het heelal. Toch is het begrip niet groot, evenmin als het heelal, omdat zij beide oneindig zijn. Groot en klein zijn dan ook slechts relatieve begrippen. Als iets ontkend wordt, moet het er zijn. De idee van het heelal in de idee van het worden. Alle tijd concentreert zich in het tijdstip: Heden, dat is de eenheid van verleden en toekomst. Wat was, is er nog, want het verleden doet in het heden als moment mee en wat zijn zal is er reeds als aanleg. Het heelal is eeuwig, alleen maar verandering, wording, eenheid van Zijn en Niet-Zijn. ---------------------- REGISTER VAN BIJBELTEKSTEN. 1 Ezau en Jakob Genesis 27: 1-40 2 Paradijsverhaal Genesis 2: 8-25 en 1-24 3 Zondvloedverhaal Genesis 6, 7, 8 en 9 4 Scheppingsverhaal Genesis 1: 1-31 en 2: 1-7 5 Veboden vrucht Genesis 3: 1-7 6 Verdrijving uit het Paradijs Genesis 3: 8-24 7 Tien Geboden Exodus 20: 1-17 8 Rassenonderscheid Genesis 10: 1-32 9 Herkomst van de Slavernij Genesis 9: 25-27 10 Kain en Abel Genesis 4: 1-26 11 Brandoffer van Abraham Genesis 22: 1-19 12 Jakob's vlucht Genesis 27: 41-45 13 Tabernakel Exodus 25: 1-9 14 Mozes Exodus 2, 3, 4 e.v. 15 Sineï Exodus 19: 1-25 16 Klozes voor Kanaän Deuteronomium 32: 44-52 17 Rok van Jozef Genesis 37: 3 18 Jozef's droom Genesis 37: 9 19 Jozef in Egypte Genesis 39, 40, 41 e.v. 20 Vlucht uit Egypte Exodus 1: 1-22 21 Brandend braambos Exodus 3: 1-2 22 Schatten op aarde Mattheus 6: 19-24 23 Jordanië intrekken Jozua 3: 1-17 en 4: 1-24 24 Afgodendiensten Richteren 2: 11-23 25 Saul I Samuel 9: 1-27 e.v. 26 Filstjnen I Samuel 4: 1b-22 e.v. en 7: 2-17 27 David I Samuel 16, II Samuel 1 t/m 24 28 Saul's dood I Samuel 31: 1-13 29 David en Goliath I Samuel 17: 1-58 30 Salomo's tempel I Koningen 6: 1-38 31 Toorn des Heren op Salomon I Koningen 11 9-15 32 Achab I Koningen 16: 29-34 33 Koninkrijk Gods in U Lucas 17: 21 34 Samson en Delila Richteren 16: 4-22 35 In den Beginne was het Woord Johannes: 1: 1 36 Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven Johannes 14: 6 37 Brandende Schichten Psalmen 7: 14 38 Meer Goden I Corinthiërs 8:5 39 Geesten in de hemelse gewesten Epheziërs 6:12 40 Wederopstanding Handelingen 17: 31-32 41 Duiveluitdrijving Mattheus 8: 28-34 42 Geboorte van Jezus Lucas 2: 7 43 Verzaken der begeerten Paulus aan Titus 2:12 44 Drievuldig eidsgedachte I Johannes 5: 7 45 Kastijding Hebreën 12: 1-17 46 Heilige aan de honden Mattleus 7: 6 47 Vlucht naar Egypte Mattheus 2: 13 48 Verzoeking in de woestijn Mattheus 4: 1-11 49 Bergrede Mattheus 5: 3-12 en Lucas 6: 20-26 50 Zoek eerst Koninkrijk Gods Mattheus 6: 33 51 Ik en de Vader zjn 94n Johannes 10: 30 52 Wie heeft, dien zal gegeven worden Mattheus 13: 10-17 53 Gij zijt het Licht der wereld Mattheus 5: 14 54 Neme zijn kruis op en volge mij Mattheus 16: 24 55 Johannes de Doper Mattheus 11: 11 56 Opbouwen en niet afbreken II Corinthiërs 13: 10 57 Gij zult niet doodslaan Lucas 18: 20 58 In toorn tegen zijn broeder Matteus 5: 22 59 Eerste zonde Genesis 3: 1-24 60 Echtbreuk Mattheus 5: 28 63 Het onze Vader Mattheus 6: 9-13 64 Geen schatten op aarde Mattheus 6: 19-21 65 Zoekt en gij zult vinden Lucas 11: 9 66 Komt U allen tot mij Mattheus 11: 28-30 67 Uitschelden Mattheus 23: 13-33 68 Laat de kinderen tot mij komen Lucas 18: 16 69 Echtscheiding Marcus 10: 9 70 Rijke jongeling Lucas 18: 18-27 71 Niet de Vrede, maar net Zwaard Mattheus 10: 34 72 Geen plaats om hoofd neer te leggen Lucas 9: 58 73 De verloren zoon Lucas 15: 11-32 74 Ergernis Romeinen 14: 13-23 76 Is uw oog boos omdat ik goed ben Mattheus 20: 15 77 Maria Magdal(en)a Marcus 14: 5-9 78 Gelijkenis van de ponden Lucas 19: 11-27 79 Geesteljke rijkdom Lucas 12: 33 80 Laatste Avondmaal Lucas 22: 14-23 81 Het verraad Lucas 22: 21-22 82 Gethsemane Lucas 22: 39-46 83 Gethsemane Mattheus 26: 40 84 Gethsemane Mattheus 26: 45 85 Gaande over het meer Mattheus 14: 22-33 86 Petrus = rotsblok Mattheus 16: 18 87 Verwijt aan de priesters Johannes 9: 41 88 Farizeïsche huichelaars Mattheus 23: 1-39 89 Pilatus' vrouw Mattheus 27: 19 90 Kruiswoorden Marcus 15: 34 91 Naastenliefde Johannes 15: 9-17 92 Naastenliefde I Corinthiërs 13: 1-13 93 Pilatus: Wat is Waarheid ? Johannes 18: 38 94 Sterven van Jezus Marcus 15: 33-41 95 Ongelovige Thomas Johannes 20: 29