Index-
pagina

Het  probleem van de mens

naar aanleiding van

“ Faust “

geschreven door

Goethe

DEZE VERHANDELING IS ONTSTAAN
DOOR HET RAADPLEGEN EN VOLGEN
VAN LITERATUUR EN CURSUSSEN VAN:
DR. D.J. BIERENS DE HAAN
DR. C.J. SCHUURMAN
MR. DRS. A. BÖRGER
AANGEVULD MET ENIGE GEDACHTEN VAN:
A. F.C. de ZWART,
LEERLING VAN SCHUURMAN EN BÖRGER.
14 - 2 - 1974.

In Faust wordt uitgebeeld, dat de mens kan ontdekken dat hij uit het oneindige leeft. Spinoza heeft dat in zijn wijsbegeerte ook reeds aangetoond. Uit het oneindige en de drang naar het oneindige, uit de honger naar de oneindige werkelijkheid.

Die oneindige werkelijkheid is echter alleen maar te vinden in het vlak van het “Zijn” en d.m.v. de “Psyche”.

Wanneer een mens dit eenmaal heeft ontdekt moet hij consequent gaan luisteren naar zijn eigen aanleg. Die aanleg is het unieke van de individuele mens, het is de samenhang die hij  moet verwerkelijken, van waaruit hij zijn begeestering moet vinden.

Ieder mens heeft dat eigene, dat originele dat hij moet ontplooien en inzetten.

Die aanleg is creatief. Ondanks alle twijfels moet hij de dialectische weg gaan van voortdurend met het kwaad, met dat wat de beperktheid wil, in discussie te staan. De mens moet steeds waken voor de dictatuur van het Ideaal - Ik, dat hem altijd wil voorschrijven hoe het moet, want anders verliest hij de weg van zijn eigen vrijheid om zich te ontplooien en door te groeien en tevens nieuwe wegen in te slaan om tenslotte te kunnen ontdekken wat zijn eigen weg is.

De weg vinden kan alleen plaats vinden door grensoverschrijdingen, want men moet uit de beperking komen om het nieuwe te kunnen verwerven.

Alleen door die grensoverschrijdingen kan een mens in contact komen met zijn eigen verborgen keerzijde. Ieder mens kan deze vinden  in het aller teerste en waardevolste wat hij in de wereld ontmoet, zowel in een bepaald ander mens als in allerlei wat van mensen uitgaat. (literatuur, muziek).

Er moet geleerd worden te luisteren naar de keerzijde van wat wij zelf zijn, zich er voor open stellen, er verbinding mee krijgen en dit tere en kwetsbare te bevrijden uit de gebondenheid waar het in zit.

Het aller teerste in de ziel wordt het gemakkelijkste weggedrukt, heel dikwijls al in de jeugd, als het kind bemerkt dat het niet met zijn wezen, zijn eigene, naar voren mag komen. Vooral als van een kind geëist wordt, dat hij prestaties moet leveren. Slechts dan als hij een prestatie zichtbaar levert, wordt hij bejubeld..

Daarom is het noodzakelijk, dat de mens vrij wordt van de drang om iets te bereiken.

Pas dan kan hij vrij zijn om met zijn creatieve bron contact te krijgen met zijn hele scheppingsproces.

Zo kan een mens de keerzijde van het “hebben” in het “zijn” vinden..

De man vindt het eeuwig vrouwelijke en wordt daardoor verrukt, bezield en geïnspireerd, en de vrouw vindt het eeuwig mannelijke en wordt daardoor tot zichzelf gemaakt en ontdekt haar eigen mogelijkheden.

Goethe leert ons, dat we net zoals Faust door de tegenstellingen van Ideaal-Ik en het Werkelijke Brede-Ik, wat in wezen ons “Zelf” is heen moeten.

We moeten in ons eigen collectief onbewuste afdalen, zonder prestatie opdracht om van daaruit op te duiken als creatief mens.

Goethe beschrijft in zijn Faust “Het” probleem van de mens.

Hij laat zien hoe de mens dit probleem kan oplossen. Het gaat niet in de zin van een formule, die maar gevolgd moet worden om geestelijk rijp te worden. Ieder mens moet op zijn eigen wijze tot bewustzijn komen d.m.v. liefde, vrijheid, waarheid en schoonheid.

Dit is niet voor de massa weggelegd, die heeft er geen weet van. Alleen degene, die in aanleg gevoelig zijn, zullen het groeiproces tot het einde meemaken en door de tegenstellingen heen gaan. Tot de voornaamste tegenstelling die Goethe uitbeeldt, hoort het krachtenspel tussen Faust en Mefisto, waarbij Mefisto al datgene uitbeeldt wat in de ziel van de mens negatief gericht is.

Goethe beeldt d.m.v. dieptepsychololgische  bezinning de gang der mens uit van aanvang tot einde.

Het accent dat Goethe legt,  wordt al direct duidelijk in het voorspel waar gezegd wordt:

“Wer fertig ist, dem ist nichts recht zu machen, Ein Werdener wird immer dankbar sein.”

Het gaat dus om worden wat men is en later komt: “Es irrt der Mensch, so lang er strebt.”

Maar aan het slot horen we:

“Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen.”

Het in beweging zijn, het streven naar, het zoeken, het is alles noodzakelijk, maar er moet iets meer gebeuren om verlost te worden, om uit het hebben te komen en dieper in ‘t “Zijn”  te groeien.

In de proloog vinden we een discussie tussen God en de Duivel, analoog aan het boek Job. Die discussie gaat over de mens en het blijkt dat God gelooft in de mens. Hij zegt:

“Ein guter Mensch in seinem dunklen Drang ist sich des rechten Weges wohl bewusst.”

God heeft vertrouwen in de mens:  hij zal tenslotte het spoor terugvinden. Mefisto niet, hij zegt: Wanneer de mens maar genoeg beproefd wordt, dan doet hij wel afstand van zijn hogere natuur en van al zijn edele voornemens. Hij is dan niet meer als een veredeld dier.

De weddenschap tussen God en de duivel die er dan komt, formuleert het eigenlijke probleem van de mens. Wie zal het winnen? Zal het oneindigheidsbesef in de mens het winnen of zal hij zich blijvend laten vangen in het eindige? In ‘t “Zijn”  of het “Hebben”?

De latere weddenschap tussen Faust en Mefisto is hiervan de reflex. Deze is gevat in de vraag of Faust uiteindelijk zo bevredigd zal kunnen worden dat hij tegen het ogenblik  waarop hij de volle bevrediging beleeft, gaat zeggen: “Verweile doch, du bist schön.”

Dat is, zal hij zich in ‘t eindige laten vangen, of zal het Mefisto nooit lukken hem zover te krijgen. Hierop volgt nu het zelfonderzoek van Goethe, zoals hij dat uitbeeldt in deze tweeheid van Faust en Mefisto.

Faust zoekt in ‘t tweede deel verder en loopt natuurlijk in alle vallen, die er maar zijn te bedenken. Hij valt in de kuil der wetenschap, die alles denkt te vinden in de natuur of in de toepassingen der alchemie.

Later loopt hij in de val van het “Ideaal- Ik”. Maar het “Ideaal-Ik” is een eenzijdigheid. Het gaat om het “echte werkelijke ik”, dat beseft dat de tweeheid van goed en kwaad in alles, dus ook in het “zelf” ligt.

Mefisto neemt Faust dan mee in Auerbach’s  wijnkelder, alwaar hij in een diepe roes geraakt en zijn driftkrachten loskomen. Daarna komt Faust in de heksenkeuken. Hier komt hij voor een spiegel te staan waarin hij vaag Helena ziet. Voor het eerst nu hij zich meer openstelt voor zijn driftkracht, begint de vrouw meer op te doemen als iemand die  een wezenlijke betekenis voor hem zou kunnen hebben, waardoor hij zijn verlangens kan bevredigen.  Aan het integreren, aan de eenmalig in het zieleleven is hij nog lang niet toe. Hij slikt nu de toverdrank, die de heks (die in dienst staat van Mefisto) heeft klaargemaakt en wordt daardoor verjongd. Hij is nu vatbaar geworden voor gevoelens waar hij tot nu toe niet in staat was. Dan brengt Mefisto hem in contact met Gretchen. Omdat hij in zijn gevoelsleven nog niet rijp is, wil hij het geluk grijpen. Hij wil Gretchen hebben en hij wil genieten, maar daardoor vernietigt hij tenslotte alles wat er aan geluksmogelijkheid in de ontmoeting met haar zat. Faust is echter nog niet rijp. Hij kan het tere  dat in Gretchen (een aspect van zijn eigen zieleleven) leeft wel voelen, maar hij kan er niet adequaat op antwoorden omdat zijn ziel nog niet voldoende rijp is en niet bevrijd van de nijging om het geluk te willen grijpen.

Gretchen vertegenwoordigt het naief - kinderlijk- zuivere, dat in ieder mens leeft. Dit vormt de kloof die tussen haar en de kritische kijk van Faust zit. Faust doodt de broer van Gretchen. Dat betekent, dat voor de werkelijke rijpwording van de ziel het nodig is om los te komen van de familieband, van de onbewuste verbondenheid waarin de mens leeft. Een mens moet losgeslagen worden en in de onzekerheid en de vrijheid komen te staan. Alle bewustwording gebeurt  eigenlijk gewelddadig, want het oude moet afgebroken worden en het nieuwe moet er voor in de plaats komen.

Omdat Gretchen aan het zijnde wil vasthouden en Faust het wordende is, d.w.z. het niet statische, het veranderende, sleept Faust, Gretchen mee in de smeltkroes. Gretchen wil aan het zijnde vasthouden, “zij is nog maar de onbewuste harmonie” en Faust haalt haar daaruit, probeert het althans. Daarom klaagt “het geweten” van Gretchen haar aan en daarom is er een scene van de boze geest in de kerk, die haar aldoor angstig maakt.                    

In de Walpurgischnachtdroom wordt uitgewerkt hoe de noodlottige kringloop van het driftleven ook verder in de maatschappij uitwerkt en deze in al zijn facetten beheerst.

Faust wil Gretchen bevrijden, maar dat lukt niet, ze is uit de oerverbondenheid geslagen, zit vol schuldgevoel, ziet geen uitweg meer en nu doodt ze zowel haar moeder als haar kind.. Ze wordt losgeslagen van verleden (moeder) en toekomst (kind). Maar als Gretchen het ontwaakte gevoelsleven van Faust zelf is en het begint zich diep in hem te roeren, dan wordt Faust losgehaakt van het verleden en de toekomst en begint hij te begrijpen wat er eigenlijk gebeurt. Hij probeert Gretchen te redden, maar hij krijgt haar niet mee. Hij krijgt geen contact met zijn eigen vrouwelijke begin-keerzijde en dit komt omdat hij zijn gevoelsleven veronachtzaamd heeft. Nu begint er iets te ontwaken, maar het is nog slechts aanvang. Hij is nog niet toe aan de werkelijkheid van het erotische leven, een werkelijkheid van tere mogelijkheden. Maar de ontwikkeling is niet meer te stuiten. In de Walpurgisnacht werpt hij zich in de modder met de heksen. Mefistoles hoopt dat het walgelijke hem zal bevredigen, nadat hij het allerbekoorlijkste verworpen heeft, maar daarmee zijn dan Mefistoles mogelijkheden uitgeput en als Faust verder gaat met het ontwikkelen van zijn vrouwelijke gevoelens heeft Mefistoles het in principe verloren. Het keerpunt is dan bereikt.

In het tweede deel is een keer gekomen in Faust’s ziel. Mefistoles is zijn dienaar geworden, hoewel de weddenschap nog geldt en Faust zich bewust is geworden, dat hij zijn leven wil besteden in streven naar het oneindige. “Doch fassen Geister, würdig, tief zu schauen, zum-Grenzenlosen, grensenlos Vertrauen,”

Hiermee wordt de mens geschetst, die wel tot een begin van inzicht is gekomen, maar de kern van het “Ik” nog niet doorleefd heeft. Hij wil een ander mens worden en gaat proberen zichzelf te verbeteren. Het Ik gaat proberen het Ik te genezen, daarom speelt in het tweede deel de keizer de hoofdrol, treffend symbool van het Ik. Mefisto komt nu op de tweede plaats. Het Ik legt de nadruk op de bevrediging van begeerten en daardoor loopt de mens weer vast. Mefisto moet helpen om dit te ontdekken. Hij is de tovenaar die er wel raad op weet als de Keizer slecht regeert. Mefisto vindt het onbeperkt drukken van bankpapier uit met als onderpand de bodemschatten van het land, al dan niet ontdekt. Dit moet fout lopen. Het verstand vindt altijd uitvluchten door slimmigheidjes, maar  komt door eenzijdigheid nooit tot rede. De astroloog in het stuk remt de hele zaak wat af. Hij wijst op de kosmische voorwaarde, wanneer men bevrediging wel of niet kan kopen.

Dan komt de maskerade. Dit is een uitbeelding van ” ’s Werelds schouwtoneel.”. Alle aspecten van het leven der mensen komen hier aan de orde, o.a. de hele mythologische wereld.

Apollo naast Dionysus, de drie-Gratiën; de drie-Furiën, Pluto, satyrs, dwergen, enz. Tot slot komt God Pan. Pan is samenvatting van de hele natuur in alle aspecten. Deze maskerade gaat in vlammen op zo lang een mens  de dingen niet anders benadert zoals de keizer dit doet. Namelijk vanuit zijn verstand, zijn beperkte ik.

De driftkrachten doen niets anders dan verteren, er komt constructiefs niets uit voort. Intussen is Faust één ding heel duidelijk geworden en wel, dat de mens te maken heeft met een bron, waar oneindige mogelijkheden in zitten. Uiteindelijk heeft Faust begrepen, dat hij niet volstaan kan met registreren wat in zijn ziel werkzaam is. Hij moet dieper graven, daar waar in zijn ziel geen grenzen zijn. Van hieruit doemt de wereld op van Helena en Paris, dat is dus de wereld van het “Gotisch” en Het “Erotische”, het mannelijke en het vrouwelijke van de fundamentele polariteit, die er blijkbaar is, niet alleen in de ziel van de mens, maar in de hele natuur.

Faust leert Helena kennen, zij dreigt geroofd te worden. Dan wil hij haar net als Gretchen redden en weer begaat hij de fout haar te willen grijpen. Zo kan men echter niet met het numineuze omspringen.

Hier ontdekt het Ik zijn grenzen en Faust valt in zwijm. Dan wordt Faust teruggevoerd naar zijn studeerkamer.

Daar is Wagner nog altijd bezig. Het is Wagner gelukt om in een glazen kolfje Homunculus te maken. In Homunculus wordt het aspect van Mercurius uitgebeeld,

dat het begin van menswording uitbeeldt. Het is nog steriel. Het is tevens de scheppende fantasie van de mens. Hierop volgt het stadium, waarin Faust zich volledig inzet en als mens scheppend wordt. Dan gaat de mens de scheppingskrachten langzamerhand hanteren, waardoor aan Mefisto (het duivelse) energie wordt onttrokken, die wordt ingeschakeld in positieve menswording,

+ en - wordt geïntegreerd in de totaliteit.

Daarom komt Mefisto steeds meer op de achtergrond.

Inde klassieke Walpurgisnacht wordt Faust geleid door Homunculus (technisch kunnen) en Mefisto de “Mythologische” wereld ingeleid. De mythe is altijd de uitdrukking van de collectief-onbewuste bron waaruit de mensheid komt.

 

Faust komt daarna in aanraking met de Sfinx, die het menselijk raadsel vertegenwoordigt. De Sfinx zegt:” Sprich nur dich selbst aus, wird schon Rätsel sein, Versuch einmal, dich innigst auf zu lösen. Dem frommen Mann nötig wie dem Bösen.”

Hieruit kan men concluderen, dat eigenlijk ieder mens een analyse moet doormaken, dat is voor de goede evenzo nodig als voor de boze. Hiermee wordt de enorme betekenis van de zelfinkeer gesproken. Wijsgerig ziet men dan in, dat goed en kwaad als tegenstellingen van een lijn in zich zelve zijn en dat nodig is, omdat men anders in de eenzijdigheid vervalt en dan niet kan bestaan.

Faust, die Helena, (zijn eigen verborgen keerzijde) wil vinden, wendt zich tot Cheiron, de geneesheer der goden, de paardmens, de Centaur een buitengewone figuur in de mythologie.

Half paard, half mens wil zeggen, dat het geestelijke nog niet overheerst, de omslag van natuur naar geest is nog niet aanwezig. Toch is dit natuurlijke al op hoog niveau, want een paard wordt als edel door de mens ervaren. 

Als deze Cheiron hoort wat Faust wenst, zegt hij: “Mein fremder Mann! Als Mensch bist du entzückt, Doch unter Geistern scheinst du wohl verrückt.”

Cheiron kan de mens dus niet begrijpen, d.w.z. de mens neemt een eigen plaats in en de goden kunnen hem niet zeggen hoe hij zijn weg moet vinden. Hij moet zijn eigen weg zoeken. De goden kunnen hem wel behulpzaam zijn. Per slot van rekening zijn de goden aspecten van zijn eigen menselijke denkwereld. Daarom brengt Cheiron hem bij Manto, wat priester betekent. Manto is van andere aard en zegt: ”Den lieb’ich, der Unmögliches begehrt.”

Dan wijst hij hem naar Hades en Persephone. Manto zegt: je moet door de dood heen, want alleen zo kun je het onmogelijke vinden. Manto wil hiermee zeggen, dat een mens eigenlijk  steeds bereid moet zijn om oude waarden te overwinnen door ze te doorzien, om daarna met het nieuwe, wellicht de keerzijde, verder te gaan.

 

Mefisto moet nu meegesleept worden door Faust naar en in de onderwereld. Omdat Mefisto het eenzijdige vertegenwoordigt, wil hij niet mee door de dood naar het nieuwe bewustzijn van de tegenstellingen. Parallel daarmee zien we, dat Homunculus ontstaan wil en dan ook contact zoekt met natuurfilosofen, omdat hij hoop heeft dat die hem de weg kunnen wijzen om een werkelijk levend iets te worden.

Homunculus wendt zich in hoofdzaak tot Thales en Anazagoras. Hij vraagt ook hulp aan Mefisto, maar die kan hem niet helpen.

De eigen weg van de mens, dit is het probleem waarvoor alleen de totale mens de oplossing kan vinden. Dit kan echter nooit op natuurkundig gebied.

 Daarna gaat Mefisto zich vermommen in de gedaante van Phorkyas.

Phorkyas is een van de drie grijze vrouwen, die de weg naar de Gorgonen bewaken en de Gorgonen zijn de uitbeeldingen van angst. Angst grendelt het creatieve in de mens af. Angst werkt verstarrend. Een mens in angst kan  zijn keerzijde (Helena) niet vinden.

Ondertussen wordt Homunuscules verder gevoerd op de weg, om tenslotte de mogelijkheid te vinden om te ontstaan. Thales (de wijze spreukenzegger) voert hem tot  Nereus, de god van de zee, het oneindige, alverbindende in de mens, die altijd één bepaald ding wil, daarbij hard is en ontoegankelijk en niet openstaat. In de  zee begint het proces van het leven en de aanvaarding der metamorfosen. Daarom verwijst Nereus  Homunculus naar Proteus. Proteus is ook een zeegod, die in het rijk van Poseidon leefde.

In kalme rust weidde in Nereus rijk, Proteus, die verleden, heden en toekomst kende, zijn kudden van zeerobben. Maar de geheimen van de toekomst gaf hij niet gaarne prijs. Hij kan alle gestalten aannemen, bijv. Leeuw, Slang  of het Brandende, omdat hij zich met geen enkele gestalte blijvend vereenzelvigd. Proteus roept verbaast uit: “Ein leuchtend Zwerglein! Niemals noch gesehen!

Thales zegt dan: “ Es fragt um Rat und mögte gern entstehen. Er ist, wie ich von ihm vernommen. Gar wundersam nur halb zur Welt gekommen. Ihm fehlt es nicht an geistigen Eigenschaften, doch gar zu sehr am greiflich Tüchtig haften.”

Inderdaad is Homunculus nog steeds iets dat buiten de menselijke werkelijkheid staat. Hierop antwoordt Proteus met een der diepzinnigste uitspraken van het gehele stuk:

“Du bist ein wahrer Jungfernsohn,
Eh’ du sein solltest, bist du schon!”

hiermee wordt gezinspeeld op het Johannes-evangelie.

 “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was           God.”

En later:

  “En het Woord is vlees geworden.”

 

De geboorte van Christus uit de maagd Maria, is de geboorte van de ware mens uit de nog ongerepte laag der ziel. Pas hierdoor kan het menselijke in zijn totaliteit verwerkelijkt worden, pas hierdoor wordt de mens gecreëerd tot creatief wezen, in wie de scheppende fantasie niet meer een afzonderlijke speelkamer is, maar een organisch onderdeel van zijn existentie.

Christus wordt dus geboren in de stal bij de dieren op volkomen natuurlijk niveau. In de herberg (zinnebeeld van het wereldse met de kooplieden en sjacheraars, waar het altijd druk is) kan Christus nooit geboren worden. Wel in de stal waar het stil is, (Boeddha werd in een paleis geboren, dus ook verheven, voorname stilte)daar komt Maria (=  de Zuivere) tot het flitsende besef; ”zo is het in de wereld, dit is de positie van de mens.

Zinnebeeldig moet het zo zijn, dat uit de “Grote goede moeder” of het moederlijke op zuiver natuurlijk niveau en langs volkomen vrouwelijke gevoelsmatige wijze, de omslag plaats vindt van gevoels- naar wetensniveau van “zo is het” .

 

Proteus is dus die macht in de ziel, die de metamorfosen (gedaanteveranderingen) tot stand brengt, de macht tot omzetting van het ene stadium in het andere.

Proteus weet raad en voert Homunculus op de rug van een dolfijn naar de diepte van de oceaan. Hij zegt: tenslotte zul je moeten trouwen met de oceaan.”

Dat betekent: wil de mens de techniek inpassen in zijn menselijk leven, zonder dat deze een aparte en overheersende plaats krijgt, dan moet hij verbinding krijgen met zijn oerbron. De oerbron is het onbewuste, waaruit alles geboren wordt. Water is van oudsher een begrip voor het onbewuste: Gooi er een steen in, na de waterrimpeling is de steen opgenomen zonder dat er nog iets van te ontdekken valt.    

 

In de oude mythe van Griekenland wordt verteld, dat in Delphi een stroom uit de rotsachtige heuvel kwam (nu nog steeds, maar heel klein) waarin Apollo woonde in de vorm van een dolfijn. Hiermee wil gezegd worden dat Apollo uit en in het onbewuste leeft. Hij is dan weer eens in het water als onbewuste en dan weer als dolfijn als symbool van het dier met verfijnde, haast verstandelijke instincten, de overgang naar het onbewuste.

Hij gold als genezer en kunstenaar. Echte kunst is ontstaan in de kunstenaar langs en door middel van het gevoelvolle, en komt tot de uiting van de omslag tot de waarheid van het onderwerp.

Homunculus krijgt dus de raad om d.m.v. een dolfijn naar de oceaan, de oerbron van alle leven te gaan. Hier zit eigenlijk de raad in vervat: zorg dat de techniek een onderdeel van de kunst wordt; een merkwaardige en hoogst belangrijke aanduiding.

 

Hierna wordt de geschiedenis van (de mythologische) Helena opgehaald om te doen zien, hoe haar grootheid in de beperkte wereld waarin ze leefde, wel moest ondergaan. Combinatie van schoonheid en schuld, omdat ze haar eigen situatie niet begreep. Helena was zo mooi, dat als ze langs de stadswallen liep, alle oude mannetjes zich omdraaiden en tegen elkaar murmelden over haar grote schoonheid. Faust is nu bezield om Helena (zijn eigen verborgen keerzijde, dus de inhoud van hetgeen nog slechts in aanleg aanwezig is) te bevrijden, dus m.a.w. om wat hij in Helena aanwezig weet een waardige en blijvende plaats in zijn leven te geven. Dat is dan niet alleen de schoonheid, het is al het bezielende dat van de vrouw kan uitgaan en dan in een vorm die niet meer kan worden geëxploiteerd of bedorven, maar blijvend vruchtbaar kan worden. Mefisto in de gedaante van Forkyas, voert Helena tot de grens van het noodlot, waar ze dreigt te zullen ondergaan. Daardoor krijgt Faust de gelegenheid haar te bevrijden en te redden als zijnde de vertegenwoordiger van een nieuwe opvatting van mens-zijn, van een nieuw principe van menselijk leven. Faust krijgt de gelegenheid om Helena te bevrijden en hun huwelijk dat voltrokken wordt in een grot - (d.w.z. dicht bij het hart van de aarde en van de natuur),  wordt vruchtbaar. Het is Euforion, die er uit voortkomt. Euforion, (die net als Homunculus een kunstproduct is van wetenschap, maar die door de ware kunst is voortgebracht), is een buitengewoon levendig kind, zo levendig dat de ouders het niet kunnen beheersen en dat ze voortdurend zorg moeten hebben, dat het hun ontsnapt.

Euforion  heeft een levensdrang, die alle perken te buiten gaat. Hiermee schetst Goethe dat sprankelende scheppingsvermogen, dat hem als kunstenaar beheerst. Opgemerkt moet worden dat de Griekse God Zeus, de god van de bewustwording, ook in een grot werd geboren. In de diepte van het menselijk zijn is echter zinnebeeldig ook een grot.

In die grot nu komt het grote onbewuste schone vrouwelijke voor, die in verbinding met het extreem mannelijke tot een hernieuwde eenheid kan uitgroeien. Als in de mens die eenheid tot stand is gekomen en dat nieuwe begrip, door allerlei nieuw geopende kanalen naar boven komt, dan kan het kunstzinnige naar buiten treden. De wijsheid verkeert zich dan tevens tot kunst, d.w.z. tot de waarheid van het object maar dan op vrouwelijke wijze d.m.v. het gevoel.

 

In de Faust komt uit de grot prachtige muziek en dan horen we een merkwaardige opmerking van Forkyas, die eigenlijk Mefisto is.

Hij zegt: we zijn nu in het stadium gekomen dat de Goden hebben afgedaan: voortaan zullen mensen het schone zelf moeten voortbrengen. Dit is eigenlijk een antwoord op de geschiedenis van Homunculus. Het scheppend vermogen moet verbonden worden met het gevoel. Wanneer verstand en gevoel een geheel worden, kan er iets ontstaan dat echt in het menselijke kan worden opgenomen.

 

Later zegt Euforion:

“Das leicht Errungene,
Das widert mir.
Nur das Erzungene
Ergetzt mich schier”.

 

Graag wil ik me inzetten voor het allermoeilijkste, juist dat alleen kan me bevredigen wat ik met moeite kan veroveren. Dan wordt het pas de moeite waard.

Euforin krijgt Ikarus-achtige neigingen. Dan komt hij plotseling uit de hemel en dan weer uit de diepte. Hiermee wordt aangeduid, dat het mannelijke (Faust) en  het vrouwelijke (Helena) een synthese is, die de twee polen der ziel verbindt. Het creatieve bewustzijn dat door de hemel wordt aangeduid en het creatieve wezen van de ziel dat in de diepte schuilt als bron.

Euforion en Helena lossen op, alleen hun kleed, mantel en lier blijven achter. (van Helena lost de sluier op). De mens, die de weg wil gaan van werkelijk mensworden, van creatief worden, die moet inzien, dat de buitenwereld voor hem slechts de betekenis kan hebben van materiaal ter vereenzelviging, om zichzelf door uitbeelding aan de buitenwereld te kunnen openbaren. Pas daardoor kan er werkelijk contact komen. Ten laatste moet een mens zich totaal losmaken van alle verschijningsvormen, zich onthechten om zich volledig één te kunnen voelen met de innerlijke bron.

 

Faust is nu op een hoogtepunt aangekomen, op een buitengewoon waardevol moment. Alle krachten uit de diepte van zijn ziel staan tot zijn beschikking. Welk een machtsgevoel zou hij kunnen hebben. Mefisto weet dit. Mefisto brengt Faust nu de berg op en laat hem alle koninkrijken der wereld zien, die aan zijn voeten liggen en even zegt Mefisto terzijde:

“Ein Wunder ist es, der Satan kommt zu Ehren”.

Hij heeft het gevoel het bijna gewonnen te hebben en Faust te hebben gebracht waar hij hem hebben wilde.

Hier wordt het “Ik-probleem” uitgebeeld. Als het Ik alle scheppende krachten tot zijn beschikking heeft, kan hij in de val van de “Macht” lopen.

De ikkigheid kent dan geen grenzen meer.  “Ik” wil dan alles beheersen, alles naar zijn hand zetten, alles hebben.

Het Ik dat zo oppermachtig de ziel van het individu beheerst, is nooit tevreden en wil altijd meer. Drukt daarvoor alles opzij. Blijft steken in de eenzijdigheid en komt nooit naar het “Wij”. Faust kan deze macht zo verrukkelijk vinden, dat hij ernaar gaat grijpen. Als Mefisto deze mogelijkheid echter aan Faust voorlegt, dan zegt deze nee, niet in deze vorm. Wel wil ik iets groots: “Herrschaft gewinn’ich Eigentum!”

Maar zegt hij: “Die Tat is alles, nicht der Ruhm!”

En daarmee heeft hij eigenlijk ineens Mefisto opzij geschoven. 

Zoals hij vroeger al zei, ik wil niet verstarren, zo zegt hij nu, macht, roem, grootheid, eigendom, heerschappij, daar is het mij niet om begonnen, daar gaat  het niet om, het is mij begonnen om de daad zelf. Dan komt de idee, dat hij een eigen wereld tot stand moet brengen.

 

Ondertussen gaat de geschiedenis met de keizer door. De keizer is dankzij de hulp van Mefisto, d.m.v. geldspeculatie enz. een machtig man geworden. Nu wordt hij door een sterk leger bedreigd. Dit leger moet beheerst kunnen worden. Nieuwe krachten moeten worden ingezet. Raufebolt, Habebald, en Haltefest, het roofzuchtige, het hebzuchtige en het hardnekkige. Al deze krachten staan vooruitgang in de weg en werken verstarrend, daarom zijn zij des duivels.

Er wordt nog een overstroming veroorzaakt, allemaal om aan de keizer de heerschappij te bezorgen. De overstroming is teken van het onbewuste in de mens. Als de mens in de greep van Raufebolt, Habebald en Haltefest is, komt onherroepelijk het onbewuste aanbod omdat de mens als opheffing van natuur tot geest dan in de eenzijdigheid gevangen is.

Faust krijgt als beloning voor de diensten die hij de keizer heeft bewezen, het recht om aan de zee een stuk grond te gaan ontworstelen.

De zee is in de oudheid ook een symbool van het onbewuste. Faust krijgt dus toestemming om aan zijn onderbewuste nieuwe bewustwording te ontlenen.

 

De keizer gaat onderwijl aan allen, die hem hebben geholpen, beloningen uitdelen. Ieder blijkt een groot deel te willen hebben, De keizer moet zoveel uitdelen, dat hij zelf niets overhoudt.

Dit is een treffende uitbeelding, hoe het Ik van een mens aan al zijn begeerten zo moet beantwoorden, dat het “zelf” alleen nog maar uit brokjes bestaat. Het kan nooit een werkelijk geheel worden.

Vervolgens komt een bisschop het toneel op en zegt, dat hij percenten wil hebben van de grond die Faust van de zee heeft gewonnen en geëxploiteerd. Hier komt de listigheid van het Ik natuurlijk bijzonder duidelijk tevoorschijn; het is de uiting van een factoor, die nog in Faust zelf leeft. Er wonen  op een duin nog twee oudjes (zielsaspecten), Philemon en Baucis, in hun kleine huisjes en ze zitten Faust in de weg. Faust wil ze weg hebben en het op redelijke manier oplossen. Het lukt niet, de oudjes zijn te star. Dat het redelijk niet op te lossen is, komt omdat zij de onbewuste harmonie vertegenwoordigen, maar de wereld van de dynamische expansie niet kennen en helemaal niet begrijpen kunnen.

Mefisto zorgt dat de oudjes omkomen. Als dit Faust ter ore komt, beseft hij, dat het kleinste restje van Ik-drang, dat nog in hem leeft alles bederft. Hij had ze willen sparen, maar hij heeft ze ten gronde gericht. Hij begint te begrijpen, dat dus principieel alle Ik-drang zonder contact met het wezen, volkomen destructief is.

 

Op dat moment komen er vier grauwe vrouwen op hem af: het gebrek, de zorg, de schuld en de nood. Het gebrek heeft geen vat op hem, hij heeft genoeg, de schuld dringt niet tot hem door, want die wil hij niet zien, de nood kent hij niet, want hij heeft het gevoel alles te kunnen wat hij wil, alleen aan de zorg kan hij niet ontkomen. De zorg blijft zolang hij iets tot stand wil brengen. Zolang men iets wil, heeft men zorg. Zolang men ergens aan gehecht is, is men bang voor onthechting. Zo vindt vrouw Zorg toegang tot Faust door het sleutelgat.

Hij voelt, dat hij nog niet het juiste inzicht heeft van binnen. Hij moet nu zonder enig hulpmiddel eenvoudig als mens midden in de wereld staan en dan strijden voor dat, wat hij de moeite waard vindt!

Hij begrijpt niet dat dan juist de zorg op hem aankomt. Verder zegt hij: de wereld is toch belangrijk, we hebben het niet nodig om ons aan een hiernamaals vast te klampen, deze wereld is zo boeiend, wat kunnen we er al niet mee doen.

Hij nadert hiermee de opvatting van de orthodoxe joden, die zeggen dat de hemel op aarde is te vinden.

Faust erkent de volslagen onmogelijkheid door iets dat vast en gefixeerd is, bevredigend te worden. Maar het laatste moment moet nog komen. Hij begrijpt niet dat de zorg nog in zijn ziel leeft.

Dan zegt hij:

“Dämonen, weiss ich, wird man schwerlich los. Das geistig - strenge Band  ist nicht zu trennen. Doch deine Macht, o Sorge, schleichend grosz, Ich werde nicht anerkennen.”

Hij ziet er echter welbewust van af haar door een bezwering, dat is door een verdringing, te verwijderen.

 

Vrouw Zorg antwoordt met felle beslistheid:

“Erfahre sie, wie ich geschwind
Mich mit Verwünschung von dir wende,
Die Menschen sind im ganzen Leben blind,
Nun, Fauste, werde du’s am Ende.”

 

Dan wordt hij blind. Dat betekent: op dat moment wordt  hij zich bewust, dat hij altijd door de zorg, die zijn ziel vervuild heeft door iets te willen vanuit zijn Ik, blind is geweest; hij wordt zich bewust, dat zorg blind maakt.

Dan is echter tegelijkertijd het moment dat zijn innerlijk oog begint te zien. Blinden zijn meer naar binnen gericht, zien daardoor dingen die anderen zgn. zienden, niet zien.

Hij maakt zich nu op om alsnog datgene te doen, wat hij doen wil, onafhankelijk van enig resultaat. Nu kan hij zich  volledig op scheppende arbeid concentreren, alleen terwille van de actie zelf.

 

Mefisto waarschuwt hem dan, en zegt dat van alles toch niets overblijft.

Maar Faust is nu genaderd tot de doorbraak van het creatieve bewustzijn dat niet meer afhankelijk is van enig bereiken, van enige gehechtheid, maar dat vreugde heeft en creatieve actie zonder meer. Hij voelt dit als een verbinding met het oneindige. Van hieruit leeft iets in hem dat oneindige uitwerking heeft. Dan zakt hij stervend ineen.

En het koor zegt: “Es ist vorbei”. Nu is het Ik voorbij.

Mefisto geeft zich echter nog niet gewonnen. In deze mens is wel het enige creatieve bewustzijn doorgebroken, maar Mefisto is er ook nog.

“Vorbei! Ein dummes Wort,
Warum vorbei?
Vorbei und ein reines Nicht, volkommen Einerlei.
Was soll uns denn das Ewige
Geschaffenes zu nichts hinweg zu warfen!
Da ist’s vorbei! Was ist daran zu lösen?
Es ist so gut, als wär’s nicht gewesen,
Und treibt sich doch im Kreis, als wenn es wäre,

 

Het kritische  verstand blijft denken en zeggen: waarvoor al die moeite, er is niets mee bereikt, het gaat toch allemaal naar de vernietiging toe.

Nu blijkt dat Mefisto, (d.w.z. die geest in ons, die eigenlijk dat Ik gehandhaafd heeft), zelf nooit begrijpen kan wat dat creatieve is, vooral niet omdat het niet  zichtbaar is..  Een mens kan alleen rijp worden, zodat het in hem leeft, dan wordt hij ook onvatbaar voor deze taal van het kritische, dat het altijd af wil breken.

Mefisto begrijpt dan ook niet, dat hij het verloren heeft, omdat hij (de geest van starheid en beperktheid), de stromende oneindigheid die in Faust is doorgebroken in zijn vreugdevolle arbeid, niet kan herkennen.

Daarom brandt Mefisto zich aan de lichtwereld die doorbreekt en waarin Faust wordt opgenomen.

 

Goethe heeft in Mefisto principieel willen uitbeelden dat het vermogen tot indentificatie, het vermogen om tegen het beperkte te zeggen: ”dit ben ik”,  de eigenlijke kern is van het menselijke probleem. Dat is hetgeen, dat vanzelf op dat beperkte gericht is, steeds “das Böse will und stets das Gute schaft.”

Het “Ik” drijft de mens naar zijn eigen oplossing.

 

De mens moet ontdekken, dat hij vele “ikken” in zich heeft. Al die ikken zijn gericht op situaties naar buiten, menigmaal ter glorie van de enkele mens. Het gaat echter niet om het ik, maar om het “Wij” in de enkele mens. Pas dan is de enkele mens tot zijn ware grootheid uitgegroeid. Dan is hij pas wijs.

 

Uit het vorengaande blijkt, dat en mens kan ontdekken dat hij eigenlijk uit het oneindige leeft. De drang naar het oneindige ontstaat uit de honger naar de oneindige werkelijkheid. De mens moet echter leren zien wat hij met die drang moet en kan doen. Hij moet zijn begeerten niet blindelings volgen, maar al ziende doordringen tot hun wortel. Als een mens dit door heeft, moet hij gaan luisteren naar zijn aanleg. Die aanleg is creatief. Het betekent tevens dat de mens niet mag blijven steken in de zinlijke begeerten. Als hij in die val loopt, blijft hij jagen achter stoffelijke dingen aan en is nooit tevreden. In veel hebben is het ware niet te vinden, wel in het zijn. Die creativiteit moet gebruikt worden om tot dat unieke wat een mens in de samenhang waarin hij leeft, te geven heeft, te komen.

Elk mens heeft dat originele wat hem onderscheid van anderen, dat eigene van hem, in te zetten en te ontplooien. Wil hij dat kunnen doen, dan moet hij dwars  door de twijfel heengaan. Hij moet de dialectische weg gaan van voortdurend met het kwaad, met dat wat de beperktheid wil in discussie te staan. Tevens moet hij waken voor het “Ideaal-Ik”, dat hem steeds wil dicteren hoe het moet. Dat Ideaal-Ik beperkt zijn eigen vrijheid. Los van dat Ideaal-Ik moet hij komen staan om nieuwe wegen in te slaan, slechts dan kan hij tot grensoverschrijdingen komen.

 

Daardoor kan een mens in contact komen met het allerteerste wat in hem leeft. Het allerteerste in de ziel wordt het gemakkelijkst weggedrukt, dikwijls al in de kinderjaren.Daarom is het noodzakelijk dat een mens vrij wordt van de drang om iets te bereiken. Zolang hij iets wil bereiken, wordt het tere binnenin weggedrukt.De mens moet tot bezinning komen: dat hij pas door zijn eigen creatieve bron contact kan krijgen met dat scheppingsproces, dat zich in de wereld voltrekt.

 

Dat is het wat Goethe op het einde laat zien. Op deze wijze vindt een mens de keerzijde, die hij eigenlijk moet zoeken.

De man vindt het eeuwig vrouwelijke en wordt daardoor geïnspireerd en verrukt.

De vrouw vindt het eeuwig mannelijke en wordt tot zichzelf gemaakt en ontdekt haar eigen mogelijkheden.

Op deze wijze worden vrouwen en mannen echt aan elkaar gelijkwaardig. Zo ontstaat beider volwassenheid.

Wordt het zo niet mogelijk, dat we tenslotte in deze doorgang van Faust door zijn eigen ziel, in zijn afdaling naar de diepte tot in het collectief onbewuste en het van daaruit opduiken als een creatief mens, onszelf gaan herkennen? Tevens zijn we dan geen vijand meer van onszelf omdat we vanuit de eenzijdigheid zijn gekomen in de tweeheid, fierder en bewuster, meer mens.