Infor-
matie.

Bestemming onbekend (vervolg)

50.

Hoofdstuk IV.

René was naar München vertrokken; hij wilde naar Gretchen, haar vertellen, wat er met hem gebeurd was; waarom hij haar niet meer geschreven had. Hij zou haar vragen weer met hem mee te gaan; een nieuw leven wilde hij met haar beginnen, een ander mensch worden. In de jaren, die verloopen waren sinds hij haar voor 't laatst gezien had, had zij voor hem een andere beteekenis gekregen.
Naarmate de werkelijkheid verbleekte, had hij haar meer en meer geïdealiseerd, haar allerlei eigenschappen toegedicht, die hij in zijn vrouw miste.

     Zij was voor hem geworden de alles begrijpende vrouw, verheven boven burgerlijke conventie, met in haar hart een groote, alles overtreffende liefde voor hem.
Sinds hij "Der lebende Leichnam" gezien had, vereenzelvigde hij haar met Mascha. Maar Gretchen zou niet te laat komen; daarvoor zou hij zorgen.
     's Avonds laat kwam hij in München aan en nam zijn intrek in hetzelfde hotel, waar hij destijds met haar gelogeerd had.
Den volgenden morgen om half tien was hij al op weg naar haar huis. Hij was zenuwachtig; zijn hart klopte gejaagd, als van een schooljongen, die naar zijn eerste rendez-vous gaat.
     Toen kwam de teleurstelling. Zij woonde er niet meer. Hij vernam van de menschen, die er nu woonden, dat haar vader al meer dan een jaar geleden gestorven was; de weduwe en haar dochter waren kort daarna verhuisd; waarheen wisten zij niet, maar dat kon hij op het bevolkingsregister informeeren.
Daar echter deelde men hem mede, dat de familie nog steeds aan

51.

het oude adres ingeschreven stond. Waarschijnlijk de stad verlaten ergens ingetrokken bij familie; 't zou wel niet makkelijk zijn ze te vinden.
     Verdrietig ging hij weer heen; het liefst had hij willen huilen.
     Dus toch te laat gekomen!
Zijn hoofd was leeg; hij voelde alleen maar een groote verdrietigheid, een wanhopige troosteloosheid in zich.
     Toch te laat gekomen.
     Waar zou Gretchen zijn?
  -  Als je niet meer schrijft, weet ik, dat de droom uit is.
     Nu was de droom dus uit. Zij was weg, spoorloos. Een scherpe pijn brandde in zijn keel; heet gloeiden zijn oogen. Weer een illusie verloren.

     Hij besloot geen dag langer in München te blijven, maar onmiddelijk naar Berlijn te vertrekken om Hermann Schwarze op te zoeken.
     Als die er nu maar was; als hij maar niet van alle menschen verlaten in Berlijn moest rondzwerven. Want wat zou er dan van hem terecht komen? De weg van Fedja kon hij niet gaan, daarvoor miste hij den zedelijken moed.
     Maar was een andere oplossing mogelijk, een andere keuze, dan die tusschen maatschappelijkheid en ondergang?
     Hij zou er met Schwarze over praten  -  als die tenminste te vinden was.

     Schwarze was niet in Berlijn, kwam eerst over een dag of acht,

52.

veertien terug.
Met een moedeloos gebaar had René de hoorn weer op den haak gehangen. Dus wachten!
     Hij bleef dien avond maar op zijn kamer, daar was 't tenminste veilig en warm. Eigenlijk dwaas, dat hij weer in het Central Hotel was afgestapt, zooals destijds met Gretchen. Wat te doen in deze vertrouwde spheer, juist nu, nu zij volkomen uit zijn leven verdwenen was.
     Maar vroeg gaan slapen; dan wist je tenminste niet van de moeilijkheden en de verveling van het leven van alle dag.

***

     Den volgenden morgen om elf uur liep hij langs Unter den Linden. Waarheen? Zonder vooropgezet plan slenterde hij in de richting van het slot. Hoe kon je nu het prettigste je dag doorbrengen?
Naar buiten gaan? Onder geen voorwaarde. Wannsee en Gretchen...
...neen, dat zou hem maar verdrietig maken.
     Maar wat de heele dag in de stad te doen? Café's bezoeken, ergens muziek gaan hooren, eten, een bioscoop. Dat was toch geen veertien dagen uit te houden.
Je kon natuurlijk ook schouwburgen en concerten bezoeken, maar dat vulde alleen de avond en de dag was zoo lang.
     Hij zou naar een paar klinieken kunnen gaan, zich bekend maken als Hollandsch dokter, kennis maken met collega's. Onmiddellijk verwierp hij deze gedachte weer. Eigenlijk ook nonsens.
     Weet je wat, laat ik naar het museum gaan, dacht hij plotseling en onwillekeurig versnelde hij zijn pas. Dat was een goed idee;

53.

stom, dat hij daar niet eerder aan gedacht had.
     In het museum begaf hij zich rechtstreeks naar de zaal, waar de Rembrandts hangen; hij hield intens veel van diens werk, kon er uren naar kijken
  -  in Amsterdam destijds ook, in het Rijksmuseum. Hier in Berlijn hing zulk mooi werk; het mooiste was toch dat doek van den barmhartigen Samaritaan; onbegrijpelijk, bijna niets positiefs was erop geschilderd, en toch... je voelde 't drukke, maar stille gedoe om het huis, terwille van den zieken man.
     Wondermooi toch. Rembrandt had tenminste wat aan zijn leven gehad, had een roeping, zijn kunst. Heerlijk moet dat zijn; als hij ook eens zooiets gekend had, dan was zijn leven niet zoo troosteloos geweest als nu.
     Plotseling herinnerde hij zich, dat iemand hem eens jaren geleden gezegd had, dat dokter zijn wel de moeite waard was, als je 't was terwille van de zieken en zwakken, maar dat je 't anders wel kon laten.
     Alles heel mooi gezegd, maar je moet toch geld verdienen. Rembrandt verdiende toch ook geld.
     Jawel! Maar waarom schilderde Rembrandt? Zeker niet om 't geld; hij was tenslotte toch straatarm geworden en bankroet gegaan. Om 't schilderen zelf dus.
     Nou ja, maar je kon toch geen dokter worden om 't dokter zijn.
  -  Als je 't doet terwille van de zieken en zwakken, is het in orde, moest hij weer denken.
     Dokter zijn om 't werk zelf. Dat was eigenlijk ook wel een

54.

gezichtspunt, dan bleef je natuurlijk arm. En voor wie deed je 't dan eigenlijk nog? Voor de armen? Tegenwoordig waren alle arme menschen in een ziekenfonds, voor die werd dus gezorgd en als je rijke lui moest helpen, was je toch wel gek, wanneer je 't voor niets deed.
     Ja, maar dat klopte niet. 't Ging er niet om of de lui arm of rijk waren; hij zat zich maar weer wat voor te kletsen, bedacht hij tenslotte. 't Ging erom of je het werk deed voor 't werk zelf en het geld als bijzaak beschouwde of andersom.
     Hij had in ieder geval zijn werk nog nooit om 't werk zelf gedaan. Hij behandelde zijn patienten en probeerde ze beter te maken, zooals een meubelmaker probeert een stoel heel te maken. Meer niet.
     Waarom was hij eigenlijk dokter geworden? Als je alles goed bekeek, was hij toch wel een volslagen mislukt geval. Als de oorlog er niet geweest was   -  nou ja, goed, maar dan had hij zijn practijk even stompzinnig uitgeoefend als nu, alleen zou dan zijn gemoedsrust gespaard gebleven zijn.
     Al die nieuwe ideeën tegenwoordig. Zwei Seelen wohnen ach in meiner Brust, dacht hij pathetisch.
     Hij vond al dat nieuwe erg belangwekkend, maar... hij kon er zich niet aan geven. Per slot van rekening was hij van vóór den oorlog en deze na-oorlogsche wereld was zoo heel anders.
     Maar weer weggaan. Hij zat toch maar over alles en nog wat te piekeren; van Rembrandt zag hij niets.
     Langzaam liep hij verder, liet zijn blikken leeg langs de schilderijen dwalen. Bij de marmeren trap gekomen ergerde hij zich; elke

55.

keer opnieuw raakte hij uit zijn humeur bij het aanschouwen van de entrée van het museum. Je moet toch een Duitscher zijn om zooiets afschuwelijks te maken. 't Was wel niet zoo erg als de Siegesallee, maar die was de Berlijners zelf te erg geweest, zoodat ze 'm kapot hadden willen slaan. Allemaal van die prachtproducten van den keizer. Ook een prul! Nog grooter mislukkeling dan ikzelf, dacht hij.

Nauwelijks op straat gekomen werd hij aangesproken door een jonge vrouw, slank, donker type, tikje geverfd, heel knap.
  -  Kan ik geld van U krijgen voor een kop koffie? vroeg ze.
     Sprakeloos keek hij haar aan. Wat beteekende dat nou? Geld voor een kop koffie? Mooi kind! Had blijkbaar betere tijden gekend naar d'r kleeren te oordeelen.
     Zij merkte zijn verbazing op.
  -  Ik ben zoo moe en voel me zoo wee. En ik heb geen geld bij me, voegde zij ter verduidelijking toe.
     Even aarzelde hij nog. Dan plotseling: - Gaat U maar mee; waar is hier een café in de buurt?
  -  Vlak bij, zei ze en wees met haar hand naar een zijstraat. Zwijgend liepen zij naast elkaar. Het café was niet veel fraais. Soort arbeiderskroeg! dacht René.
  -  Twee koffie met gebak! riep hij naar het buffet, waar een onsmakelijk uitziend manspersoon bezig was glazen te spoelen, met welk werkje hij rustig bleef doorgaan zonder op de bestelling te reageeren.
     Het zwijgen der vrouw naast hem, de onbehagelijke spheer in het

56.

café, het wachten   -  alles maakte hem nerveus, zoodat hij plotseling opsprong, naar het buffet liep en den glazenspoeler driftig
  -  Komt er nog wat! toebulderde.
     De toegesprokene schrok blijkbaar.
  -  Wat zegt U? Ik versta U niet. Ben een beetje doof.
  -  Twee koffie! brulde René zoo hard hem mogelijk was.
  -  Ja, ja! de baas komt direct. Die is even een boodschap.
  -  Wilt U hier blijven wachten? wendde René zich tot de jonge vrouw, die moe voor zich uit zat te staren. Onverschillig haalde zij de schouders op zonder te antwoorden.
  -  Willen we een taxi nemen en ergens anders heengaan? vroeg hij verder.
     Zij knikte toestemmend, stond moeizaam op. Dat kind schijnt doodmoe te zijn, dacht hij. Wat zou er eigenlijk met 'r aan de hand zijn?
     Zonder groeten gingen ze heen.
  -  Weet U een taxi-standplaats? vroeg hij.
  -  Hier om de hoek! antwoordde zij klankloos. Inderdaad vond hij om den hoek een taxi.
     Waarheen? dacht hij. Kempinski maar; zal maar niet met 'r naar een dure gelegenheid gaan; zal ze wel niet prettig vinden; ziet er zoo sjofel uit.
  -  Restaurant Kempinski, zei hij tot den chauffeur.
  -  Welk? Er zijn er hier zooveel.
  -  Wat 't dichtst in de buurt is! antwoordde René. In het restaurant gekomen gaf hij haar onmiddellijk de spijskaart, bestelde koffie en vroeg of zij wijn wilde drinken.
  -  Zoo duur, antwoordde zij.

57.


  -  Hindert niet! zei René joviaal.  -  Kellner, de wijnkaart! Hij zocht een Rijnwijn uit. Liebfraumilch zou ze wel lusten.
Voor de zekerheid vroeg hij het. Zij knikte goedkeurend.
     Raar type is dat, dacht hij. Zegt geen stom woord. Enfin, afwachten, misschien helpt de wijn een handje om dit raadsel te ontsluieren. Zij at snel, als uitgehongerd.
  -  Prosit! zei René. Glimlachend nam zij haar glas op, knikte hem toe en nam een kleine teug. Daarna at ze vlug verder.
     Toen zij haar maaltijd beëindigd had, leunde zij met een behagelijke zucht achterover.
  -  Wilt U dessert? haastte René zich te vragen.
  -  Graag! antwoordde zij.
  -  Baumkuchen met slagroom. René bestelde twee porties; schonk haar glas vol.
  -  Voelt U zich nu beter? informeerde hij belangstellend. Ik was bang, dat U flauw zou vallen.
  -  Dat scheelde ook niet veel; anders had ik U niet aangesproken.
  -  Nee, daar ziet U niet naar uit. Kan ik U misschien helpen? vroeg hij vriendelijk.
Zij schudde het hoofd.
  -  Ik geef, of beter gezegd ik gaf muziekles, lichtte zij hem in. Maar de tijd is zoo vreeselijk slecht; de menschen bezuinigen op alles bij deze inflatie. Ik heb op 't oogenblik maar één leerling, één uur per week; daarvan kun je toch niet leven.
  -  Nee, moeilijk! antwoordde hij. Hebt U geen familie?

58.

Weer een ontkennend gebaar.
  -  Ik heb mijn ouders jong verloren en mijn eenige broer is in den oorlog gesneuveld. Verdere familie heb ik niet; wel in Saksen, maar ik heb geen geld om erheen te gaan en trouwens, ze zijn zelf doodarm.
  -  Niet getrouwd? vroeg hij.
  -  Geweest! Mijn man is... nu ja, wat doet het ertoe. Nee, ik ben niet getrouwd.
René vroeg niet verder. Raar geval. Daar zat je nu. Hij  -  geld genoeg om een paar jaar van te leven; zij zonder eten. Wat moet zoo'n vrouw nou doen, om niet te verrekken van de honger?
  -  Ik zal U niet langer ophouden, stoorde zij plotseling zijn gemijmer. U zult wel meer te doen hebben.
  -  Blijft U om godswil nog even zitten, smeekte René. Ik heb niets te doen, ziet U; ik verveel me dood. Ik zit hier in Berlijn op iemand te wachten, die pas over een dag of acht, veertien terugkomt. Ik ben U heel dankbaar, dat U me gezelschap houdt.
  -  Ik kan toch niet de heele dag bij U blijven, gaf zij lachend ten antwoord.
  -  Waarom niet? U zoudt me zoo'n ontzettend groot plezier doen. We zouden samen ergens kunnen gaan theedrinken en als U er zin in hebt, dansen. Vanavond kunnen we naar een schouwburg gaan. Ik zou 't heel prettig vinden.
  -  U wilt mij toch niet wijsmaken, dat U dat alles gratis aanbiedt! antwoordde zij.
  -  Ik kan me indenken, dat U uit medelijden en misschien ook omdat U het interessant vindt, met mij hierheen gegaan

59.

bent; maar wat U me nu verder voorstelt, overschrijdt toch de grenzen van medelijden en interessant-vinden.
  -  Pardon! U vergist U. Ik vraag alleen Uw gezelschap als tegenpraestatie, als U 't zoo noemen wilt. Meer niet. Zij keek hem onderzoekend aan.
  -  U kunt me gelooven, vervolgde hij rustig. Bovendien, ik kan U toch nergens toe dwingen. En
  -  ik ben niet van plan U tot iets te dwingen, heusch niet. Ik verzoek U alleen heel dringend de kennismaking niet af te breken, me te verlossen van de troostelooze eenzaamheid, waarin ik nu leef. Ik zou het heel erg op prijs stellen.
Zijn toon was week geworden.
  -  U bent een zonderling, antwoordde zij na een oogenblik zwijgen. Goed dan verhuur ik me als dame van gezelschap, maar geheel extern.
  -  Geheel extern! antwoordde René met een zucht van verlichting. God, wat ben ik blij. Hij zag eruit, alsof een centenaarslast van zijn schouders genomen was.
  -  Alles goed en wel, zei ze nu, maar ik kan heusch niet met U naar dancings en schouwburgen gaan; ik heb geen andere kleeren, dan die ik aan heb en die zien er nu niet bepaald schitterend uit. We zullen ons dus moeten bepalen tot wandelen en Kempinski en hoogstens een cinema.
  -  Dan koopen we nieuwe kleeren, merkte René droogweg op. U hebt U verhuurd als dame van gezelschap, dus hebt U recht op salaris.
  -  Nee! dat wordt te gek, wierp zij tegen. Ik kan dat alles niet aannemen.
  -  Onzin, antwoordde hij. Wij rijden naar een modemagazijn; ik geef

60.

U geld en wacht in de buurt in een restaurant op U. Laten we de zaak nu een beetje prettig behandelen. Heusch er steekt niets achter. De wereld is toch wel een zoodje, dat een man geen vriendelijkheid kan bewijzen aan een vrouw, of hij moet er beslist een bepaalde bedoeling mee hebben. Als-t-U-blieft pak dit nu maar aan; 't is zoowat tweehonderd Hollandsche guldens, dat zal wel genoeg zijn.
     Aarzelend nam zij het geld aan.  -  Bent U Hollander?
  -  Ja! en als U wilt steinreich. Kom, laten we opstappen.
Zonder te antwoorden voldeed ze aan zijn verzoek, liet zich in een taxi duwen, terwijl René den chauffeur order gaf te stoppen voor het eerste het beste groote modemagazijn, dat hij tegenkwam.
Daar zij bleef zwijgen, stak hij een cigaret op. Toen ze uitstapten, wees hij haar schuin tegenover het magazijn een café.
  -  Daar zal ik op U wachten. Als U niet wilt terugkomen, zal ik het U niet kwalijk nemen. Na deze woorden nam hij zijn hoed af en liep naar de overzijde der straat.
Zonder om te zien ging hij het café binnen.

***

Een uur later trad zij vroolijk op hem toe. Verheugd keek hij haar aan.
  -  Blij, dat U gekomen bent. God wat zag ze er nu leuk uit.
  -  Vindt U 't aardig? vroeg ze een beetje verlegen.
  -  Keurig! In één woord keurig!
  -  Ik heb nog een jurk gekocht en nog allerlei andere dingen.

61.

Ik ben bijna al het geld kwijt. Laten we even afrekenen. René maakte een afwerend gebaar. Laat dat nu, alstublieft; houd de rest maar, als zakgeld. Wilt U thee?
  -  Graag! Ik voel me een heel ander mensch nu; ik ben blij, maar 't is alles zoo vreemd.
  -  Niks vreemd! zei hij afwerend. Ik ben minstens even blij als U. Gek, dacht hij. Ik weet niet eens hoe ze heet. Trouwens ze kent mij evenmin, zal me maar eens voorstellen.
  -  Ik ben dokter van Velsen, zei hij. Ik woon in het Central Hotel aan de Friedrichstrasse. Als U er bezwaar tegen hebt Uw naam en adres te geven, kunt U volstaan met Uw voornaam. Ik weet dan tenminste wie me opbelt, wanneer U een afspraak wenscht te maken.
     Wat een zonderling is dat, dacht zij. Hij schijnt werkelijk niets te eischen.
  -  Ik heet Anna, en ik...
  -  Dan zal ik U Anna noemen, onderbrak hij haar. Hoe ze verder heette interesseerde hem niet. Wat deed het ertoe? Wel prettig om eens met iemand om te gaan van wie je niets wist; niet wie z'n ouders waren, noch z'n milieu, iemand, die alleen maar zichzelf was, die dus niet bij voorbaat gedoodverfd was als gewoon of chic of reuzenchic; die heelemaal los stond van een maatschappelijken achtergrond. Dat ze muziekles gaf, zei in dat opzicht niet veel.
Zijn gemijmer werd onderbroken doordat Anna hem vroeg of hij arts was.
Hij knikte toestemmend.
  -  Dat lijkt me een mooi beroep. Je kunt zooveel doen voor de menschen, zooveel troost schenken. U zult wel een goed dokter zijn; U

62.

bent voor mij al zoo vriendelijk.
René antwoordde niet. Een goed dokter! Was ik dat maar geweest; ik ben niks lieve kind. Zal haar maar in de waan laten.
Anna zweeg. Hij merkte, dat zij hem van terzijde observeerde. Zou natuurlijk wel eens willen weten of ik werkelijk een goed dokter ben.
  -  Een cigaret? vroeg hij om haar gedachten af te leiden.
  -  Alstublieft. Ik rook graag.
  -  Waarom hebt U dat niet eerder gezegd? En vertelt U mij nu eens. Hoe laat wenscht U te dineeren en welk stuk zullen we gaan zien Vanavond, of wilt U liever een concert hooren? U bent musica, dus zult U misschien liever naar een concert gaan, dan naar de schouwburg.
  -  Morgenavond is er een goed concert, antwoordde zij. Vanavond zou ik het liefst naar de schouwburg gaan.
  -  Goed! dan naar de schouwburg. Om een uur of zeven dineeren dan? Of wilt U heel uitgebreid eten? Is ook wel eens leuk.
  -  Dan kunnen we niet meer uit en ik wou vanavond zoo graag een tooneelstuk zien; ben in zoo'n tijd niet in een theater geweest.
  -  Waar zullen we dan dineeren?
  -  In 't Romanisches. Kent U dat?
  -  Ben er vroeger wel geweest, maar kun je daar behoorlijk eten? vroeg hij stomverbaasd.
Anna schaterlachte.
  -  Ja, ja! bromde René. Ik ben natuurlijk der dumme Holländer, maar waarom lacht U zoo uitbundig?

63.


  -  Omdat de keuken daar juist zoo goed is. U moet niet boos zijn, maar...
  -  Boos? Wie is er nu boos? Ik ben veel te blij, dat U zoo vroolijk bent. Zullen we ergens gaan dansen?
  -  Ja! leuk.
  -  Zegt U dan maar waar we ergens heen moeten. U weet op 't oogenblik beter den weg in Berlijn, dan ik; dat wil zeggen, dat U waarschijnlijk beter de geschikte gelegenheden weet, waar we heen kunnen. Die vermaaksinrichtingen zijn net paddestoelen. Schitterende opkomst, dan verval, dan verdwijnen. Moeten we soms ook dansen in 't Romanisches? Ik dacht dat dat zoo 'n soort bolsjewieken-gelegenheid was.
Anna lachte.
  -  Ik zal dan wel de leiding nemen, maar we gaan niet naar 't Romanisches om te dansen. God wat heb ik een plezier.
Gelukkig, dacht René. Zoo doet een mensch ook nog eens een goed werk, al is het dan per ongeluk.

Zij amuseerde zich dien middag en avond kostelijk; tenslotte zaten ze 's avonds laat voor de tweede maal in 't Romanisches en dronken Moeselwijn. René vond alles goed, wat zij wilde. Ze was wel leuk; gelukkig, dat hij haar ontmoet had.
  -  Hoe laat wou je naar huis? vroeg ze onverwacht. Het viel hem op, dat ze je tegen hem zei. Zou 't de wijn zijn, of wil ze misschien de toon wat soepeler maken?
  -  Je hebt 't maar te zeggen.
  -  Dan zou ik nu wel willen; is 't goed? Ik ben zoo moe; zooveel

64.

emoties gehad vandaag.
  -  Uitstekend. Dan gaan we. Zij noemde haar adres aan den taxichauffeur, die hen naar huis zou brengen.
  -  Bel me morgenochtend op, als je wakker bent, zei René onder het rijden. We spreken dan af, waar we elkaar treffen.
  -  Graag! ik ben zóó blij, dat kun je je niet voorstellen.
  -  Ik ook, ik ook! En ga nu maar gauw slapen en droom maar van het concert van morgenavond. De auto stopte voor haar huis; hij hielp haar uitstappen.
  -  Je belt me morgenochtend toch op hè? vroeg hij, angstig ineens nu ze weg ging.
     Beslist! antwoordde zij lachend. Ik wil 't concert niet missen. Dank je. Tot morgen dan. Hij sliep dien nacht beter, dan sinds weken het geval geweest was.

***

De dagen gingen vroolijk voorbij, zoo vroolijk, dat hij bijna vergat, dat hij hierheen gekomen was om met Schwarze te spreken. Hij was hier nu al ruim een week en had het gevoel, alsof alle zorgen, die hem zoo drukten, toen hij hier aankwam, van hem waren afgevallen.
     Een mensch is toch een raar geval, dacht hij. Enfin! Op 't oogenblik is 't leven gezellig; waarom zou ik er dan niet van profiteeren.
Donderdagmorgen belde hij het huis van Schwarze op.
  -  Nee, meneer Schwarze is er nog niet. Hij komt Zondagavond terug.
  -  Dan bel ik Maandagmorgen weer. Wilt U dat aan meneer Schwarze

65.

zeggen? Ik ben hier in Berlijn, omdat ik meneer moet spreken, ziet U. Vergeet U het dus vooral niet.
     Het telefoongesprek maakte hem nerveus. Waarom eigenlijk? Nu hij aan Schwarze dacht, viel alle onzekerheid weer op hem, de onzekerheid en rusteloosheid, welke hem naar Berlijn gedreven hadden.
     Hij amuseerde zich nu wel met Anna, maar dat kon toch niet eeuwig duren. Niets duurde eeuwig, maar bij hem duurde alles toch wel heel kort. Enfin, maar niet over piekeren. Maandag is Schwarze er.
     Wat duurde het lang voor Anna telefoneerde; zeker erg moe. 't Werd ook zoo laat elken avond. Er werd geklopt.
  -  Binnen! riep hij zonder om te zien.
  -  Goeie morgen! klonk het achter hem. Verbaasd keek hij om.
  -  God, wat lief, dat je me komt halen; dat is aardig, riep hij uit, terwijl hij met uitgestoken handen op haar toetrad. Wat vind ik dat leuk. Je moet me niet kwalijk nemen, dat de kamer nog overhoop ligt; 't kamermeisje is er nog niet geweest.
  -  Ik ben laat hè? Ja, ik had zoo een en ander te doen, zie je, zei ze schalks, maar nu moet je direct met ze meegaan.
  -  Waarheen? vroeg hij geïnteresseerd.
  -  Dat vertel ik je wel in de taxi. Godallemachtig, wat ziet ze er lief uit vanochtend, dacht hij en even kwam het verlangen in hem op haar in zijn armen te nemen, maar hij verzette er zich onmiddellijk tegen.
Misschien wordt ze kwaad. Bovendien... beetje raar, nu ze op m'n kamer is, voor 't eerst met me alleen... dan direct met

66.Mp> zooiets te beginnen. Nee, dat zou unfair zijn. Maar mooi was ze wel vanochtend.
Vroolijk babbelend liep ze naast hem de trap af. Toen ze in de taxi stapten, hoorde hij haar den chauffeur haar eigen adres opgeven. Verbaasd keek hij haar aan.
  -  Naar jou huis? Ik dacht, dat ik daar niet mocht komen.
  -  Nu wel. Ik zal je vertellen, waarom we naar mijn huis gaan. Ik ben misschien een beetje kinderachtig, zie je, maar kijk, ik ben jarig en nu heb ik 't thuis een beetje gezellig gemaakt. Ik wou 't gisteren niet zeggen, want dan ga je natuurlijk een of ander cadeau voor me koopen en dat wil ik niet. Je doet toch al zooveel, dat 't me eigenlijk geneert.
  -  Ik wil niet, dat je daarover praat, gaf hij eenigszins stroef ten antwoord. Natuurlijk zou ik een cadeau voor je gekocht hebben... maar dat kan altijd nog gebeuren. Nee, zeg nu maar niets. Je weet, dat ik het vervelend vind, als je over mijn goedhartigheid en zoo gaat praten, of over de onkosten, die we maken. Ik wil dat beslist niet hooren. Hij greep haar hand.  -  En nu heel hartelijk gelukgewenscht, met je verjaardag, hoor. Wel zullen er een knalfeest van maken.
Zij streelde hem heel, zacht over zijn wang.
  -  Je bent erg lief, heel erg lief.
     Jawel, dacht René. Zoo moet je maar doorgaan. Ik leef als coelibatair; jij bent de heele dag om me heen en wordt hoe langer hoe appetijtelijker en nu wordt je nog aanhalig ook.
De taxi stopte.

  -  Ik woon hoog hoor; vier trappen op.

67.


  -  Hoe lang zijn we dan onderweg?
  -  Begin maar vast, dan zijn we er eerder. Met deze woorden duwde zij hem voor zich uit. Met groote sprongen rende hij naar boven. Toen ze voor de huisdeur arriveerde, vond ze hem hijgend op den grond zitten.
  -  Dat is teveel voor een mensch, zuchtte hij. Zij opende de deur van haar kamer, op den voet gevolgd door René, die eigenlijk wel benieuwd was, hoe nu de kamer van een musica eruit zou zien.
  -  Verdomd leuk hier! zei hij, terwijl hij goedkeurend de kamer rond keek. Allemachtig aardig.
Er stond niet veel in. Een vleugel, een divan, een laag stoeltje, een boekenkast en verder naast den divan een tafeltje.
  -  Ga zitten, noodigde zij hem uit, dan zal ik de koffie inschenken. Alles is al klaar, zie je; ik heb ook lekkers. Prettig, dat je het hier leuk vindt. Hier eet maar vast.
     't Werd een gezellige boel. Zij speelde piano, terwijl hij op den divan lag te luisteren; eerst luchtige muziek, toen onverwacht Chopin.
  -  Ik houd zoo van Chopin, zei ze, nadat ze haar spel beëindigd had. Ik vind hem zoo sereen melancholiek.
  -  Ja! maar daarom kan ik hem nu juist niet altijd hooren. Nu vond ik het heel mooi, maar soms maakt hij me zoo ontzettend down.
  -  Dat is niet zoo. Als Chopin je down maakt, ben je down, en in zoo'n geval kunt je beter Beethoven of Bach kiezen die zijn veel objectiever, om 't zoo maar eens uit te drukken. Wil ik wat anders voor je spelen?

68.


  -  Nee, laten we weggaan. Kijk nu niet zoo teleurgesteld; ik zal het je eerlijk zeggen, waarom ik dat voorstel. Toen je zoojuist die prélude voor me speelde, kreeg ik zoo'n heel groot verlangen om even in je armen te mogen liggen en zoo te droomen van levensgeluk of hoe je 't noemen wilt. Maar dat is tegen onze afspraak. Je moet 't me niet kwalijk nemen; we zijn altijd bij elkaar en jij bent heusch een begeerenswaardige vrouw. Nu hier ... 't is hier zoo rustig, zoo intiem. In de restaurants of waar we ook zijn, is altijd de heele wereld tusschen ons; hier niet, hier zijn jij en ik alleen. Ik hoop, dat je niet boos bent.
  -  Ik ben niet boos, zei ze glimlachend. Waarom zou ik boos zijn? Maar goed, laten we weggaan. Je hebt me een knalfeest beloofd.
Ze stond op; René eveneens; hielp haar haar mantel aantrekken. Toen ze gereed stonden de kamer uit te gaan, sloeg ze haar arm om zijn hals en gaf hem een zoen. - Je bent een schat, jongen. Hij glimlachte, deed de kamerdeur voor haar open. - Jij ook. Laten we bij Kranzler gaan lunchen.
     Onderweg liet hij de taxi voor een bloemenwinkel stilhouden, kocht twee prachtige orchideeën. Toen hij ze haar overhandigde, drukte zij de bloemen even aan haar lippen.
René glimlachte. Wat deed ze al die dingen toch verdomd fijn; ze was zoo lief in alles; keurige vrouw.
     Den geheelen dag bleven ze in een feeststemming; het diner was werkelijk buitengewoon. René wendde al zijn kennis omtrent spijzen en dranken aan om het tot iets heel bijzonders te maken en

69.

hij slaagde daarin volkomen.
  -  Waar zullen we nu heengaan? vroeg hij, toen ze tenslotte de koffie gebruikt hadden.
Zij boog zich naar hem toe. - Naar mijn kamer, dan hoef ik je morgenochtend niet op te bellen.
Met een schok ging hij rechtop zitten. - Meen je dat? vroeg hij een beetje heesch.
  -  Meen je dat werkelijk?
  -  Ja, antwoordde zij rustig - werkelijk.

René had zijn kamer in het hotel niet opgezegd, ofschoon hij er bijna nooit meer sliep; hij vond het beter niet bij Anna in te trekken. Op deze manier bleef de verhouding frisscher; zij was bovendien een erg zelfstandige vrouw, geen type als Gretchen; zoo bleef hun verhouding meer kameraadschappelijk. Als hij met haar ging samenwonen werd het weer zoo 'n huwelijkstoestand en daar voelde hij niet veel voor.
     's Maandagsmorgens belde hij Schwarze op, maakte een afspraak tegen 's avonds tien uur. Hij vertelde Anna, dat Schwarze, voor wien hij naar Berlijn gekomen was, eindelijk van de reis terug was en dat hij hem 's avonds zou bezoeken.
  -  Is dat Hermann Schwarze? vroeg zij.
  -  Ja! Ken je hem?
  -  Alleen van naam. Heel Berlijn kent hem; hij is een zonderling, nietwaar?
  -  Betrekkelijk. Hij is niet zoozeer een zonderling, als wel een

70.

type, dat heelemaal uit den toon valt.
  -  Als je hem gesproken hebt, ga je dan weer terug naar Holland? vroeg Anna uiterlijk kalm.
  -  Neen, zeker niet, was het besliste antwoord.
  -  Blijf je in Berlijn?
  -  Ja, denkelijk wel. Trouwens, als ik wegga, neem ik je mee. Zij schudde het hoofd.
  -  Wil je niet, vroeg hij teleurgesteld.
  -  Ik geloof, dat het beter is, dat wij elkaar vaarwel zeggen, als je weggaat, antwoordde zij rustig. - Onze verhouding is zoo mooi. Misschien zou ze minder mooi worden... op den duur. 't Is beter een mooie herinnering te hebben, dan de zaak te zien verloopen.
  -  Waarom zou 't moeten verloopen? vroeg René mistroostig.
  -  Wat weten wij van elkaar, jongen; immers niets. We leven nu een paar weken samen, gaan uit en amuseeren ons en... we houden zoo nu en dan heel veel van elkaar. Maar dat kan immers zoo niet blijven. Ik weet, wat een teleurstelling beteekent. Ik heb 't al eens meegemaakt. Onze verhouding is niet diep; 't is een beetje een roman... zoo 'n beetje vluchtig en luchtig kleurenspel met een enkele maal een innig moment. Vind jij dat genoeg voor een huwelijk?
     René zweeg. Wonderlijke vrouw, dacht hij; merkwaardige vrouw.
  -  En als ik nu een paar jaar hier blijf? vroeg hij na een poos.
     Zij haalde haar schouders op.
  -  Daar heb ik niet over nagedacht, want... ik zou niet weten, wat je hier een paar jaar zou moeten doen, antwoordde zij, terwijl ze langs hem heen staarde.
  -  Zou je ook niet een tijdje met me op reis willen? Naar Zwitserland bijvoorbeeld?

71.


  -  Wel een tijdje. maar niet te lang. Ik zou me niet graag al te veel aan je hechten; dan is 't afscheid zoo moeilijk.
  -  Wat ga je doen, als ik weg ben? vroeg René toonloos.
  -  Waar moet je dan van leven?
Weer dat schouderophalen.
  -  Ach we kletsen maar wat, viel hij plotseling uit.
  -  Ik blijf voorloopig nog hier; laten we toch niet als twee gekken over afscheid zitten praten. 't Is nog zoover niet.
     Zij glimlachte.
  -  Stel jij alle dingen niet 't liefst zoo lang mogelijk uit? Ben je niet bang voor de realiteit van het leven?
  -  Ja! antwoordde hij
  -  en hij verwonderde zich, dat hij dit zoo rustig erkende
  -  ik ben... eigenlijk... een mislukkeling, ik weet niet, wat ik wil... alleen maar wat ik niet wil. Ik kan 't nergens vinden; ik heb geen doel in m'n leven.
     Waarom zei hij haar dit alles? Waarom had hij plotseling behoefte zijn innerlijk voor haar bloot te leggen?
     Hij stond op van zijn stoel, begon de kamer op en neer te loopen.
  -  Jij bent veel krachtiger dan ik; jij weet wel wat je wilt; jij hebt wel een levensdoel. Jij hebt je muziek. Wat heb ik? M'n dokterswerk. Maar dat is zoo vervelend. Dat geeft geen bevrediging, alleen maar geld.
  -  Zwijg nu, viel zij hem in de rede, misschien heb je straks spijt van wat je me nu zegt. Ga naar Schwarze en kom morgen bij me. Als je me dan nog meer te vertellen hebt, doe 't dan.
     Ze stond op om hem een zoen te geven. Zonder verder iets te zeggen ging hij heen. Toen hij reeds

72.

halverwege de trap was afgegaan, keerde hij plotseling terug, klopte op haar deur. Zij deed open.
  -  Wat is er jongen? vroeg ze moederlijk.
  -  Je laat me toch niet in den steek, om wat ik je straks gezegd heb, hé? vroeg hij een beetje verlegen.
  -  Domme jongen, antwoordde zij verteederd, greep zijn hoofd tusschen haar handen en zoende hem op zijn mond.
  -  Ga maar gerust hoor; morgen verwacht ik je weer.
     Gerustgesteld ging hij heen. Goddank ! Ze was toch wel erg lief. Hoe kwam hij erbij plotseling te gaan opbiechten. Hij was ook altijd even idioot. Als hij de verhouding nu maar niet verknoeid had. Enfin, moed houden.

***

     Het gesprek met Schwarze vlotte eerst niet erg; hij had er zich meer van voorgesteld. Was Schwarze veranderd of waren ze elkaar ontwend?
     Schwarze zag er vermoeid uit.
  -  Er werd mij verteld, dat U had medegedeeld, dat U speciaal voor mij naar Berlijn gekomen bent, dokter. Is dat juist?
  -  Inderdaad, meneer Schwarze; alleen voor U. Eigenlijk zou ik U ontzettend veel moeten vertellen om U een en ander te doen begrijpen, maar U ziet er zoo moe uit.
  -  Ik ben ook moe, gaf Schwarze ten antwoord.
  -  Teveel gewerkt de laatste jaren; rijk worden is nog niet zoo moeilijk als rijk blijven.
  -  Ik snap U niet, zei René verwonderd.  -  Uw eenig levensdoel

73.

schijnt rijkdom te zijn en aan den anderen kant schimpt U altijd op rijk zijn; U hebt me zelfs eens verteld, dat U er zonder blikken of blozen afstand van zoudt kunnen doen.
  -  Wie zegt, dat mijn eenig levensdoel rijkdom is, dokter?
  -  Toen ik U voor het eerst leerde kennen, gaf U mij den raad onmetelijk veel geld te verdienen, antwoordde René rustig. Hij was verbaasd over zijn eigen kalmte; toen hij voor de deur van het huis van Schwarze stond, was hij nog zoo nerveus geweest als een schoothondje en nu was alle nervositeit ineens van hem afgevallen. Kwam dat doordat Schwarze uit zijn evenwicht was, althans scheen te zijn?
  -  Later, vervolgde hij, hebt U een andere verklaring van Uw doen en laten gegeven, hebt U gezegd, dat U tot het inzicht gekomen was, dat geestelijke rijkdom de ware rijkdom was. En nu vertelt U weer, dat U zoo moe bent, doordat U zoo hard moet werken om rijk te blijven.
Schwarze maakte een afwerend handgebaar.  -  Ik begrijp, dokter, dat mijn woorden U verward voorkomen. Misschien ben ik ook wel verward. Maar begint U nu eens te vertellen wat U op 't hart hebt; mogelijk komen we dan straks nog wel op mijn levensopvatting terug.
  -  Zou ik niet liever een andere keer daarover met U spreken; U bent nu veel te moe, antwoordde René vriendelijk.
  -  Wat hindert dat? U zei toch, dat U me spreken moest.
  -  Ja! maar alleen over mezelf.
  -  Begin dan maar dokter.

***

René vertelde, wat er alzoo met hem gebeurd was; van zijn huwelijk,

74.

zijn besluiteloosheid, hoe hij weggeloopen was en van zijn vergeefsche tocht naar München; en tenslotte van zijn ontmoeting met Anna. Schwarze luisterde aandachtig zonder hem een oogenblik te onderbreken, en hij bleef nog geruimen tijd zwijgen, nadat René uitgespro- ken was.
  -  U zoudt eigenlijk van mij willen weten, wat U doen moet, zei hij eindelijk.
  -  Maar ik ben geen psychiater, m'n beste dokter. Het feit, dat U bij mij komt, bewijst, dat U denkt, dat ik zelf een klaar omschreven levensdoel heb en dat ik er U nu ook wel een kan aanwijzen. Om te beginnen wil ik U dit zeggen: ik heb wel een doel in mijn leven, maar den besten weg erheen weet ik nog altijd niet. Ik heb mijzelf in dienst gesteld van den strijd voor een menschelijker samenleving; ik voel heel goed, dat ik als millionair in een tweeslachtige positie verkeer. Eenerzijds is 't waar, dat ik niets geef om mijn rijkdom; anderzijds weet ik, dat ik niet zou terug willen in het leven, dat ik in mijn jeugd gekend heb. Bovendien zou ik dan niets kunnen doen voor de verwerkeling van mijn idealen; tenminste niets belangrijks. Ik zoek dus een weg om mijn vermogen in dienst te stellen van die idealen. Misschien verbaast het U, dat ik dat niet zoo maar weet. Vergeet niet, dat ik heelemaal alleen mijn weg heb moeten zoeken en nog steeds alleen sta.
     Met U ligt de zaak anders. U bent intellectueel; U hebt een wetenschappelijke en dus systematische opvoeding gekregen. Voor U zou alles dus veel gemakkelijker kunnen zijn, als U maar een doel had.
     U aanvaardt de bestaande maatschappij niet d.w.z. U ziet heel goed in, dat de burgerlijke samenleving een verloopen boel is, maar U

75.

mist den moed om ermee te breken.
U hebt in Fedja Uzelf min of meer erkend; ook hij ziet geen uitweg. Maar U bent geen Fedja, m'n waarde dokter. Fedja kon niet leven in zijn huwelijk en in zijn maatschappelijk milieu, omdat hij niet liegen kon, terwijl zijn heele omgeving één groote leugen was. En omdat hij de leugen niet verdraagt en tevens den moed mist om te strijden, vlucht hij in de vergetelheid. Aan den anderen kant is er een ontstellenden moed voor noodig om den weg te gaan, dien Fedja gaat. Zijn tragiek is, dat hij geen uitweg ziet in het leven en daarom moet ondergaan; hij is het tragische slachtoffer van een door leugens vergiftigde samenleving.
     U ziet ook geen uitweg, niet omdat U zoo eerlijk, maar omdat U zoo burgerlijk bent, terwijl U sinds den oorlog tot het inzicht gekomen bent, dat de burgerlijke samenleving tot een verschrikking verloopen is. U wilt er wel uit, maar U kunt niet. Als goede Europeaan hebt U echter een doel noodig. Fedja is volkomen on-Europeesch. Gezien Uw kijk op de samenleving zou Uw doel socialistisch moeten zijn; maar tengevolge van Uw burgerlijkheid wilt U van socialisme niets weten. En zoodoende blijft U maar doelloos rondhangen en bekommert U alleen maar om Uzelf. Per slot van rekening vindt U Uzelf het belangrijkste in de wereld; en dat is nu juist typisch burgerlijk, maar tevens het typisch onmenschelijke van onze samenleving.
     Ik heb dat ook niet altijd zoo ingezien; ik heb destijds ook in de allereerste plaats aan mijzelf gedacht en hoe ik rijk kon worden. Maar die periode heb ik nu achter den rug. Geloof me, ik beschouw mezelf niet als een superieur mensch; ik doe alleen maar m'n

76.

best. Maar dat doet U niet. Ik wil mijn vermogen tot een wapen omvormen in den strijd voor allen, niet voor mijzelf alleen. U hebt Uw ontwikkeling, een machtig wapen, dokter, maar U laat het roesten en als U het gebruikt is het alleen ten eigen bate, om geld te verdienen. De meeste intellectueelen zijn trouwens zoo. Ze beseffen niet, dat ze daarmede verraad plegen tegenover de wetenschap. Een enkeling stelt zich in dienst van den strijd voor een betere wereld, de rest is reactionair of conservatief en denkt alleen aan zichzelf.

  -  Dat is niet waar! viel René opgewonden in de rede.
  -  U vergeet de talloozen, die dag en nacht zoeken in de laboratoria naar middelen om de ziekten, die de menschheid teisteren, uit te roeien. U vergeet...
Schwarze maakte een kalmeerend handgebaar.
  -  U hebt gelijk, dokter! Ik dacht teveel aan degenen, die in het dagelijksch leven een rol spelen, maar niet aan de mannen en vrouwen achter de coulissen, behalve dan aan die, die dag en nacht in de laboratoria naar middelen zoeken om de menschheid uit te roeien, die zich aan de oorlogsindustrieelen verkoopen voor een handvol zilverlingen.
Er viel een stilte. Bleek en met gesloten oogen leunde Schwarze achterover. Dan ging hij verder met vermoeide stem.  -  U hebt U niet verkocht; U bent ook niet naar de reactie overgeloopen; maar U behoort ook niet tot de strijders achter de coulissen, die U met zooveel warmte verdedigt. Ideaalloos dwaalt U door het leven en zoo verraadt U op Uw manier de wetenschap.

77.

  -  Verraadt U dan niet op Uw manier de kapitalistenklasse, waartoe U behoort? vroeg René bitter.
  -  Ik behoor niet tot de kapitalistenklasse, antwoordde Schwarze rustig. Ik begon als Schieber, dacht dat rijk zijn geluk beteekende. Ik wilde alleen maar rijk zijn terwille van de luxe, die eraan vastzit. Dat is niet kapitalistisch; den kapitalist is 't niet te doen om luxe; die is voor hem bijkomstig; het gaat hem om de opbouw en uitbreiding van zijn bedrijf, om de economische macht. Toen ik de machtsfactor in het kapitaalbezit begon te beseffen, wendde ik deze alleen aan om alle deuren te openen en nog rijker te worden, want dat beteekende voor mij: aanzienlijker. U weet, dat ik ontnuchterd werd door de practijk; dat ik de waarde van geestelijke ontwikkeling leerde kennen, het onrecht   -  waarvan ik toch als kind een slachtoffer was, maar dat ik toen als een natuurwet aanvaardde - leerde beseffen als door menschen moedwillig en uit kortzichtigheid geschapen, uit egoïsme veroorzaakt. Toen hield ik op met het streven naar meer.
     Eerst dacht ik er wel eens over om mijn vermogen weg te geven, maar ik vermoedde, dat dat een leeg gebaar zou zijn. Later besloot ik het in dienst te stellen van den strijd voor een menschelijke wereld. De huidige is onmenschelijk en de kapitalistenklasse streeft naar een onmenschelijk ideaal.
     De wetenschap daarentegen niet; die streeft alleen maar naar vermeerdering van kennis; ze is dus heel erg menschelijk, want de mensch wil weten. Eigenlijk dient ze er dus toe om de menschen gelukkig te maken. Wie haar voor een ander doel gebruikt, is een schurk.
     Een dokter, die hart heeft voor zijn patiënten, handelt overeenkomstig

78.

den zin der wetenschap. Maar de chemiker, die een gifgas uitvindt voor oorlogsdoeleinden, is een verrader.
     Glimlachend keek hij René aan.
  -  Als U eens een goed arts werd? We behoeven toch niet allemaal politici te worden of ons een wereldwijde taak te stellen.
  -  Als ik me weer vestig, kom ik vanzelf weer in al dat misselijke burgerlijke gedoe terecht, waar ik zoo beu van ben, meneer Schwarze. Daar kan ik me toch niet aan onttrekken en ik walg ervan.
  -  En voor het andere deugt U niet. Schwarze stond op.
  -  Laten we gaan slapen, dokter en kom weer eens terug. Wie weet; misschien vinden we toch nog een oplossing. Kom overmorgen bij me lunchen en neem Uw vriendin mee, als U er lust in hebt. Ik wil wel eens met haar kennis maken. Jammer dat U dat blondje niet meer hebt; was wel wat van te maken.
  -  Hebt U ook nooit meer wat van haar gehoord? vroeg René op verdrietigen toon.
  -  Nee, nooit meer, dokter. Waarom zou ze ook?
  -  U hebt gelijk, maar jammer is 't. Met deze woorden nam René afscheid.

     Langzaam liep hij door de stille straten; nooit te voren had hij zich zoo hopeloos, zoo eenzaam gevoeld. Hij kon niet meer regelmatig denken; alles was verward.
     Wat was Schwarze veranderd.
Loom sleepten zijn voeten langs het asphalt; hij voelde zich uitgeput. Als er nu om godswil maar een taxi kwam.

79.


     Waar zou Gretchen nu zijn?
Weer zag hij haar op bed liggen met gesloten oogen. Was zij er nu maar. Bij haar zou hij kunnen uithuilen, heel zijn groote wanhoop om zijn verloren leven. Maar ook alleen bij haar.

***


     Den volgenden morgen ontwaakte hij laat uit een droomlooze slaap. Grauw scheen de dag door de beregende vensters.
Weer een dag! Wat nu te doen? Naar Anna gaan? Of zou hij maar in bed blijven liggen.
     Had het nu nog zin in Berlijn te blijven, nu Schwarze hem ook geen hulp bieden kon?
     Zou hij maar niet direct naar Holland teruggaan?
     Uitgesloten! Holland was wel 't laatste waarheen hij gaan kon.
Naar Zwitserland of Oostenrijk?
Als Anna meeging, zou 't tenminste nog te doen zijn, maar wat heb je er eigenlijk aan? In dezen tijd van het jaar is 't in Zwitserland niks gedaan, en of je je nu in Weenen of in Berlijn verveelt, blijft vrijwel hetzelfde.
     Naar Rusland gaan! Dat was een idee; daar was tenminste nog altijd een revolutie aan de gang, viel misschien wat te beleven. Maar de menschen schenen er te verrekken van de honger.
Bovendien, 't was zoo 'n raar land. Schwarze kon mooi kletsen over socialisme, maar daar in Rusland was 't een nog grooter zoodje, dan in Duitschland. Tenminste je hoorde niet anders.
     Schwarze was natuurlijk zelf communist. Kon je ook makkelijk zijn als je uit een achterbuurt kwam. Maar een fatsoenlijk

80.

mensch kon toch geen communist worden. Was allemaal theorie. Bij Schwarze natuurlijk ook; had makkelijk praten in z'n mooie huis en met item zooveel millioenen achter zich.
     Hij had zich gisteren toch eigenlijk onbehoorlijk laten kapittelen. Godverdomme, wat verbeeldde die Schwarze zich wel met z'n critiek op de intellectueelen? Jawel, omdat-ie zelf niks was als een groote duitendief, nooit gestudeerd had.
     Met een vloek wierp hij de dekens van zich af. 'n Lamstraal ben ik, dacht hij. Lig alleen maar te kankeren op Schwarze, omdat ik niks tegen 'm weet in te brengen. God wat zag-ie er gisteren moe uit; schijnt zich dood te werken. Zou-ie zou nooit een vrouw bij zich hebben? Kan er natuurlijk zooveel krijgen, als ie hebben wil.
  -  Godverdomme! vloekte hij ineens hardop, wat ben je toch een vervelend oud wijf, René.
     Uit ergernis over zichzelf begon hij te fluiten; voort maken, asjeblieft, zoo hard mogelijk voort maken, anders erger ik me dood, dacht hij.
     Zonder ontbijt liep hij de deur uit.


     Anna zat piano te spelen, toen hij binnen stormde.
  -  Wees om godswil lief voor me of scheld me uit, 't kan me niet schelen! begroette hij haar. Ik heb me de heele morgen aan mezelf dood geërgerd. Heb je wat te eten voor me?
  -  Ja zeker, antwoordde zij rustig; ga maar zitten, dan zal ik wat

81.

voor je klaar maken.
  -  Ik ga niet zitten; ga je vleugel mishandelen; luister om godswil niet; ik heb een gevoel of ik barsten zal.
     Tastend zochten zijn vingers over de toetsen. Hij wist niet wat hij moest spelen, had het in zooveel jaren niet gedaan. Ook al zoo'n onzin van een zoogenaamde nette opvoeding. Omdat je vader nou makelaar is, moet je pianoles nemen. Wat kende hij er nou nog van? Anna! dat was tenminste wat anders. Die kon piano spelen; hij kon niks.
  -  Eet maar wat, dan zal ik wel voor je spelen, onderbrak Anna zijn gedachtengang.
  -  Je bent veel te opgewonden.
     Hij voldeed aan haar verzoek. Even gleed haar hand over de toetsen, als bezon ze zich op een melodie en toen plotseling klonk haar heldere stem door de kamer.
  -  Ueber allen Gipfeln ist Ruh'. Zij zong volkomen beheerscht en als een troost klonk hem het "Warte nur, balde ruhest du auch" in de ooren.


  -  Heeft Schwarze je zoo erg uitgescholden? vroeg Anna, terwijl ze naast hem plaats nam.
  -  Was 't maar waar. Hij heeft me glashelder aangetoond, dat ik een volslagen nul ben. Ik snap niet wat jij in me ziet? Hij heeft ons samen uitgenoodigd morgen bij hem te komen lunchen. Is 't goed?
  -  Graag! ik wil wel eens met de beroemde Schwarze kennis maken.
  -  Waarom is hij toch zoo beroemd? vroeg René lichtelijk geïrriteerd.
     Anna glimlachte.  -  Omdat hij een selfmade man is, schatrijk en

82.

met een grenzelooze verachting voor de Berlijnsche society. Misschien weet je, dat hij vroeger pogingen deed om in de groote wereld te komen. Toen 't hem gelukt was, heeft hij ze den rug weer toegekeerd. Maar ondanks dat alles heeft hij enorm veel relaties. Hij schijnt nu communist te zijn, is ontzettend gehaat, maar wordt door iedereen ontzien om z'n geld.
  -  Waarom is hij niet getrouwd? vroeg René.
  -  Vraag 't 'm zelf! Wat gaat 't je overigens aan waarom hij niet getrouwd is. Ben jij getrouwd?
     René schrok. Hoe kwam ze om godswil ineens bij die vraag?
  -  Waarom vraag je dat?
  -  Om je 't onbehoorlijke van dergelijke vragen aan te toonen. 't Interesseert me overigens niet of je wel of niet getrouwd bent.
  -  Zou jij er dan geen bezwaar tegen hebben om een verhouding te hebben met een getrouwde man? vroeg hij.
  -  Nee! Ik zou er alleen bezwaar tegen hebben een man van zijn vrouw af te halen. Maar zooals in ons geval heb ik met je vrouw niets te maken. Lieg nu alsjeblieft niet! Ik zag aan je gezicht, dat je getrouwd bent. Maar ik vroeg het niet om 't te weten.
  -  Ik weet eigenlijk niet of ik nog getrouwd ben, merkte René onhandig op. Je bent tegenwoordig zoo gauw gescheiden en mijn vrouw zal 't er heusch wel niet bij hebben laten zitten.
  -  Interesseert me niet en praat nu liever over wat anders. Ik wilde vanavond naar de schouwburg. Paul Wegener speelt in "Der Gedanke" van Andrejew. Ken je 't stuk?
  -  Nee! antwoordde hij, blij dat het gesprek over iets anders ging.

83.


  -  Wat voor stukken ging jij eigenlijk zien in Holland? vroeg zij eenigszins kleineerend.
     Ja, wat voor stukken. Amerikaansche kluchten en dergelijke flauwe rommel; zou ze wel raar vinden; een ernstig stuk had hij bijna nooit gezien.
  -  Er wordt bij ons in Holland niet veel bijzonders gegeven, zei hij ontwijkend. Meestal lichte kost.
     Verwonderd keek ze hem aan. -Allemaal lichte kost? Wordt er bij jullie dan nooit een serieus stuk gespeeld?
  -  Ach ja, wel eens, maar ik had zoo weinig tijd, zie je, en dan m'n vrouw bepaalde meestal waar we heen zouden gaan. Ik bemoeide me daar niet zoozeer mee.
  -  Waar bemoeide je je dan wel mee? vroeg ze.
  -  Met m'n practijk. Ik had 't erg druk.
  -  En je werk interesseerde je niet, zooals je me vertelde. Je leven was blijkbaar niet overmatig interessant. 't Is zoo zonde van je, zoo verschrikkelijk jammer, dat je je heele leven loopt te verknoeien. Kijk nu maar niet zoo ongelukkig; ik zal er niet verder over praten.
     Als om de hardheid van haar woorden te verzachten sloeg zij haar arm om zijn hals.
  -  Ik wou je zoo graag gelukkig zien, jongen. Hij antwoordde niet.
  -  Ben je boos? vroeg ze zachtjes. Hij schudde het hoofd.
  -  Alleen maar verdrietig.
     Zij keek hem van terzijde aan, zag de droeve uitdrukking in zijn oogen en een groot medelijden om deze eenzamen man beving haar.

84.

Hem even gelukkig maken, al was 't maar voor een oogenblik.
  -  René, fluisterde ze.

Toen zij samen het huis verlieten, lachte hij weer vroolijk.
  -  Ik ga een heeleboel bloemen voor je koopen, zooveel dat je ze niet dragen kunt.
Zij lachte verteederd. Wat was hij toch soms nog een groot kind.
  -  Als je bloemen voor me koopt, moeten we weer naar huis terug. Ik kan toch niet den heelen dag met een bos bloemen blijven loopen, die ik niet kan dragen.
  -  Dan gaan we weer terug. Je heele kamer met bloemen versieren. Ik moet je nu bloemen geven... als huldeblijk, voegde hij er zachtkes aan toe.
     Toen zij haar kamer versierd hadden, voelde zij geen van beiden lust om weer uit te gaan.
  -  We kunnen hier wel thee drinken, zei ze. Ga jij dan even weg om plaatsen voor vanavond te bespreken, dan maak ik intusschen de thee in orde.
     Hij ging.  -  Dan neem ik meteen lekkers mee! riep hij haar toe, terwijl hij de trap afliep.
     Nog nooit had hij zoo prettig met haar gesproken, als dezen middag. Zij hadden voornamelijk over boeken en tooneel gepraat. Anna had enorm veel gelezen, ook toneelstukken, een lectuur waaraan hij zich nooit gewaagd had. Zij kende "Der lebende Leichnam" en had het stuk ook door Moissi zien spelen.
     Hij vertelde haar wat Schwarze hem gezegd had over de figuur van Fedja. Zoo had ze dezen nog nooit bekeken, kreeg hij meer

85.

diepte, werd hij de belichaming van een maatschappelijk probleem.
     Ze besloot met Schwarze ook eens over "Der Gedanke" te praten, wanneer het gesprek tenminste in die richting voerde.
     Maar het gesprek voerde niet in die richting, omdat Schwarze na hun gesprek over Tolstoi alleen maar had doorgesproken over Dostojewski, met wien hij scheen te dwepen.
     Anna kon niet nalaten dit op te merken, maar hij schudde het hoofd.
  -  Toen ik hem pas leerde kennen, heb ik me dikwijls doodgeërgerd; dan wierp ik het boek nijdig weg en troostte mezelf met de wetenschap, dat Dostojewski epilepticus was. Ik heb nog al wat over hem gelezen en ken zijn levensgeschiedenis. Maar desondanks kon ik niet van zijn boeken afblijven, moest er telkens weer in lezen; ik zocht ook in werken van andere Russische romanschrijvers naar datgene wat me bij Dostojewski zoo ergerde en vond het er evengoed als bij hem. En zoodoende ben ik geleidelijk tot inzicht gekomen in de Russische ziel en heb ik het verschil begrepen tusschen Rusland en Europa. Maar ik weet nu ook, dat het Russische communisme niet maar zoo zonder meer kan worden overgenomen door ons.
  -  Er wordt verteld, dat U communist bent, merkte Anna op.
  -  Er wordt zooveel verteld, antwoordde Schwarze schouderophalend. Maar goed, laten we zeggen, dat ik communist ben, dan ben ik 't in elk geval op mijn manier d.w.z. dat ik er mijn eigen theorie op na houd.
  -  En die is?
  -  Heb Uw naaste lief als Uzelve. U ziet, nieuw of oorspronkelijk is die theorie niet.

86.


  -  Gelooft U dat allen, die zich communist noemen, het met Uw theorie eens zijn? vroeg René
  -  Gelooft U dus, dat de partijcommunisten er erg veel naastenliefde op na houden?
  -  Nee natuurlijk! Maar ja, wat wilt U? Wat hebben ze geleerd op dat gebied? In ieder geval is er in de arbeidersbeweging  -  tenminste in de z.g. roode
  -  een vaag vermoeden, dat het om gemeenschappelijke belangen, om de idee der collectiviteit gaat. Maar verder dan dit vermoeden zijn ze nog niet.
  -  En U dan? drong René aan.  -  U komt toch ook uit de arbeiders wereld?
  -  Ik ben een alleen levende wolf; ik ben m'n eigen weg gegaan uit de troep. U weet toch dat er zulke wolven zijn. Ik ben geen maatstaf. Evenmin als ik een bewijs ben voor de bewering, dat elke arbeider de kans heeft millionair te worden. De regel is, dat ze geen schijn van kans hebben, en als uitzondering bevestig ik die regel. Maar laten we niet aldoor over politiek praten; U bent musica, nietwaar, wendde Schwarze zich tot Anna.
  -  Nu kijk eens, ik heb een schitterende vleugel, maar ik speel geen noot. In mijn huis 'hoort natuur- lijk een piano en die is er dan ook. Wilt U wat voor ons spelen?
  -  Graag! antwoordde Anna, blij dat ze hem een genoegen kon doen. Ze voelde sympathie voor Schwarze en een groote bewondering voor zijn scherpzinnigheid.
  -  Hebt U muziek? vroeg ze terloops.
  -  Stapels! Ze hebben me met de vleugel een lawine muziek geleverd.
     Anna zocht in de muziekkast, haalde de Préludes van Chopin te voorschijn. Vol en weemoedig klonk de muziek door de kamer, waarin langzaam

87. de schemering zonk.

***

     Het leven bleef zijn gewonen gang gaan. De oplossing, welke René van Schwarze verwacht had, was uitgebleven, maar het deerde hem niet meer.
     Hij was eraan gewend geraakt niets anders te doen dan een beetje lezen en praten met Anna.
Sinds Schwarze terug was, zagen ze hem vaak; Anna scheen erg op hem gesteld te zijn; ze praatte uren met hem over politiek en tooneel en al dergelijke dingen, die René maar betrekkelijk interesseerden.
  -  Wat schiet je op met al dat gepraat? zei hij op een morgen, toen hij haar reeds vroeg was komen halen voor een autorit naar buiten.
  -  Wat heb je aan al dat gephilosopheer over mensch en maatschappij? Je komt er geen stap verder mee.
  -  Vind je, dat jij zoover gekomen bent door je nergens voor te interesseeren? vroeg ze laconiek.
  -  Ik amuseer me tenminste!
  -  Dacht jij dan, dat ik me niet amuseer? Alleen maar niet op dezelfde manier als jij; ik wil toch graag het leven begrijpen, terwijl jij het allang goedvindt, als je maar leeft en iemand hebt om je bezig te houden.
  -  Vind jij het leven dan zoo belangwekkend? Ik niet, dat weet je wel.
  -  Waarom leef je dan?
  -  Op 't oogenblik misschien alleen voor jou plezier. Hij schrok van zijn eigen woorden. Als ze nu maar niet kwaad werd en hem de deur uit gooide. Angstig keek hij naar haar, zooals ze

88.

voor het open venster in gedachten naar buiten stond te kijken.
     Mooi vrouwtje toch! Verdomd grof, die opmerking. Langzaam wendde zij zich naar hem om. - Als ik je 't antwoord gaf, dat je verdiende, zou ik je heel veel verdriet doen; daarom zal ik het nalaten. Maar ik vind dit wel een geschikte gelegenheid om over onze verhouding te spreken. Je weet, dat ik van meening was  -  en dat ben ik nog  -  dat we niet te lang bij elkaar moeten blijven. Je bent nu alweer maanden in Berlijn; inmiddels is het zomer geworden en je denkt er niet aan iets te gaan doen, waarmee je je dagen werkelijk kunt vullen. Ik weet niet of je rijk bent en van je rente kunt leven, maar al is dat zoo, dan nog is 't fout, wanneer je hier heelemaal versuft. Ga dan tenminste reizen of iets dergelijks, maar hang hier niet aldoor in Berlijn rond.
  -  Ga dan met me mee op reis!
  -  Ik heb je destijds al gezegd, dat ik wel een poosje met je op reis wil, maar niet te lang.
  -  Je stuurt het er altijd op aan om onze verhouding te verbreken. Wil je dan zoo graag van me af?
     Met een teder gebaar legde zij haar hand op zijn hoofd, terwijl ze naast hem plaats nam.
  -  Wat ben je toch een groot kind. Waarom zou ik graag van je af willen? Zelfs de geldkwestie hindert me niet meer; een mensch went zoo gauw aan alles en jij hebt die zaak werkelijk heel delicaat behandeld. Maar we kunnen toch niet altijd bij elkaar blijven.
  -  Waarom dan niet? riep hij wanhopig uit. Waarom dan toch niet, in godsnaam? Als je wilt, zal ik met je trouwen. Ik begrijp niet, waarom 't nou beslist niet zou gaan tusschen ons beiden?

89.


  -  Omdat onze verhouding zoo weinig geestelijke inhoud heeft; snap je dat dan niet? Jij en ik, wij denken in heel verschillende richting, jij...
  -  Ach wat! viel hij haar driftig in de rede. Schwarze heeft je verpest met z'n mallotig communisme. Alles was even goed en prettig tusschen ons, maar sinds je hem kent, daas je over het leven en de menschen en over de geestelijke inhoud van het huwelijk, god beter 't
  -  Voor ik Schwarze ontmoette, heb ik je al gezegd, dat onze verhouding alleen maar tijdelijk kon zijn, merkte zij volkomen rustig op.
     Hij gaf geen antwoord, bleef stuurs zitten kijken. Ook zij zweeg. Zoo meteen zou hij wel ineens losbarsten, zooals altijd.
  -  Jullie met je idiote moderne ideeën tegenwoordig. Vroeger daasden de menschen ook niet over huwelijk en geestelijke inhoud en zoo. Maar tegenwoordig moet je meedoen met al die onzin, anders ben je een kind of achterlijk of god weet wat. 't Leven was eenvoudig en gezond; je deed je werk en je had je vrouw en kinderen en daarmee uit. Je vrouw deed het huishouden. Maar tegenwoordig! Vergaderingen! Politieke en psychologische boeken lezen! Gewichtig doen! Alles nonsens!
     Terwijl hij nog sprak, voelde hij dat hij maar wat beweerde. Wat hij daar zei, had zijn vader evengoed kunnen zeggen; hij zat te kletsen als een oud wijf. Hij kon het immers zelf niet vinden in zoo'n veelgeprezen ouderwetsch milieu. En z'n huwelijk?
  -  Ik klets! onderbrak hij zichzelf. - Ik zit een verschrikkelijke hoop onzin uit te kramen. Dan na een poos:
  -  Je zult wel gelijk hebben.

90.


  -  Zal ik wat voor je spelen? vroeg zij zachtkens.
  -  Graag! Beethoven, wil je. Zij speelde, eerst een menuet, toen sonaten.

  -  Wat ga je doen, als ik weg ben? vroeg hij, nadat zij haar spel beëindigd had.
  -  Ik zal Schwarze vragen of hij iets voor me weet.
  -  Je hoeft niks aan Schwarze te vragen, je hebt niks met 'm te maken! stoof hij op.
     Zij lachte en haar lach maakte hem verlegen.  -  Ja! lach maar, ik weet wel, dat ik jaloersch ben. Tusschen jou en Schwarze is wel geestelijk contact, tusschen ons niet.
  -  Je kwam me halen voor een autorit. Zullen we nu gaan? Anna trok hem van de divan; onwillig stond hij op.
  -  We zijn nog niet uitgepraat, wierp hij tegen.
  -  Dat doen we onderweg. Kom schiet nou eens op. De morgen is al haast om en 't is het mooiste weer van de wereld.
     In de auto hervatte zij het gesprek.  -  Laten we samen veertien dagen naar de bergen gaan; na afloop ga jij verder en dan ga ik naar Berlijn terug. Van de winter kom je er dan ook. Vindt je dat nu geen goed plannetje?
  -  't Zal wel goed zijn, als jij 't zegt. Hij besloot maar niet meer te protesteeren. Er was toch niets aan te doen. Ze zou wel gelijk hebben. Uit zichzelf zou hij nooit weggaan en altijd bij haar blijven was uitgesloten, al was 't alleen

91.

maar om 't geld. Hij had toch alweer veel te veel uitgegeven de laatste maanden. Enfin, als hij alleen was, zou hij wel zien de schade een beetje in te halen. Deed er ook niets toe.
     Zij bleven den geheelen dag buiten en kwamen eerst laat op haar kamer terug, beiden met veel zon in hun harten en blijheid in hun oogen.
     't Leven is toch mooi, dacht René. Als je er maar wat van weet te maken.


     Den volgenden dag hadden ze een onderhoud met Schwarze. Anna vertelde hun reisplannen en vroeg of hij een betrekking voor haar wist als ze terug was.
  -  Mijn secretaresse gaat trouwen. Als U zin hebt haar plaats in te nemen, dan is de kwestie opgelost. 't Werk is erg onregelmatig, maar ik kan 't alleen onmogelijk af. Wilt U 't baantje aannemen?
  -  Ik ben nooit secretaresse geweest; U hebt dus niet veel aan me, want ik zou alles nog moeten leeren.
  -  Dat zal wel meevallen! Er zijn instituten genoeg waar ze je in heel korten tijd voor zooiets klaar stoomen en de rest leert U wel bij mij in de practijk. Ik zal er wel rekening mee houden.
  -  Dan wel heel graag, antwoordde zij verheugd. René zweeg. Als ze bij Schwarze kwam, was hij haar natuurlijk kwijt. Toen ze weer in de auto zaten, greep ze zijn hand.
  -  Ik heb jou zooveel te danken, zooveel. Als jij er eens niet geweest was, waar zou ik dan terecht gekomen zijn?

92.


  -  Dan had je een ander gevonden.
  -  Nee! want zooals jij zijn er niet veel.
  -  Grooter prul bedoel je zeker? merkte hij bitter op.
  -  Nee, jongen, nee; je bent zoo goed; je hebt me zoo fijngevoelig behandeld, dat niemand je dat zou kunnen verbeteren. Ik hoop, dat je nog eens zooveel geluk zult vinden, als je mij gegeven hebt.
  -  Dank je, kind. Ik ben blij, dat ik tenminste één goede daad in m'n leven gedaan heb.


     Hun verblijf in de bergen was een idylle. Anna genoot van al 't moois, dat zij zag, van de wandelingen en klimpartijen en van de zon en de blauwe lucht, die dag in dag uit hun uitstapje opvroolijkten.
     Toen ze na veertien dagen afscheid van elkaar namen, had zij tranen in de oogen.
  -  Je moet van de winter terugkomen in Berlijn, en je moet me schrijven, want ik zal je heel erg missen. Jij bent toch eigenlijk voor mij de prins uit het sprookje.
     René gaf geen antwoord; hield haar hand vast, die hij stijf aan zijn lippen drukte.
     Toen de trein wegreed, zag hij haar als in een nevel voor het portierraampje staan.
     Waarom was dit nu noodig?

***