Infor-
matie.


Bestemming onbekend (vervolg)

150.

Hoofdstuk VII.

Toen Anna den volgenden morgen ontwaakte, deed zij vlug de gordijnen open en vleidde zich toen weer behagelijk in de koesterende warmte van het bed, haar blikken gericht op de schoonheid van den Alster, die rustig voortkabbelde.
    Zij voelde zich intens gelukkig in het besef, dat ergens in de wereld vlak bij haar iemand was, die haar aanwezigheid begeerde om het stille geluk te ondergaan, dat gelegen is in het samenzijn van twee menschen voor wie het moment meer waard is, dan het leven.

Het gerinkel van de telefoon deed haar heftig schrikken.
  -  Zou René... dacht ze; nerveus greep ze naar den hoorn.
Het was Silberstern, die doodelijk verontrust geweest was, toen hij haar den vorigen avond plotseling had zien weggaan met een vreemden man.
  -  Wie was dat? vroeg hij. Toch niet iemand van de politie? Ik heb tot half één vóór "Atlantik" op U staan wachten, maar U kwam niet. Ik ben zoo blij, dat ik Uw stem hoor; kon niet slapen van angst.
  -  Stil nu maar, Silberstern. Nee! het was geen politie. Er is niets aan de hand. Ik kom wel op 't kantoor. U weet, dat ik niet graag heb, dat U mij hier opbelt.
  -  Komt U vooral. Maar vandaag ben ik na twaalven niet op kantoor; belangrijk nieuws, alles is goed gegaan. Ik moet U noodzakelijk spreken.
  -  Dan kom ik morgen, Silberstern. Ik ben zoo moe.
  -  Morgen pas; kunt U vandaag niet even komen? Ik wou U zoo graag spreken.

151.

  -  Dan zal ik wel zien; wees niet ongerust. Ja, ik kom. In ieder geval morgen.
    Met een moe gebaar wierp zij den hoorn op het apparaat. Silberstern! Dat beteekende Hermann, de werkelijkheid, de volkomen droomlooze werkelijkheid.
    Hermann, dat was niet meer een interessante figuur met wien je graag praatte en bij wien je graag op bezoek kwam. Hermann was haar man, het nuchtere heden.
    En dwars daar doorheen kwam het verleden in de persoon van René; kwamen de zachte woorden en de lieve attenties, die bij haar tegenwoordige leven niet pasten.
Hermann was de man, die veel van haar hield, heel veel, maar kalm, rustig, zakelijk bijna, zonder ontroerende momenten, zonder stille verteedering.
Hermann! Dat beteekende het bestuur over drie en twintig bladen; vergaderingen, conferenties, intrigues afweren en meespelen, profiteeren van omkooperij en corruptie; dat beteekende de heele politieke mestvaalt van dezen tijd.
Maar het beteekende ook een levensdoel, vechten, spanning, emotie; vreugde over een behaald succes; doorvechten als zich moeilijkheden voordeden. Kortweg: actie, leven.
Wat was daarbij vergeleken het teere moment, het innige, stille geluk van het samenzijn, ergens in een hoekje van een bar of een restaurant?
En toch! Gisteren was zij werkelijk heel intens gelukkig geweest, had zij eenige uren in een droom geleefd. Maar met zooiets vulde je

152.

je leven niet. Alleen het gemis was erg, zoo erg.     Radeloos keek zij de kamer rond. Afstand doen? René wegsturen?
En als ze het niet deed, wat dan? Ze kon er toch geen twee mannen op na houden; en ze kon Hermann toch niet bedriegen?
    Misschien, dacht ze plotseling, misschien gaat René weer gauw weg; we 'hoeven toch onze oude verhouding niet weer op te vatten; kunnen toch wel alleen maar vrienden zijn.
Toen echter dacht zij aan zijn kus en aan haar lippen, die die kus den geheelen avond hadden gevoeld.
Zij ging voor den spiegel staan, keek naar die lippen, die het geluk gedronken hadden één oogenblik en zij wist, dat de verhouding niet vriendschappelijk was, ondanks de jaren, die voorbijgegaan waren.
    Zij liet haar pyama vallen en bekeek haar naakte lichaam in den spiegel; haar nog altijd sterke borsten, haar mooi rondende dijen, heel haar vrouwenschoonheid en ze wist, dat ze dit alles graag aan René geven zou, omdat hij deze gave met een zoo teedere ontroering aanvaardde.
Of zou hij anders geworden zijn na al die jaren?
Niet tegenover haar. Dat wist ze zeker, had ze bespeurd niet alleen aan zijn kus, maar ook aan zijn oogen, zijn handdruk, heel zijn doen en laten. Zij ontroerde hem nog steeds, evenals toen. Voor René was haar overgave altijd geweest als een geschenk der goden, een gunst, waarop hij eigenlijk geen recht had, terwijl Hermann ze accepteerde als een daad van kameraadschap, wat zij er ook altijd in gevoeld had. Heel hun verhouding was kameraadschappelijk, ook in dit opzicht;

153.

de ontroering had er steeds aan ontbroken, hoezeer zij ook de hardheid van Schwarze had verzacht, zijn wantrouwen en cynisme had doen verminderen.
    Traag wendde zij zich van den spiegel af, begon zich te kleeden. 't Was toch beter, als zij het liet bij dien eenen avond. 't Kon niet anders. Ze kon Hermann niet bedriegen na de lange jaren van trouw en eerlijk samenwerken; en ze kon hem ook niet in den steek laten, nu zeker niet, nu hij door dat onbenullige incident uit zijn werk gestooten en uit het land verdreven was.
    Ze wilde de ontmoeting met René alleen zien als de herbeleving van het verleden voor één oogenblik, als een teug uit den beker van geluk, waaruit het een mensch slechts heel zelden vergund is te drinken.
    Ze zou René schrijven, dat het niets meer kon zijn tusschen hen beiden, dat ze elkaar vaarwel moesten zeggen. Vandaag zou ze dat nog doen. Niet uitgaan, maar rustig in het hotel blijven. Hier zou hij haar toch niet kunnen bereiken, want hij wist niet, dat ze hier onder haar meisjesnaam verblijf hield.
Morgen zou ze na haar bespreking met Silberstern, Hamburg verlaten en naar Hermann in Kopenhagen vertrekken. Hermann zou blij zijn, want hij hield van haar op zijn onverzettelijke manier: ze was zijn vrouw en vooral zijn kameraad; samen deden ze het werk, dat er te doen viel, hardnekkig, plichtsgetrouw; het leven was strijd, zoo al niet om je eigen bestaan, dan toch om 't bestaan der anderen, der millioenen voor wie de zon nooit scheen en uit wier midden hij was voortgekomen. Voor romantiek en sentimentaliteit was geen plaats in de huidige samenleving. Ze zou naar hem toegaan en hem zeggen,

154.

dat hij meer doen moest dan wat hij tot nu toe gedaan had, omdat de situatie steeds dreigender werd; dat hij meer arbeidersbladen moest uitgeven, het werk, dat Silberstern begonnen was, moest voortzetten en uitbreiden. De hoogepriesters der arbeiderspartijen brachten het niet verder dan in hun tempels de volmaaktheid prediken hunner alleen zaligmakende leer, maar tot werkelijke organisatie van het verzet kwamen zij niet. Het groote wapen: de politieke staking lag rustig te roesten in het arsenaal der middelen, die op de partijprogramma's vermeld stonden, maar vrijwel nooit en dan nog aarzelend werden gebruikt.
Nog harder, dan tot nu toe, zou zij werken, zich geheel wijden aan de idee, waarvoor Hermann en zij en met hen millioenen anderen in de wereld vochten.
De prins uit het sprookje zou ze weer trachten te vergeten.
De prins uit het sprookje... haar prins.
Tranen vloeiden langs haar wangen.

Weer ringde de telefoon.
Silberstern natuurlijk. Of ik toch vooral kom.
  -  Ja! Hallo!
Even moest ze zich vastgrijpen. 't Was René. 't Was Silberstern niet Hoe wist hij ...
  -  Ja, ik kom direct beneden. Wacht maar op me in de hall. Zenuwachtig liep zij door de kamer, trok snel haar mantel aan; even voor den spiegel, een tikje rouge opleggen, even een streep over de lippen; ze wilde er goed uitzien, want hij zou haar lippen niet rood kussen vandaag; nooit meer. Ze zou toch naar Hermann gaan, René zeggen dat het niet anders kon.

155.

Waarom was ze nu blij? 't Was immers toch onzin. God wat was ze geagiteerd. Niet de lift nemen. Loopen was beter; had ze even tijd zichzelf meester te worden.

In een hoekje van de hall gingen ze zitten.
  -  Hoe wist je, dat ik hier onder mijn meisjesnaam woonde?
  -  Hé ja! dat is waar ook; daar heb ik heelemaal niet aan gedacht, dat je mevrouw Schwarze bent, antwoordde René glimlachend.
In m'n hut stond altijd jou portret en als ik naar je keek, was je alleen maar Anna, mijn Anna van toen. Maar 't is waar, ja, vervolgde hij langzaam, terwijl hij droomerig langs haar naar de deur staarde   -  Mevrouw Schwarze...Anna Schwarze.
    Toen werd het stil tusschen hen beiden.
De melancholie van dit stilzwijgen maakte haar nerveus; zei hij nu maar iets, al was 't een banaliteit. Maar hij bleef naar de deur staren, bewoog niet.
  -  Je bent hier, als ik 't goed begrijp, min of meer toevallig te land gekomen, nietwaar? merkte zij op om het enerveerende zwijgen te breken.
Hij knikte bevestigend. Ik ben overal toevallig. Een zwerver! Maar nu heb ik het gevoel, dat dit het einde van mijn zwerftocht door de wereld is, zoo   -  alsof ik weer thuis ben.
    Waarom zegt hij dat nu? dacht ze angstig. Hoe moest ze het hem dan vertellen, dat het een dwaasheid was; dat ze niet opnieuw konden beginnen, omdat tusschen toen en nu zooveel jaren lagen met alles wat daarin gebeurd en veranderd was.
Voor 't oogenblik kon 't niet, kon ze zijn trouwe oogen niet laten

156.

verdroeven, kon ze hem niet wegsturen, nu hij het gevoel had "thuis" te zijn. Hij had immers nergens een thuis.
Eenmaal had ze hem weggestuurd in de hoop hem daardoor de kans te geven werkelijk gelukkig te worden en om hun beider bestwil.
't Geluk scheen hij niet gevonden te hebben; hij had blijkbaar 't leven aanvaard, als iets waarvan hij niets maken kon, waarvan voor hem niets te verwachten was. En nu zou ze hem weer moeten wegsturen met de zekerheid, dat hij dan 't eenige verliezen zou, wat hij al die jaren bezeten had als innerlijke steun: zijn herinnering aan haar; dan zou het verleden dood zijn en alleen dit moment, deze ontgoocheling hem bijblijven en daarmede zou ze haar sprookjesprins hebben vermoord.
  -  Waar zit je aan te denken kindje? Anna schrok op uit haar over- peinzingen.
  -  Aan jou.
  -  Dat is lief van je. Mag ik weten wat je dan wel over me dacht?
  -  Ik dacht aan een kop koffie en mooie jurken en aan een sprookjesprins.
  -  Ja, dat heb je eens tegen me gezegd; dat heb ik altijd onthouden. Nu is 't sprookje dan eindelijk werkelijkheid geworden.
  -  Dat was 't allang jongen, voor mij. Maar laten we nu gaan. Zij wilde weg, omdat ze zoo verdrietig werd om haar eenzamen prins; omdat ze haar armen om zijn hals zou willen slaan en zijn hoofd tegen haar borst drukken om hem rust te geven, hem gelukkig te maken     Ze zwierven den geheelen middag door de stad, lunchten in een restaurant aan den Alster, gingen 's middags dansen en vergaten

157.

de zeer nuchtere werkelijkheid.
  -  Wil je naar 't theater vanavond of naar een concert, vroeg hij lachende, terwijl ze samen een aperitief zaten te drinken.
  -  Laten we uitgebreid gaan dineeren, dat is ook wel leuk! antwoordde zij schalks.
  -  Waar? vroeg hij.   -  Ik weet hier den weg niet.   -  In Halali, daar is 't buitengewoon goed.
  -  Wat beteekent dat om 's hemels wil?
  -  Een jachtkreet. Halali!
René knikte goedkeurend. - Daar moeten we dan ieder geval heen; lijkt me iets bijzonders.
Met de zorgvuldigheid, die ze van hem kende, stelde hij het menu samen, koos de wijnen. Het diner was een volmaaktheid van raffinement en intimiteit en toen zij het restaurant verlieten, was het voor beiden vanzelfsprekend, dat zij naar haar hotel gingen. Het was nog vroeg in den avond.
Nauwelijks op haar kamer sloeg zij haar armen om zijn hals, zoende hem op mond en oogen, drukte zich tegen hem aan als vroeger in hun momenten van grootste innigheid.
Snel ontkleedde zij zich.
Toen hij haar naakt voor zich zag, kreunde hij als een gewond dier, knielde en drukte zijn hoofd tegen haar knieën.
  -  Anna - godin - heerlijkheid - lieveling! Toen droeg hij haar naar bed.

Den volgenden morgen vertrokken zij samen uit het hotel.

***

158.

Tevergeefs wachtte Silberstern, belde Anna op in "Atlantik", haar huis in Berlijn. Ze was verdwenen; spoorloos.
Schwarze schrijven? Waanzin! Die was in staat om over te komen, als ze niet naar hem toegegaan was. Die mogelijkheid bestond. De politie? Nog onzinniger! Wat had de politie met haar te maken? Hij moest haar spreken. De havenstaking, waartoe dien avond besloten was, was gedeeltelijk mislukt; in Berlijn gebeurde niets. Schulze was uit de hechtenis ontslagen; die viel dus weg als propagandamateriaal en voor Schwarze alleen kon hij de arbeiders niet in beweging krijgen. Bovendien raakte 't geld op voor "Die Schwarze Flagge" en hij kon niet over geld disponeeren. Als hij haar niet vond, moest hij de uitgave stop zetten, teruggaan naar Berlijn.
Als hij nu maar wist wie die vervloekte kerel was met wien ze Zaterdagsavonds de zaal verlaten had. Hij had hem nooit eerder bij Schwarze gezien en zij was geen vrouw, die er stiekum een vrind op na hield.
Als Schwarze hoorde, dat ze weg was. Groote God!! Hem zou-ie 't natuurlijk verwijten, dat hij niet goed op haar gepast had, haar had laten spreken in de vergadering.
Groote God! Wat was er met d'r gebeurd? Als ze maar niet door dat tuig was ontvoerd. Stel je voor, dat... Hij voltooide deze gedachte niet.
Het zweet parelde op zijn voorhoofd. Razend, tierend liep hij door de kamer heen en weer, alle vervloekingen, die hij bedenken kon uitbrakende over het hoofd zijner politieke vijanden.
    Uitgeput viel hij tenslotte in zijn stoel neer. Een groote moedeloosheid maakte zich van hem meester.

159.

Om een onbenullige ruzie met een politiecommissaris is Schwarze uitgeschakeld, dacht hij. Alles wat ik geprobeerd heb om de zaak in orde te brengen, is mislukt. Nu is zijn vrouw ook nog weg. Jakob Silberstern, je bent een ezel; zit hier in Hamburg als een kikker op een kluitje, maar met stilzitten kom je er niet, Jakob. Ga naar Berlijn terug en kijk, wat je daar doen kunt.

    In Berlijn stelde Silberstern zich direct in verbinding met de advocaten van Schwarze, die hem mededeelden, dat zijn chef wegens mishandeling veroordeeld was tot zes maanden hechtenis. Zij hadden niets in deze zaak kunnen doen, omdat ze geen enkele inlichting hadden ontvangen van den beklaagde. De heeren waren dan ook tamelijk stug, schenen het als een persoonlijke beleediging op te vatten, dat men vergeten had ze op de hoogte te stellen.

  -  Is er nog hooger beroep mogelijk? vroeg Silberstern.
  -  Ja, nog wel, maar we hebben geen opdracht.
  -  Dan hebt U die nu. Mevrouw Schwarze heeft me gelast de zaak met U te bespreken en volmacht gegeven om te doen wat volgens U noodig is, loog Silberstern.
  -  Waarom komt Mevrouw Schwarze zelf niet?
  -  Ze is naar haar man toe. Ze heeft zijn raad noodig, want 't is voor die vrouw alleen te moeilijk om 't concern te leiden. Al help ik haar in alles, voegde hij er haastig aan toe om de leugen van de volmacht aannemelijker te maken.
  -  Wanneer komt ze terug? We hebben nog drie dagen, dan is de termijn verstreken.   -  Niet binnen een week; er is veel af te doen, en bovendien, niet-

160.

waar, ze hebben elkaar zoo lang niet gezien.
De advocaat haalde eenigszins kribbig de schouders op.
  -  Ze zijn toch niet verloofd. Enfin, ik zal U gelooven en hooger beroep aanteekenen. Maar kunt U mij ook inlichtingen verschaffen?
  -  Welke U maar wilt.
Inderdaad had Anna hem op de hoogte gesteld van het gebeurde op het bureau en wat hij niet wist, kon hij altijd erbij fantaseeren.
Toen hij zijn vertaal geëindigd had, schudde de advocaat het hoofd.   -  Hoe komt de man erbij om zoo op te treden, mompelde hij.
  -  Na alles wat gebeurd was, al die laster en de houding van de politie in de zaak Schulze, moet U dat begrijpen.
  -  Ja, ja, ik moet zooveel begrijpen, maar dat neemt niet weg, dat 't een stommiteit is.
Dat zou je niet tegen Hermann Schwarze hebben durven zeggen, vader, dacht Silberstern.
  -  Probeert U, zei hij op zakelijken toon, dit arrestatiebevel te doen intrekken tegen een cautie; dan kan meneer Schwarze zelf zijn geval met U bespreken en zich op de zitting verweren.
De advocaat keek hem peinzend aan.   -  Dat is niet zoo eenvoudig, zei hij op afgemeten toon.
Silberstern voelde de neiging in zich opkomen een grofheid te zeggen. Wat verbeeldde die paragraphenvreter zich wel; verdient een vermogen aan het concern en doet alsof hij gunsten verleent.   -  Ik kan me niet voorstellen, zei hij met een gemaakte glimlach, dat een firma als de Uwe niet in staat zou zijn dat te bereiken. Uit het feit, dat meneer Schwarze U met de rechtsaangelegenheden van zijn concern belast heeft, blijkt mijns inziens voldoende, dat

161.

Uw kantoor niet het eerste het beste is.
Het gezicht van den advocaat vertoonde een zwaarwichtige plooi.
  -  Ja, eh, nu ja, goed, ik zal wel zien, dat 't in orde komt. Maar dan kan ik er toch op rekenen, dat meneer Schwarze zelf verschijnt, nietwaar   -  als 't tenminste met die cautie in orde is, bedoel ik.   -  Beslist, beslist; daar kunt U zeker van zijn.
  -  Maakt hij het goed? vroeg Schwarze's raadsman, terwijl hij opstond op te kennen te geven, dat de conferentie geëindigd was.
  -  Uitstekend, meneer, uitstekend; de man is zoo gezond en sterk als een stier.
- En soms even driftig, merkte de advocaat glimlachend op. Goeden dag, meneer Silberstern; dank U voor Uw medewerking.

  -  Jacob, je bent een ezel, mompelde de redacteur, terwijl hij de trap afdaalde.   -  Als je eerder hieraan gedacht had, was al die hocus-pocus in Hamburg niet noodig geweest en was zijn vrouw niet zoekgeraakt.
Maar Schwarze schijnt ook z'n verstand in Berlijn gelaten te hebben, toen hij er vandoor ging. Adonai, wat een stelletje slaapkoppen zijn we geweest. Wist ik nou maar waar zij was?

***

René en Anna zwierven inmiddels door de Beiersche Alpen in een stemming van groote verliefdheid; twee menschen die langen tijd voortdurend honger geleden hadden, niet zoo dat zij zich altijd ervan bewust waren, maar toch een honger, die op den duur beider weerstandsvermogen had ondermijnd. En nu konden zij zich niet meer verzadigen; zoo duurde de roes voort en

162.

geen van beiden wenschte tot de werkelijkheid terug te keren.
Hij aanbad haar en verheerlijkte haar met een extatische hartstochtelijkheid, zoo als zij nog niet van hem kende; en zij was dronken van geluk om deze ontzinde aanbidding.
Een enkele maal flitste de vraag door haar heen: waarheen dit voeren moest, omdat een man en een vrouw toch niet altijd zoo konden leven. En soms vroeg zij zich af wat er komen zou na deze dronkenschap.
Maar dan duwde zij de opkomende vragen weer terug en gaf zich over aan de vreugde van haar liefde.
Talrijk waren de herinneringen aan hun eerste verblijf in de bergen, en zoodoende kwamen zij er vanzelf toe om ook andere herinneringen op te halen, die aan Berlijn   -  en van toen af begon Hermann geleidelijk meer in haar denken te dringen, al verzette zij zich er ook nog zoo hevig tegen. Zij haatte hem soms, omdat hij haar niet met rust liet, haar geluksroes verstoorde, haar geweten kwelde.
Wijn en omhelzingen gaven haar geen voldoende verdooving meer; het beeld van Hermann drong zich tusschen haar en René.
  -  We zullen naar Berlijn moeten, zei ze op een morgen aan het ontbijt.
Hij schudde ontkennend het hoofd.   -  Dat zou fout zijn, Anneke. Hier was alles nieuw; er waren alleen maar herinneringen aan een ander verblijf in de bergen, dat ook een groote blijheid was   -  - al kon ik toen de gedachte aan de dreigende scheiding niet van me afzetten.
Toen hij haar vragenden blik zag, vervolgde hij:   -  Laten wij daar niet over praten. Je had 't over naar Berlijn gaan. Daar zouden we midden door de oude herinneringen wandelen; er zou niets nieuws zijn; we zouden niets zoo kunnen ervaren, als we 't destijds ondergingen;

163.

we zouden alleen maar een leege imitatie krijgen, slechte waar voor onze groote innigheid. Je kunt 't leven nu eenmaal niet overdoen.
  -  Daarvoor wil ik ook niet naar Berlijn. 't Is om heel wat anders. 't Is omdat... haar stem ging over in gefluister...   -  omdat ik Hermann een verklaring moet geven.
Driftig schoof hij zijn bord ter zijde en trommelde met zijn vingers op het tafellaken.   -  Wat hebben we aan Hermann te verklaren? Hij is al eenmaal tusschen ons gekomen, een tweede maal is niet noodig.
  -  René, lieve, lieve René, 't is niet waar, wat je zegt. Hij is nooit tusschen ons gekomen; ik was niet verliefd op hem, toen wij uit elkaar gingen. En ik ben eigenlijk nooit werkelijk verliefd op hem geweest. Dat zeg ik niet om jou om den tuin te leiden, of omdat ik nu plotseling het verleden verzaak. Ik behoor niet tot die menschen, die terwille van een ander de vorige verloochenen. De verhouding tusschen Hermann en mij was zakelijk-kameraadschappelijk en ons huwelijk, als je 't zoo noemen wilt, vloeide vanzelfsprekend op den duur uit die verhouding voort. Begrijp me goed, ik hou wel van Hermann, al is zijn liefde voor mij veel grooter, wat vanzelf spreekt, omdat hij me zoo dankbaar was, hij, die niet geloofde, dat iemand hem kon waardeeren om zijns zelfs wil en die tot de ontdekking kwam, dat ik in hem de mensch hoogachtte en niet de millionair naar den mond praatte. Voor Hermann was ons huwelijk voldoende, meer dan dat: hij was volkomen gelukkig   -  negentig procent werk, tien procent huwelijksleven, samen precies honderd. Het is nooit bij hem opgekomen, dat ik anders ben, dat ze voor mij niet voldoende zijn die tien procent... dat ik zonder romantiek me niet warm kan voelen. Als bovendien zijn werk niet

164.

zoo hard was, zoo steenhard zakelijk, ondanks alle idealisme, dat er achter zit, zou 't gemakkelijker geweest zijn, of liever gezegd, zou er een andere spheer om ons heen geweest zijn, die meer bij mij past. Maar natuurlijk, dan zou Hermann een ander mensch hebben moeten zijn. En een mensch is nu eenmaal, zooals hij is en zooals Hermann is, is hij wel goed.
  -  Maar als dat zoo is   -  en ik geloof je natuurlijk   -  hoe komt 't dan, dat je nooit op een ander verliefd geworden bent. Je hebt toch mannen genoeg ontmoet.
Zij haalde de schouders op en keek droomerig naar buiten. Toen onverwacht en zonder den blik van het landschap af te wenden zei ze heel zachtkens en langzaam:   -  Waarschijnlijk, omdat ik zonder het te beseffen altijd op jou verliefd ben gebleven.
Hij greep haar hand en drukte er een kus op.   -  En wat wil je dan met Hermann bepraten? vroeg hij.
  -  Ik moet hem toch een verklaring geven, snap je dat nu niet, antwoordde zij ietwat ongeduldig.   -  Ik kan hem toch niet zonder eenig bericht laten. 't Is toch op z'n zachtst gezegd al een eigenaardige manier van doen, dat ik midden in de stormachtigste situatie, die het concern ooit gekend heeft, de boel klakkeloos in den steek gelaten heb en bovendien Hermann in doodelijke ongerustheid gebracht. Ik ken hem. Hij houdt op zijn manier zoo ontzettend veel van me.
Zeker net zooveel als jij, maar   -  en met een zachte innige glimlach streelde zij zijn handen, die hij voor zich op het tafellaken had samengevouwen   -  bij jou ben ik zalig, zoo zalig. René, oh René.

    Zaterdagsmorgens vertrokken ze naar Berlijn; ze zouden er twee

165.

dagen over doen en dan zou Anna Maandags onmiddellijk op onderzoek uitgaan hoe de zaken stonden en waar Hermann was.
Als alles achter den rug was, zouden ze naar Amerika vertrekken. Als alles achter den rug is, dacht zij. Maar voorloopig was er nog niets achter den rug, stond haar nog alles te wachten. En hoe zou dat alles zijn? Hoe Hermann, en waar? Zou ze naar Kopenhagen moeten doorreizen?
Tersluiks keek ze naar haar begeleider, die schijnbaar rustig in de coupékussens weggedoken naar buiten staarde naar het voorbijschietende landschap. Zij twijfelde aan zijn gemoedsrust, want het was haar niet ontgaan, dat hij onafgebroken cigaretten rookte en dat de hand, waarmede hij de cigaret vasthield heel licht trilde.
Wat bezorgen we elkaar toch een moeite, dacht ze, maar terstond glimlachte ze om deze gedachte. Ze vond zichzelf niet erg heldhaftig, om zooiets te denken; je krijgt 't geluk nu eenmaal niet cadeau. En toch, mijmerde zij verder, als René niet was terug gekomen, waren heel wat onaangenaamheden achterwege gebleven, zoowel voor haar en René, als voor Hermann.
Ze voelde het bloed naar haar gelaat stijgen; haar hart werd samengeknepen. Van angst? Afschuw van zichzelf? Bijgeloovigheid, dat zij de goden verzocht? Ze was toch immers zoo blij, dat hij naast haar zat, zoo gelukkig om zijn liefde. Hoe kon ze dan...? Als Hermann nu maar...
  -  Zeg eens wat, fluisterde ze heesch tegen René. - Je bent zoo stil. Zijn trouwe oogen wendden zich naar haar toe.   -  Ben je nerveus? vroeg hij, terwijl hij haar hand vast greep. Zij gaf geen antwoord.
Stil tegen elkaar gedrukt reden zij door den namiddag.

***