Infor-
matie.

74.

TWEEDE DEEL.

GELUKZOEKERS

HOOFDSTUK XV.

Zij woonden nu al ruim acht maanden in de buurt van Detroit aan het Michiganmeer, waar zij een buitenhuis gehuurd hadden met een flink stuk grond, waaraan René voorzover het weer en het jaargetijde het toelieten, het grootste deel van zijn tijd wijdde, omdat hij nog steeds geen officiële praktijk uitoefende. Wel had hij zich daarvoor enigszinds geïnstalleerd en hij hielp ook wel eens iemand, wat mogelijk was omdat men het in Amerika niet zo nauw neemt met die dingen als in Europa.
De wonderlijke toestanden op medisch gebied deden René soms de haren te berge rijzen. Daarom maakte hij geen bezwaar, wanneer een zieke zijn hulp inriep, wat echter niet vaak gebeurde. Wel kreeg hij meerdere malen bezoek van jonge meisjes, die door het moederschap overvallen waren, voordat zij zich in het bezit van een echtgenoot konden verheugen, maar hiermede liet hij zich niet in.
Slechts éénmaal had hij een uitzondering gemaakt voor een negerin van zestien jaar, die vertelde verkracht te zijn door vier soldaten.
Het was een akelig verhaal vol gemeenheid en ordinair bedrog, gepleegd tegenover een kind, dat er argeloos ingelopen was. Een van de vier was haar komen roepen met de mededeling, dat haar moeder een ongeluk had gekregen en een particuliere woning was binnengedragen.
Zij zou naar haar dochter gevraagd hebben. Direct was zij meegegaan en in een kamer gebracht, waar de drie anderen wachtten.
Toen was het gebeurd.
Na afloop hadden ze haar de deur uitgegooid met uitbundig pleizier om de geslaagde mop. Naar een Amerikaanse dokter durfde zij niet te gaan, omdat de soldaten blanken waren, en zij wist alleen het huis, waar zij geweest was, welk huis bij navraag een rendez-vous bleek te zijn.
René wist niet, of zij hem bedroog of niet, maar zij zat daar zo troosteloos verlaten, dat hij niet durfde weigeren. Had Schultze hem niet ook destijds geloofd op zijn eerlijke gezicht en vertrouwend op zijn zesde zintuig?
Of haar ouders het wisten?
Neen, zij woonden niet in Detroit. Sinds het gebeurde zwierf het meisje zo'n beetje rond, verhuurde zich hier en daar voor dagwerk en sliep in een schuur of soms in de open lucht. Zij had afgewacht of zij zwanger zou worden en nu wist zij het zeker.
René had haar onderzocht en geconstateerd, dat zij gelijk had. Toen had hij Annette geroepen, haar de zaak uiteen gezet en gezegd, dat zij een bed voor het meisje moest gereed maken; hij kon haar na de behandeling niet wegsturen. Van die dag af was Susan in hun huis gebleven en zij hadden er geen spijt van.
Hansje had het eerst reuze gevonden - een echte negerin, en Paulientje vond het grappig, omdat Susan verlegen deed, als zij haar een hand gaf, maar op den duur waren zij er zo aan gewend, dat al het bijzondere wegviel. En Annette vond het heerlijk zo'n goede hulp getroffen te hebben.
Het leven verliep rustig. De oorlog was ver weg. René dacht weinig meer aan vroeger, omdat alle hoop en verlangen op de toekomst gericht waren. En Annette was vergeten, dat in Nederland Hein Holst leefde, haar wettige echtgenoot. Zij was volkomen René's vrouw ge- worden.
De kinderen bezochten de school en spraken zo volmaakt Amerikaans, dat René het hart in zijn lijf voelde omdraaien, als hij ze met vriendjes hoorde praten. En niet alleen dit, maar ook hun kauwgomliefde deed hem rillen. "Jullie krijgt nog gorillakaken van al dat gekauw", waarschuwde hij, maar het hielp niet. Zij lachten om zijn Engelse uitspraak. "Je kent er niets van", beweerden Paulientje en Hansje in volkomen harmonie, "helemaal niets."
U zeiden ze sinds lang niet meer, sinds zij You hadden leren zeggen tegen volwassenen en kinderen. Ook paps en pappie waren gesneuveld en vervangen door vader en dad, terwijl Annette mama of mam genoemd werd.
Het huwelijk van Annette en René was voor de kinderen volkomen reëel, zij dachten er nooit meer aan, dat het eens anders was. Zij waren in een geheel andere wereld terechtgekomen, die zo -

 

75.

zeer verschilde en zo ver weg lag van alles wat Europa was, dat zij zelf een nieuw leven begonnen waren. Er lag bovendien teveel tussen Nederland en Amerika, teveel ervaringen, sensaties, veranderingen en daardoor keerden hun gedachten vrijwel nooit naar Nederland terug. Het was een stukje historie geworden.

Toen plotseling voer een ontzaggelijke schok door de Staten, Pearl Harbour! Even stond het leven stil en stokte de dagelijkse jacht der millioenen naar dollars, luxe en vrouwen. In gespannen aandacht luisterde het volk naar de stem van de grote President, die het land reeds uit zoveel moeilijkheden en gevaren gered had, de gebrekkige man met de ijzeren wil. En toen stroopte het volk de hemdsmouwen op om zich aan de arbeid te zetten.

Gedurende de eerste weken was René teruggetrokken en stil en zwierf urenlang langs de wegen. Haar gewoonte getrouw vroeg Annette hem niets, al begreep zij zeer goed wat hem bezighield. Op een avond toen de kinderen naar bed waren, begon hij te spreken over wat in hem omging. Zij was er sinds lang op voorbereid en zette zich tot luisteren.

"Annette, ik heb een besluit genomen, ik wil dienst nemen. Ik kan niet langer mijn tijd verdoen met tuinieren, ik moet meedoen, ik moet."
"Ik heb het verwacht, René. Ik vind het ontzettend, maar ik begrijp het. Ga om godswil niet naar de Phillipijnen of Java. Het enige wat je daar bereikt, is krijgsgevangenschap en dan zie of hoor ik jarenlang niets van je - dat zou ik niet kunnen verdragen."
"Indië moet toch ook verdedigd worden "
"Onzin! Voorlopig is dat net zo verloren als Europa."
"Ja", zei hij en verviel in gepeins. Maar Annette was te onrustig om dit zwijgen lang te kunnen verdragen. "Er is meer werk te doen. Ik heb zoiets verwacht, als je zei, René, en er al lang tevoren over nagedacht. Meld je als scheepsarts, er zijn Nederlandse schepen genoeg. Ik weet, dat het hels gevaarlijk is, waar wat is niet gevaarlijk in de oorlog. Ik heb het heel moeilijk gehad. René, om dit met mijzelf uit te vechten, maar ik vind het nog altijd het beste. Ik accepteer niet, dat je je hals over kop in handen van de Jappen stort. Dat accepteer ik niet!"
Zij was opgesprongen en stampvoette; haar gelaat was krijtwit.
"Stil maar kindje, stil maar, ik zal gaan varen."
Hij strekte zijn armen naar haar uit en zij nestelde zich er in.
Even was het stil. Toen begon zij te huilen, zachtkens, heel zachtkens en haar nauwelijks hoorbaar kreunen als van een heel klein kind snoerde zijn keel dicht. Lang zaten zij zo, één in hun grote leed. Eindelijk begon zij te spreken, stamelend. "Als je vaart en je schip - vergaat niet - zie ik je telkens weer. O René - ik - houd - zoveel - van je, René, o René, liefste, lieve
liefste." "Laten we hopen, dat ik geluk heb. Jij hebt me geluk gebracht."
Even dacht hij aan Agnes, maar drong de gedachte onmiddellijk weg door een blinde haat tegen de vrouw, die hem ertoe bracht haar te doden. Dat zou Annette nooit doen, nooit. "Jij hebt me geluk gebracht", herhaalde hij en in een soort razernij vervolgde hij "niet anders dan geluk, niets anders, want jij houdt van me, jij houdt zoveel van me, alleen jij. Annette, Annette, Annette!" Hij gilde haar naam uit, zodat zij ervan schrok. "Kalm zijn René, toe nu, wees nu kalm. Ja, ik houd van je, ik houd ontzettend veel van je, van jou, mijn man."
Zij had zijn hoofd in haar handen gevat, drukte het tegen haar borst en wiegde zacht heen en weer. Hij sloeg zijn armen om haar middel en drong zich tegen haar aan alsof hij zich in haar wilde verbergen.
"Ja, het is goed, je bent lief, wees nu maar kalm" suste zij.
"Blijf rustig zitten, laat me even los, ja zo, dan zal ik een whisky voor je klaar maken."
Zij gleed van zijn schoot, ging naar de wandkast, nam een fles wisky en maakte het beloofde gereed. Hij beefde zo, dat het glas tegen zijn tanden klapperde. Zij nam het van hem over, hield zijn hoofd vast en liet hem drinken. Langzaam werd hij rustiger.
"Ik ben vervelend voor je", zei hij toonloos, toen zij het glas wegzette.

 

76.

"Onzin, ik houd immers van je. Laten we er niet over praten, maar naar bed gaan. Het is nog wel vroeg, maar dat hindert niet en dan kruip je fijn in m'n arm en houd ik je stevig vast. Dan is alles weer in orde, dat zal je zien."
Hij gehoorzaamde zwijgend. "Zeg Annette", zei hij, toen zij ter ruste gegaan waren, "weet je nog, dat Schultze zei, dat je een juweel bent? Je bent veel meer want je bent een juweel waarin een straal van Gods glimlach gevallen is."
Zachtjes streelde zij zijn gelaat en als twee kinderen sliepen zij in.

--------------------

Ook hier werd de klacht van Schultze over de paperassenmaniakken bewaarheid, want het duurde ontzettend lang voor René via een ontelbaar aantal bureaux - Amerikaanse en Nederlandse - zijn aanstelling kreeg. Sindsdien voer hij mee met convooien, die oorlogsvoorraden overbrachten.
Wanneer hij in Amerika terugkwam en geen gelegenheid had om naar huis te gaan, kwam Annette met de kinderen naar de haven, waar zijn schip lag en dan was het groot feest. Wel was het afscheid van vader de eerste maal erg zwaar geweest en had Paulientje ontzettend gehuild, terwijl Hansje zich lippen en tong had stukgebeten, maar nu vader telkens weer terugkwam en meedeed om die vuile Jappen en rotmoffen te verslaan, waren zij er aan gewend en viel het afscheid niet meer zo moeilijk, al waren er bij Paulientje nog altijd waterlanders en moest Hansje erg slikken.
Voor Annette bleef het even erg als de eerste maal, maar zij hield zich flink voor de kinderen, tegenover wie zij nooit haar angst liet blijken, die haar geen ogenblik verliet. Alleen met Susan sprak zij erover, maar die was het helemaal niet met haar eens, o neen. "Ik bid elke avond, dat God meneer weer thuis brengt, elke avond, dan vergeet hij het niet. Meneer is zo goed en God is zuinig op de goede mensen, er zijn er niet veel."
Hiermee was voor Susan de zaak afgedaan en ofschoon Annette deze redenering wel wat erg simplistisch vond, deed zij haar toch altijd goed; het meisje was zo volstrekt verzekerd en dit stemde haar merk waardigerwijze gerust.
René kende geen angst meer. Sinds lang kwam het hem voor, dat alles buiten hem om ging en hij er niets mee te maken had, doch alleen toeschouwer was. Wanneer een schip getorpedeerd werd, of dat, waarop hij voer, gemitrailleerd of gebombardeerd, bleef hij onbewogen alsof hij het op een film zag gebeuren. Maar de gewonden behandelde hij met de grootste zorg en nauwlettendheid, want hij hield van zijn beroep en was gelukkig het weer te kunnen uitoefenen. Slechts dat hij telkens zolang van huis was, viel hem zwaar. Hij had een hoge dunk van het huwelijk en vond in zijn gezinsleven een bron van vrede en rust. Zwerven lag hem niet. Hij deed het, omdat hij zijn plicht wilde doen, maar hij hunkerde naar het einde. Soms kon hij urenlang over thuis dromen in de stilte van de nacht. Dat zijn huwelijk met Annette wettelijk niet bestond, realiseerde hij zich niet meer. De oorlog en het voortdurend zwerven hadden hem ontworteld en ontrukt aan zijn verleden. Annette was zijn vrouw en de kinderen waren hun kinderen.
Nu voeren zij naar Moermansk en als hij van deze reis terugkeerde, kreeg hij verlof. Telkens weer gingen zijn gedachten terug naar New-York, waar hij Annette en de kinderen vaarwel had gezegd met de vaste verzekering, dat hij, wanneer hij nu terugkwam, een hele tijd niet behoefde weg te gaan. De kinderen hadden gejuicht en Annette had hem heel innig omhelsd en hem zacht toegefluisterd vooral voorzichtig te zijn. Glimlachend had hij haar verzekerd, dat hij een kogelvrij zwemvest zou dragen gedurende de gehele vaart.
Wat hij niet wist was, dat Reeling hem in New-York gezien had met Annette en de kinderen.
Reeling was voor Rode-Kruis aangelegenheden en mede in opdracht van Ranthaw naar de Verenigde Staten vertrokken en had zeker niet verwacht er die Hollander met zijn mooie vriendin te treffen. Wanneer René alleen geweest was, zou hij hem waarschijnlijk niet herkend hebben in zijn uniform, maar Annette en de kinderen lieten geen twijfel over. Zij eerste opwelling was geweest, hen brutaalweg te gaan begroeten, maar toen het tot hem doordrong, dat de Hollander waarschijnlijk binnen enkele dagen, of misschien reeds die zelfde dag zou uitvaren, veranderde hij van gedachten.

 

77.

Regel wit. Annette was er zich niet in het minst van bewust, wie in de trein meereed, waarin zij naar Detroit reisde. Zoals na elk afscheid was zij stiller dan gewoonlijk, maar niet zo verdrietig als anders, omdat zij aan het komende verlof dacht.
In Detroit aangekomen merkte zij evenmin, dat haar taxi door een andere gevolgd werd.
Reeling wist nu waar zij woonde en besloot haar een der eerstvolgende dagen te verrassen. Hij had nog een rekening te vereffenen.
Als zij bij het laatste afscheid in Zwitserland zijn handdruk niet geweigerd had, zou hij haar waarschijnlijk vergeten hebben, want hij hield er niet van al te veel tijd en moeite aan een vrouw te besteden. Er waren er genoeg en die Hollandse was wel mooi, maar er waren meer mooie vrouwen. Wat hij echter niet accepteerde was, dat een vrouw hem in tegenwoordigheid van derden afwees zonder een woord te zeggen. Deze hooghartigheid wilde hij haar afleren; het was nodig dat zij inzag, dat er situaties zijn, waarin de vrouw alleen maar de onderworpene is.
Natuurlijk zou hij niet 's avonds gaan, want dan was altijd iedereen thuis en bestond er kans op bezoek. 's Morgens was het beste, de kinderen naar school en de dienstbode - als ze die tenminste had - op pad om inkopen te doen. Hij glimlachte vergenoegd. Wat een bof, dat hij haar toevallig gezien had. Maar hij was een Reeling en die hadden altijd veine. Hij besloot haar nog enige dagen rust te gunnen, zodat het huishouden zijn normale loop kon hervatten. Reeling was een beetje ontstemd, toen Susan hem opendeed. Verdomme, waarom was die negerin hier? Enfin, die leek nogal jong en zou van schrik wel weglopen. Het was trouwens de vraag of die Hollandse kans zou krijgen om hulp te roepen. Dat zwarte ding keek nu al zo verschrikt naar zijn uniform, alsof zij de duivel zag.
"Mevrouw thuis?" vroeg hij op bevelende toon.
Susan knikte.
"In welke kamer?"
"Ik zal U brengen", antwoordde zij toonloos.
"Niet nodig. Welke? Vooruit vlug een beetje."
"Tweede deur rechts", zei Susan.
Hij liep naar de aangegeven deur en trad binnen zonder kloppen.
Annette verbleekte; zij schrok zo, dat zij geen woord kon uitbrengen.
"Schrik niet," zei hij met een brede grijns, "wij kennen elkaar nog van vroeger. Ik kom mijn opwachting maken en een oude schuld innen. Met rente natuurlijk."
Terwijl hij sprak, was hij langzaam op haar toegetreden. Nog steeds gaf zij geen geluid, verstard van angst, maar toen hij haar vastgreep en tegen zich aandrukte, slaakte zij een ontzettende gil, doordringend als van een dier in doodsangst.
Hij legde zijn hand op haar mond. "Zwijg schatje, die negerin komt toch niet."
Toen zij zijn warme hand op haar mond voelde, begon een worsteling, maar zijn sterke arm liet haar niet los, terwijl hij met zijn rechterhand haar hoofd achterover boog. Wild, razend beet zij in zijn vingers, trapte tegen zijn schenen. Hij vloekte. "Verdomd cannaille, ik zal het je betaald zetten."
Op dat moment vloog de kamerdeur open. Susan had de gil gehoord en de betekenis ervan onderkend. Zij was de tuin ingerend en had de bijl gegrepen, die bij het overige gereedschap in het schuurtje lag, dat links van de keuken gebouwd was. Daarna was zij naar binnen gerend en voor Reeling zich kon omkeren drong het wapen diep in zijn achterhoofd. Hij gaf geen geluid, viel als een blok hout op de vloer, het gelaat naar boven. Annette greep zich aan de tafel vast, bijna bezwijmend. Toen echter kromp zij ineen van schrik.
Susan hief nogmaals de bijl en sloeg die tot de steel in het weke onderlijf van de dode. Met een starre glimlach richtte het meisje zich op, strekte zich, hief de gebogen armen zijwaarts naar voren, de handen slap neerhangend als verwelkte bloemen. Langzaam bogen zich haar knieën en begon zij het lichaam heen en weer te wiegen, waarbij zij een eentonige melodie neuriede. Haar ogen staarden als van een blinde.
Verbijsterd keek Annette enige ogenblikken naar haar, en eerst toen zij haar langzaam ineen zag zakken verdwenen de angst en verbijstering. Alleen een slap gevoel in de knieën hinderde haar, zo dat zij zich telkens moest vastgrijpen, toen zij naar het

 

78.

venster ging om de gordijnen te sluiten. Vervolgens deed zij moeizaam voortstompelend de kamerdeur op slot, knielde bij Susan neer en sprak tegen haar om haar uit haar verdoving te wekken. Langzaam opende het meisje de ogen; Annette sloeg een arm om haar heen, legde haar hoofd tegen haar schouder en streelde haar zachtjes over de haren. Nu moet je weer flink worden, Susan. Je bent erg dapper geweest en ik ben je heel erg dankbaar, maar nu moeten we bepraten wat ons te doen staat."
Haar zachte rustige stem en het vriendelijke strelen werkten kalmerend, maar het meisje hield haar gezicht verborgen tegen Annette's schouder.
"Wees niet bang", vervolgde deze, "ik zal ervoor zorgen, dat je niets overkomt."
"Politie", mompelde Susan.
"Neen, geen politie, stil maar, stil maar."
Annette's hersens werkten koortsachtig. Een negerin, die een blanke doodslaat in dit land. Verdediging van haar mevrouw. Alles heel mooi, maar zij vertouwde Susan niet toe aan de Amerikaanse justitie.
Bovendien, als er inlichtingen werden ingewonnen omtrent Reeling in Engeland en Ranthaw kwam erbij te pas - die wist niets van haar zogenaamde huwelijk. Dan zou ook uitkomen, dat de papieren vervalst waren. Het lijk moest weg, spoorloos verdwijnen.
Nu wendde zij zich weer tot Susan. "Hoe gaat het er nu mee? Kun je al lopen? Ga dan een uurtje rusten, ik zal je wel naar je kamer brengen en wees maar niet bang, er gebeurt niets. Je bent heel goed en lief voor me geweest en dat je die man hebt doodgeslagen, is helemaal niet slecht. Hij wou iets heel ergs doen." "Ik weet het", antwoordde Susan. "Ik heb geen spijt. Ik sla iedereen dood, die U of de dokter kwaad wil doen. Iedereen. Wilt U me naar bed brengen? Ik ben bang."
"Ik zal ervoor zorgen, dat de politie niets merkt."
"Neen, niet voor de politie. Ik ben bang."
Annette vroeg niet verder. "Ga maar mee", zei zij, "bij mij behoef je nooit bang te zijn."
Toen zij opstonden, keek Susan met een schuwe blik naar het lijk, drukte zich tegen Annette en verborg het gelaat tegen haar hals.
Annette dwong haar te lopen, opende de kamerdeur en trad met het meisje de gang in, waarna zij de deur weer op slot deed. Toen Susan het dichtklikken hoorde, richtte zij zich op en haalde verruimd adem, maar zei niets.
Annette bracht haar naar haar kamer, hielp haar bij het uitkleden en stopte haar in bed. Vervolgens ging zij naar de kleine apotheek van René, nam een glas water en deed er wat broom in, waarna zij naar Susan terugkeerde en het haar liet drinken.
"Nu rustig een uurtje slapen, je bent vreselijk moe."
Een tijdje zat zij nog op de rand van het bed, haar hand in die van het meisje. Toen zij zag, dat zij ingeslapen was, verwijderde zij zich geruisloos.

Zij besloot snel te handelen en ging daarom regelrecht naar de kamer, waar het lijk was. Er lag veel bloed op de grond en ook was er een roodgrijze vlek bij het hoofd. Zij rilde, naderde huiverig, greep de bijl bij de steel en trok hem uit de wonde. Zij moest rukken doordat hij ergens bleef haken. Toen zij hem losgewerkt had, bloedde de wond opnieuw, heel even. Zij voelde zich misselijk worden, legde de bijl op een krant en verliet toen het vertrek om een deken te halen. Deze spreidde zij naast het lijk uit en probeerde vervolgens het er op te wentelen, wat haar pas gelukte toen zij op de deken knielde en het aan schouder en dijbeen omtrok. Zij hijgde van inspanning.
Toen het er eenmaal op lag, ging het verder gemakkelijker. Zij trok de deken omhoog aan de kant waar het lijk lag en liet het zo nogmaals omrollen, waarna zij de zijkanten over elkaar legde. Met een touw bond zij het boven- en ondereinde dicht en bleef toen een tijdlang op de vloer zitten om uit te rusten.
Na een poosje stond zij weer op, haalde een emmer water en begon de vloer te schrobben, maar het gezicht van de roodgrijze vlek, gepaard met de zoete stank van het bloed maakte haar misselijk.
Hardnekkig werkte zij door, voelde na enige tijd, dat zij moest overgeven en boog zich over de emmer, waarna zij zich met een wee gevoel op de bank uitstrekte. Haar hoofd bonsde, haar keel brandde en zij had een walgelijke smaak in de mond. Moeizaam stond zij

 

79.

op, ging naar de kast en schonk zich een portglas whisky in, dat zij in een teug leegdronk. Daarna ging zij weer liggen. De whisky brandde in haar maag en zij voelde zich dronken worden. Daarom liet zij zich van de bank glijden, greep de emmer en waggelde de kamer uit, waarbij zij zich hevig tegen de deurpost stootte, mompelde een verwensing en strompelde verder.
In de keuken wies zij zich gezicht en handen, vulde de emmer opnieuw en keerde terug naar haar werk. De dronkenschap nam snel af, maar zij behield een gevoel van afwezigheid, dat het haar gemakkelijker maakte het werk te doen. Zij boende als een bezetene. Nog drie maal ondernam zij de tocht en toen zij ten lange leste gereed meende te zijn, liet zij zich opzij vallen en sliep onmiddelijk in.
Nog geen half uur later echter werd zij met schrik wakker, krabbelde moeizaam overeind en keek verwezen de kamer rond. Haar hoofd deed ontzettend pijn. Zij bracht de emmer weg, dronk enige glazen water en ging daarna in de eetkamer zitten, waar zij met het hoofd op de op tafel gekruisde armen opnieuw insliep.
Toen zij wederom ontwaakte, voelde zij zich beter en bespeurde alleen een aandrang om te huilen en een branderig gevoel in haar ogen. Zij besloot te gaan kijken, hoe het met Susan gesteld was. Het meisje sliep nog steeds, maar toen Annette haar bed naderde, sloeg zij de ogen op.
"Hoe gaat het?"
"Goed, mevrouw, maar mevrouw ziet er moe uit, erg moe. Heeft mevrouw hoofdpijn?"
"Een beetje. Blijf jij in bed. Straks komen de kinderen thuis.
Ik zal zeggen, dat je ziek bent en in de kamer, die op slot is, op de vloer gebraakt hebt. Daarom heb ik de deur gesloten, begrijp je?"
Susan knikte, een angstige blik in haar ogen.
"Nu moet je je niet weer opwinden. Ik heb alles al opgeruimd, behalve het lijk natuurlijk. Dat gebeurt vanavond laat, als de kinderen slapen."

Susan had haar hand gegrepen en kuste die hartstochtelijk. Zij huilde zachtjes.
"Blijf nu kalm, Susan, alles komt in orde en blijf rustig liggen tot ik je vanavond roep. Ik ga me nu verkleden en wassen."
Na deze woorden verliet zij de kamer.
Zij nam een bad en wies zich rijkelijk met carbolzeep en daarna me toiletzeep. Toen zij zich gekleed had, wreef zij haar handen en gelaat met eau de cologne om de carbollucht weg te nemen. Ten slotte ging zij op bed liggen. Zij voelde zich dodelijk vermoeid.
Over een uur ongeveer kwamen de kinderen. Zo lang wilde zij nog slapen. Zij stelde de wekker.

Ongeveer tien minuten nadat zij in de eetkamer in een armstoel had plaatsgenomen, kwamen Paulientje en Hansje thuis.
"Jullie moet niet teveel drukte maken, Susan is ziek."
"Wat scheelt eraan?"
"Misselijk. Zij heeft overgegeven op de vloer van de zitkamer, daarom heb ik de deur afgesloten. 't Is een vieze smeerboel."
"Moet zij dat morgen schoonmaken?"
"Ja, wie anders?"
"Vies werkje", zei Paulientje, terwijl zij haar neus optrok."Bah!"
"Suikerfreule!" hoonde Hansje, die dit woord ergens had opgevangen en het voor een scheldwoord hield.
"Doe jij het dan, als je zo'n held bent", bitste Paulientje.
"Geen ruzie kinderen. Ik zal thee gaan zetten."
"Heb je cake, mam?" vroeg Hansje. "Ik heb honger "
"Hé ja, cake," viel Paulientje hem bij. "Ik rammel."
"Cake voor mij en voor de rammelaar, mam", riep Hansje, toen Annette de kamer verliet.
"Naarling", viel Paulientje uit, "als Susan niet ziek was, gaf ik je een pak slaag, dat je piepte."
"Fijn hè, dat Susan ziek is."
"Stik!" Paulientje nam de Saturday-Evening Post, die op een stoel lag en had alleen nog oog voor de illustraties. Hansje ging voor het raam staan kijken. Het begon snel te donkeren en uit de grijze Novemberlucht viel een zachte stille regen. De jongen werd er melancholiek van en dacht aan zijn vader.
"Waar zou dad nu zijn?"
"Ver weg, denk ik. We weten het nooit."

80.

"Ik wou, dat hij hier was."
"Ik ook." Paulientje ging naast hem staan en legde haar arm om zijn middel. "Wat een naar weer,hè?"
"Ja!"
Stil bleven zij naar buiten kijken en het was een opluchting, toen Annette binnenkwam en het licht aanknipte.
"Fijn, dat je er bent mam" zei Hansje en loosde een diepe zucht.
"Komen jullie aan tafel zitten? Ik heb cake meegebracht."
Als uitgehongerd vielen de kinderen op de cake aan.
"Eet jij niet, mam?"
"Neen, ik heb geen trek."
"Je bent toch niet ziek?"
"Welneen, maar die geschiedenis met Susan heeft mijn eetlust bedorven. Laten we daar maar niet over spreken en drinken jullie je thee op."
Paulientje begon over vader te spreken en hoe fijn het zou zijn, als hij verlof had. "Blijft hij nog lang weg mam?"
"Dat weet ik niet, vader weet het immers zelf nooit."
"Die vuile rotoorlog", schold Hansje.
"Niet zo ruw, Hansje, je weet, dat vader dat niet goed vindt." "Hij hoort het nu immers toch niet."
"Als vader er niet is, mag je dus alles doen. Denk je soms, dat ik het prettig vind om die taal aan te horen?"
Hansje bromde iets voor zich heen. "Zeg mam, moet jij nu voor het eten zorgen?"
"Ja schat, of wil jij het doen?"
"Neen hoor. Wat eten we?"
"Vis, sla, brood en compôte of dessert."
"Reuze! Wat voor vis?"
"Zalm."
"Heb je een zalm gekocht?"
"Neen, uit blik."
"Oh. Ook goed. Krijg ik nog thee?"
Annette schonk in, de kinderen babbelden. Langzaam gingen de uren voorbij.

Toer zij ze naar bed gebracht had, ging Annette naar beneden. Het was nu half tien. Over een uur zou zij aan het werk gaan; dan sliepen de kinderen wel. Het liefst was zij ook gaan slapen, maar de zaak moest vanavond afgedaan worden. Een ellendig karwei.
Om half elf trok zij een donkere mantel aan, ging naar het schuurtje en haalde de grote schop, die René altijd gebruikte. Toen liep zij naar de achterzijde van de tuin en begon in de rechter hoek te graven. Het was nieuwe maan. De regen had opgehouden.
Langzamerhand gewenden haar ogen aan de duisternis. Zij werkte koortsachtig, maar moest zich zo nu en dan oprichten, wanneer de pijn in haar lenden ondragelijk werd. Hoeveel tijd was er voor zoiets nodig? Allicht niet de hele nacht. God, wat was dat een zwaar werk. Het zweet droop langs haar voorhoofd en slapen, haar handen schrijnden.
Het was bijna een uur, toen zij een kuil gegraven had, die volgens haar inzicht groot genoeg was. Met een zucht van verlichting klom zij er uit, schouderde de schop en liep krom van pijn huiswaarts.
Aan de achterdeur bleef zij even stilstaan en luisterde. Geen enkel geluid was in de wijde omtrek te horen, behalve in de verte heel zwak het klotsen van de golven van het meer.
Zij zette de schop op zijn plaats, trad de woning binnen en sloop zo zacht als mogelijk was naar Susan's kamer. Het meisje sliep.
Annette stootte haar aan en hield de hand boven haar mond om zo nodig te verhinderen, dat zij van schrik of om welke reden ook geluid zou maken.
Susan knipperde met de ogen tegen het licht, keek verbaasd naar Annette in haar natte mantel en ging toen met een ruk overeind zitten.
"Sst. Opstaan", fluisterde Annette.
"Gaan we weg?" vroeg het meisje bijna onhoorbaar.
Annette schudde ontkennend het hoofd. Susan stond op, kleedde zich snel, deed naar het voorbeeld van Annette een mantel aan en volgde haar toen naar de eetkamer.
"Luister", zei Annette, "nu moet je me helpen. Ik heb alles tot nu toe alleen gedaan, maar wat er nog gebeuren moet, kan ik niet alleen. Ik heb in de tuin een kuil gegraven. Daar moet het lijk

 

81.

in. Ik heb het in een deken gepakt, jij moet me helpen dragen.
Denk erom - flink zijn en geen gezeur. Ik ben erg moe."
Annette verliet de eetkamer op de voet gevolgd door Susan, wier hart hevig klopte. Midden in de nacht met een dode in een donkere tuin. Het angstzweet brak haar uit.
Het was opnieuw begonnen te regenen, harder dan tevoren. De vrouwen torsten het lijk langs het donkere tuinpad. Een tak zwiepte Susan in het gezicht, zodat zij van schrik de last losliet. Zij trilde op haar benen. "Ik dacht...." bracht zij met moeite uit.
"Sst. Opschieten", fluisterde Annette.
Susan tastte naar de deken, greep hem stevig vast en toen hervatten de vrouwen haar vreemde tocht. Bijna viel Annette, die achterwaarts liep, over een boomwortel. Zij zag ondanks de duisternis de ogen van Susan wijd opengesperd. "Ik ben bang", hoorde zij fluisteren.
"Sst. Doorlopen."
Eindelijk waren zij bij de kuil. "Op de rand neerleggen. Neen, nu iets verder. Pas op, val er niet in."
Het lijk lag op de rand. "Knielen", fluisterde Annette, "en help me duwen."
De vrouwen duwden met alle macht. Langzaam kwam er beweging in de geweldige bundel, die eindelijk met een doffe plof in de kuil rolde.
"Haal de schop uit het schuurtje", zei Annette. "Vlug, maar kijk goed uit."
Susan verdween in de duisternis. Annette wachtte. Zij hijgde en voelde zich uitgeput. Waar bleef Susan? Zij zou toch wel terugkomen? Goddank, daar was ze. Onhoorbaar als een kat sloop het meisje nader, gaf haar de schop.
Annette begon de uitgegraven aarde in de kuil te scheppen tot de deken geheel onzichtbaar was.
"Nu moet je me aflossen", zei zij tot Susan.
Het meisje gehoorzaamde. Zij werkte razend snel. De regen stroomde.
Na een kwartier nam Annette de schop weer over. Zo werkten zij door tot de kuil geheel gevuld was. Toen stampten zij samen de aarde aan, schopten dode bladeren over de plek en gingen daarna huiswaarts.
In de eetkamer teruggekeerd bleek Annette niet meer in staat om zich overeind te houden. Als een blok lood viel zij in de armstoel, haar ogen sloten zich. Uit haar drijfnatte haren droop het water over haar gezicht. Haar handen, kleren en schoenen waren bemodderd. Zij zag doodsbleek en Susan vreesde, dat zij flauw zou vallen. Snel knielde zij bij haar neer, trok haar schoenen uit, veegde het water met een servet uit haar gezicht en begon haar handen te reinigen.
Annette sloeg even de ogen op. "Ik wil naar bed."
Susan stond op schoof een hand achter haar rug, de andere onder haar knie en droeg haar als een kind naar de slaapkamer. Zij hijgde, maar hield zich stram en plantte de voeten sterk en stevig op de grond zonder nochtans nodeloos gerucht te maken. Op de slaapkamer zette zij Annette op een stoel en begon haar uit te kleden.
Toen zij hiermede gereed was, legde zij haar in bed, dekte haar zorgvuldig toe en zette zich in een hoek der kamer om te waken.
Bij het aanbreken van de morgen verliet zij zachtjes het vertrek om voor de kinderen het ontbijt klaar te maken. Maar eerst ging zij naar haar kamer om zich te wassen en haar besmeurde kleding voor schone te verwisselen.

Annette ontwaakte omstreeks twaalf uur; zij gevoelde zich ziek en haar gehele lichaam deed pijn.
Het huis was stil, alsof het volkomen verlaten was. De eenzaamheid deed haar weldadig aan.
Waar zou Susan zijn? Weggelopen uit angst of was zij ergens in slaap gevallen?
Vreemd is het leven. Een vrouw wilde haar terzijde schuiven en zette daarom een man in. Zij zelf behandelde die man zo, dat hij zich beledigd achtte. Plebejers zijn gauw beledigd. Daarom besloot de man zich te wreken. Andere mannen hadden eens een andere vrouw ontzettend gegriefd, zoals deze man haar had willen grieven.
Die andere vrouw doodde de man, die haar belaagde. Een luguber

nsbp;

82.

spel van haat en wraak. Wordt altijd door de vrouw de misdaad jegens de vrouw gewroken? De typische misdaad. Is er ook te spreken van een typische misdaad van de vrouw jegens de man?
Zij vond het een moeilijk vraagstuk, zuchtte, wentelde zich op haar zijde en sluimerde weer in. Susan wekte haar ongeveer een uur later. Zij had iets voor de lunch klaargemaakt.
"Was je vanochtend uit, Susan? Het was zo stil in huis."
"Neen mevrouw, ik heb in de tuin gelopen en gekeken - achterin.
Die regen heeft erg goed geholpen."
"Was je niet bang, Susan?"
"Neen mevrouw, overdag kan er niets gebeuren."
" 's Nachts ook niet, Susan."
"Oh, mevrouw."
"Goed hoor, Susan, blijf maar bij mij in huis. Heb je wat te eten voor me?"
"Ja mevrouw. Hoe voelt U zich?"
"Moe en erg veel pijn."
"Waar?"
"Overal."
"Oh, oh, oh. Ik zal U masseren."
"Liever niet, Susan, ik ben zo moe."
Annette had niet veel vertrouwen in de masseerkunst van Susan.
"Heb jij masseren geleerd?"
"Een beetje van oom Joe, een heel, heel oude kleurling in Detroit.
Zal ik Hansje vragen hem te halen? Hij is een erg goede masseur."
"Maar Susan, ik kan me toch niet door een oude man laten masseren."
"Waarom niet? Oom Joe is stokoud, zo oud."
"Ik zal het toch maar niet doen, Susan. Hij is natuurlijk zo knokig dat hij me overal zeer doet."
"U hebt tóch overal pijn."
"Daarom hoef ik toch niet nog meer te krijgen."
"Oh neen, zo is oom Joe niet."
"Laat me maar wat eten, Susan, dat is beter en dan straks een erg warm bad. Dat doet me vaak goed, net zo goed als masseren."
"Masseren is heel erg goed", zei Susan desondanks en reikte Annette het dienblad.
"Maak je de eetkamer lekker warm? Ik kom beneden voor de kinderen thuiskomen; ze zijn niet gewend, dat ik ziek ben."
"Hoe laat wilt U het bad?"
"Over een uur. Is dat goed?"
"Ja Mevrouw, natuurlijk."
Susan vertrok en Annette hervatte haar overpeinzingen, die een tijdje geleden door de slaap waren onderbroken.
Wat is de specifieke misdaad van de vrouw jegens de man? De vrouw zorgt voor de liefde, de man voor - geld? Neen, dat is goed voor een kaartlegster, geld en liefde. Met liefde kan je in de buitenwereld niet veel beginnen. Wat zegt Goethe ook weer - der Mann muss hinaus ins feindliche Leben. Dat hebben de nazi's wel heel erg verkeerd begrepen. Waar zou René nu zijn?
Een onzegbaar verlangen naar hem maakte zich van haar meester.
Als hij er geweest was, zou dat walgelijke drama zich niet hebben afgespeeld. Zij voelde zich heel stil en verdrietig worden en langzaam begonnen tranen te vloeien. Hoe lang zou het nog duren, deze vervloekte oorlog? Roerloos lag zij en schreide.
Toen Susan klopte, wendde zij haar gelaat naar de muur.
"Het bad is klaar, Mevrouw", hoorde zij het meisje zeggen.
"Dank je. Ga maar. Ik kan wel alleen."
Susan's stappen verwijderden zich.
Met pijnlijke bewegingen stond zij op. Het lopen viel haar moeilijk en zij voelde zich pas weer behagelijk, toen zij stil in het hete water lag, waarin zij zo lang bleef tot het niet warm genoeg meer was.
Het bad had haar goed gedaan; zij belde en hoorde onmiddellijk Susan door de gang draven.
"Wat is er mevrouw?" riep het meisje al van verre.
"Nu moet je me 'n beetje masseren."
Susan lachte vergenoegd, wierp Annette een badmantel om en bracht haar naar de slaapkamer, waar zij een pot vaseline van de toilettafel nam en zachtjes een aanvang maakte. Zij deed het buitengewoon prettig naar Annette's smaak. Waarschijnlijk zou die oom Joe haar wel anders hebben toegetakeld. Even had zij een binnenpretje bij de gedachte aan die zwarte Methusalem, die haar zou moeten behandelen. Susan was schattig naïef met haar gepraat over die stokoude oom Joe, ofschoon... ach, eigenlijk ook weer niet,

 

83.

want een dokter is ook een man en meestal niet stokoud. Het was natuurlijk alleen, omdat oom Joe geen dokter was.
"Is het goed mevrouw?" vroeg het meisje.
"Heerlijk, zalig."
Ernstig kijkend zette Susan haar werk voort.
"Hoe lang duurt het nog?"
"Nog even, mevrouw. Nu moet ik pijn doen."
Zij voegde de daad bij het woord en Annette kreunde, maar het duurde slechts kort en toen Susan "afgelopen" zei, ging Annette met een diepe zucht op de rand van het bed zitten.
"Zal ik U helpen met aankleden, mevrouw?"
"Neen, dat zal ik zelf doen, het is een goeie oefening. Jij hebt me heerlijk geholpen. Je kunt het goed."
"Oom Joe kan het veel beter."
"Ik heb toch liever, dat jij het doet, Susan."
Het meisje lachte gestreeld.
"Zorg je voor thee? Ik kom direct beneden."

Ondanks haar wil om zich flink te houden duurde het langer dan een week voor Annette zich weer volkomen goed voelde. De enige hinder, die zij nog van het drama ondervond, was de onrust, waaraan Susan ten prooi raakte, zodra het donker werd. Elke avond moest Annette haar naar haar kamer brengen. Verder had zij haar een schemerlamp gegeven voor de nacht en tenslotte had Susan zelf nog verscheidene maatregelen genomen. Met een mes had zij een magisch teken gekrast voor haar kamerdeur; haar kousen legde zij elke avond kruiselings voor haar bed en voor zij ging slapen bad zij niet alleen voor René, maar ook om haar des nachts te beschermen tegen boze geesten.
Annette begreep niets van het magische teken voor de deur, maar zij vroeg geen uitleg. Zelf had zij in den beginne het besef van het graf in de tuin onaangenaam en soms zelfs beklemmend gevonden, maar geleidelijk wendde zij er aan, waarbij de verwachting, dat René nu wel spoedig zou thuiskomen, in belangrijke mate meehielp. Het duurde deze keer overigens wel weer lang en het erge was, dat er nooit enig bericht over de convooien te krijgen was.
Alleen als hij dood was, zou men het haar doen weten, alleen dan.

------------------------

HOOFDSTUK XVI.

René had Moermansk niet bereikt. Een dagreis voorbij IJsland werd het schip getorpedeerd; het zonk tamelijk snel, zodat de bemanning zich slechts met grote moeite in de boten kon redden.
Ook nu had hij het gevoel toeschouwer te zijn. Vaak had hij van een of andere schipbreuk een verslag gelezen, waarin de auteurs meestal nogal breedvoerig waren omtrent de zenuwachtigheid, doodsangst, koelbloedigheid enzovoort, maar nu hij het zich in werkelijkheid zag afspelen, viel het hem mee. Wel realiseerde hij zich, dat hier alleen mannen aan boord waren en dan nog vrijwel uitsluitend beroepszeelieden, die wel vaker iets hadden meegemaakt.
Alles verliep dan ook vrij ordelijk ondanks de haast en ook de kwinkslagen ontbraken niet. Een extra moeilijkheid was echter, dat de zee tamelijk onstuimig was.
Hij keek naar de andere schepen. Daar werden natuurlijk al maatregelen genomen om hulp te bieden.
"Zoudt U eindelijk niet eens aanstalten maken om van boord te gaan, dokter?" vroeg de eerste officier, toen de mannen bezig waren de laatste bruikbare sloep te water te laten. "En zoudt U geen zwemvest aandoen?"
"Dat is in mijn hut", antwoordde René.
"Niet de juiste plaats op het ogenblik, maar ga mee, we vinden er misschien nog wel een."
Zij zochten het dek af, voorzoverre dit begaanbaar was, maar vonden niets. Plotseling hoorden zij een stoker schreeuwen of zij helemaal bedonderd waren en maar direct in de boot wilden komen, als de geöliede bliksem. Vallend en struikelend en zich overal aan vastgrijpende bereikten zij onder luide en zeer gevarieëerde aanmoedigingen van de bemanning de sloep. Gewillige handen vingen hen op, toen zij erin sprongen. Onmiddellijk

 

84.

begonnen de mannen als bezetenen aan de riemen te trekken om van het steeds sneller zinkende schip weg te komen, het gelukte.
"Wat zocht U eigenlijk met de dokter?" vroeg de stoker, die hen had toegeschreeuwd. "Uw meissie? dat had ik nog niet aan boord gezien."
"Een zwemvest voor de dokter."
"U kunt het mijne wel krijgen", zei de stoker.
"Hou dat zelf maar. Waar gaan jullie heen?"
"Naar de eerste de beste schuit, die we te pakken kunnen krijgen.
Het zal niet meevallen met die ruige zee en het begint al verdomd donker te worden. Waarom schieten die moffen je niet in de grond vlak na zonsopgang?"
Het gelukte niet een der schepen te enteren.
"Wacht maar, straks als het convooi weg is, komt er wel een torpedojager. Dat is veiliger voor het convooi. Zoeklichten tussen de schepen zijn gevaarlijk. Ik heb dit grappie al vaker meegemaakt."
De mannen roeiden in de richting, waarin het convooi in de duisternis verdwenen was. Niemand sprak een woord tot een der roeiers plotseling riep, dat zij moesten zwijgen,; hij meende iets te horen.
Inderdaad werd het geluid van een snelnaderend vaartuig hoorbaar en even later veegde een zoeklicht over het water, kort daarna nog een.
"Daar heb je ze al", zei de man, die de komst van een torpedojager voorspeld had.
Het was moeilijk zoeken. De beide jagers voeren zeer snel en in zigzaglijn. Tenslotte werden de schipbreukelingen ontdekt, want een der zoeklichten bleef geruime tijd op de sloep gericht.
"Houdt de boot zoveel mogelijk op dezelfde plaats, mannen, dat is makkelijker", zei de eerste stuurman.
"Ik ben benieuwd hoe ze ons aan boord krijgen", merkte René op.
"Het is zo donker, dat je geen hand voor ogen ziet."
"Ze zullen wel tot de ochtend moeten wachten ", antwoordde de stuurman, "maar die jager weet tenminste waar we zijn. Op de riemen!" brulde hij plotseling, toen het silhouet van de jager uit de duisternis opdoemde. Het scheelde niet veel of zij waren overvaren.
Aan boord van het oorlogsschip had men blijkbaar de afstand verkeerd berekend. Weer flitste het zoeklicht op en even lag de sloep in het volle licht. Toen werd alles weer donker. Er werden lichtseinen gegeven - "wachten tot de dag aanbreekt."
"Leuke boodschap", bromde de stoker.
"Wou jij liever verzuipen?" vroeg de stuurman. De ander gaf geen antwoord. "En nu koppen dicht", vervolgde hij, "en zachtjes aan met de riemen, je weet nooit of er geen moffen in de buurt zijn. Dan hebben ze het seinen van de jager gezien. Oppassen dus."
Zwijgend zaten de mannen bijeen; het geluid der riemen was nauwelijks hoorbaar.
De nacht duurde eindeloos en zij werden koud tot op het gebeente.
Eindelijk begon het te dagen en nu zagen zij, dat zij een eindweegs van de torpedojagers verwijderd waren. De mannen in de sloep gingen rechtop staan, sloegen de armen voor de borst samen om zich te warmen en begonnen opmerkingen te maken over wat nu zou gaan gebeuren.
Aan boord van de torpedojagers was men blijkbaar de richting, waarin de sloep zich bevond, kwijtgeraakt. "Ze varen verkeerd", zei de man aan het roer, "zal ik bijdraaien, stuurman?"
"Ga je gang. Roeien mannen, als de bliksem!" commandeerde de stuurman. De mannen volgden het bevel prompt op.
"Godverdomme! Ook dat nog", vloekte de man aan het roer plotseling.
"Moffen."
"Waar?"
"Aan bakboord. Neen stommeling niet op het water, in de lucht. "Moffenverkenners."
"Dat schorum gaat natuurlijk schieten", voorspelde de stoker.
"Roeien, geen gezwam", commandeerde de stuurman.
De verkenners naderden snel. Aan boord van de torpedojagers begon het luchtdoelgeschut te vuren.
"Geef ze van katoen!" schreeuwde een roeier. Een der verkenners dook tot op enkele honderden meters boven de sloep en vloog toen verder; snel won hij hoogte.
"Daar zijn we goed afgekomen, stuurman", zei de stoker.

 

85.

"Afwachten of ze terugkomen."
Zij kwamen terug.
"Dokter pas op, er komt werk aan de winkel", voegde de man, die al eerder zo'n grapje had meegemaakt, René toe.
"Niet veel, ik heb niets bij me behalve m'n zakdoek."
Nauwelijks had René deze woorden gesproken of de verkenner dook opnieuw en gaf een vuurstoot af, maar miste faliekant. Hij verloor echter de moed niet, wendde en viel opnieuw aan. Nu vlogen de splinters de mannen om de oren. Een der roeiers tuimelde met een stuk van de verbrijzelde riem in zijn handen op de bodem. "Zij hebben me te pakken."
René stond op, ging, zich vasthoudende aan de roeiers, die hij passeerde, naar de gewonde, knielde bij hem neer, maakte zijn kleren los en zocht de wond. "Valt mee, in elk geval niet dodelijk. Blijf zo liggen, zometeen zijn we aan boord", zei hij tot de gewonde. Daarna dekte hij de kleren weer losjes over hem heen.
Een der torpedojagers was nu vlakbij en minderde vaart; het zware gedreun der terugslaande machines was in de sloep duidelijk te horen. De andere jager rende als een jachthond de omtrek af.
Er werden lijnen uitgeworpen, eerst werd de gewonde aan boord gehesen en toen de overige bemanning. René en de stuurman sloten de rij.
"Je bent toch ook een ijzeren Hein, dokter. Heb je veel gevaren?" vroeg de stoker.
"Ruim twee jaar."
"Ik bedoel vóór de oorlog."
"Nooit."
"Bent U nooit bang?"
"Niet meer. In het begin wel."
De stoker keek hem nadenkend aan, terwijl zij over het dek liepen, voorzoverre van lopen sprake was, want het schip voer weer op volle toeren en slingerde ontzettend.
"Vind je het niet vuil dokter?" vroeg de stoker, toen zij samen op het dek rolden.
"Wat?" vroeg René, terwijl hij zijn dijbeen wreef.
"Dat die verkenner op ons schoot, we zijn toch schipbreukelingen." "De hele oorlog is vuiligheid. Schipbreukelingen, die op het punt staan gered te worden zijn weer aspirant-vijanden en in de oorlog moet je zoveel mogelijk vijanden doodmaken of gevangennemen, maar dat laatste kan zo'n verkenner niet doen en daarom probeert hij maar je dood te schieten. Snap je?"
"Ik snap het, maar vuil is het toch."
"Waarde vriend", zei René, "nu zal ik proberen de commandant van dit schip te bereiken, ik moet m'n opwachting nog maken. Kunt U mij helpen?" vroeg hij vervolgens aan een matroos van de jager die met een brede grijns naar het op het dek liggende tweetal stond te kijken.
"Jawel meneer", antwoordde deze en hielp hem opstaan.
Veilig belandde hij bij de commandant, die zich als Stanton voorstelde.
"Van Hove", antwoordde René, waarbij hij "van" Engels uitsprak om te voorkomen, dat het weer als "von" werd verstaan. "Hollander" voegde hij eraan toe.
"Hollander? Hoogst aangenaam, neemt U plaats."
De stuurman was ook aanwezig en gedurende enige tijd spraken de mannen over wat er verder moest gebeuren.
"Mijn opdracht is te proberen het convooi terug te vinden, ik weet de koers. Lukt het om een of andere reden niet, dat moeten we terug en in IJsland brandstof innemen."
Een paar uur later werden Duitse bommenwerpers gemeld. Het luchtdoelgeschut begon weer te vuren, wat niet verhinderde, dat de jager getroffen werd met als resultaat twee gewonden en een beschadigd dek.
René hielp de gewonden zo goed hij kon.
Een tweede aanval had generlei resultaat en hetzelfde was het lot van de beide daarop volgenden. Toen echter trof een bom het achterdek en richtte een grote ravage aan.
De commandant besloot nu het tweede deel van zijn order uit te voeren en zette koers naar IJsland. Om een of andere reden lieten de bommenwerpers hem kort daarop met rust en verdwenen in de richting van de Noorsche kust.
"Het is dit keer geen vlotte reis voor U, heren", zei de commandant schertsend, toen zij gezamentlijk de lunch gebruikten.

 

86.

"Weer eens wat anders", antwoordde René, waarop de commandant hem verwonderd aankeek.
"De dokter is zo", lichtte de stuurman hem in.
"Hoogst interessant", antwoordde de Engelsman. "Denkt U er nooit aan, dat het mis kan gaan, dokter?"
"Neen nooit."
"Zoveel vertrouwen in Uw veine of spleen?"
"Geen van beide. Alles wat ik voor het eerst meemaak, boeit me." "Vind U de oorlog boeiend?"
"De oorlog zelf niet maar wel de mensen - hoe zij zich gedragen in deze barbaarse situatie. De oorlog vind ik vervelend."
"Dat begrijp ik niet."
"Och, het is altijd hetzelfde."
"Is dat niet met alles zo in het leven?"
"Neen zeker niet. Het leven is alleen maar vervelend, voorzoverre het gemechaniseerd is, want daardoor is het eigenlijk geen leven meer."
"Hoe wilt U oorlog voeren zonder mechanisatie?"
"Ik wil helemaal geen oorlog voeren en verder weet ik wel, dat U gelijk hebt, maar dat verandert niets aan het feit, dat door de mechanisatie de mens ophoudt te leven. Kijk maar eens naar de Duitse kadaverdiscipline, de uiterste consequentie, en toch leert datzelfde volk, dat jede Konsequenz zum Teufel führt."
"Wat betekent dat meneer van Hove?", vroeg de commandant.
René vertaalde de woorden.
"Elke consequentie? Moeten wij deze oorlog niet consequent doorvoeren?"
"En wie zegt, dat we dan niet bij de duivel terecht gekomen zijn, dat we helemaal gemechaniseerd zijn en geen persoonlijkheid meer bezitten."
"Bent U daar bang voor?"
"Voor mijzelf niet. Ik doe niet mee."
"Ziet U het leven dan als een toneelvoorstelling?"
"Misschien."
"En bent U alleen maar toeschouwer?"
"Niet in het stuk, dat ik zelf speel."
"Wat is dat voor een stuk, dokter?"
"M'n eigen leven."
"Interessant?"
"Ja, meneer Stanton."
De commandant glimlachte. "Een merkwaardige levensbeschouwing meneer van Hove", zei hij tenslotte en beëindigde zijn maaltijd.
"De heren excuseren me? Ik moet naar de brug. Gaat U misschien mee?" René en de stuurman voldeden gaarne aan zijn verzoek. Snel gleed de jager door de golven.

------------------------

Rijkjavik. Een messroom. Amerikaans eten en drinken. Amerikaanse muziek en conversatie. Dag en nacht het gedonder van vliegtuigen.
Binnenvallende en vertrekkende convooien. Mist.
Stanton had René uitgenodigd mee te gaan naar Engeland, wanneer de Torpedojager voldoende zou zijn hersteld, maar hij had bedankt.
"Ik verlang naar mijn vrouw en kinderen, meneer Stanton, en die zijn in Amerika."
"Ik begrijp het", had Stanton geantwoord. "Het spijt mij, want ik zou U graag bij mijn vrienden geïntroduceerd hebben."
"Later misschien", was het antwoord van René geweest. "Geef mij Uw adres."
Stanton had zijn kaartje gegeven. Nu zaten zij in de messroom. De radio schetterde het laatste nieuws. Vooruitgang, op alle fronten, vooral in Rusland.
"Wat zou er van de hele zaak terechtkomen, als de Russen er niet waren?" zei René, met welke woorden een Amerikaanse kolonel het geheel niet eens bleek te zijn. Volgens hem waren Amerika en Engeland volkomen in staat Duitsland te verslaan zonder Russische hulp.
Het was niet voor de eerste maal, dat René deze opvatting hoorde verkondigen, maar hij had geen lust hierover in discussie te treden, omdat hij reeds sinds lang tot het inzicht gekomen was, dat de nationale ijdelheid niet alleen een zeer algemeen verspreide ziekte was, maar bovendien ongenezelijk. Daarom haalde hij slechts de schouders op en zweeg. Het gevolg was, dat de kolonel zich geroepen voelde breed uit te wijden over de superioriteit der Amerikaanse techniek,

 

87.

welke wiskundig zeker tot de overwinning moest leiden.
Beleefdheidshalve maakte René nu de opmerking, dat hij geen blinde bewonderaar van de techniek was, omdat hij als arts belangstelling had voor het leven en niet voor de dood. Dit begreep de kolonel niet. "Vind U het bij ons in Amerika dan zo'n dooie boel, dokter?" "In zeker opzicht wel; mijns inziens mankeert er nogal iets aan de ontwikkeling der persoonlijkheid in Uw land. Maar laten wij er liever niet verder over praten, kolonel, ik geniet gastvrijheid in Uw land en wil niet ondankbaar schijnen."
"Zoals U wilt, dokter. U bent waarschijnlijk erg conservatief." "Conservatisme is niet helemaal verkeerd, kolonel. Laten wij drinken op de overwinning van Amerika."
"En van Holland", repliceerde de kolonel.
"Dan mogen we Engeland niet vergeten", zei René, "want het land van meneer Stanton heeft volgehouden, toen het alleen stond."
Stanton maakte een lichte buiging. "Dank U, meneer van Hove."
"Laten we nu nog een whisky drinken zonder al die plichtplegingen", stelde de kolonel voor, "want we zouden anders te ernstig worden.
Dat is niet goed, als je elk ogenblik kunt doodgaan."

-----------------------

Mist. Er lag een klein convooi gereed om naar Amerika terug te keren. René bevond zich als passagier aan boord van een der schepen.
Het afscheid van Stanton was hartelijk geweest en René had beloofd hem te zullen bezoeken, zodra hij in Engeland kwam. Hij hoopte, dat Stanton dan binnengaats zou zijn.
De avond voor zijn vertrek had de kolonel op zijn gezondheid gedronken. "U bent een prettige kameraad geweest, Hollander, al bent U soms te ernstig."
Nu zou hij eindelijk naar huis terugkeren, als er tenminste niet nog meer ongelukken gebeurden. Er gebeurde niets en op een koude Decembermiddag vielen zij de haven van New-York binnen.
Hij meldde zich en vroeg toestemming met de avondtrein naar Detroit te vertrekken, waartegen geen bezwaar bestond.
Als hij thuiskwam, zouden zij wel naar bed zijn. Hij zou zo weinig mogelijk leven maken om de kinderen niet te wekken. Wat zou Annette verbaasd zijn en blij. Het was de eerste maal dat hij in de nacht thuis kwam. Hij verlangde ernaar haar gezicht te zien.
Het huis was donker, toen hij de voordeur opende. Op zijn tenen liep hij naar de slaapkamer. Onder de deur van Susan's kamer scheen licht. Vreemd. Zou zij nog op zijn?
Nu opende hij de slaapkamerdeur en knipte het licht aan. Annette bewoog zich en wendde haar gelaat naar de muur. "Wat is er Susan?" hoorde hij haar mompelen. "Waarom slaap je niet? Er komt heus niemand."
"Jawel, ik", zei René.
Met een ruk zat zij overeind, wreef zich de ogen en keek verwonderd naar hem. "Jij? Oh!" Zij strekte de armen naar hem uit. "Oh René, wat zalig."
Hij ging op de rand van het bed zitten en nam haar in zijn armen; een tijdlang spraken zij geen van beiden. Eindelijk maakte zij zich los. "Ik sta op. Ga mee naar beneden. Ik ga koffie zetten. Oh René, wat heerlijk, dat je er bent en hoe lang blijf je nu?"
"Een maand, liefste, een hele maand."
Zij trok een gewatteerde tabakskleurige ochtendjas aan, die haar flatteerde, greep hem bij de hand en holde de kamer uit.
Plotseling verscheen het dodelijk verschrikte gezicht van Susan om de deur. "De dokter is thuisgekomen, Susan", riep Annette.
"Oh, oh, de dokter. Ik schrok zo mevrouw, ik dacht..."
"Ja, het is al goed. Nu hoef je helemaal niet bang te zijn, nu meneer er is."
"Zal ik opstaan, mevrouw? Moet ik helpen?"
"Neen Susan, ga maar weer slapen. Morgen is het feest. De kinderen blijven natuurlijk thuis. Zeg Susan, de dokter blijft een maand."
"Oh, oh, oh, " juichte het meisje, terwijl zij de handen samensloeg, "ik ben zo blij."
"Welterusten!" riep Annette. "Gauw gaan slapen" en voort liep zij met René naar de eetkamer, waar zij terstond druk bezig was met het gereed maken van de koffie, terwijl zij hem inmiddels met vragen overstelpte.
"Lieve schat, als je 'n ogenblik wilt zwijgen, zal ik enkele vragen beantwoorden. Allemaal is onmogelijk. Ik aanbid je,

 

88.

zoals je bekend is, maar de meest devote aanbidder kan een zoveel eisende godin niet voldoen. Luister dus even, als het kan. Wij gingen naar Moermansk. Het schip, waarop ik voer, werd getorpedeerd." Met een smak viel de koffiemachine op de grond. Doodsbleek staarde Annette hem aan, haar handen trilden. Snel liep hij op haar toe, nam haar in zijn armen en suste - "schrik toch niet zo, kindje, ik ben er toch."
Zij lachte nerveus. Samen raapten zij de machine op, die uit elkaar gevallen was. René herstelde de schade zo goed mogelijk. "Lieve schat, 'n torpedo is niets bijzonders, het ding maakt alleen een ontzettende herrie, als het ontploft. Luister nu verder. Wij werden opgepikt door een torpedojager, die werd aangevallen door bommenwerpers.
We kregen een paar treffers. Toen naar IJsland. Wachten op een convooi.
Eindelijk was er een. En nu - hier ben ik."
Annette gaf geen antwoord.
"Geloof me schat, het was niets bijzonders. Van elk convooi gaan altijd een paar schuiten naar de kelder, soms een paar paar." "Verdrinkt daar dan nooit iemand bij?" vroeg zij met een zwak stemmetje.
"Ja natuurlijk, maar het valt allemaal erg mee."
"Nu slaap ik niet meer, als je weg bent." Zij huilde.
"Nonsens! 't Is in ruim twee jaar de eerste keer en ik heb geen schram opgelopen. Let liever op de koffie, de boel vliegt zometeen uit elkaar."
Snel trok zij de stekker uit het contact en nam een paar koppen uit het dressoir. "Je wilt ze toch zwart hè?" Haar stem klonk vermoeid.
"Ja. En jij ook. Had ik m'n mond maar gehouden. 't Is volkomen onbelangrijk en jij denkt, dat het iets verschrikkelijks is."
"Maar er komen toch mensen bij om. Doe nu niet alsof het niets is."
"Engel mijn's hartens, er komen ontzettend veel mensen om bij het doodgewone autoverkeer. Moet ik daarom wakker liggen, omdat jij wel eens in een taxi zit?"
"'t Is tóch niet hetzelfde", wierp zij tegen. "Je probeert alleen maar mij wijs te maken, dat 'n torpedo zoiets als een voetzoeker is." "Dat is-ie ook. Een voetzoeker dient om de mensen aan het schrikken te maken en een torpedo heeft hetzelfde doel voor schepen. Onze schuit kroop van schrik onder water."
"Naarling!" Zij liep op hem toe en schudde hem dooreen, waartegen hij zich verweerde door haar op schoot te nemen.
"En vertel jij me nu eens, snoezepoes, wat hier in die tussentijd gebeurd is. Waarschijnlijk niets."
"Heel veel", antwoordde zij timide.
"Heel veel? Wat dan wel?"
En nu vertelde zij moeizaam en met lange tussenpozen het drama met Reeling. Toen zij uitgesproken was, ging zij van zijn schoot af en nam op een stoel aan tafel plaats. De koffie was koud geworden. Zij nam andere koppen en schonk opnieuw in.
René kon zijn blik niet van haar afwenden.
"Wat is er, René? Waarom kijk je aldoor zo naar me?"
"Dat je dat kon. Dat je alles alleen kon. Het is ontzettend."
"Vind je het erg, René?"
"Neen lieveling, ik vind het vreselijk en vreselijk dapper. Goddank, dat Susan er was."
"Ja zeker goddank. Wat 'n cocktail hè? Lucie's haat tegen mij, Reeling, Susan en dan een verkrachtingspoging. Resultaat - een dode Reeling - symbool van alle schoffering. Hij was een schoft."
Zij zweeg even en vervolgde toen - "Zijn hier niet alle gegevens aanwezig voor 'n keukenmeiden-roman? Het leven is tegenwoordig niet veel beter. God René dat jij, die zo zuiver bent..."
"Ik ben niet zo zuiver", interrumpeerde hij.
"Onzin. Ik voel me soms bezwaard, want ik ben toch mede schuldig aan de dood van Reeling."
"Dat is wel een erg Dostojewskiaanse redenering, liefste."
"Mogelijk, maar ik voel het zo. Ik ben uit dit drama niet weg te denken - Lucie trouwens ook niet."
"En die soldaten, die Susan verkrachtten, evenmin en Reeling wel het allerminst. Je moet je aansprakelijkheid niet te ver drijven."
"Dat doe ik niet, René. Ik vind het alleen ellendig."
Je deed toch niets met opzet."
"Neen, zeker niet en het kan me ook niet schelen, dat Reeling doodgeslagen werd, maar dat ik in die smeerboel betrokken ben, dat vind ik erg, en het ergste voor jou."

 

89.

"Voor mij? Waarom om godswil?"
"Omdat jouw spheer zo heel anders is."
"Dacht je dat? Ik heb Agnes vermoord."
Het hoge woord was eruit. Hij schrok, toen hij het zich hoorde zeggen. Annette keek hem aan met een grenzeloze ontroering in haar grote grijsblauwe ogen. "Vertel verder", zei ze rustig.
Hij vertelde alles, ook zijn wroeging en angst.
Zij knielde bij hem neer. "Waarom heb je niet eerder gesproken?
Waarom al dat verdriet alleen te dragen? Ik ben toch je vrouw. Je deed het niet opzettelijk, evenmin als ik, en het is niet eens een smeerboel, alleen maar 'n vergissing uit wanhoop. Waarom is wat Susan deed goed en wat jij deed verkeerd. Jij deed het niet eens bewust."
"Ik weet het niet, maar wel geloof ik nu in staat te zijn mijzelf vergiffenis te schenken. Dat is moeilijk. Ik wilde geen kwaad doen, maar ik wist niet, dat het zo met me gesteld was. Het leven is soms totaal ondoorzichtig."
Zij kuste zijn handen.
"Ik heb je lief met een zuivere liefde, Annette. Is de zuivere liefde een mensenleven waard?"
"Ja! denk aan Reeling."
"Hij viel jou aan."
"Agnes viel op haar manier aan. Zij eiste de dood van onze liefde.
Met welk recht? Jij hebt ontzettend geleden, René, door een misverstand, misverstand in dubbele betekenis. Nu moet je jezelf vergeven om mijnentwil."
"Annette, je bent een juweel, waarin Gods genadevolle glimlach spiegelt."
Lang zaten zij bijeen, hand in hand. Eindelijk gingen zij ter ruste, wetende, dat zij hiervoor niet al te veel tijd meer hadden, want Susan zou de kinderen zeker vroeg wekken om ze het grote nieuws te vertellen. Zij lagen dan ook nog in diepe slaap, toen Paulientje en Hansje binnenstormden regelrecht uit hun slaapkamers.
Hansje begon een Indianendans uit te voeren, terwijl Paulientje op de rand van het bed ging zitten er haar hoofdje tegen René's wang legde. "Susan zegt, dat je een maand blijft, dad. Is dat een hele maand?"
"Een hele maand, ja, heus waar."
"Vertel eens wat, vader", zei Hansje, die bij het bed was gaan staan na zijn krijgsdans beëindigd te hebben.
"Wat wil je weten, mijn zoon?"
"Hoe was de reis? Waar ben je geweest? Heb je moffen gezien?"
"Een torpedo. Twee bommen. Schip gezonken. In 'n reddingsboot.
Toen op een torpedojager naar IJsland. Daar vandaan naar huis."
"Jeeminikkie!" zei Paulientje. "Reuze", vulde Hansje aan. "Vertel verder vader."
René vertelde in geuren en kleuren, de kinderen luisterden met hoogrode gezichten. Hansje keek met onverholen bewondering naar zijn vader. Paulientje streelde zachtjes zijn haar. "Je moet maar niet meer weggaan, vader", zei ze, toen René uitverteld was.
"Dat zal ik wel moeten", antwoordde hij, "maar niet voor Januari en het volgend jaar winnen we de oorlog."
"Wat doen we dan als het afgelopen is, vader?"
"Dan gaan we weer naar Nederland."
"Jassus!" zei Hansje en zijn stem drukte grenzeloze minachting uit. "Wat moeten we in Nederland doen?"
"Ik werken en jullie naar school, dus ook werken."
"We gaan hier toch ook naar school en jij werkt nu toch ook."
"Je denkt toch niet, dat ik van plan ben m'n hele leven te blijven varen? Maar geen gezeur, ingerukt mars, wassen, aankleden, ontbijten. Vandaag is het feest."
De kinderen holden weg. Annette en René stonden op.

------------------------

90.

HOOFDSTUK XVII.

De maand December was in een opgewekte stemming voorbijgegaan, Oudejaar gevierd met veel lekkers en de kinderen hadden tot een uur 's nachts mogen opblijven. De hele avond had op hun verzoek de radio geschetterd tot wanhoop van René, die zei, dat hij liever Duitse bommenwerpers en mitrailleurs hoorde dan Amerikaanse muziek, maar de kinderen waren onverbiddelijk. Zij genoten van het lawaai en al het lekkers en vergaten, dat vader weer gauw weg moest.
Voor Annette lagen de dingen anders; zij was in een enigszins sentimentele stemming, waarvan angst, dat dit de laatste Oudejaarsavond zijn zou, de grondtoon uitmaakte.
René genoot het ogenblik. Hij was met vrouw en kinderen.

Toen zij de eerste Januari 1944 opstonden, vermoedden zij niet, dat het jaar van de algemene Duitse terugtocht begonnen was. Wel had René voor dit jaar de overwinning voorspeld, maar niet uit hoofde van een voorgevoel, doch slechts terwille van de kinderen.
De dagen, die hem na Nieuwjaarsdag noch van zijn verlof restten, brachten zij rustig door. Annette en hij praatten een enkele maal nog over de dingen, die hen de nacht van zijn thuiskomst zo intens hadden bezig gehouden, maar voor het overige leidden zij het leven van jonggehuwden, wanneer de kinderen niet thuis of naar bed waren.
Maar tenslotte moest René weer naar zee. Het afscheid viel zwaar, zoals de eerste maal, en eigenlijk nog zwaarder omdat sindsdien René voor het eerst in direct levensgevaar had verkeerd, terwijl hij door het gebeurde met Reeling het gevoel had gekregen haar niet te kunnen beschermen. De wereld wemelde van gespuis - het was oorlog. Maar hij moest en dus ging hij.

Varen. Voortdurend tussen Amerika en Engeland. Een irriterende eentonigheid, waarin alleen de jacht op duikboten enige afleiding bracht. Lange afstandsbommenwerpers interesseerden niemand meer.
Een paar maal had hij Stanton's huis opgebeld, maar deze was elke keer afwezig.
De gealliëerde overwinningen volgden elkaar snel op, vooral in Rusland, maar desondanks gingen de zaken niet vlug genoeg naar René's zin. In het bijzonder kwamen hem de vorderingen der Engelsen en Amerikanen beuzelachtig voor. Wanneer zou om's hemels wil eindelijk de invasie beginnen?
Toen hij in Mei weer in New-York aankwam, werd hem medegedeeld, dat hij vijf dagen verlof had en zich dan gereed moest houden om naar Engeland te vertrekken.
"Ik doe niet anders", antwoordde hij meesmuilend.
"U blijft er dit keer voorlopig."
"Ik denk er niet over."
"Bevel is bevel."
"Heil Hitler."
"Luister eens, dokter, laten we nu geen onaangenaamheden krijgen.
Misschien wordt het U duidelijk, als ik zeg, dat U niet naar Engeland gestuurd wordt om daar dienst te doen. U bent ergens anders nodig."
"Komt het eindelijk zo ver? Het wordt tijd."
"Laten we er niet over praten. Ik heb U het een en ander gezegd om U voor te bereiden."
"Dank. U."

Terneergeslagen kwam hij thuis. Annette trachtte hem te troosten, maar begon al heel spoedig zelf te huilen en toen de kinderen hoorden, waarom zij zo verdrietig waren, werd de stemming er niet vrolijker op, tot René zich vermande. Waarom die paar dagen te verknoeien?
Ze konden beter proberen afscheid te nemen in een overwinningsstemming, zoiets van "nog even de tanden op elkaar".
Annette stemde met hem in, maar diep in haar schreide het. Hoe lang zouden zij elkaar niet zien? En zou hij dit laatste gevaar overleven? Maar zij hield zich flink. Toen echter het ogenblik van afscheid was aangebroken, verloor zij haar zelfbeheersing en huilde zich de ogen rood. Zo groot was haar verdriet, dat René voorstelde te deserteren, maar zij schudde ontkennend het hoofd.
Spreken kon zij niet.
Regel wit

91.

Zolang hij ze zien kon stond hij te wuiven. Toen ging hij met langzame schreden, rechtop, de lippen opeen geklemd naar zijn schip.
Er liepen allerlei geruchten aan boord en er heerste een opgewonden stemming, omdat iedereen overtuigd was, dat de invasie, waarover reeds zoveel gesproken en geschreven was, nu eindelijk zou plaatsvinden.
In de mess werd heftig gediscussieerd, maar meer dan ooit hield René zich afzijdig en wanneer de anderen hem in het gesprek betrokken, bleef hij uiterst sober in zijn antwoorden. De invasie moest immers eens komen en hij was er ook zo wel van overtuigd, dat de geallieerden in technisch opzicht een topprestatie zouden leveren. Hij wilde graag erkennen, dat deze prestatie indrukwekkend zou zijn, maar de techniek had nu eenmaal zijn hart niet gestolen en het viel hem in zijn huidige situatie moeilijk om contact te krijgen met de mensen om hem heen. Het liefst vertoefde hij aan het dek, zijn gedachten bij Annette en de kinderen of op de toekomst gericht. Zou hij eigenlijk wel naar Nederland teruggaan? Waar dan heen? In Amerika wilde hij in elk geval niet blijven. Azië? Hoe zou de toestand daar zijn na afloop van de oorlog? Alleen zou hij er gemakkelijk genoeg heen kunnen gaan, want daar zou waarlijk wel gebrek zijn aan artsen, maar hij moest rekening houden met Annette en de kinderen.
En Europa? Als hij daar bleef of liever als hij erheen terugkeerde lag het het meest voor de hand om zich weer in Nederland te vestigen. Maar dan niet in Amsterdam, ergens buiten - zijn oude illusie.
De nacht begon te vallen. Rustig vervolgden de schepen hun weg.
Overmorgen zouden zij in Engeland zijn. Als dan om's hemels wil de invasie maar niet meer te lang op zich liet wachten, want dit stomme varen, waarbij hij vrijwel nooit iets te doen had, verveelde hem dodelijk.

---------------------

Toen hij van het schip, waarop hij geplaatst was, in de vroege morgen van de zesde Juni 1944 de Armada aanschouwde, die voor de Franse kust lag, raakte hij ondanks zichzelf onder de indruk, maar al spoedig trok hetgeen zich aan de kust afspeelde, zijn aandacht.
De landing was blijkbaar reeds begonnen en alles verliep snel. Als het nu maar gelukken zou stand te houden en een einde te maken aan deze driewerf vervloekte oorlog.
Hoe zou het thuis zijn? Daar wisten zij het grote nieuws natuurlijk al of anders binnen enkele uren. De invasie begonnen!
Hij had ervoor gezorgd, dat hij aan land te werk gesteld zou worden en zou oprukken met het leger. Niet nog langer de verveling van het varen. En dan proberen naar Nederland te komen. Waarom eigenlijk?
Er was daar niets wat hem trok. Zijn ouders, als ze tenminste nog leefden, en zijn schoonvader, ofschoon hij zich niet wijsmaakte, dat hij bijzonder hevig naar de oude heer ten Brugge verlangde, die trouwens al stokoud was, als hij intussen niet gestorven was.
Was het misschien het onberedeneerde, irrationele verlangen naar het dierbare plekje grond waar zijn wieg eens gestaan had? Die was er in elk geval niet meer en of zijn huis nog overeind stond, was ook een vraag. Welbeschouwd trok zijn huis hem niet. Natuurlijk waren er herinneringen, die hem lief waren door de kinderen, maar er was ook die andere herinnering, waarmede hij zich nu wel verzoend had, maar die altijd een schaduw zou blijven. Het is niet goed in een huis te leven, waar al te veel schaduw is.
Eigenlijk was zijn verlangen naar Nederland dus niet zo bijster goed gefundeerd, behalve in dit ene opzicht, dat het zijn vaderland was, het lage land met de oneindige wijdheid der luchten. Jammer, dat er zoveel mensen woonden.
Terwijl de vliegtuigen in ontelbare massa's door de lucht raasden en hun oorverdovend lawaai voegden bij de zware donder der vuurmonden op de schepen, dacht hij aan zomerdagen, als hoog langs de hemel de witte wolkenkastelen zeilen en hij zich blij en sterk voelde in de wapperende wind. Maar ook aan andere dagen, stille grijze dagen van November, vol tere weemoed.
Er waren landen met een veel geweldiger en indrukwekkender landschap, maar zij missen de innigheid van Nederland. En temidden van de vuurstorm was hij zich bewust, dat deze innigheid integrerend bij hem behoorde.

 

92.

Hoe zou het zijn, hoe zou hij het vinden? Verwoest? Beschadigd zeker, maar in welke mate? Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord, doordat iemand hem kwam roepen, maar de hele dag liet het beeld hem niet los. Hij verlangde heel intens, ook naar Annette en de kinderen.

---------------------------

De dagen rijden zich tot weken, de weken werden maanden. Uit de de legerberichten sprak grote tevredenheid over de bereikte resultaten, maar René voelde zich teleurgesteld. Met de legers van Montgomery was hij noordwaarts getrokken in de richting van de Belgische grens, een betrekkelijk langzame beweging. De éclatante successen waren de Amerikanen voorbehouden. Zojuist hadden zij Parijs genomen. Annette schreef, dat men in het gehele land tevreden was.
Er liepen geruchten over meningsverschillen in het hoofdkwartier; Eisenhower scheen een grote diplomatie te moeten beoefenen. Er werd van gesproken, dat Montgomery ontevreden was, omdat de hem opgedragen taak weinig spectaculair was. Dit alles interesseerde hem eigenlijk niet. Ze mochten onderling zoveel harrewarren als ze wilden, mits ze opschoten.
De vijfde September was hij in Brussel. In snel tempo rukten de troepen op naar de Nederlandsche grens. Nergens werd tegenstand van betekenis geboden. Berichten stroomden binnen - en geruchten.
De grens zou al overschreden zijn, de weg naar Amsterdam lag open.
's Avonds in een restaurant dronk hij met een paar officieren op de bevrijding van het vaderland. Diezelfde nacht schreef hij een lange brief aan Annette en aan de kinderen. Hij gaf nauwkeurige instructies omtrent wat zij te doen had, als Nederland bevrijd zou zijn, hoe zij zo snel mogelijk zouden kunnen overkomen en hij kon niet slapen van vreugde bij het vooruitzicht hen spoedig weer te zien.
Doch de grote geluks-verwachting duurde slechts kort. Het leger was aan de grens tot stilstand gekomen en zo bleef hij in Brussel stil en vereenzaamd en deed zijn werk plichtsgetrouw. Een schipbreukeling, die niets overbleef dan het verlangen naar de verre haven.
Een grijze melancholie maakte zich van hem meester, grijs als de lucht boven het winterse Vlaanderen. Gebleven was slechts de troost der brieven van en aan Annette en de kinderen. Zij schreef hem altijd opgewekt en talrijk waren de détails, die zij hem deed weten van het leven van Paulientje en Hansje, van Susan en van haarzelf. Sinds zijn terugkeer was Susan van haar angst genezen en liep nu weer vrolijk door het huis, nog altijd een beetje verwonderd, dat blanke mensen zo vriendelijk voor haar waren. Nooit wilde zij hen verlaten en wanneer Annette over de mogelijkheid van een huwelijk sprak, lachte zij haar gulle lach. Kleurlingen zijn overal mevrouw, in Holland toch ook. Dat er niet zoveel waren als in Amerika, liet haar onverschillig. Een is genoeg, oordeelde zij.
Ook de kinderen wilden haar niet missen. Hansje had kortgeleden met een andere jongen gevochten, die zich laatdunkend over Susan had uitgelaten. Het had hem een blauw oog en een bloedneus gekost, maar de ander miste na het gevecht een voortand en dat was erger.
Derhalve had Hansje zichzelf tot overwinnaar geproclameerd onder instemming van het merendeel der toeschouwers. Het gevecht tussen Lewis en Schmeling was er zelfs bij te pas gekomen en wel was Hansje geen neger, maar hij was toch als kampioen van een negerin in het krijt getreden en dus ging de vergelijking wel degelijk op.
Sindsdien werd hij soms met "Hallo Lewis" begroet, wat hem wel prettig in de oren klonk, al wist hij dat er jongens waren, die hem uitlachten om de vechtpartij, die noemden hem niet Lewis, maar "de idiote Hollander", al zeiden zij het hem niet in zijn gezicht, want de uitgeslagen voortand werkte als een waarschuwing.

Gelukkig was er het werk, waaraan René zich met volledige zelfovergave wijdde en dat het grootste deel van zijn tijd in beslag nam. De nachten echter bleven moeilijk.
Het leven, dat de collega's leidden, lokte hem niet. De liefde was erbarmelijk goedkoop geworden. Als de vrouwen een beursnotering hadden, hoe laag zou de koers dan wel staan? Waarschijnlijk even laag als in Shakespeare's tijd.

 

93.

Aanvankelijk hadden de collega's geprobeerd hem mee te krijgen op avontuur; er waren toch zulk verdomd aardige vrouwen in en buiten het hospitaal - á la guerre comme à la guerre. Maar hij vond hun avonturen niet bijster interessant en hun liefdeleven niet aanlokkelijk.
"Weet jij wat onze vrouwen doen?" had een hem gevraagd.
"Ja! Tenminste wat mijn vrouw doet", had hij geantwoord. "Je moet je vrouw niet met modder gooien, omdat jezelf in de goot kruipt."
Een woordenwisseling was het gevolg geweest, die een ogenblik zo hoog oplaaide, dat het er bedenkelijk uitzag, maar toen was een majoorarts tussenbeide gekomen en had met vele zware vloeken de storm bezworen. Sindsdien had men hem met rust gelaten als een man, waarmee niet te praten viel.

René had een vrije avond. Zonder zich te haasten liep hij door de gang van het hospitaal, opende de buitendeur en keek bedenkelijk naar de neerplensende regen. Erg aanmoedigend was de aanblik niet, maar hij had ook geen lust om binnen te blijven.
Terwijl hij nog stond te overwegen wat hij zou doen, trad een verpleegster naar buiten, die hij wel kende, omdat zij vaak op zijn afdeling werkte, een rustige, tamelijk gereserveerde vrouw van omstreeks dertig jaar, niet bijzonder knap, maar buitengewoon charmant.
"U treft het niet, zuster. Moet U ver weg?"
"Zover als ik wil, dokter."
"Kent U hier niemand, zuster?"
"Niemand, dokter, ik ben meegekomen uit Normandië."
"Hebt U geen bepaald doel vanavond?"
"Geen dokter. Ik zal maar een beetje in de buurt blijven met dit weer."
Zullen we elkaar gezelschap houden, zuster? Ik ken hier ook niemand." "Waar wilt U heen?"
"Een of ander restaurant. U hebt 't voor het zeggen."
"Graag dokter, maar we worden kletsnat."
"Vind U het erg?"
"Neen, het is oorlog."

Zij waren in het eerste het beste café, dat er ooglijk genoeg uitzag, neergestreken. De druipnatte jassen hingen aan de kapstok en nog een beetje rillerig zaten zij tegenover elkaar, verlangend iets te drinken, dat verwarmde. Er was wel iets, maar erg zwart - echte Franse Bénédictine. Hij bestelde twee glazen en Engelse sigaretten, omdat hij de zijne in het hospitaal had laten liggen.
Het gesprek wilde eerst niet vlotten. Om haar op haar gemak te stellen vertelde hij van zijn huis bij Detroit en hoe vaak hij verlangde er even om een hoekje te kunnen kijken. "Waarom bent U niet in Normandië gebleven, zuster, dan was U vlak bij huis."
"Er bindt mij niet veel daarginds. Mijn man was bij de maquis en is gesneuveld en mijn huis is tijdens de gevechten verwoest. Verder kwam het toevallig zo uit, dat ik telkens meeging met het leger."
"In ieder geval is het goed, dat U werk hebt, dat leidt af; ik heb de indruk, dat U voor de thans gebruikelijke afleiding niets voelt."
"Neen", antwoordde zij een tikje schuchter.
"Ik ook niet", zei hij op vlakke toon. "De collega's vinden me 'n idiote conservatief, maar dat interesseert me niet."
"Ik begrijp een leefwijze als die van Uw collega's niet, dokter, ik vind het zo onsmakelijk."
"Zij niet. Zij zien dat alles in de eerste plaats van de physieke kant."
"U gelooft blijkbaar in de liefde, dokter."
"Wis en waarachtig."
"En gelooft U ook, dat het mogelijk is, dat iemand van twee mensen houdt?"
"Hemelse goedheid" - hij lachte hartelijk - "het vraagstuk van de dubbele liefde. Eerst moet ik nog een Bénédictine hebben." En toen tot de kelner, die hij naar hun tafeltje gewenkt had - "Als onze glazen leeg zijn, vul ze dan."
"Maar ik kan niet zoveel drinken, dokter", wierp zij verschrikt tegen.
"Dan drinkt U Uw glas niet leeg. Heel eenvoudig."
"Eigenlijk", zei zij, "moet U mijn vraag wel dwaas of verdacht vinden. Laat ik U daarom iets uit mijn leven vertellen."

 

94.

Het verhaal, dat nu volgde, bevatte een der talloze geschiedenissen van een vrouw, die van haar man houdt en toch een liaison aangaat.
Maar was dit overkomen in de tijd, toen haar man in de maquis vocht.
Zij had een grote behoefte aan warmte en hartelijkheid en was nogal romantisch. Toen was de andere gekomen, een onderduiker, die de verzetsbeweging haar op het dak gestuurd had, een fijngevoelig, kunstzinnig man. Zijn artistieke handen en de zachte vriendelijkheid in zijn stem hadden het haar aangedaan. Twee verlatenen in een stille afgelegen woning.
Op zekere dag hadden de Duitsers hem gegrepen, toen hij uitgegaan was om een luchtje te scheppen. Kort daarna was de invasie begonnen en had zij vernomen, dat haar man gesneuveld was. Zij beschouwde dit als een straf voor haar zonde en had besloten haar leven voortaan alleen aan anderen te wijden.
De kelner bracht René zijn derde glas, waarbij hij van de gelegenheid gebruik maakte om nog een pakje Engelse sigaretten te bestellen, nu van twintig stuks.
"U neemt de dingen te zwaar", wendde hij zich vervolgens tot zijn gezellin. "Uw man zou toch gesneuveld zijn. En als die andere dood is, heeft hij tenminste nog het grote geluk gekend in het leven.
En dat hebt U hem gegeven. Vind U, dat U daarvoor straf verdient?" "Ik heb mijn man toch bedrogen."
"Had U hem dan een briefkaart moeten sturen met de mededeling, dat er een ander was?"
"Neen dokter, maar ik heb hem toch, zoals dat nu eenmaal heet, bedrogen. Ik had een man en een ander."
"Inderdaad, U pleegde overspel."
"En dat is zonde." Langzaam dronk zij haar glas leeg. De kelner die de cigaretten bracht, nam het mee, wat haar de uitroep ontlokte, dat zij teveel dronk.
"Hemelse goedheid zuster, is dat ook al 'n zonde? Waarom mag een mens niet eens 'n borrel teveel drinken?"
" 'n Borrel teveel is niet hetzelfde als een man teveel."
"Dat ben ik met U eens, maar in Uw omstandigheden was er geen man teveel. De mens kan bij brood alleen niet leven, maar ook niet enkel bij theorie en Uw huwelijk was tamelijk theoretisch geworden."
"En Uw huwelijk dan, dokter?"
"Ik verkeer niet in dezelfde omstandigheden en bovendien heb ik m'n werk, wat voor mij ontzettend belangrijk is."
"Nog een vraag, dokter," zei zij, terwijl zij aan haar glas nipte.
"Mijn man verkeerde in levensgevaar. Had ik mij die liefde niet moeten ontzeggen? Hij bracht zoveel offers. Had ik dat offer niet moeten brengen?"
René gaf niet terstond antwoord. Peinzend keek hij door het halflege lokaal. Eindelijk wendde hij zijn blik weer naar haar. Hij had aan Annette gedacht en wist met volstrekte zekerheid, dat zij hem niet bedriegen zou. "U hebt die liefde aanvaard en dus was Uw liefde voor Uw man niet meer volkomen. Als een vrouw zich geheel aan een man geeft, is er geen plaats meer voor een ander."
Zij had aandachtig geluisterd. "Ik zal erover nadenken, dokter. Ik ben blij, dat ik met U gepraat heb."

De regen had opgehouden, toen zij door de donkere straten naar het hospitaal terugkeerden.

------------------------

HOOFDSTUK XVIII.

Het offensief in Nederland vorderde niet. Niets anders dan regen en daardoor stagnatie der operatie in het verdronken land. Na de mislukte luchtlanding bij Arnhem was er boven de grote rivieren niets meer gebeurd. In de zuidelijke provincies was Den Bosch genomen en de dag daarop Tilburg bevrijd, maar verder was er weinig beweging te bespeuren.
René had overplaatsing gevraagd. Het leven in Brussel verveelde hem en hij wilde dichter bij het front zijn, dat nu door Nederland liep, al was het nauwelijks de moeite waard.
En dan was er nog iets bijgekomen. Na de eerste met zuster Thérèse in het café doorgebrachte avond waren nog enige gevolgd en daardoor was harerzijds een vertrouwelijkheid ontstaan, die hij niet wenste.

 

95.

Hij begreep wel, dat zij warmte en hartelijkheid zocht en ook waarom zij dat speciaal bij hem deed, maar hij kon er niet aan denken en een situatie in het leven te roepen, waarin zoals hij ondervonden had, in principe een noodlottige vergissing mogelijk was.
Natuurlijk was het niet eenvoudig zolang alleen te zijn. Het leven in de oorlog was hard en ruw en Térèse zacht en charmant. Soms was zijn bestaan volkomen troosteloos en kroegen en drank zijn dan erbarmelijke surrogaten.
Ergens was Annette onbereikbaar ver, en in de tuin het lijk van Reeling. Zij wachtte op hem stil en vol vertrouwen. Zij wilde alleen hem. Dit mocht hij in geen geval vergeten.

In de gouden lichtcirkel op de tafel zijn 's avonds vier hoofden gebogen over een boek of handwerk. Er is een warme spheer om deze mensen, spheer van beslotenheid en veiligheid. Zij hebben elkaar.
Ergens ver weg in een ander werelddeel in een vermodderd landschap staat een tot veldhospitaal ingericht klooster.

Zo dwaalden zijn gedachten, toen hij aan de ingang van het hospitaal stond en mismoedig langs het verregende zandpad keek.
Een enkele maal schudden de dennen zich als natte poedels en deden een stortbui neerkomen op de modderige weg. Dan streek een windvlaag door de kruinen. Verder was er niets dan het eentonig ruisen van de regen en in de verte het lawaai van het front.
Soms reisde hoog door de lucht een V-wapen, maar daarvoor interesseerde niemand zich.
Langs het zandpad naderde een vrouw. Haar drijfnatte mantel sloeg tegen haar benen, waardoor zij moeilijk liep. Wat zou zij hier zoeken? Misschien een pleegzuster? Er was ruimschoots tekort aan personeel.
Het hoofd gebogen liep zij tegen de regen in.
René gaapte. Brussel was vervelend, maar hier was het nog vervelender. Nu was de vrouw hem genaderd en hief het hoofd op. Een blijde glimlach verhelderde haar gelaat, toen zij hem zag.
Thérèse, wat een doorzettingsvermogen. "Waarom heb je je niet met een auto laten brengen in plaats van te gaan lopen?"
"Er was geen enkele wagen en ik had geen zin om te wachten."
"Ben je hier geplaatst?"
"Ja!"
"Wist je, dat ik hier was?"
Zij glimlachte. "Ik moet me melden."
"Waarom zo'n haast, overigens ben je niet goed wijs, het is hier een hondenleven. Je had beter in Brussel kunnen blijven."
"Daar verveelde het me."
"Dit oude klooster is nog veel vervelender. Ga mee naar m'n kamer, dan drinken we 'n borrel. Ik heb uitstekende cognac."
Zij volgde hem zwijgend, een zachte glans in haar ogen.
Toen zij tegenover elkaar zaten, keek hij haar onderzoekend aan zonder het zelf te merken. Wonderlijke wezens, dacht hij, zijn vrouwen. Om een man, die ze nauwelijks kent, trekt zij de wereld door tot zij hem vindt - als een hond, die zijn baas zoekt.
En dan een man van wie zij weet, dat hij getrouwd is en kinderen heeft en niet op avontuurtjes is gesteld.
Hij voelde een lichte vertedering om deze vreemde vrouw.
"Waarom kijkt U mij zo aan? U maakt me nerveus", zei zij onrustig onder zijn niet aflatende blik.
"Excuseer me, Thérèse. Ik dacht er niet bij na. Het is niet beleefd."
"Vindt U me geëxalteerd of opdringerig?" Terwijl zij sprak, keek zij naar haar handen, die in haar schoot rustten.
"Neen Thérèse, ik dacht na over de vrouw, maar helemaal niet onvriendelijk. Drink je glas leeg, dan zal ik je nog een borrel inschenken. Je bent natuurlijk koud en in dit vervloekte oord is het nooit ergens behoorlijk warm."
"Ik ben bang, dat ik teveel drink. De cognac is erg zwaar en ik moet me melden."
"Als je op een auto gewacht had, was je misschien pas morgen gekomen. 't Is hier op het ogenblik stil. Tegen een uur of zes verwachten we een transport, dan is er werk aan de winkel. Meld je maar tegen die tijd. Ben je moe?"

 

96.

Zij knikte. "Ik heb vannacht heel kort geslapen en ik moest veel verder lopen dan ik gedacht had."
"Doe dan je schoenen uit en ga op mijn bed liggen, maar drink eerst je glas leeg. Een paar uurtjes slaap kun je wel gebruiken, want er komt veel werk vanavond."
Zij ledigde haar glas, stond op, schopte haar schoentjes uit en ging naar het bed. "Ik wil graag mijn jurk uitdoen, is dat goed?" "Ga je gang."
Terwijl zij zich ontkleedde, keek hij naar het handtasje dat zij op tafel gelegd had. Th.de S. stond er op in metalen letters, brutaal glimmend tegen het zwarte hier en daar gebarsten lakleer, en hij bedacht allerlei achternamen bij die S - Sidoux, Sigor, Sigeur, Santé, Sarouilles en zo verder. Eerst toen hij haar een diepe zucht hoorde lozen, staakte hij dit spelletje. Langzaam keerde hij zich naar het bed. "Lig je goed? Ga maar rustig slapen. Zal ik hier blijven of weggaan? Ik zal muisstil zijn, maar ik wil ook wel in de eetzaal gaan zitten."
"Ik vind het prettig, als U hier blijft. Maar als er nu iemand komt, wat zegt U dan?"
"Ik zal de deur op slot doen, als je dat rustiger vindt, maar er komt niemand. Het is hier geen gewoonte elkaar op de kamer te storen. Er is wel eens bezoek."
"En U dokter? Nog altijd hetzelfde?"
"Ja Thérèse, behalve nu. Maar ga slapen, vlug."
Zij draaide zich om, waarbij haar schouder bloot kwam. Hij ging naar het bed en dekte haar toe. Vervolgens nam hij weer aan de tafel plaats, pakte een tijdschrift en begon te lezen, maar de vroeg invallende schemering maakte dit al heel gauw onmogelijk en noodzaakte hem het terzijde te leggen. Hij wilde geen licht maken.
Tegen de ramen kletterde de regen. Hij voelde zich huiverig. Uit het bed klonk de regelmatige ademhaling van Thérèse. Traag kroop de tijd. Zo nu en dan stond hij voorzichtig op om zijn stijve ledematen uit te rekken. De houten stoelen waren niet gemakkelijk en verduiveld hard.

Buiten klonk geronk van motoren. De kolonne! Snel sprong hij op van zijn stoel. De verlichte wijzerplaat van zijn horloge zei hem, dat het transport bijna drie kwartier eerder was aangekomen, dan verwacht werd.
Hij trad op het bed toe, maar aarzelde. Zij sliep zo rustig.
Op zijn tenen verliet hij het vertrek en sloot zachtjes de deur achter zich.

's Avonds om elf uur vond hij even tijd om iets te eten. Er waren veel te veel gewonden gestuurd, alles was overvol.
"Zeg van Hove, kunnen wij jouw kamer niet krijgen? Je slaapt toch altijd alleen."
"Waar moet ik dan slapen? Buiten misschien?"
"Op de kamer van Duprez."
"Ben je bedonderd?"
"Waarom? Je bent toch te oud voor hem."
"Ik denk er niet over, maar smijt hem uit zijn kamer."
"Waar moeten we dan met hem heen?"
"Op de eetzaal", adviseerde iemand.
"Geen sprake van. Die verpest-ie volkomen met zijn smerige parfums."
"Blijkbaar verpest-ie de atmospheer voor mij niet", merkte René lakoniek op.
"Jij hebt gelijk. Trouwens in die slaaphokken van ons, die verrekt kleine cellen, kun je toch maar een paar man bergen. Snap jij, van Hove, dat iemand voor zijn genoegen zijn leven in zo'n hok wil doorbrengen?"
"Voor hun genoegen doen zij het niet, evenmin als jij voor je genoegen een rekening betaalt."
"Dat slaat als een tang op een varken."
"Niets van aan, m'n waarde - ontzegging der aardse geneugten als betaling voor de hemelse zaligheid."
"Is dat niets voor jou, van Hove?" vroeg een jonge dokter. "Jij ontzegt je ook alle geneugten des levens."
"Broekeman, je spreekt tegen 'n getrouwde man, vader van twee kinderen", antwoordde degene, die René om zijn kamer gevraagd had.
"Van Hove is een solide echtgenoot, wat ik van mijzelf niet kan zeggen. Maar waar moeten we met al die gewonden naartoe?"

 

97.

"Laten wij de lichte gevallen door onze eigen ambulance-auto's naar het volgende hospitaal laten brengen", raadde René aan.
"Dan hebben we geen een auto meer hier."
"Maar wij hebben ze ook niet om ze niet te gebruiken."
"Goed dan. Jij bent majoor en als jij de verantwoording op je neemt is het in orde. Aan het werk, jongelui!"
Nu begon de selectie. Mopperen en vloeken van soldaten, die verder moesten. Gedraaf en commando's.
"Ik bloed als 'n rund. Ik ga niet verder, ik verdom het", vloekte een soldaat.
"Waar?" vroeg René. Ze hadden allemaal wat.
"M'n dij onder m'n broekspijp, 't sijpelt langs m'n benen."
"Ben je dan niet verbonden?"
"Jawel dokter, maar ze hebben me m'n broek weer aangetrokken." "Trek uit", commandeerde René. De soldaat probeerde, wankelde. "Hou je vast", zei René en stroopte de broek omlaag. Het verband was rood doorweekt. "Verdomme!" vloekte hij. "Hier twee dragers! Naar de operatiekamer. Voortmaken!"
Het bloed vloeide met telkens kleine gulpingen langs de kuit van de gewonde. "Als de bliksem! Vooruit!" plotseling stond Thérèse voor hem.
"Kan ik helpen?" vroeg zij.
"Ja alsjeblieft, er is genoeg te doen. Help de gewonden naar buiten brengen in de auto's."
Het werk ging verder. Geleidelijk kwam er orde in de zalen. Des nachts om drie uur trok René zijn doktersjas uit en ging voor de zoveelste maal zijn handen wassen. Daarna stak hij een cigaret op, maar voor hij ze half had opgerookt, wierp hij ze weg en ging de ronde doen langs de bedden. Onwillekeurig zocht zijn blik Thérèse. Hij ontdekte haar dicht bij de deur onder een groot crucifix.
Er stonden vrouwen bij het kruis, dacht hij en schold zichzelf onmiddellijk uit voor idioot.
Langzaam liep hij verder, links en rechts kijkende. Hier en daar woelde er een in zijn bed; de meesten waren rustig, en sliepen. Bij de deur gekomen wendde hij zich tot Thérèse. "Ik ga nog even een luchtje scheppen, ga je mee of heb je wacht?"
"Ik heb wel 'n ogenblikje tijd dokter."
Samen gingen zij naar buiten. Traag driezelde de regen. Zij bleven onder de poort staan. Diep zoog René de nachtlucht in. Zij spraken niet. Eindelijk haalde hij zijn cigarettenkoker tevoorschijn en bood haar een aan. Hun over de lucifer gebogen hoofden waren vlak bij elkaar. Hij voelde haar haren tegen zijn voorhoofd kriewelen.
"Ben je uitgerust, Thérèse?"
"Ja dokter, maar moet U nu niet slapen?"
"Zometeen, na zo'n drukte lukt me dat nooit direct. Heb je al 'n bed gevonden?"
"Neen, en ik heb er vannacht ook geen nodig, want ik heb wacht.
Morgen zal ik wel zien, waar ik me kan opbergen.
"Tot hoe laat heb je vannacht dienst?"
"Dat weet ik niet. Ze zijn allemaal nogal moe."
Hij wierp het restant van zijn cigaret weg. "Kom morgen, als je wacht afgelopen is, 'n kwartiertje bij me praten. Je weet m'n kamer. Ik ga nu slapen. Goedenacht."
"Welterusten dokter. Hoe laat staat U op?"
"Als ze me vannacht niet roepen om een uur of acht, half negen. Tot zo lang zul je wel bezet zijn. Tot straks dus."
Abrupt keerde hij zich om en ging het gebouw binnen. Thérèse volgde hem tot de deur der zaal, waar zij wacht had.

-------------------------

Hij was bezig zich te scheren, toen zij binnenkwam. Op haar vraag of zij stoorde, antwoordde hij ontkennend. "Ik ben direct klaar", zei hij, "schenk jij intussen een kop thee in."
Zij voldeed aan zijn uitnodiging, zette zich op een stoel en wachtte.
Toen hij met zijn toilet gereed was, ging hij tegenover haar aan tafel zitten. "Was het rustig vannacht?"
"Tamelijk."
"Hoe was het in Brussel toen je vertrok? Nog iets nieuws?"
"Een nieuwe chef, ontzettend pedant."
"Kon je niet met hem opschieten?"

 

98.

"Ik had niets met hem te maken, maar er werd erg over hem geklaagd als een soort dictator."
"Heb je al een slaapplaats?"
"Nog niet. De andere nachtzuster zei, dat alles door gewonden in beslag genomen is."
"Ik zal wel voor je rondkijken. Als er geen plaats is, moet je maar hier slapen of anders in het bed van de nachtzuster."
"Dat vinden ze meestal niet leuk en ik kan toch ook Uw bed niet in beslag nemen. Hoe moet het dan met U?"
"Ik zal wel zien. Het was druk hè, gisteravond?"
"Ja, en er waren een hoop lastige kerels bij. Soms zijn ze net kleine kinderen en die babies noemen zich soldaten."
René glimlachte. Het zijn allemaal verklede burgers, Thérèse, anders niet. Soldeniers zijn uit de mode."
"Mannen zijn soms precies kleine kinderen."
"Dat is afgezaagd, Thérèse. Zeg eens wat anders over de mannen."
"Soms zijn ze heel lief." Zij bloosde.
Dank je vriendelijk, Thérèse. Zullen we nu eens samen gaan kijken, waar we je onder dak kunnen brengen."
Onmiddellijk stond zij op. "Graag dokter."
Er bleek geen plaats beschikbaar te zijn, er waren veel te veel patiënten.
"Het spijt me voor je, je moet dan maar weer naar mijn kamer gaan en meld je even bij me, wanneer je wakker bent. Heb je weer nachtdienst?"
"Neen dokter, maar ik zal wel voor een ander waarnemen, anders kunt U niet slapen."
"Ik zal opbellen" antwoordde hij na een ogenblik van nadenken. "Dit is te gek. Er moeten Rode-Kruis auto's komen voor het verdere transport. Ik begrijp trouwens niet, dat ze ons hier maar laten tobben. Enfin, we zullen zien."
Er was nogal wat geharrewar en wederzijdse onvriendelijkheid nodig voor René het zover bracht, dat men hem een kolonne van tien auto's toezegde. Ze zouden dezelfde dag komen, maar er kwam niets.
's Avonds belde hij weer op maar kon niemand bereiken, die er de verantwoordelijkheid voor had of zou kunnen aanvaarden. Met een vloek wierp hij de hoorn op het toestel. Morgen opnieuw proberen.
Achteloos slenterde hij langs de bedden, bleef een enkele maal staan om een temperatuurlijst te controleren en vervolgde dan weer zijn trage rondgang. Na afloop ging hij naar zijn kamer, waar hij Thérèse
vond, die het licht had aangestoken en hem blijkbaar wachtte.
"Zo Thérèse, heb jij het een beetje gezellig gemaakt? Dat is lief van je. Cognac? Cigaret?"
Zij babbelden een beetje. René vertelde van de weggebleven kolonne.
"Wat doe je vannacht. Thérèse?"
"Ik heb een wacht overgenomen van twaalf uur af."
"Mooi! Dan kun je morgenochtend weer in mijn bed. Erg fris is het niet, maar ik kan er niets aan doen."
"Ik heb heerlijk geslapen, dokter."
"Zullen wij zometeen een eindje gaan wandelen? Het is droog."
"Graag dokter."
Een half uur later liepen zij langs het zandpad, waarlangs Thérèse naar het hospitaal gekomen was. Het was aardedonker. "Geef me 'n arm" zei hij "dan lopen we prettiger."
Zonder te antwoorden legde zij haar hand op zijn arm.
"Zou de oorlog nog ooit eindigen?" vroeg hij na een poos.
"Ik weet het niet en het interesseert mij ook niet."
"Interesseert het je niet?"
"Neen, het leven is goed, zoals het is. Ik denk er liever niet aan, dat het eens afgelopen zal zijn, misschien gauw. Ons offensief in het Westen schiet hard op. De Fransen zijn al in Straatsburg."
"Vind je dat dan niet fijn, jouw landgenoten in het oude Straatsburg?"
"Ja en neen."
"Maar waarom dan?"
"U vindt het natuurlijk heerlijk. Als Uw land bevrijd is, kunt U naar huis gaan en Uw vrouw en kinderen laten overkomen. Maar waar moet ik heen?"
"Heb je geen ouders meer?"
"Ja, maar wat heb je aan ouders in mijn omstandigheden?"
Zwijgen. Langzaam liepen zij langs het donkere pad. Toen zij bij een zijweg kwamen, stelde hij voor terug te keren. Eigenlijk had René wel eindeloos willen doorlopen; het was zo stil en vertrouwd en er ging een behagelijke warmte van haar uit. Mannen, leer en staal was alles wat hij sinds maanden en maanden kende, en nu plotseling

 

99.

was er deze zachte vrouwelijkheid in zijn leven gekomen. Annette was ver, heel ver weg. Thérèse naast hem. En toch... Toen zij het hospitaal naderden, liet zij zijn arm los.
"Het was heerlijk, Thérèse. Laten we dat vaker doen, maar je moet niet altijd nachtdienst nemen."
"Het is eenvoudiger, zolang ik geen bed heb."
Binnen namen zij afscheid. René ging naar de eetzaal, waar een paar collega's slaperig aan de tafel zaten en hem met een ongearticuleerd gebrom verwelkomden.
"De heren vervelen zich blijkbaar", zei René, terwijl hij aan het ondereinde der tafel plaats nam.
"Wat zal een mens anders doen in dit vervloekte oord? Zeg van Hove, jij schijnt die verpleegster te kennen, die vannacht plotseling op het tapijt verschenen is. Wat is dat voor 'n type?" vroeg de oudste der twee.
"Volkomen correct en ongenaakbaar."
"Allicht, anders ging jij er niet zo amicaal mee om. God man, ik hunker naar vrouwen, 'n dansvloer, asphalt met booglampenlicht. Ik word zenuwziek van de rotzooi hier."
"Vraag verlof."
"Dat krijgen we immers niet. Plicht, Vaderland, het grote doel, je kent het liedje. Alsof ik daar een syllabe van geloof. Jij?"
"Waarvan? Van plicht - ja! Vaderland - ja! Het grote doel - welk? Ik zie dat nog niet, al wordt er van alles gezegd. Maar in elk geval moet om te beginnen Hitler stuk."
"Hoe lang zou dat kreng het nog uithouden?" vroeg de oudste. "Intussen word ik hier seniel en al m'n illusies vervliegen in rook."
"Je wordt tragisch-dichterlijk, m'n waarde. Troost je, zo lang zal het niet meer duren. Straatsburg is immers al een week geleden ingenomen."
"Straatsburg! Straatsburg! Jawel! En verder? Nul. We vorderen als 'n slak op 'n teerton. Ik wil hier weg." Woedend sloeg hij met zijn vuist op tafel. "Weg uit dit van God verdoemde oord. Laat ze hier monniken opbergen, die horen hier, maar wij niet. Verdomme!" Weer dreunde een vuistslag.
"Zeg collega", zei René op rustig onverschillige toon, "wat prefereer je - 'n spuitje of 'n emmer koud water? Zet de radio aan, Lamond."
"Ik wil geen muziek, godverdomme", brulde de ander. "Blijf met je poten van die radio, Lamond of ik smijt 'm kapot."
Vragend keek Lamend naar René.
"Wees zo vriendelijk de radio aan te zetten, Lamond", zei deze, en zich tot de ander wendende vervolgde hij "en wilt U erom denken collega Fernin, dat ik Uw meerdere ben."
Verwonderd keek Fernin hem aan. "Wat zeg je daar? Dat heb ik nog nooit van je gehoord."
"Jammer genoeg, dat ik het zeggen moet, maar als jij je als een kind gedraagt, dat zich een hysterische aanval bezorgt, omdat het zijn huiswerk niet doen wil, moet ik wel voor schoolmeester gaan spelen."
Fernin begon met zijn vingers op tafel te trommelen. "Als je toch muziek geeft, dan wat lolligs", zei hij tot Lamond. "Stop, welk station is dat?"
"Weet ik niet."
"Doet er ook niet toe. Zeg van Hove, die nieuwe zuster is niet mooi - nou ja, lelijk is ze ook niet, maar er zijn mooiere, maar ze ziet er verdomd lief uit."
"Zet je die nu uit het hoofd, Fernin. Met haar is niets te beginnen. Er zijn toch wel andere."
"Ach man, die ken ik van top tot teen, niets nieuws meer aan. Je bent hier zo gauw uitgepraat. In de stad kan je met een vrouw uitgaan, kan ze zich kleden, met je dansen, in 'n kroeg met je borrelen en flirten. Maar hier? Koekoek eenzang. En dan zijn ze meestal nog moe ook. Voor je het weet, maffen ze al. Mens ik wil leven, leven. Ach God was ik maar zoals jij, jij hebt het zoveel gemakkelijker." René gaf geen antwoord. Het gesprek verstomde. De vijfde symphonie van Brahms had hun aandacht.
Na afloop kwamen er nieuwsberichten. De mannen luisterden aandachtig. In elk van hen leefde de hoop het grote nieuws te horen, de grote doorbraak en de opmars in Duitsland, maar het bleef uit. Fernin zuchtte en stond op. "Ik zal de ronde maar gaan doen. Die arme bliksems kunnen het ook niet helpen. Overigens zijn ze nog niet zo slecht af; zij hebben iets, wat hun volle belangstelling heeft."

 

100.

"Wil je misschien ruilen?" vroeg René.
"Neen, dat nu niet, want zo goed zijn ze toch ook weer niet af."
Na deze woorden verliet hij het vertrek. René praatte nog wat met Lamond tot er anderen binnenkwamen. Toen excuseerde hij zich met de mededeling, dat hij nog een paar brieven te schrijven had.

-----------------------

De dagen gingen voorbij in eentonige regelmaat. Thérèse had een bed gekregen. De aan- en afvoer van gewonden verliep bevredigend; een enkele maal was er enige stagnatie. Zo nu en dan maakte René een avondwandeling met Thérèse. De collega's lieten haar met rust. Zij was bevriend niet van Hove en dus taboe.
Maar ineens veranderde alles. Er liepen geruchten binnen over een Duits tegenoffensief onder von Rundstedt. Kort daarop volgde de officieele bevestiging. Angstige spanning bij de radio. Ze vorderen.
Ze willen naar Antwerpen. Van Hove, dan zijn wij afgesneden. Jesus kerel, wat doe je? Moeten we geen voorzorgsmaaregelen nemen? Ik verdom het om in krijgsgevangenschap te raken.
René bleef rustig. Als de Amerikanen waard waren, wat zij beweerden te zijn, hielden ze dat offensief tegen. Er werd gezegd, dat Montgomery erbij gehaald werd. De Engelsen liepen met zeer tevreden gezichten rond. De houding der Canadezen werd er niet vriendelijker op.
René vroeg instructies. Gereedhouden om het hospitaal te ontruimen, luidde het antwoord.
Een kolonel-arts kwam ter inspectie. Hij sprak lange tijd met René, informeerde naar alles en vertrok met achterlating van het bevel ervoor te zorgen, dat alles voor eventuele evacuatie in orde kwam.
René had eerst gemeend zijn medewerking te moeten vragen voor het verkrijgen van voldoende transportmiddelen, maar de oude heer zat zo tevreden in de auto en uit zijn gelaat sprak zo duidelijk de overtuiging, dat hij alles gedaan had wat van hem verwacht mocht worden, dat René besloot hem niet te storen in zijn gemoedsrust.
Toen de wagen uit het gezicht verdwenen was, keerde hij in het gebouw terug waar men hem met vragen bestormde. Lachend weerde hij de vragers af. "Wat verwachten jullie toch van zo'n bezoek? Natuurlijk doet hij niets. Waarom zou hij verantwoordelijkheid op zich nemen, als hij die op mij kan afschuiven? Maak je geen illusies, maar ook niet bezorgd. Wij zullen het zelf wel opknappen."
Met grote volharding wist hij de nodige vervoermiddelen bijeen te krijgen. Het gewondentransport verliep gunstig, nieuwe aanvoer had sinds enkele dagen niet plaatsgevonden. Hij had Fernin met het eerste transport meegezonden en een paar ziekendragers toegevoegd aan het personeel der kolonne.
"Als je me de eerste dagen niet terugziet, van Hove, sla dan niet direct alarm. Ik heb mij dan gebogen voor de wil van Venus."
"Als je maar niet te lang blijft buigen."
"Heb je het laatste nieuws al gehoord? De Duitsers staan al aan de Ourthe. Je zult zien, dat jullie me achterna komen."
"Ik hoop het niet. God bewaar ons voor het verlies van Antwerpen." Fernin lachte, sprong in een der gereedstaande auto's en wuifde met zijn pet. "Adieu getrouwen! Tot weerziens op deze wereld of in het hiernamaals."
Langzaam verdween de kolonne in de vallende avond en René keerde in het gebouw terug. Het was er stil, onwezenlijk stil. Overal hing personeel rond, zat in nissen, rookte en verveelde zich.
Hij ging naar de grote ziekenzaal, waar nog slechts een dozijn bedden bezet was; de kleine zaal was leeg. Door de ramen hoorde hij het geronk van een motor; blijkbaar liet de chauffeur van een der vrachtauto's, die naast het gebouw gereed stonden, de motor proefdraaien. De kerels waren secuur; zij schenen een zekere liefde voor die brommende en grommende dingen te hebben. Van locomotiefmachinisten werd vroeger hetzelfde verteld.
"U neemt ons toch mee, hè dokter, als U hier weggaat?" vroeg een der gewonden.
"Ja natuurlijk, maar het zal wel niet nodig zijn."
"Ze zeggen, dat de moffen als de bliksem oprukken."
"Ik geloof niet zo hard meer in die Duitse bliksem. Blijf maar rustig, het komt wel goed." 101.

"Mag ik een spuitje dokter, ik heb zo'n pijn. Vannacht geen oog dicht gedaan." Een zwakke hese stem uit het bed achter hem deed dit verzoek.
Dat is die buikwond, dacht René, terwijl hij zich omwendde.
Vooruit maar, hij gaat toch dood. Hij wenkte de wachtdoende zuster.
"Geef hem een spuitje."
"Hij heeft er vandaag al twee gehad, dokter."
"Doet er niet toe", antwoordde hij zacht. "Geef maar."
Even keek de zuster hem aan, en ging toen weg om het spuitje te halen. René liep verder en verliet de zaal.
Morgen dus nog elf, dacht hij. En in ieder geval gaan er nog twee af, dat maakt negen. Die brengen we gemakkelijk in veiligheid.
Hij wilde naar zijn kamer gaan toen hij een sergeant zag, die door de gang holde en hem wenkte. "Dokter, kom gauw, dokter Duprez heeft zich doodgeschoten."
"Jezus!" vloekte René en liep snel met de sergeant mee. In de kamer van Duprez vond hij de collega's. Niets meer aan te doen, van Hove, hartschot" zei een van hen.
"Waarom heeft hij het gedaan?"
"Herrie gehad met een jonge Canadees. Vandaag, heeft hij een pak ransel gekregen, dat hij piepte. En toen deed hij dit."
Enige ogenblikken keek René naar de dode, toen wendde hij zijn blik van het lijk af. "Er is aan de kerel niet veel verbeurd", zei hij, "maar hij was onze beste chirurg en dat is beroerder, omdat Fernin er ook al niet is."
"Dan zal jij voorkomende gevallen moeten opknappen, van Hove", zei een Canadese kapitein-arts.
"Ach wat, ik ben geen chirurg."
"Jij hebt nog de meeste praktijk."
"Ik denk er niet over, laat Lamond het maar doen, die is chirurg, ik niet."
"Ach wat, Lamond, oorlogspraktijk, net als jij en bij zware operaties wordt hij zenuwachtig. Het moeilijke werk deden Duprez en Fernin altijd."
"Wist ik maar, waar ik die vervloekte kerel kan bereiken", zuchtte René.
"Bel de bordelen in Brussel op", raadde een der aanwezigen.
"Ga je gang, maar daar begin ik niet aan. Intussen zit ik met het geduvel. Enfin, laten we Duprez maar alleen laten. Gaat U mee, heren?"
De sergeant, die buiten de kamer stond te wachten, gaf hij bevel nog diezelfde avond een graf te laten graven. "Hij was katholiek", zei een der artsen. "Moet er geen priester bij?"
"Voor een zelfmoordenaar? Dat geloof ik niet, maar laat iemand er maar een opscharrelen en waarschuw me, als de zaak in orde is sergeant. Heren, U wilt wel bij de begrafenis aanwezig zijn. Hij was in elk geval arts en officier."
"En 'n parfumeriewinkel", merkte iemand op. "Je mag zijn kamer wel laten uitroken, van Hove."
"Er wordt voor gezorgd, heren. Tot straks!"
"Rendez-vous bij Duprez", grinnikte er een. "Wat een kans die kerel vanavond mist."
Slechts enkelen keken ernstig, deden er althans een poging toe.
Een kameraad was hij niet geweest.
Dicht bij zijn kamer gekomen, zag hij Thérèse in een vensternis zitten. Zij wachtte blijkbaar op hem. "Dag Thérèse. Zit je naar mij uit te kijken? Dokter Duprez is dood. Zelfmoord."
Vragend keek zij hem aan.
"Een liefdeshistorie, die op een pak ransel uitliep", lichtte hij toe.
"Bah", zei Thérèse.
"Straks wordt hij begraven."
"Waarom zo'n haast?"
"Wij moeten ons immers gereedhouden om te vertrekken. Zou je het leuk vinden?"
"Neen dokter. Hier is het goed, vooral nu het zo stil is."
"Ga mee naar mijn kamer, dan drinken we 'n glas cognac."

Een uur later klopte de sergeant aan de kamerdeur. Het graf was gereed. Of de majoor wilde komen.
Buiten trof hij de aanwezigen; er was ook een priester. Soldaten droegen een ruw in elkaar getimmerde kist, waarop nog het merk van een conservenfabriek zichtbaar was naar de kuil. Er viel natte

 

102.

sneeuw. Niemand sprak een woord terwijl de mannen langzaam de kist in de kuil lieten zakken. De sergeant greep een schop en keek vragend naar René, maar deze schudde bijna onmerkbaar het hoofd. De sergeant gaf de schop aan een der soldaten. "Kuil vullen!" commandeerde hij.
"Toen de eerste scheppen zand dof op de kist plompten, keerde René zich om. "U wordt bedankt heren. Sergeant, geef jezelf en de mannen 'n borrel."
"Tot Uw orders, majoor."
De plechtigheid was afgelopen.

Op zijn kamer teruggekeerd vond hij Thérèse met het hoofd op de tafel. Haar schouders schokten.
"Waarom huil je, Thérèse?"
"Ik weet het niet", antwoordde zij met gesmoorde stem.
Hij trad op haar toe en streelde haar haren. "Kom, zeg eens op, wat is er?"
"Ik weet het niet." Zij hief haar betraande gelaat naar hem op.
"Toen je zojuist wegging, werd ik ineens verdrietig."
Het viel hem op, dat zij "je" zei; het was de eerste maal en hij vond het prettig, nam haar gezicht tussen zijn handen en keek haar vriendelijk glimlachend aan. "Domme Thérèse. Is het over, als ik je 'n zoen geef?"
Zij trok haar hoofd terug. "Dat doe je toch niet, dat doe je immers nooit." Weer begon zij te huilen.
Snel boog hij zich tot haar over, hief haar gezicht naar zich toe en kuste haar op de lippen. "Is het nu goed?"
Zij lachte verlegen, nam haar glas en dronk het snel leeg. "Vind je me niet vervelend?"
"Neen, een schat. Als het niet zo beroerd weer was, zou ik je voorstellen een eindje te wandelen, maar het sneeuwt - natte sneeuw."
"Wat hindert dat? Het is pas negen uur. Heb je eigenlijk al gegeten?"
"Neen, dat heb ik vergeten, maar ik heb geen honger. Zullen we gaan?"

Zij maakten hun gewone wandeling langs het zandpad. Hij had haar arm door de zijne getrokken en hield haar hand vast. "Leuk hè, zo met z'n tweeën in het donker", zei hij.
"Ja heerlijk. Kan je me niet nog 'n zoen geven?"
"Graag."
Zij bleven stilstaan en hij drukte haar tegen zich aan.
"Noem me René", zei hij, "buiten dienst tenminste."
"Ja! Mag ik? Oh René, wat is het nu zalig en straks was ik zo verdrietig. Vrouwen doen dwaas, hè?"
"Gelukkig wel en lang niet altijd, zelfs niet als ze dwaas doen."
"Dat begrijp ik niet."
"Hindert niet. Dit is mannenwijsheid. Zullen we teruggaan en nog 'n borrel drinken?"
"Eerst doorlopen tot de zijweg; dat is ons vaste keerpunt."
"All right".
Opgewekt stapten zij verder tot zij het kruispunt bereikten, waar na zij stevig doormarcherend naar het klooster terugkeerden.
Nauwelijks waren zij het gebouw binnengetreden of er trad een collega op René toe. "Goed dat je er bent, van Hove. Hoe lossen we de volgende puzzel op? Bevel uit Brussel - de hele zaak ontruimen. Bericht van de andere kant - er is een transport hierheen onderweg."
"Nogal eenvoudig, alles gereed maken voor de ontvangst van het transport."
"En Brussel dan?"
"Kan naar de hel lopen. Nog nieuws van het front?"
"Geen sikkepit."
"De ambulance-auto's mogen niet terugkeren, als zij eenmaal hier zijn. Is de ordonnans er nog?"
"Ja, die zit te eten. De zusters stoppen hem boordevol en hij laadt maar. En het is een klein mager mirakel."
René lachte. "Hoe laat kan het transport hier zijn?" "Volgens de ordonnans over een paar uur."
"Ga nog wat rusten", wendde René zich tot Thérèse. "Het wordt nachtwerk."

 

103.

"Goed dokter." Snel verwijderde zij zich. "We moeten alles in orde maken en je stuurt haar naar bed" , zei de ander verwonderd.
"Laat de mannen het doen en jaag de andere zusters ook op haar matrassen."
"Hij ging naar zijn kamer, trok zijn overjas uit en nam plaats op de rand van de tafel om een sigaret te roken. Alles bij elkaar genomen een vervelende boel. Geen nieuws van het front, behalve dat von Rundstedt de Ourthe bereikt heeft. Wist Brussel meer of was dit bevel afkomstig van een of andere idioot? Als de doorbraak gelukte..... enfin, hij moest voor de gewonden zorgen.
Hij trok zijn witte jas aan en ging naar de administratie. "Wie gaf dat bevel uit Brussel?"
"Dat weten we niet dokter; het kwam telefonisch."
"Dan heb ik er niets mee te maken."
Vervolgens ging hij de zalen inspecteren, waar ijverig gewerkt werd, en zocht toen de ordonnans op, die door de zusters in de steek gelaten in alle gemoedsrust 'n pijp zat te roken. Toen René binnenkwam sprong hij in de houding.
"Moet je niet terug?" vroeg René.
"Ik heb order op de kolonne te wachten en ermee terug te gaan."
"Dan kan je lang wachten, want ik houd de wagens hier."
"Zoals de majoor beveelt."
"Brussel zegt, dat we hier ontruimen moeten, als de Duitsers verder oprukken, daarvoor heb ik de wagens nodig. Wat denken ze bij jullie ervan?"
"Bij ons maken ze zich er niet ongerust over, majoor. Er wordt gezegd, dat het offensief al tot staan gekomen is. Er komen versterkingen van ons aan."
"Ik hoop, dat je gelijk hebt, maar ik wil zekerheid hebben voor ik de wagens vrijgeef."
"Tot Uw orders, majoor."
"Goedenavond", zei René en verwijderde zich.
Nu begon het wachten. Uren verstreken, maar de kolonne verscheen niet. De ordonnans desgevraagd bevestigde, dat ze er allang hadden kunnen zijn.
"Kun je niet eens op onderzoek uitgaan?" vroeg René. "Het is al twee uur en de mannen vallen om van de slaap."
"Tot Uw orders, majoor", antwoordde de ordonnans.
"Even later hoorde René de motor aanslaan en vlak daarna het knallen van het startende voertuig. Het wachten begon opnieuw tot omstreeks half vier de ordonnans terugkeerde.
"De halve kolonne is in puin, majoor", meldde hij. "Een verongelukte V-twee is aan de kop ervan terecht gekomen, een ontzettende ravage. De rest van de wagens probeert hierheen te komen. Toen ik terug reed waren ze zowat klaar met een weg voor de auto's te maken. Er zit een reuze-gat in de oude weg."
"Kunnen wij niets voor ze doen?"
"Wat wilt U doen, majoor?"
"Soldaten sturen."
"Jullie komen niet meer op tijd, majoor, het is een heel eind, ik heb nogal hard gereden."
"Hoeveel wagens zijn er nog heel?"
"Hoogstens vijf, majoor."
"Dank je, je kunt je gang gaan."
René keerde naar de zaal terug en deelde een en ander mede. Er hing een somber stilzwijgen.
Wachten.

Om vijf uur verscheen de eerste ambulance, spoedig gevolgd door de overige. Er waren maar enkele zwaargewonden, die onmiddellijk naar de operatiekamer vervoerd werden, waar René zich met Lamond en de narcotiseur ophield. Hij voelde zich aanvankelijk nerveus, maar toen de eerste gewonde op tafel lag, was hij volkomen kalm. Rustig deed hij zijn werk. Het enige, wat hem hinderde, was een langzaam in hevigheid toenemende maagpijn, maar hij zette door. Het zweet droop langs zijn rug.
Nadat hij de laatste geholpen had, richtte hij zich stram op in een kwaadaardig verzet tegen zijn maag. Nu herinnerde hij zich, dat hij sinds half twee niets gegeten had.
"Kun jij de rest alleen af, Lamond? Ik ben moe" , zei hij tot de jonge man.

 

104.

"Jawel van Hove, maar wil je over een half uurtje nog even komen kijken?"
"Accoord. Ik ga even wat eten en kom dan weer terug."
Hij liep door de zaal, waar hij Thérèse opmerkte, die angstig naar hem keek, toen hij passeerde. Zij was met een gewonde bezig, die al geholpen was en nu terecht gelegd werd in zijn bed. Nog voor hij de gang ten einde was, stond zij naast hem. "Wat is er, René, wat scheelt eraan? Je ziet zo bleek."
"Een beetje moe geworden, ik moet wat eten."
"Heb je dan nog steeds niets gehad?"
"Neen. Ga nu aan je werk en wees over mij maar niet bezorgd. Dag! Tot ziens."
Rechtop liep hij verder. Bezorgd keek zij hem na.
Binnen een half uur was hij weer in de operatiekamer; zijn maagpijn was over. Een enkele maal flitste een schrik door hem heen, als hij aan de operaties dacht en meende iets verkeerd gedaan te hebben, maar hij schoof deze gedachten telkens opzij.
Toen de laatste zieke in bed lag, ging hij naar zijn kamer om enkele uren te slapen. Het was al dag. Gekleed wierp hij zich te bed en sliep onmiddellijk in.

---------------------------

HOOFDSTUK XIX.

Vierentwintig December. Kerstavond. René had een brief van Annette ontvangen met ingesloten briefjes van de kinderen. Uit haar woorden sprak een lichte weemoed, verdrietig verlangen nu de dagen zo kort en de nachten eindeloos waren, terwijl er geen uitzicht bestond, dat hij spoedig zou terugkeren. Hun liefde was nog te jong voor een zo lange scheiding. Nooit nog waren zij moe geweest van elkaar. Nu was zij moe van verlangen, dat soms tot hunkering aanzwol. Het was niet goed zo ver en zo volkomen uit elkaar te zijn met elk zijn eigen leven en eigen ervaring. Natuurlijk zou zij op hem wachten, al duurde het nog jaren, maar intussen hadden zij geen deel aan elkaars leven. Het hare kende hij; alles was hetzelfde gebleven sinds hun laatste afscheid. Van het zijne wist zij alleen theoretisch iets af. Maar hoezeer hij haar leven ook kende, hij deed er niet aan mede, er was niets gemeenschappelijks meer. Ieder ging zijn eigen gang, de een stil en eentonig, de ander onder altijd grote spanningen. Moesten zij zo niet uit elkaar groeien?
Natuurlijk speelde de maand December, waarin het jaar stierf, een rol in het ontstaan van haar stemming. Zij wist het heel goed en ook dat in het voorjaar alles lichter en hoopvoller zijn zou, maar het was beter het hem te schrijven, omdat het haar een gevoel van bevrijding gaf. Zij kon zich tegen niemand anders uiten.
Susan bad nog steeds voor hem, meer nog dan vroeger. Onze lieve heer had het vreselijk druk. En de kinderen werden er niet gehoorzamer op, nu vader zo lang van huis was, maar zij zag veel door de vingers. Als hij terug was, zou alles weer goed worden. Zij wilde een prettig kerstfeest maken voor de kinderen en Susan.

De gehele dag was de brief niet uit zijn gedachten. Elk leefde zijn eigen leven -inderdaad. Annette wachtte, rustig voortgaande in de eentonige sleur van alledag; hij had zijn werk, soms onmatig veel en vermoeiend tot uitputting toe. En hij speelde met vuur. Moeilijk, erg moeilijk was zijn leven, dit harde mannenleven, dat zich afspeelde tegen de coulissen van de dood.
De kus van Thérèse was door hem heengegaan als een wondere zegen uit een vreemde wereld. Nog maar zeven maanden was het geleden, dat hij voor het laatst uit het echtelijke bed stapte, maar het was zo lang, zo oneindig lang, omdat in die tijd een wereld was ondergegaan en tot herinnering geworden, wereld, waarin was de zachtheid van een vrouw, die alles verzoent. De vrouw, die lief heeft is voor de man het wonder, alleen door haar vrouw-zijn. Hij hield van Annette onuitsprekelijk veel, maar hun liefde was abstract geworden. Onbereikbaar was zij ergens in de wereld.
In zijn herinnering had hij haar schoonheid omgedroomd tot volmaakte zuiverheid. Tastbare werkelijkheid daarentegen was

 

105.

Thérèse, tastbaar en bloedwarm en haar liefde was hem een koestering. Hij begreep Fernin en de anderen heel goed al was het hem niet mogelijk mee te doen.
Vanavond zou er feest zijn. Het hospitaal was ruim bedacht, ook de artsen. Er was hem gevraagd toe te staan, dat de zusters mee zouden aanzitten aan het souper en hij had toegestemd, ofschoon er veel te veel zusters waren voor het handjevol doktoren, dat overgebleven was, want Lamond was tot overmaat van ramp ziek geworden.
Hij had Thérèse gevraagd zijn tafeldame te zijn, maar zij had geweigerd. "Ze zouden het zien, dat ik zoveel van je houd en dat wil ik niet."
Het speet hem, maar hij had zich bij haar weigering neergelegd.
"Wie kies je nu als tafeldame?"
"Ik zal alleen zitten aan het hoofd van de tafel."
"Vind je het vervelend?"
"Alleen zitten? Neen, al had ik jou graag naast me gehad. Maar als dat niet kan, ben ik het liefst alleen."
Even had zij zijn hand gestreeld en was toen naar haar werk teruggekeerd.

Het souper verliep in een opgewekte stemming. Reeds aan het begin had René het verzoek gedaan matig te zijn. "Wij staan nu eenmaal te velde en verkeren bovendien in een beroerde positie. Maar daarom niet getreurd. Laten wij onze eerste dronk wijden aan de overwinning."
Hij nam ijverig aan de conversatie deel, maar liet intussen niet na de bedienende manschappen in het oog te houden, opdat zij niet te vlug zouden zijn met het vullen der glazen. Zo nu en dan flitste een beeld van thuis of het gelaat van Thérèse voor zijn verbeelding op, maar hij wilde aan geen van beiden thans denken. Liever maakte hij de al te mollige fabrikantsdochter aan zijn rechterhand het hof of de loense zuster links. Hij dronk weinig, ofschoon hij er grote behoefte aan had.
De vrolijkheid nam hand over hand toe, hier en daar werd gezoend.
"Geen voorkeur heren. We zijn hier allemaal gelijk en alle zusters aardig en charmant."
"Moeten we ze dan allemaal zoenen, van Hove?"
"Allemaal of geen een."
"Dan moet jij meedoen."
"Ik ben ceremoniemeester en leid het bal, maar dans zelf niet."
Nu brak een ontzettend spektakel los; de officieren zoenden de vrouwen in het wilde weg; zusters gilden en gichelden. René hamerde en schreeuwde zo luid hij kon - "op de plaats rust!" Er viel stilte in.
"Mag ik de dames en heren eraan herinneren, dat wij in een hospitaal zijn en niet in een danstent. En willen de heren nu zo vriendelijk zijn naar hun plaatsen terug te keren? Dan wil ik thans een dronk voorstellen."
De officieren stonden stram.
"Op de Grote Drie!"
De glazen werden geledigd. Toen ze weer gevuld waren, stond een Engelse officier op. "Ter ere van de majoor wens ik dit glas te ledigen op de gezondheid van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina."
Even was René ontroerd. Sentimentaliteit, dacht hij, bedankte de Engelsman en wenste hem succes op zijn reis, die hij de volgende dag zou voortzetten. Het feest ging verder.
Om drie uur gaf René het sein om op te breken. Druk lachend ging men uiteen. Hier en daar verdween een zuster in de kamer van een arts. In de gang ontmoette René de sergeant, die hem destijds de dood van Duprez gemeld had. De man stond stram in de houding tegen de muur. "Ga je gang maar", zei René, maar de sergeant bewoog niet.
Toen hij hem nauwlettend aankeek, zag, René dat hij stom dronken was. Hij haalde de schouders op en vervolgde zijn weg.
Op zijn kamer gekomen draaide hij het licht aan en keek toen peinzend naar het bed, zuchtte, ging naar de wandkast, nam een fles cognac en schonk zich een glas in, dat hij langzaam ledigde. Nu hij zijn geforceerde houding kon laten varen, voelde hij zich slap en moedeloos. Hij dacht aan de zusters, die hij in de kamers der artsen had zien verdwijnen, aan de dronken sergeant, Duprez, Fernin, Thérèse en tenslotte aan Annette. In zijn verbeelding zag hij haar liggen in het grote bed. Het huis was stil. Morgen zou het een feestdag zijn. De kinderen zouden cadeautjes krijgen en Susan zou een grote taart bakken.

 

106.

Hij vulde zijn glas, stak een cigaret op en begon de kamer op en neer te lopen. Wat schoot hij ermee op altijd weer te tobben over daarginds. Het leven ging er rustig verder zonder hem. Zij hadden tenminste elkaar nog en hun gemeenschappelijke interessen, zelfs hun gezamentlijk verlangen naar hem. Hij was alleen. Feitelijk deed hij niet mee. Hij was geboren voor huwelijk en gezinsleven en het mislukte altijd.
Mismoedig begon hij zich uit te kleden, draaide vervolgens het licht uit en ging naar bed. De cognac deed zijn invloed gelden, hij sliep spoedig in.
Nog geen half uur later echter werd hij met een schrik en hevige hartklopping wakker. Hij had gedroomd, dat Agnes zich wrong van pijn; zij had hem om een spuitje gesmeekt en hij had geweigerd. Toen had zij hem aangekeken, de ogen wijd open in doodsangst. Wondermooi waren haar ogen. Plotseling braken ze en ontwaakte hij.
Hij sprong uit het bed, draaide het licht aan, trok zijn overjas aan en ging half versuft aan tafel zitten. Toen hij de cognacfles zag, begon hij weer te drinken, waarbij hij onafgebroken cigaretten rookte. Plotseling stond hij op, wierp zijn cigaret in het asbakje, wankelde even en liet zich op het bed vallen.
De kamer begon te draaien, zodat hij snel rechtop moest gaan zitten om niet over te geven. Zijn hoofd zonk voorover op zijn opgetrokken knieën. Zo sliep hij in, maar werd een uur later weer wakker, legde zich, trok de dekens over zijn schouder en viel onmiddellijk in slaap. Het was reeds lang dag, toen hij ontwaakte.

------------------------

De kerstdagen verliepen zonder dat er iets bijzonders voorviel.
De dag daarna zond hij een aantal gewonden door naar het achterland en gaf de autobestuurders bevel zich op de terugweg te melden. Waarschijnlijk konden zij daarna naar het front terugkeren.
Het werd weer stil in het gebouw.
De volgende dag omstreeks elf uur meldde Fernin zich. René ontving hem onvriendelijk en verweet hem, dat hij hen in de steek gelaten had. En waarom? Om in Brussel te zwabberen. Hij had erover gedacht hem te rapporteren, maar had het niet gedaan, omdat hij elke dag hoopte hem te zien terugkomen. Eindelijk was hij dan wel zo vriendelijk zich te melden. Intussen was er een groot transport geweest, verdomd veel werk en Duprez dood, hij in Brussel, Lamond sindsdien ziek. De jonge man was niet sterk en zij hadden het razend druk gehad. Een smerige streek noemde hij het en schold hem voor plichtvergeten zwijn.
Fernin antwoordde niet direct. René was opgestaan en liep driftig de kamer op en neer. "Heb je niets te antwoorden?" vroeg hij, toen de andere bleef zwijgen.
"Ja! Het kwam zo. Ik heb de eerste dag kennis gemaakt met een Engelse zeeofficier, die voor een missie in Brussel was. Hij heet Stanton."
René staakte zijn wandeling. "Heb je Stanton gesproken? Dat is leuk. Hoe is het met hem?"
"Goed, hij mist alleen een oog, verloren bij een gevecht met een Duitse onderzeeër. Toen ik toevallig jouw naam noemde, kon ik geen kwaad meer doen. Overigens een fijne vent. Hij had een struise Vlaamse bij zich, een prachtvrouw. Zie je, dat ene oog deed het me aan. Het heeft maar een vinger breed gescheeld, of hij was aan beide ogen blind geweest. Begrijp je, van Hove? Elk ogenblik kunnen we in de eeuwige nacht terechtkomen of lens geschoten worden en dan ons verdere leven doorbrengen in een rolstoel. En toen was er die Vlaamse. Verdomme, van Hove, ik wil nog van het leven halen wat er van te halen is voor het misschien te laat is. Stanton is een verdomd correcte kerel, ook natuurlijk tegen haar. Toen ik aanbood haar naar huis te brengen - ik trof ze in 'n groot gezelschap - maakte hij geen bezwaar. Waarom ook? Voor hem is de oorlog uit, maar voor ons niet. Vanochtend hebben zij en ik afscheid genomen. Tot ziens, zei ze en toen dacht ik aan Stanton."
"Heb je helemaal niet aan je vrouw gedacht?"
"Wat heeft die ermee te maken? Leeft zij zoals wij? Waarom zou zij niet wachten? Als ik levend uit de oorlog kom, heeft zij mij terug en als ik dood ben, kan ze een ander nemen, maar ik niet. En hetzelfde geldt als ik invalide ben. 't Gaat haar geen bliksem aan. 't Is mijn leven, waarmee alleen ik nu te maken heb. Voor hoe lang? Dat weten we immers geen van allen."

 

107.

Hij zweeg. René was weer gaan zitten, zijn gelaat stond ernstig.
"Ik heb het gesnapt, Fernin. Laten we er niet meer over spreken.
Ter zake. Ik heb operaties moeten doen, die ik nog nooit van te voren gedaan had, en dus weet ik niet of het allemaal wel in orde is. Ik deed m'n best. Van nu af zijn ze weer onder jouw contrôle." "Als het nodig is, torn ik ze wel weer open. Je zult ze de darmen wel niet aan elkaar genaaid hebben, je bent 'n handige bliksem. En als je het soms wel gedaan hebt, hoop ik dat je een grove steek gebruikt hebt, dat is makkelijker bij het tornen. Anders wordt het zulk naaisterswerk."
René lachte. "Idioot", zei hij, "ga naar de ziekenzaal en kijk de boel na."
"Tot je dienst. Die Vlaamse was reusachtig, geen slet hoor. Getrouwd. Haar man is in Duitsland."
"Krijgsgevangen?"
"Neen, dan was ik niet met haar meegegaan. Hij is er al een paar jaar als vrijwilliger. Zij heeft echtscheiding aangevraagd."
"In elk geval heb je goeie dagen gehad, maar ga nu eindelijk eens aan je werk."
Fernin vertrok en René bleef alleen achter. Stanton een oog kwijt.
Zoiets kon iedereen gebeuren. Wonderlijk, zoals Fernin praatte, ook over zijn vrouw. Misschien had hij gelijk. Kwam er maar een transport. Er werd haast niet meer gevochten aan deze kant. Al dat gepieker hielp niets.
Hij stond op en slenterde de gang in. Vluchtig keek hij in de ziekenzaal; Thérèse was er niet. Doelloos dwaalde hij verder. Nu Fernin terug was, had hij weinig meer te doen. Een beetje inspectie. Even naar Lamond gaan kijken. Ach neen, waarvoor eigenlijk? De kerel had niet te klagen over gebrek aan belangstelling, hij werd van alle kanten verwend. Waar zou Thérèse uithangen? Hij had haar de laatste dagen alleen maar in de dienst gesproken. Misschien had zij nachtdienst en dan sliep zij nu waarschijnlijk. Onzin, veel te vroeg. Verveeld zocht hij zijn kamer op.
"Zit je hier?" vroeg hij verwonderd, toen hij de deur opende.
"Ik zocht je overal."
"Ik heb op je gewacht. Je kijkt de laatste dagen niet naar me om en ik voel me zo alleen. Je bent toch niet boos, omdat ik dat zeg." "Neen kind, ik voel me waarschijnlijk precies als jij. Ben je vrij, laten we dan gaan wandelen."
"Ik moet om twaalf uur in dienst."
"Tot hoe laat?"
"Zes uur. We hebben korte dienst op het ogenblik." "Laten we dan vanavond wat uitgaan; het is wel koud, maar dan trek je maar 'n dikke jumper aan."
Zij knikte blij. "Fijn Renè, echt fijn. Krijg ik dan weer een zoen van je?"
"Die kun je nu ook wel krijgen." Warm kuste hij haar mond.
Toen hij zich oprichtte, greep zij zijn hand en drukte die tegen haar wang.
"Luister eens", zei hij en zijn stem klonk zakelijk streng. "Oudejaarsavond is er souper, gemengd gezelschap. Jij bent m'n tafeldame.
Als je weigert, kijk ik je niet meer aan. Denk erom, ik meen het." "Ben je niet bang, dat.... "
"Neen. Het is afgesproken, hè?"
"Ja!" antwoordde zij. "Zullen de anderen het niet vreemd vinden?" "Wat doet dat ertoe? Wij souperen samen en daarmee basta."
"Het wordt tijd voor me René, ik moet gaan. Fijn, dat ik je nog even gezien heb."
Zij stond op en wilde de kamer verlaten.
"Krijg ik geen afscheidszoen van je?" vroeg hij.
Zij bloosde, sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem. "Hou je 'n beetje van me, René?"
"Ik geloof het wel. Maak dat je wegkomt."
Glimlachend keek hij haar na, toen zij met veerkrachtige tred de kamer verliet. De liefde schijnt haar goed te doen, dacht hij.

---------------------

Het Oudejaarsavond-souper was nog geanimeerder dan dat op kerstavond.
Fernin kraamde alle mogelijke nonsens uit over Brussel en René hield minder straf de hand aan het matigheidsvoorschrift.
Alleen aan Fernin had hij strikt bevel gegeven er onder alle

 

108.

omstandigheden voor te zorgen, dat hij nuchter bleef. "Jij hebt in Brussel genoeg gehad."

En verder was er een jonge dokter, die geheelonthouder was en mede wegens zijn bijziendheid het waterhoen genoemd werd. Twee artsen voor die paar dozijn zieken was voldoende. Morgen was dat paar dozijn trouwens niet eens meer vol. Prachtig argument voor Fernin om wissels op het leven te trekken. Toch niet zo'n gekke vent.
René dronk bourgogne en amuseerde Thérèse, die een tikje nerveus naast hem zat, met gefluisterde opmerkingen over de aanwezigen.
"Fluisteren in gezelschap is onfatsoenlijk", werd van het andere einde der tafel geroepen.
"Dienstgeheimen", riep René terug.
Het middernachtelijk uur kroop nader.
Vijf minuten voor twaalf. René stond op. De gesprekken verstomden.
"Dames en heren. Het jaar 1944 is bijna ten einde. In het komende zullen wij nog altijd te velde staan en misschien zullen wij er de eerstvolgende Oudejaarsavond niet alle meer zijn. Het grote sterven is nog steeds in volle gang, niet alleen aan de fronten, maar ook in de steden en dorpen en in de concentratiekampen.
In mijn vaderland sterft het volk langzaam van honger. De dood Regeert, maar tegenover zijn heerschappij stellen wij onze strijdkreet "Leve het Leven".
De klok sloeg twaalf. Alle wachtten tot de laatste slag verklonken was. Toen hief men de glazen. Een feestelijk getinkel langs heel de tafel. René klonk met Thérèse, maakte toen een lichte buiging in antwoord op de hem toegeheven glazen en zette zich weer.
"Leve het leven", brulde Fernin. "Lichten uit."
Een soldaat voldeed aan het bevel. Geluid van kussen klonk door de zaal.
"Aan!" commandeerde René.
Het licht flitste weer op en onthulde enkele verrassingen.
"Jij hebt het gemakkelijk, van Hove" zei Fernin droogjes. "Als je uitgezoend bent, laat je het licht weer aansteken.
Zoiets noemen we dekking zoeken ten koste van je kameraden."
Thérèse bloosde. "De dokter heeft me niet gezoend", protesteerde zij.
Een luid gelach was het antwoord.
René legde zijn hand op haar schouder. "Laat ze maar lachen, onze tijd komt wel."
"Hoor, hoor!" werd er geroepen.
Zonder erop te reageren dronk hij zijn glas leeg. Hij voelde een lichte dronkenschap in zich opkomen, maar stoorde zich er niet aan. Leve het leven, dacht hij en daarmede tevens aan Annette, evenals toen hij zijn speech beëindigde. Onbereikbaar, ongrijpbaar was zij. Bijkans vreemden, zij beiden. De bourgogne was goed. Thérèse vlak bij hem.
De uren verstreken. Tweemaal was het waterhoen weggeroepen om een sterfgeval te constateren. In de feestzaal ging het leven verder.
Weer gaf René om drie uur het signaal om op te breken. "Dames en heren, ik wens U goede nacht en mijzelf ook."
De zaal liep leeg. Hij bleef met Thérèse staan praten. "Ga je gang", zei hij tot de soldaat, die bij het licht stond om het uit te draaien, wanneer allen vertrokken zouden zijn. "Welterusten."
De soldaat salueerde en ging heen; zijn voetstappen klonken hol in de stille hoge gang. In de verte werd een deur dichtgeslagen.
Nu was het hele gebouw ter ruste.
"Ga mee", zei hij tot Thérèse.
Zwijgend liep zij naast hem, een diepe gloed in haar halfgeloken ogen.

-----------------------

109.

HOOFDSTUK XX.

Op gezette tijden kwamen en gingen hun brieven van en naar Amerika. De toon van lichte weemoed was uit Annette's brieven verdwenen nu de donkere maand voorbij was en Januari den mensen elke mogelijkheid tot sentimentaliteit ontnam.
In haar brieven babbelde Annette opgewekt over de dingen van alledag, zoals men ook aan een verre vriend zou schrijven. Maar er was tevens een klank van sterke hoop te beluisteren in wat zij schreef, hoop, dat eindelijk de overwinning in dit nieuwe jaar bevochten zou worden.
Hij op zijn beurt schreef haar summier over de aankomst van transporten of het uitblijven ervan. Wat was er verder te melden?
Thérèse? Dat was een kwestie, die besproken diende te worden in de vertrouwelijke spheer der eigen woning. Op deze afstand zou het klinken als een vreemd verhaal. Woorden verstarren op papier en slechts wie ze leest, kan ze tot nieuw leven wekken door er zelf een levende inhoud in te leggen. Zolang men elkaar nog kent kan die inhoud mede door deze kennis bepaald worden, maar als die phase voorbij is, ligt wijd open de weg van het misverstand.
Zijn brieven behelsden allerlei, behalve dat ene, maar ze waren opgewekter en onverschilliger tevens; hij had het tobben afgeschaft.

In het hospitaal was zijn verhouding met Thérèse algemeen bekend geworden, maar er werden geen toespelingen gemaakt. Zij deed haar werk als altijd, stil en nauwgezet, schuchter soms, al was er in haar houding een groter zelfbewustzijn te bespeuren. Maar in geen enkel opzicht liet zij zich voorstaan op haar relatie met René, die inmiddels tot overste gepromoveerd was.
Minder en minder werd het werk, naarmate de weken verstreken, en men vroeg zich wel eens af, waarom de hele boel eigenlijk niet werd opgeheven. Misschien omdat de Duitsers nog stevig boven de grote rivieren in Nederland zaten?
Het voorjaar naderde, de hoop groeide.

Op een avond in Maart vroeg Thérèse aan René of hij een eindje met haar ging wandelen. Zij liepen langs het vertrouwde zandpad als twee jonge gelieven. Zwaar leunde zij op zijn arm.
"Ben je moe?" vroeg hij.
"Neen, er is wat anders, dat mij helemaal niet moe maakt, maar licht van vreugde. Ik moet heel dicht bij je zijn om het je te zeggen." En heel zacht fluisterend voegde zij eraan toe - "Ik verwacht een kind."
Toen zij dit gezegd had, stond René stil en keek in diepe verwondering in haar zachtglanzende ogen. "Wilde je het zo?" vroeg hij ten leste.
"Ja. Ik heb nooit iets van je geëist, maar ik wil niet, dat dit tussen ons een episode zijn zou, waarvan niets anders zou overblijven dan een vervagende herinnering. Als de oorlog voorbij is, en dat zal wel niet zo lang meer duren, zul jij teruggaan naar je vrouw en kinderen en dat moet ook. Onze liefde was een oorlogsliefde en moet met de oorlog eindigen, maar voor mij is ze het kostbaarste geweest dat ik ooit beleefd heb, en dit wil ik verder meenemen door het leven. René, ik zal je kind in m'n beide handen naar het licht heffen en als het groot is vertellen van de vader, die de grote openbaring geweest is voor zijn moeder. René, je bent een man, maar zo zacht en vriendelijk, dat je me altijd ontroert.
Ik heb nooit geweten, dat er zulke mannen bestaan."
Zij had zonder onderbreking gesproken en hijgde licht toen zij ge- geëindigd had. Hij antwoordde niet terstond, maar legde zijn arm om haar schouders en voerde haar langzaam voortschrijdend mee langs de stille zandweg.
Thérèse zei hij eindelijk, "het is goed, zoals jij het gewild hebt, maar mag ik ons kind nooit zien? Mag ik alleen bestaan in zijn verbeelding?"
"Je mag altijd alles, René, maar je hebt immers een vrouw en kinderen en zal het voor haar niet te zwaar zijn het te accepteren.
Ik bedoel niet onze liaison - à la guerre comme à la querre - maar ons kind en dat je dat en dus mij ook regelmatig zou zien?"
"Thérèse, je bent dapper en ik bewonder je, maar niemand, ook niet mijn vrouw zou kunnen weerleggen, dat een man het recht en de plicht heeft om de moeder van zijn kind en dat kind onder zijn hoede te houden."

 

110.

"Weerleggen kan niemand het, maar niet kunnen weerleggen is niet hetzelfde als wel kunnen aanvaarden."
"Ik geloof, dat mijn vrouw het zal kunnen."
Thérèse zweeg.
"Waarom zeg je niets meer, lieve?"
"Is het niet beter deze liefde te beëindigen? Ik houd zoveel van je. Jij bent de vervulling van mijn leven en als je bij me zult komen, zul je dat altijd in mijn ogen zien. En dan? Zal de herinnering aan dit oude klooster dan niet te sterk zijn? En moet je vrouw dat ook accepteren? Of wil je daar dan over zwijgen? Dat zul je immers niet kunnen."
Hij voelde zich wonderlijk geroerd door wat zij zeide. Zij had gelijk in alles, maar dat nam niet weg, dat het zijn recht en plicht was haar en hun kind niet in de steek te laten, en haar met geld afschepen wilde hij niet.
Hij deelde haar zijn gedachten mede.
"Jij laat me immers niet in de steek. Ik wist wat ik deed, opzettelijk deed voor mijn levensgeluk. Alleen op deze manier kan ik je altijd voor en bij mij behouden, René. Alleen zo."
Lange tijd liepen zij zwijgend verder; zij waren nu op de terugweg, want nog altijd was de zijweg het keerpunt. Nooit waren zij doorgelopen als kinderen naar onbekende verten. Voor hen was er een grens in alles. Hadden zij dit onbewust uitgedrukt door hun vasthouden aan dit keerpunt? Van deze weg was Thérèse gekomen, langs deze weg zou zij weer heengaan. Het einde van een liefde en het begin.
Nu waren zij het hospitaal dicht genaderd.
"Thérèse"
Er kwam een zachte blik in haar ogen. "René, je bent zo lief."

----------------------

Hij deelde veel verlof uit om naar Brussel te gaan, maar ging zelf nooit. Hij had geen behoefte aan de stad en Thérèse vroeg er niet om.
Er werd nogal eens feest gevierd in het oude klooster en de liefde bloeide tussen zijn muren heviger nu de lente in het land was. Met de dag namen de voortekenen toe, dat het einde van de oorlog elk ogenblik te verwachten was, maar desondanks kwam de algehele overgave nog onverwachts.
Zo was dan het grote ogenblik aangebroken, waarnaar millioenen gehunkerd hadden, waarnaar René had uitgezien als de verlossing uit een nooit eindigende misère, en nu het er was, liet het hem onverschillig en deed hem zelfs even onaangenaam aan. Hier was het leven eenvoudig; zorgen kende niemand, noch de strijd om het bestaan en met de dood was iedereen vertrouwd geraakt, zo vertrouwd, dat niemand meer op hem lette, als speelde hij zijn rol in het leven van Fernin en de anderen en ook in dat van hem.
Nu zou hij weer terug moeten naar wat hij ontwend was, zou herinneringen uit het verleden weer tot levende werkelijkheid moeten maken.
En deze werkelijkheid hier in dit oude klooster was de prijs, die hij ervoor moest betalen - werkelijkheid, waartoe ook Thérèse behoorde en het kind, dat zij verwachtte.
Hij had zich teruggetrokken in zijn kamer en hoorde vanuit de verte het lawijt der artsen en verpleegsters, soldaten en patiënten, die feest vierden omdat de oorlog ten einde was.
Thans lag de weg naar Nederland open, maar hij voelde geen lust om hem te gaan. Het was alles heel ver, zo ver.
Plotseling vloog de deur open en trad Fernin binnen. "Wat zit jij hier in je eentje te kniezen? Iedereen viert feest en jij trekt een gezicht, alsof het einde van de ellende nog niet in zicht is. Wat scheelt eraan? Ben je ziek of heb je ruzie gehad met Thérèse?" René schudde het hoofd. "Ben je dronken Fernin?"
"Neen, nog lang niet."
"Ga dan zitten en laten we wat praten. Ik heb je iets te vragen."
"Tot Uw dienst, overste."
"Geen gekheid alstublieft, Fernin, het is verdomd ernstig. Herinner jij je nog wat je met me gepraat hebt, toen je uit Brussel terug kwam na dat uitstapje, dat je jezelf had gepermitteerd?"
Fernin knikte.
"Dat gesprek was niet de oorzaak, maar gaf de doorslag tot mijn verhouding met Thérèse en nu is er wat anders, Fernin. Beloof

 

111. me, dat je er met niemand over zult spreken. Ze is al een paar maanden zwanger."
"Stommeling."
"Neen, zij deed het opzettelijk, maar er is geen enkel kwaad in haar opzet. Ik moet terug naar mijn vrouw en kinderen. Zij wil haar eigen weg gaan zonder mij. En dat kan ik niet accepteren. Daarom zit ik hier. Ik sta stil tussen twee werelden - die van nu en die van vroeger."
Hij zweeg. Tussen Fernin's ogen die donker en wijd open stonden, vertoonden zich twee rimpels. "Ik begrijp het, van Hove, jij bent zo'n verdomd ernstige kerel. Als een vrouw van je houdt, kan ze alleen maar heel veel van je houden. Bij mij is dat nooit zo. Daarom neem jij ook de liefde zo ernstig op. Jij kunt je er niet afmaken, niet met geld en niet met een smoesje en ook niet met vriendelijke luchthartigheid, maar je kunt evenmin stil blijven staan. Door hier te zitten piekeren los je niets op. Pieker niet, maar doe, het leven is niet anders. Je zult weer op pad moeten, het leven in en je zult geen brokken maken. Alles zal zich regelen, van Hove, beter dan je denkt, want je hebt een nauwkeurig werkend geweten. Je zei, dat er in haar opzet geen enkel kwaad steekt. Dan moet ze een sterke vrouw zijn met zo'n opzet. Vertrouw op haar en dring je niet aan haar op. Jij bent voor haar niet à prendre, maar à laisser, zo wil zij het. Geloof me van Hove, als je op haar vertrouwt en op je geweten, breng je het terecht."
René reikte hem de hand. "Dank je Fernin, ik zal doen wat je zegt.
Soms moet een mens met een ander praten om uit zichzelf te komen.
Ik ben blij dat ik met jou gepraat heb."
Fernin stond op. "Kom straks even kijken, ze worden anders zo dronken als staartmolens, behalve het waterhoen natuurlijk, en dan wordt het een zootje, want de meeste zusters zijn nu al boven haar theewater.
Thérèse is in de tuin. Ik zag haar zitten, toen ik langs de zijpoort liep. Maar vergeet voor haar je plicht niet om de orgie te bezweren."
Na deze woorden vertrok hij, gevolgd door René, die Thérèse ging opzoeken. Na een kwartiertje reeds excuseerde hij zich om "de wilde dieren te gaan temmen".
"Als ik ermee klaar ben, gaan we wandelen", zei hij, terwijl hij opstond, "en dan lopen we deze keer voorbij het kruispunt."

Toen René de eetzaal binnentrad, werd hij met een waar gehuil begroet. Rustig wandelde hij naar het hoofd der tafel, zette zich in de armstoel en keek de zaal rond. Het was een niet veel belovende aanblik; een gevoel van ergernis maakte zich langzaam van hem meester.
Het waterhoen met een verpleegster op schoot begon uit alle macht het tipperarylied te zingen, waarop Lamond hem toesnauwde zijn waterbuis dicht te knijpen, omdat er toch alleen maar dood water uit kwam. "Dat lied zong m'n grootmoeder al, achterlijke regenton." Een pleegzuster liet zich achterover vallen tegen de naast haar zittende kapitein-arts en verviel in een hysterische lachbui. Links en rechts werden schunnige opmerkingen gemaakt.
René vond het genoeg. Hij stond op, greep een lege wijnfles en klopte ermee op tafel.
"Stilte!" brulde Fernin. "De overste heeft wat te zeggen."
Langzaam legde zich de storm.
"Dames en heren, het spijt mij te moeten protesteren tegen de manier, waarop hier de wapenstilstand gevierd wordt. Ik acht het in strijd met de eer en de waardigheid van de arts en van de vrouw en van de verpleegster in het bijzonder. Maar ik heb ook geen lust om voor schoolmeester te spelen. Daarom geef ik alle hier aanwezigen twee maal vierentwintig uur verlof. Wie niet op tijd terug is, wordt gerapporteerd. Denkt U daar vooral om. Uitzonderingen worden niet gemaakt en er wordt niets door de vingers gezien. De bijeenkomst is opgeheven."
Een beetje onthutst en verlegen keken de aanwezigen naar hun overste. Zijn gezicht drukte echter op zo duidelijk wijze ontstemming uit, dat niemand erover dacht een tegenwerping of opmerking te maken. Zwijgend verlieten alle de zaal. Alleen Fernin bleef nog even achter. "Goed gedaan, van Hove, het was niet leuk meer."
"Dat vond ik ook niet. Verlof leek me de beste oplossing, dan kunnen ze uitrazen. Waar ga jij heen, Fernin?"
"Naar Brussel afscheid nemen van m'n Vlaamse. Het zal haar hart niet breken, dat is tenminste een troost, en dan hoop ik zo gauw mogelijk gedemobiliseerd te worden. Ik heb er meer dan genoeg van."

 

112.

Zij namen afscheid en René ging naar de wachtcommandant om hem te zeggen, dat de manschappen twee dagen verlof hadden, behalve natuurlijk de soldaten die de wacht moesten waarnemen. Dit moest hij maar zelf regelen. Vervolgens ging hij naar het bureau en na daar de nodige instructies gegeven te hebben, zocht hij Thérèse weer op.
Zij besloten te wachten tot de verlofgangers vertrokken waren, omdat René een oogje in het zeil wilde houden.
Er was heen en weer gedraaf, geroep om auto's en veel gelach, maar de aanwezigheid van de commandant in de tuin werkte remmend op hun uitgelatenheid. Nog een uur later vertrok de eerste wagen, geleidelijk volgden de anderen. Voor de soldaten was een vrachtauto gerequireerd.
Het werd stil in de tuin. Uit het klooster klonk geen enkel geluid. "Zullen we even naar binnen gaan?" vroeg Thérèse. "Het lijkt mij zo leuk door dat grote stille gebouw te lopen."
Samen slenterden zij door de gangen, hun stappen klonken hol. De deuren der ziekenzalen stonden open, een vreemde leegte, de troosteloosheid van wat verlaten is door het leven, omdat het overbodig is geworden.
Huns ondanks werden zij neerslachtig; hier hadden zij gewerkt, gevochten tegen de dood, tegen pijn en angst. Het was alles niet meer nodig, ook zij zelf niet. Twee mensen in een oud gebouw, gedeeltelijk ruïne, een gebouw, dat nog eenmaal de mensen gediend had, nadat het zo lang reeds verlaten was. Maar ook deze dienst was overbodig geworden.
Mausoleüm van herinneringen.
René sloeg zijn arm om haar taille. "Ga mee, ik vind het hier niet prettig."
Weer had hij het gevoel stil te staan tussen twee werelden, maar hij dacht aan Fernin en stapte vlug met haar naar buiten.
Zij wandelden heel ver die middag. Het zonlicht druppelde door de bomen en vloeide in gouden plassen over de weg. Als een liefdeslied klonk het gezang der vogels. Vergeten was de weemoedige verlatenheid van het klooster. Een vrome blijheid doorvoer hen, terwijl zij hand in hand voortgingen in de gouden middag.
"Hier gaan we linksaf", zei Thérèse. "Dan komen we in het dorp, waar ik uit de autobus gestapt ben, toen ik hierheen kwam."
Het was er druk, overal waren vlaggen uitgestoken en de mensen gingen rond, alsof zij voor het eerst een Meidag beleefden. Een harmonicaspeler begon het volkslied te spelen, toen hij René zag naderen.
"Hij ziet me voor een landgenoot aan", zei René, terwijl hij de man een drinkgeld gaf. Deze tikte aan zijn pet, keek in zijn hand en liet toen zijn instrument schallen, dat het daverde over het plein als een juichkreet.
Zij gingen voor een café'tje zitten, waar een paar houten tafeltjes stonden, vlekkerig en vol bierkringen. Een oude man in hemdsmouwen kwam de bestelling opnemen. Zij dronken bier.
Een uur lang ongeveer bleven zij zitten kijken naar het beweeg op het plein, elk voor zich genietend van de blijheid van het volk om de vrede en om de lente.

In de vallende avond keerden zij naar het klooster terug. De halfduistere gangen hadden het specifiek troosteloze van de middag eraan ontnomen. Ook waren nu de meeste deuren gesloten. Zij gingen rechtstreeks naar de kamer van René, waar Thérèse op zijn verzoek ging liggen rusten. Hij zocht intussen allerlei eetbaars bijeen, dat in de grote kast tegen de muur kriskras door elkaar stond. Achtereenvolgens haalde hij een blik bacon, boter, eieren, brood en koffie tevoorschijn; ook vond hij nog sardines. Toen stak hij het benzinecomfoor aan, schudde koffie in de verchroomde kan, vulde deze met water en zette haar op het comfoor. Vervolgens opende hij het blik, sneed brood en legde de boter op een schoteltje. Nu was het wachten op het koken van de koffie. Beiden keken belangstellend naar de eerste stoomwolkjes, die uit de tuit kwamen. Toen de koffie gereed was, zette hij de kan op tafel, nam een koekepan en ging bacon en eieren bakken. Aandachtig volgde ThéSèse al zijn handelingen.
"Kom je aan tafel, of blijf je liggen?" vroeg hij, terwijl hij de eieren op de borden schoof.
"Ik sta op, dat is gezelliger."
Thérèse schonk koffie in.
"Suiker?" vroeg hij.

 

113.

Hij ging naar de kast om het gevraagde te zoeken. In een conserven blik ontdekte hij tenslotte een restant. Zwijgend schoof hij het haar toe.
In de doodse stilte van het klooster zaten zij en luisterden. Een enkele maal streelde Thérèse zijn hand. Dan knikte hij haar glimlachend toe.
Toen de maaltijd geëindigd was, gingen zij slapen.
Een zilverblanke streep liep over de tafel, vervolgens over de grond en verdween in de hoek bij de deur. Er was geen enkel geluid.
Als een vergeten wereld lag het klooster in de maanblanke nacht.

------------------------

HOOFDSTUK XXI.

Op de vastgestelde termijn waren al de verlofgangers weer aanwezig, behalve de waterhoen, die met een gebroken enkel in het ziekenhuis lag.
"We hebben er niet eens voordeel van", zei Fernin. "Hij drinkt toch niet."
"Water", antwoordde René.
"Dat is geen drank."
"Was het afscheid prettig?"
"Daverend! Ik ben er nog moe van. Wat moeten we hier nu eigenlijk nog doen, van Hove?"
"Ik ga morgen naar Brussel. Thérèse gaat mee. Ik zal dan informeren, wat er gebeuren moet en neem meteen een paar dagen verlof."
"Zo, dus eindelijk toch. Ga je op je huwelijksreis?"
"Dat nu niet bepaald."
"Oh neen, pardon."
"Wil je een cigaret, Fernin?"
"Neen merci, m'n keel, m'n luchtpijpen, alles is rauw van het roken, maar ik wil wel 'n borrel."
"Daar in de kast staat nog whisky. Een glas is er ook wel."
"Ik hoop, dat ze ons nu maar gauw vrijlaten", zei Fernin, terwijl hij zich een whisky inschonk. "Toen ik dit oude gevaarte binnenkwam, kreeg ik kippenvel. Net een lijkenhuis zonder doden. Toen die er waren, was er tenminste nog leven in de brouwerij, maar nu is het hier om zelf dood te gaan. Wil je soms ook een whisky?"
"Neen merci."
"Hoe heb je het hier die twee dagen uitgehouden? Je had Thérèse bij je, maar één vrouw is tegen dit overleden stuk middeleeuwen niet opgewassen."
"Het was inderdaad erg stil, akelig stil, maar we zijn er veel uit geweest en 's avonds vroeg naar bed."
" 't Beste, wat je doen kon. Trouwens altijd het beste - met 'n vrouw naar bed, behalve natuurlijk als er te werken valt. Maar overigens ... " Hij voltooide de zin niet.
René gaf geen antwoord. Zo zaten zij een tijdlang tegenover elkander, elk met zijn eigen gedachten.
Toen hij zijn glas had leeggedronken, stond Fernin op, vulde het opnieuw en ging weer aan tafel zitten. Op dat ogenblik kwam Thérèse binnen. "Stoor ik?" vroeg zij.
"Ontzettend zuster", antwoordde Fernin. "We bespreken dienstgeheimen, zo geheim, dat we geen woord zeggen."
Lachend trad zij de kamer binnen en liep langzaam naar de tafel toe.
"Stoor ik?" vroeg Fernin haar.
"Ik heb geen dienstgeheim", antwoordde zij.
"Ook 'n glas whisky?" vroeg Fernin.
"Neen, dank U, ik drink nooit whisky."
"Ga toch zitten, Thérèse", zei René "en laat hem maar praten.
Is er iets bijzonders?"
" 'n Transport zwaargewonden", zei Fernin. "Je moet me helpen, van Hove."
"Was het maar waar", antwoordde René.
"Dat meen je niet", protesteerde Thérèse.
"Neen, niet helemaal", gaf hij toe.

 

114.

"Het is hier zo'n verdomd dooie boel, zuster, dat ik er bijna ook naar zou verlangen," merkte Fernin op. "Vind U het hier niet erg?" "'n Beetje saai, neen, dat is verkeerd, want het is veel erger dan saai, maar morgenochtend gaan we op reis en dan bent U de commandant." "Ik? Zeg van Hove, heb je geen ander?"
"Neen. Jij bent de hoogste in rang na mij en de verstandigste."
"Dank je! Daar zal ik dan nog maar 'n whiskj op nemen. Drink je mee, van Hove?"
"Eén, maar niet meer."
Zij klonken. "Op mijn commandeurschap. Moet U nu niets hebben?" "Geef haar maar 'n glas cognac, Fernin, maar 'n klein glas, niet zo'n zeeroversborrel."
"Klinkt U ook op m'n commandeurschap, zuster?"
"Goed!" Zij nam haar glas op.
"Neen, laten we dat niet doen", zei Fernin plotseling ernstig.
"Laten we klinken op de dappere vrouwen van Frankrijk."
Zij dronken.
"Kent U er veel, dokter?"
"Eén in ieder geval, zuster."
Aan wie zou hij nu denken, dacht zij.
"Het is al laat, van Hove, zullen we maar gaan slapen? Ik heb rust nodig om me voor te bereiden op mijn zware taak."

----------------------

De volgende morgen vertrokken zij per auto naar Brugge, waar zij geen van beiden ooit geweest waren. Opgetogen dwaalden zij door de bijkans onbeschadigde stad, dit wonderlijke middeleeuwse juweel, waarin alleen de stroom van toeristen stoort. Maar die waren er nu niet.
Zij genoten van de stille deftigheid der Spiegellei, de schoonheid achter de Onze Lieve Vrouwekerk, van het Minnewater en van de rankheid van de Halletoren. Het was heerlijk hier te zijn, in en tegelijkertijd buiten de wereld, zich zat te drinken aan lijnen en beelden, sculpturen gehouwen in kerkportalen en gevels en te bedenken hoe rijk het leven geweest moest zijn, toen de mens in zijn werk ook zijn vroomheid legde.
Zij bleven er twee dagen en gingen toen naar Brussel.
"Heerlijk was het, René" zei Thérèse, toen zij de stad uitreden.
"Het klooster zal natuurlijk altijd onze sterkste herinnering blijven, maar deze herinnering is toch ook van ons samen."
Hij greep haar hand en drukte die heel innig. "Ja Thérèse, van ons.
Ik zal er nooit met een ander heengaan."
"Voel jij dat ook zo, dat er herinneringen zijn, die onverbrekelijk vastzitten aan één mens?"
"Ja. Heb je veel van zulke herinneringen, Thérèse?" "Neen, dit is de eerste. Soms heb ik het gevoel, dat jij helemaal de eerste bent. Er is volmaakt geluk René, maar dat kun je maar eenmaal beleven. De wereld is zo onvolmaakt."
Hij streelde zachtjes haar hand. "Je bent zo'n wonderlijke vrouw, Thérèse," zei hij na een poos, "wonderlijk en indrukwekkend, een heel bijzondere vrouw."
"Dat begrijp ik niet."
"Tracht dat ook nooit te begrijpen. Houdt je bij je gevoelens. Je bent een goed en zuiver mens."
Zij bloosde verlegen en gaf geen antwoord. Nu telde zij de bomen die voorbijflitsten. Hoelang zou het nog zijn naar Brussel? Zij vroeg het René.
"Eerst komen we in Gent en vandaar is het waarschijnlijk een uur. Vind je het prettig?"
"Heerlijk."
Gent gleed langs haar gretig kijkende ogen. "Brugge is veel mooier, geloof ik", zei zij.
Nu reden zij weer langs de weg. Haar ogen vielen toe. Ongemerkt sluimerde zij in. Voorzichtig legde René zijn arm om haar schouders en trok haar tegen zich aan. Zij bemerkte het niet. Zo zaten zij tot Brussel. Toen wekte hij haar.

----------------------

115.

Terwijl René instructies haalde, bleef zij in de wagen zitten.
Het duurde bijna anderhalf uur voor hij terugkwam. Zij zag dat hij zich geërgerd had.
"Nooit kan iets vlug gedaan worden bij die bureauctraten", mopperde hij. "Altijd zijn er allerlei instanties en iedereen zegt dat een ander het beslissen moet. Enfin, het is in orde, maar natuurlijk onder voorbehoud van tegenbericht, want er was een generaal zoek. Daarvoor moet jij anderhalf uur wachten. Naar, "Plaza", chauffeur."
De wagen startte en zocht een weg door het drukke verkeer.
"Wij blijven hier vannacht. Vanavond gaan we naar ons eerste kroegje, weet je nog wel? Maar vantevoren goed dineren, daar heb ik 'n verschrikkelijke zin in. Het zal wel erg zwart zijn, maar dat hindert niet voor deze ene keer. Wij zijn nog nooit met verlof geweest."
Zij amuseerden zich kostelijk die ene dag en avond in Brussel en toen zij de volgende ochtend terugreden naar het oude klooster, voelden zij zich als twee, die van een lange, verre reis huiswaarts keren.

----------------------------

HOOFDSTUK XXII.

Nog twee dagen bleef Thérèse in het hospitaal. Toen vroeg zij René haar papieren in orde te maken. Zij wilde de definitieve liquidatie niet meemaken, die de volgende dag beginnen zou, als de mensen van de intendance uit Brussel zouden komen. Nergens meer zich melden, nergens meer instructies halen en reisorders. Het laatste moest van hem komen. Van het klooster wilde zij naar haar ouders gaan.
Haar moeder was een vrouw van de zee. Die vrouwen weten heel veel, omdat de zee haar alles vertelt al van de tijd af, dat zij kinderen zijn en stil zitten te kijken in de wijde verte.
"Jij komt uit een land van de zee. De lage landen wordt jullie land immers genoemd, de lage landen bij de zee. Mooi klinkt dat, een naam, als de titel van een heel oude legende."
Haar dromerig gepraat boeide hem. Wat hier tussen hen geweest was, had zij omgedicht tot als het ware een ballade uit de middeleeuwen.
Zou haar droom standhouden in de alledaagse wereld, buiten dit oude klooster, waaromheen de bossen staan, deze wereld op zichzelf.
Hij sprak zijn gedachten niet uit, maar streelde haar handen, zoals altijd, wanneer het fragile van haar ziel hem ontroerde.
Zij zei hem, dat zij vroeg wilde gaan slapen. "Ik wil alleen maar heel stil bij je liggen, René, heel dicht tegen je aangedrukt.
En dan wandelen we morgen weer naar dat dorp, waar we waren en vandaar ga ik dan met de autobus. Ik wil geen auto. lk wil teruggaan zoals ik kwam. Maar veel rijker."
"Hoe laat wil je weg?"
"Zo vroeg mogelijk, direct na het ontbijt."
"Wil je nog iemand goedendag zeggen?"
"Alleen dokter Fernin. Hij was altijd zo'n goeie vriend voor je, René. Wil je hem roepen?"
René voldeed aan haar verzoek. Hij deelde Fernin mede, dat zij zeker niet in een stemming was om een borrel te drinken en dat zij hem alleen goedendag wilde zeggen.
"Ik voel me gestreeld", antwoordde Fernin en ik meen het waarachtig.
Overigens ben ik benieuwd hoe jullie die kwestie oplost.
Misschien schrijf jij het mij eens? Ik zal je mijn adres geven.
Wil je geloven, dat ik me 'n beetje landerig voel, nu het werkelijk zover is, dat we weggaan? Ik heb Remarque altijd een tikje geschift en Duits-sentimenteel gevonden met zijn geschrijf over frontkameraadschap, maar ik begin het nu te voelen. Liefde is goed, maar kameraadschap beter. Misschien vind je die wel alleen aan de fronten."
"Ik geloof, dat jij nu sentimenteel wordt, Fernin."
"Best mogelijk."
Zij traden de kamer binnen. Thérèse kwam hun tegemoet. "Ik wou U goedendag zeggen dokter", zei zij hem de hand reikend. "Ik hoop, dat het U goed gaat in het leven, want U verdient het."
"Waarom? 'n Schortenjager en drinkebroer, wat is daaraan voor verdienstelijks?"

 

116.

"Daaraan niet, maar het hoort bij U, U hebt een groot hart."
"En van Hove?"
"Ook, maar anders."
"Zuster, laten we dit onderwerp vaarwel zeggen. Van Hove en ik zouden ons verlegen kunnen gaan voelen onder Uw loftuitingen.
Mijnerzijds wil ik dan zeggen, dat ik van harte hoop, dat het U goed zal gaan."
"Dat doet het zeker, dokter."
"Als U me ooit nodig hebt, kunt U op me rekenen. Van Hove krijgt mijn adres. Vergeet niet, van Hove, het haar te geven." Toen namen zij afscheid met een handdruk.

-----------------------

Met haar hoofd op zijn schouders en haar arm om zijn middel lag zij tegen hem aangedrukt en in deze lichamelijke aanraking beleefden zij alles, wat er nog te zeggen viel. Na een poos bemerkte hij, dat zij huilde.
"Thérèse, lieve, lieve Thérèse, dit is toch geen afscheid voor eeuwig." "Maar dit is voorbij", snikte zij zachtjes, "dit is voorbij en het was zo mooi."
"Het moest immers voorbij gaan." Zij gaf geen antwoord en hij voelde, dat zijn woorden een holle klank waren.
Haar geluidloos snikken verminderde geleidelijk; ongemerkt sliep zij in.

De volgende morgen om acht uur waren zij reeds op weg. Voor zij de kamer verlieten, had zij haar handen op zijn schouders gelegd en hem ernstig en als het ware onderzoekend aangekeken. Haar blik gleed van zijn ogen naar zijn mond, langs de lijnen van zijn gelaat en keerde daarna weer naar zijn ogen terug. Zo stond zij lange tijd. Toen plotseling liet zij hem los. "Wij gaan", zei ze.
Voor de laatste maal waren zij door de hoge gangen gewandeld.
Nu liepen zij langs het zandpad, arm in arm.
"Ik vind het prettig zo weg te gaan als ik gekomen ben. Ik ga nu op reis naar m'n ouders en jij brengt me naar de bus. Dan moet jij natuurlijk weer terug naar je werk, want mannen moeten werken, maar vrouwen kunnen wel eens op reis gaan, zeker naar haar ouders."
"Is het een verre reis?"
"Niet zo erg ver. Morgenmiddag ben ik er al."
"En waar logeer je dan vannacht?"
"In Parijs, in 'n ziekenhuis of in een huis voor alleenreizende vrouwen. Met mijn papieren kom ik wel ergens onderdak."
"Heb je geld genoeg bij je?"
"Meer dan voldoende. Ik heb bijna niets nodig."
"Wat ga je doen bij je ouders?"
"Niets. Moeder een beetje helpen en een uitzet maken."
"Ik zal je geld laten sturen, Thérèse, dat moet je me toestaan. Ik wil niet, dat je zorgen hebt, nu ons kindje moet komen."
"Dat is lief. Vader en moeder zijn niet rijk, maar stuur niet te veel, dat zou ik niet prettig vinden."
"Je bent een schat, Thérèse."

Tegen tien uur bereikten zij het dorp. Op het plein stond een autobus. René vroeg welke richting hij ging. Het was de bus voor Thérèse.
"Ga je met deze of wil je een volgende afwachten?"
"Neen, met deze. Ik wil vanavond in Parijs zijn."
"Maar deze is vol."
"Dan sta ik wel."
"Dat kan niet, je wordt veel te moe." "Ik ben gewend te staan. Denk maar aan de transporten en het lange nachtwerk."
Hij hielp haar instappen. René ging aan de zijkant van de wagen staan om het vertrek af te wachten. Zij knikte hem vriendelijk toe. Een soldaat, die aan het venster zat, waarbuiten René stond, keek omhoog om te zien tegen wie hij glimlachte. Zijn blik gleed langs de voorzijde van haar lichaam. Even bekeek hij haar gezicht. Toen stond hij op om haar zijn plaats af te staan.
Thérèse dankte vriendelijk. René salueerde, maar de soldaat zag het niet.

 

117.

Over het plein kwam de chauffeur aandrentelen. Bij de wagen bleef hij met iemand staan praten. Eindelijk nam hij zijn plaats in achter het stuur. De motor begon te grommen.
Al die tijd had Thérèse naar René gekeken, een zachte glimlach om haar mond.
Nu schokte de wagen, kwam langzaam in beweging. René wuifde tot hij om de straathoek verdween. Enige tijd bleef hij nog staan kijken, toen keerde hij zich om, ging naar het cafétje waar zij samen gezeten hadden en nam plaats aan hetzelfde morsige tafeltje.
De oude man verscheen. René bestelde bier. Zijn gedachten bleven vaag. Hij voelde vreugde, noch droefheid, alleen verwondering, dat het op deze wijze eindigde - op een dorpsplein bij een autobus: de oorlog, Thérèse, het klooster.

-----------------------------