Infor-
matie.

Klaas, Dorus en Mr.Willem Ras (vervolg)
VI.

      Het was omstreeks tien uur in de morgen, toen Thérèse van Rozenburg de ontbijtkamer binnentrad, welker openslaande deuren toegang verleenden tot het terras, dat door een marmeren balustrade van het park was afgescheiden. In het midden was de balustrade onderbroken en voerde een marmeren trap naar het lager gelegen park.
      Ofschoon pas dertig jaar was haar leeftijd moeilijk te bepalen. Haar gelaat had een vale kleur, welke onderstreept werd door het dofbruine, kleurloze haar, in het midden gescheiden en strak langs de oren weggekamd.
        De neergetrokken mondhoek - week en zwak wegvloeiend - wezen op vermoeidheid, terwijl haar slepende gang en licht gebogen schouders deze indruk nog versterkten. Volkomen in strijd met dit gefaneerd zijn waren haar grote, grijze, zielvolle ogen, waaruit een onbevangen, rustig-vriendelijke en soms naïef blijde blik de totaal-indruk van het gelaat en houding negeerden, zozeer dat men haar onaanzienlijk uiterlijk vergat. En hetzelfde effect veroorzaakte haar klankvolle warme altstem, openbaring van een zieleleven, dat ver uitging boven haar gebrekkige lichamelijkheid.
        Nauwelijks had Olga, haar tien jaar jongere zuster, haar bemerkt, of zij sprong lenig van de balustrade en liep haar met veerkrachtige tred tegemoet.
        Zij was vrijwel in alles het tegendeel van Thérèse : hoogblond, met een stralende teint, goudbruine, tintelende ogen en

                         33.

een slank, sportief figuur.
       Haar blik was zeker niet rustig-vriendelijk, maar veeleer fel onderzoekend, terwijl haar gehele houding een lichte nervositeit verried.
        "Wat ben je laat? Heb je weer slecht geslapen?" vroeg zij, zodra haar zuster genaderd was.
       "Neen uitstekend!" antwoordde deze. "Maar ik heb tot drie uur liggen lezen; ik kon de slaap weer niet vatten."
    Olga bromde iets.
      "Geloof me nu maar", repliceerde Thérèse. "Ik heb geslapen als een marmot."
      "Weet je geen beter beeld, dan zo'n bedelaarsbeest?"
      "Als een roos! Maar dat kan Ik toch niet zeggen. Mijn uiterlijk doet zeker niet aan rozen denken."
      "Ach wat! Kom, ga nu zitten; ik zal je thee inschenken. Heb je weer over de oorlog liggen tobben?"
      "Thérèse knikte.
      "Maar daar kan je toch niets aan veranderen?"
      "Neen, ik zeker niet."
      "Wie dan wel? De hele boel is boven de mensen, die het in beweging gezet hebben, uitgegroeid. Nu zitten we in het schuitje en wachten."
      "Ik wil niet wachten; ik word gek van dit alles."
      Olga haalde de schouders op.
      "Ik zou iets willen doen om tenmiste het leed te verzachten,
maar ik kan niets, absoluut niets."
      "Altijd de zelfde klacht", zuchtte Olga.
      Daarna viel een zwijgen. Traag at Thérèse, terwijl zij dromerig in het park keek, vanwaar een druk getjilp en gekwetter van vogels tot haar doordrong.
      "Wat doe je vandaag, Olga?" vroeg zij tenslotte om de pijnlijke stilte te verbreken. Zij hield er niet van haar zonnige zuster in haar neerslachtige buien te betrekken.
      "Ik blijf thuis. Wat correspondentie afdoen, lezen en luieren. 't Is veel te mooi weer om naar de stad te gaan. Ik ga eerst naar m'n kamer; om een uur of elf kom ik dan beneden; dan drinken we samen koffie met een verrukkelijk gebak, dat Marie gemaakt heeft. Ze zegt, dat we nog wel voor twee jaar Amerikaans patentbloem in huis hebben. Fijn hè?"
      Thérèse glimlachte. "Er zal anders genoeg honger geleden worden als de oorlog nog twee jaar duurt."
      "Oef! Alsof onze meelvoorraad daaraan iets zou kunnen afdoen."
      Thérèse zweeg. Zij wist al die dingen wel, kende alle argumenten, achtte het zeer zeker niet nodig, dat zij en haar huisgenoten gebrek leden, maar kon zich desalniettemin er niet mede verzoenen, dat millioenen dit wel zouden moeten verduren.
      "Eet nog wat", drong Olga aan. "Een beetje fruit dan", vervolgde zij, toen Thérèse afweerde. Gehoorzaam voldeed deze aan het verzoek. Als zij het kind er een plezier mee deed, waarom zou zij dan dat beetje fruit weigeren. Zij hield van haar zuster met een bijna ziekelijke liefde, bewonderde in alles de mooie Olga, wier belangen zij dan ook steeds voor de hare stelde, omdat de jongste geen ouderliefde gekend had, zoals zij zichzelf wijs maakte. Olga was een nakomertje, geboren toen haar op late leeftijd gehuwde vader de vijftig al overschreden had en haar geboorte had haar moeder het leven gekost. Kort daarna had de vader zelfmoord gepleegd; niemand wist waarom.
      Wegens de dood zijner vrouw? Het huwelijk was geen succes geweest. Misschien juist daarom?  Een te late wroeging?

                         34.

      Er was veel gepraat geweest om deze zelfmoord, temeer daar hij zijn kinderen vrijwel onverzorgd achterliet.
      Omstreeks dezelfde tijd was een tante der beide meisjes in Egypte gestorven en had, aangezien zij van het bestaan der kleine Olga niets afwist, haar gehele reusachtige vermogen aan Thérèse vermaakt, zodat deze o.m. in het bezit van Berkenhove gekomen was, waar zij sinds haar meerderjarigheid met haar zusje woonde, dat zij koesterde en verwende als een geliefde dochter. Zij had hen beiden wel eens vergeleken met en stralende zomermorgen en een regendag, en toen Olga haar antwoordde dat regendagen soms heel mooi en intiem kunnen zijn, had zij haar glimlachend een zoen gegeven en er het zwijgen toe gedaan. Zij geloofde niet in zichzelf.

      Het leven op "Berkenhove" verliep gemeenlijk rustig, vooral sinds de oorlog. Enige sensatie verwekte dan ook de aankondiging dat Mr.Willem Ras de freule wenste te spreken.

      De huisknecht bracht het visitekaartje. Hij had eerst naar de jongste der beide zusters willen gaan zonder dat hij wist waarom, maar onmiddellijk had hij zijn voornemen herzien en de bezoeker bij freule Thérèse aangediend. Verwonderd bekeek deze het visitekaartje. Zij kende hem niet,  of - ja,  misschien toch; de broer van de dokter.

      "Laat meneer Ras in de kleine salon."
      Wat zou die man voorhebben met zijn bezoek?
      Spoedig vernam zij het.
      In de meest gezochte woorden, en zich uitputtend in excuses over zijn vrijpostigheid haar na zo'n summiere kennismaking te durven bezoeken, zette hij haar zijn plannen uiteen, terwijl hij elegant met zijn rechterhand gebaarde, waaraan een grote solitaire schitterde.
      Thérèse hield niet van mannen, die juwelen droegen.
      Zij negeerde zijn excuses, die haar al te opzettelijk voorkwamen, en drukte haar verwondering erover uit, dat hij zich tot haar wendde.
      "U kunt toch veel beter Uw licht opsteken bij de notaris; per slot van rekening heeft die "de Vossenberg" in handen, niet ik."
      "Pardon freule" - een allervriendelijkste glimlach en lichte neiging - " de notaris komt in de laatste plaats. 't is mij te doen om de opinies van de grondbezitters hier."
      "Die ken ik niet, meneer Ras, maar ik vermoed, dat de mees- ten er zo over zullen denken als ik. Ik voel niets voor zogenaamde villaparken, die niet anders zijn dan tuindorpen voor middenstanders. Ik begrijp niet, waarom U juist hier grond zoekt voor een dergelijke onderneming. U kunt hier alleen maar alles bederven."
      De wending, welke het gesprek nam, beviel hem niet. Er zouden meerdere bezoeken moeten volgen, wanneer hij zijn eigenlijke doel wilde bereiken, maar als hij hier meteen werd afgepoeierd, viel alles in duigen. Dus verklaarde hij zich tenvolle bereid zijn plan te wijzigen in overeenstemming met de wensen der plaatselijke bevolking. Hij wilde immers juist niets doen, waardoor hij de mensen onaangenaam zijn zou. Daarom was hij zo vrijmoedig geweest haar advies in te winnen.
      Zijn fantasie schiep nu een geheel ander villacomplex. Hij vond het heerlijk, dat zij zo aandachtig naar hem luisterde, wat zij in het geheel niet deed; zij hoorde zelfs nauwelijks

                         35.

wat hij vertelde, maar observeerde hem met de grootste aandacht.   Wat bedoelt die man? Slechts deze vraag hield haar bezig. Wat bedoelt hij met dit bezoek?

      Onverwacht rees hij met een schok overeind. God wat een mooi kind, schoot het door hem heen.
      "Olga, dit is meneer Ras", stelde Thérèse voor. Zij zag de bewonderende blik, die haar bezoeker op het zo juist binnengetreden jonge meisje wierp, en zij voelde zijn blik als een onbeschaamdheid.
      "Er is iemand voor U, die U dringend spreken moet", lichtte Olga hem in.
      "Iemand voor mij? Begrijp ik niet. Wie? als ik vragen mag."
      "Hij zei : zegt U maar dat Klaas er is."
      Een blos overtoog zijn gelaat.
      Klaas! Godverdomme, dacht hij. Echt iets voor die plurk om hier roet in het eten te gooien.
      Hij herstelde zich. "O, die man. Stuurt U hem maar weg. Als hij me beslist spreken moet, moet hij maar in 't café bij het spoor wachten. Laat hem anders maar naar Amsterdam gaan; ik zie hem dan wel, vandaag of morgen."
      "Hij zei, dat er grote haast bij is; 't gaat over een partij koffie, die vanavond verkocht moest zijn, anders is ze weg."
      Olga sprak met een zakelijkheid, alsof zij volkomen gewend was aan dergelijke transacties.
      Hij schaamt zich voor die Klaas, dacht zij; en nu raakt hij helemaal in de war. Wat is dat voor een komiekeling?
      Mr.Willem Ras kookte inwendig. Een blamage! Een volkomen blamage! En dat juist nu.
      "Zegt U hem alstublieft, dat ik met zijn koffiezaakjes niets te doen wil hebben. Die kerel is krankzinnig."
      "Zoals U wilt." Een hoofdknik en Olga verdween.
      Mr.Willem Ras voelde zich volkomen overstuur, onzeker en tegelijkertijd driftig.
      "Bent U in de zogenaamde zwarte handel?" vroeg Thérèse.
      "Welneen! Natuurlijk niet. Die man kent me toevallig en schijnt nu te denken... belachelijk!" Hij probeerde uit bundig te doen, het geval als bespottelijk voor te stellen, maar zijn poging mislukte. Te geforceerd.
      "Vreemd dat hij U hier komt opzoeken. Hoe weet hij, dat U hier bent."
      "Dat begrijp ik ook niet. Er zijn eenmaal mensen die je nooit met rust laten."
      Koortsig zocht zijn brein naar afdoende verklaringen. Hij vond er geen. Weer trachtte hij het villaproject ter tafel te brengen, maar zijn gastvrouw stond op. De wenk was duidelijk. Hij volgde haar voorbeeld.
      "Als ik Uw advies nog eens nodig heb, mag ik dan nog eens terugkomen? Het was mij bovendien buitengewoon aangenaam in Uw gezelschap te mogen vertoeven."
      "Als ik kan, wil ik U gaarne van dienst zijn. Uw broer is mij zeer sympathiek. Maar ik raad U nogmaals om U tot de notaris te wenden. Overigens wens ik U veel succes." Met een loom gebaar reikte zij haar hand. "Au revoir, meneer Ras. De knecht zal U uitlaten."
      Met een diepe buiging nam Mr.Willem Ras afscheid.

                         36.

  Inmiddels zat Klaas in de bibliotheek in gesprek met Olga. Het had hem moeite gekost om binnen te komen, want de huisknecht vertrouwde hem blijkbaar niet, gezien zijn niet bepaald verzorgde kleding. Hij had daar zo niet bij nagedacht, toen hij na van de herbergier vernomen te hebben waar de logé op dat ogenblik vertoefde, zich naar "Berkenhove" begeven had.
      "Wat wenst U van meneer Ras?" was de vraag geweest, die de zeer hooghartig gebarende huisknecht hem deed. Klaas wist, dat huisknechten en lakeien hun meesters veelal in standbesef verre overtreffen. Toch had het hem even gehinderd.
      "Ik moet meneer dringend spreken."
      "Kan dat niet wachten? Wij ontvangen hier niet... eh..."
      "Wat is er Dierk?" Olga, die juist de hall passeerde, had de laatste woorden gehoord en had zich in de zaak gemengd na een blik op de bezoeker geworpen te hebben. Er was iets aan deze man, wat haar opviel, iets wat niet overeenkwam met zijn afgedragen kleding.
      "Deze meneer zegt, dat hij meneer Ras wil spreken, freule. Meneer Ras is in gesprek met de freule Uw zuster, en ik durf meneer niet te derangeren."
      "Hm! Kent U meneer Ras?" Met deze vraag wendde Olga zich tot Klaas.
      "Jawel freule!" antwoordde hij, blij dat dit meisje zich in het gesprek mengde.
      "'t Is Meester Willem Ras, vergist U zich niet?" bracht de huisknecht ongevraagd in 't midden.
      Klaas werd ongeduldig. "Ik weet niet of hij meester is, maar ik heb hem nodig voor zaken. Ik ken hem als Ras, tout court."
      Onderzoekend keek Olga hem aan; de beschaafde toon en de manier waarop hij tot de knecht sprak, een manier, waaruit bleek hoezeer hij zich distantieerde, troffen haar.
      "Volgt U mij maar even naar de bibliotheek, wilt U?" voegde zij hem vriendelijk glimlachend toe. "Wij behoeven hier niet te blijven staan. Ik heb je niet nodig, Dierk. Ga maar aan je werk."
      Grommend droop Dierk af, mopperend op de kortzichtigheid van alle vrouwen. Maar hij zou wel in de buurt van de bibliotheek blijven. Als de freule dan om hulp riep...
      De freule riep niet om hulp. Zij stond rustig met Klaas te praten en vernam wat de reden was van zijn bezoek en waarom hij zo aandrong, dat de heer Ras hem direct spreken zou.
      "O jé, bent U smokkelaar?" vroeg ze hevig geïnteresseerd. "Dat lijkt me spannend."
      "Spannend is 't allerminst, freule. 't Is 't vervelendste werk dat denkbaar is; in kroegen zitten, telefoneren en wachten; dat zijn de drie voornaamste bezigheden. U denkt waarschijnlijk aan gevechten aan de grens. Maar dergelijke romantiek komt er niet aan te pas." Hij had goedmoedig gesproken.
      "U kent dus Mr.Ras inderdaad. Zit die dan ook in die soort handel?"
      "Ja zeker, freule. Ik wist alleen niet, dat hij meester in de rechten was, want ik ken hen verder niet."
      "Ik ook niet", antwoordde zij; "ik wist niet eens, dat hij in huis was. Weet U wat, ik ga hem even bekijken en de boodschap overbrengen. Hoe moet ik U aandienen?"
      "Zegt U maar, dat Klaas er is, als u wilt. Uw knecht had er bezwaar tegen." Van Dierk, die "toevallig" door de gang liep, vernam zij waar haar zuster en de heer Ras zich bevonden.

                         37.

  Alleen gelaten liep Klaas langzaam langs de boekenregalen.
  Boeken! Boeken! Hier te kunnen zitten heel de lieve dag en lezen. Alleen maar lezen en als je moe er van was dwalen, ergens gaan zitten aan de kant van de weg, zoals vanmorgen, toen hij even gezeten had aan het zandpad, midden tussen de dennen en berken en met geen ander geluid, dan de roep van een vogel.
      Hij zuchtte, maakte een vermoeide handbeweging, trok toen met de wijsvinger een boek achterover, waarin hij even bladerde en daarna begon te lezen.
      Lang duurde dit niet, want al spoedig kwam Olga weer binnen en deelde hem mede, wat de heer Ras haar gezegd had.
      Verwonderd trok Klaas de wenkbrauwen op; toen glimlachte hij.
      "Allright!" zei hij, terwijl hij het boek terugschoof. "Mijn bezoek schijnt hem niet van pas te komen. Ik zal U niet langer ophouden."
      Deze man is beschaafder dan meneer Ras, dacht Olga, maar hij ziet er uit om een cent te geven. Het intrigeerde haar iets meer omtrent hem te weten.
      "Wat las U daar? " vroeg zij.
      "Malte Laurids Brigge van Rilke", antwoordde hij. "Ik houd erg van Rilke - en vooral van dat boek. En van zijn brieven."
      "Ik ken 't niet; maar ik ken de meeste boeken niet in dit huis; er zijn er zoveel en niemand weet hoeveel en welke. Mijn zuster dweept met Rilke, maar ik weet niet, wat ik van hem zeggen moet. Er is iets in hem..."
      "Hij is niet modern. En hij is een aestheet. Eigenlijk niet anders. Deze tijd is te hard voor hem, of hij te week voor deze tijd. Wat ik zeg is geen oordeel, maar een vergelijking."
      "Denkt U dat ik ook te hard ben? Ik ben immers een kind van deze tijd." Zij was lichtelijk teleurgesteld over zijn woorden.
      "Ik ken U niet freule. Maar met hardheid bedoel ik niets onvriendelijks, U kunt 't ook nieuwe zakelijkheid noemen. Nu ziet U er wel is waar niet uit, alsof U nieuw zakelijk bent, maar U bent nog jong, een kind van Uw tijd. zoals U zegt en dus is Rilke misschien te decadent voor U. Maar misschien ook niet", vervolgde hij peinzend, terwijl zijn woorden langzaam vloeiden. "Misschien moet U hem alleen maar leren lezen. Leest U Brigge eens."
      "Hebt U veel gelezen?"  Ze liet niet los.
      "Ja freule, heel veel, maar erg onregelmatig. Mijn leven was nogal onregelmatig, ziet U."
      "Vindt U dat prettig?"
      "Neen freule! Maar 't wordt mij, lacy!* niet gevraagd, of 't mij behaagt in zo groot leed te leven. Van Eeden wist 't wel; hij wist 't althans te zeggen. Er zijn er, die ook anders weten".
* Uitroep van bekommering
      Dromerig keek hij uit het venster, zweeg.
      Olga observeerde hem, zag zijn fijnbesneden gezicht, zijn slanke handen, als die van een kunstenaar.
  Plotseling wendde hij zich tot haar. "U doet me denken aan een vrouwenportret van Leonardo da Vinci in 't Louvre. Ook een jong meisjes. U lijkt niet op haar, al bent U even mooi als zij. Maar Uw blik doet me aan haar denken."
      Het was duidelijk, dat hij generlei compliment bedoelde met zijn woorden en hij keek haar dan ook slechts even aan; daarna wendde hij zijn blik weer naar het venster.
      "Was U in Parijs?"
      "Heel lang! Ik houd van Parijs, maar niet zoals de touristen."
      Langzaam keerde hij zich naar haar toe. "Ik zal U niet langer ophouden. 't Spijt me, dat ik U lastig viel."

                         38.

      Wie is deze man?
      "Ik ben Olga van Rozenburg." Ze sprak deze woorden nadrukkelijk als om hem te dwingen en hij begreep haar bedoeling.
  "U bent een zeer modern jong meisje, freule. Mijn naam is de Ham van Beest."
      "U?" Er was een oprechte verbazing in haar stem.
      "Jawel freule. Kent U mijn familie? "
      "Neen, alleen... de naam is bekend genoeg. Kent meneer Ras Uw naam? "
      "Neen, freule en ik acht dat ook niet nodig. Ik beschouw mijzelf niet als een verloren zoon, maar ik houd er niet van mijn persoonlijkheid bloot te geven. Er zijn dingen, die je voor jezelf bewaart, of voor een enkeling, die je begrijpt. U dwong mij mijn naam te noemen. Dat hindert niet. Als U een ander geweest was, had ik gezegd: Jansen."
      "Is 't omdat ik een standgenoot ben?"
      "Neen, freule. Omdat U me doet denken aan dat schilderij van da Vinci; daarom is 't."
      "Wat is er dan met dat meisje?"
      "Dat is een hele geschiedenis. Mijn geschiedenis. 't Zou te lang duren U dat te vertellen. En bovendien - in hoeverre kan mijn geschiedenis U interesseren?"
      "Ik weet 't niet. Ik ben niet nieuwsgierig. Maar er is iets aan U."
      Hij glimlachte. "Denkt U er nog eens over na. Misschien zien wij elkaar weer eens ergens in de wereld." Hij reikte haar de hand.
      "Komt U nog eens terug?"
      Verwonderd vragend keek hij haar aan.
      "Bent U bang?" vroeg zij, zonder een oog van hem af te wenden.
      "U vergeet dat U niets van mij weet, behalve dat ik een sluikhandelaar ben."
      Geërgerd stampte zij met de voet. "U behoeft niet te komen. Blijft U liever daarginds als U dat prefereert. Maar " - haar toon werd rustiger - " 't leek mij, dat U behoefte had aan een andere spheer. U kijkt zo droevig. Ik ken U niet, inderdaad! Ik weet heel goed, dat ik me in zeker opzicht idioot gedraag, maar daar geef ik nooit wat om, ik doe maar, zoals ik meen, dat juist is. Bent U kunstenaar?"
  "Ook al, Freule" - hij greep haar hand en bracht deze met een uiterst teer gebaar aan zijn lippen - "ik zal graag komen, want ik deed ook altijd maar, zoals ik meende, dat juist was. En misschien is dat wel de beste manier van leven, al schijnt 't niet zo, te oordelen naar Uw huisknecht."
      "Dus U komt?"
      "Graag freule. Ik zal U van te voren verwittigen." Zij bracht hem tot aan de voordeur.
      Dierk, die weer toevallig in de gang was, keek hen beiden met open mond na.

                         ----------------------

      Klaas besloot niet dezelfde weg terug te gaan, maar het zandpad geheel af te lopen; hij zag dan wel waar hij terecht kwam. Dit bleek te zijn de weg die van het station naar de herberg voerde, waar Mr.Willem Ras de nacht had doorgebracht. Deze laatste liep in sombere gepeinzen heen en weer, toen Klaas het station binnenwandelde.
      "Als je nog eens iets weet. In een dergelijk huis te komen in zo'n schunnig pakkie. Je lijkt wel krankzinnig.
      Klaas glimlachte, waardoor hij de woede van de ander nog

                         39.

meer gaande maakte.
      "Lach niet zo stupide, idioot. Weet je wel bij wie je was? Wat voor indruk moeten mijn kennissen en vrienden van mij krijgen als ik ze dergelijke zakenrelaties van mij op hun dak stuur."
      "Ken je ze allang?" De vraag klonk vlak, volkomen gedésinteresseerd.
      "Wat dacht je dan anders? Denk je soms, dat ik zo maar bij wildvreemden binnenloop?"
      "Waarom maak je je dan zo druk? Als ze jou zo goed kennen, weten ze toch wel wat ze aan je hebben en dan kan ik die indruk toch niet bederven."
      "Wat hebben ze ermee te maken, dat ik in de zwarte handel ben? Hoe haal je 't in je hersens om over dat koffiezaakje te gaan praten? Die lui snappen daar immers niets van."
      "Ik heb juist zo de indruk, dat ze er teveel van snappen en dat je er daarom zo kwaad over bent. 't Spijt me, als ik iets voor je bedorven heb."
      Mr.Willem Ras lachte kleinerend. "Stel je voor. Dacht je dat jij mijn relaties kan bederven. Wat een verwaandheid."
      "Mooi! Hou dan verder je kop dicht. Ik heb vijfhonderd kilo koffie op de kop getikt voor veertien en een half 't pond. Jij kunt ze kwijt voor zeventien en een half, niet waar. Maakt drie mille, dus de man vijftienhonderd gulden. Ze moeten voor acht uur vanavond verkocht en betaald zijn. Maak dus voort. Daar komt de trein aan."
      Mr.Willem Ras sprak tijdens de rit geen woord; hij voelde zich gebluft en beledigd. Die kerel praatte op een commandotoon alsof hij 't in de wereld voor 't zeggen had. Wat verbeeldde die plurk zich eigenlijk wel. Een vriend van Dorus. God god wat een deftigheid. Enfin, voor zaken was hij goed. Anderhalf mille! Waar haalde die kerel om 's hemels wil nu nog vijfhonderd kilo koffie vandaan? De mensen schreeuwen er om en er was geen boon te krijgen. Enfin n'importe. Wat sukkelt dat treintje toch. Als er een villapark kwam, mocht de verbinding wel verbeterd worden. Enfin, als hij die manke kreeg, kon 't hele villapark hem gestolen worden. De jongste was overigens heel wat beter. Zou-ie niet eens proberen die aan de haak te krijgen? Verdomd mooi kind. Toch te riskant. Was misschien al verloofd; kon in ieder geval aan elke vinger tien mannen krijgen. Als hij achter 't net viste... Neen, de oudste is beter, zekerder tenminste; die kan natuurlijk niemand krijgen, behalve dan om 't geld. Anders wel jammer, want de jongste... Godallemachtig. Wie weet misschien later. Plotseling dacht hij aan "Het Ganzenman- netjet van Wassermann. Hij grinnikte stil voor zich heen.
      Enfin, voorlopig die anderhalf mille.
      "Om vijf uur bij Trui", zei hij tegen Klaas, toen zij uitstapten, waarna hij met haastige schreden diens gezelschap ontvlood.

      Die middag verscheen Marie in hoogst eigen persoon om de koffietafel te dekken, een feit, waaruit de zusters opmaakten dat zij iets op 't hart had. En dit was inderdaad het geval. Toen Dierk haar n.l. ook nog had verteld, dat freule Olga eigenhandig die zwerver had uitgelaten met een égards, alsof hij baron van Brienen was, oordeelde zij het gewenst haar licht op te steken. Per slot van rekening was 't nog een kind en al hield Olgatje er nu nog zulke vrije en moderne denkbeelden op na, al ging ze nog zo vrij met mannen om, 't waren toch altijd heren met wie ze zich bemoeide. Maar nou dit. Er was zoiets als standsverschil.

                         40.

Je kon toch maar niet met de eerste de beste zwerver of wat die man dan was, omgaan, alsof-ie tot de familie behoorde. Olgatje deed meer van die rare dingen; heel anders dan freule Thérèse, alhoewel - die was toch ook helemaal niet trotsig. Maar de vrijpostigheid van Olgatje?!
      Marie schudde haar hoofd.
      Als ze d'r mevrouw - God hebbe d'r ziel - niet zo bovenste best gekend had, zo best, dat ze d'r hand voor d'r in 't vuur had willen steken, zou je heus denken, dat 't waar was, wat er na de zelfmoord van meneer gemompeld werd - dat hij de vader van Olga niet was en dat-ie daarom... Ach God, die arme me- neer. Met z'n eigen jachtgeweer.
      De mensen waren smeerlappen om zoiets te zeggen. En dan - Olgatje had zoveel van d'r vader weg; die was ook zo joviaal ; je zou soms haast zeggen familiaar, als-ie tenminste niet in een neerslachtige bui was, wat nog al eens gebeurde. Olgatje had ook dat joviale en opvliegende. En ze had precies meneer z'n ogen.
     "Wat moest die man van U, dat-ie zolang met U in de bibliotheek bleef?"
  "Wij praatten een beetje over een boek, waarin hij stond te lezen toen ik weer terugkwam."
      "Is die man gek geworden? Hij heeft met z'n vingers van onze boeken af te blijven. Wat een brutaliteit."
      "Nou, nou, hij heeft 't toch niet meegenomen."
      "Dat moest er nog bijkomen. Maar je moet toch oppassen voor zo iemand, kind. Hoe kom je d'r bij om zo gewoon met die man te gaan praten?"
      "Hoe moet ik dan met 'em praten, Marie? Moet ik soms tjilpen of kwaken?"
      "Ja, maak jij maar grapjes; Marie is wijzer, dan je denkt. 't Leek wel een landloper" zei Dierk, en je bent wel een kwartier met 'm in de bibliotheek gebleven, of misschien nog langer. En waarom kon Dierk hem niet uitlaten?"
      "Omdat ik dat zelf wou doen. Ik weet heus wel wie ik uit kan laten en wie niet."
      "Zóó! 'Zeg maar dat Klaas er is', had hij gezegd. Klaas, jawel; zeker Klaas Pierewiet of Klaas de kattenmepper."
      Olga lachte; ze lachte zo vrolijk, dat Marie mee moest lachen.      
      "Lach jij me maar uit met je Klaas. Ik ken de mensen en ik hoef ze maar effetjes te zien of..."
      "Heb je hem dan gezien? " viel Olga haar in de rede.
      "Nee, maar Dierk zei... "
      "Dierk ben jij niet. Je weet helemaal niet, wie hij is en Dierk weet 't ook niet. En ik wil je nog wat vertellen - hij komt terug."
      "Terug?" Met wijd opengesperde ogen staarde Marie haar aan.
      "Terug? Daar komt niets van in. Ik zal Dierk zeggen, dat-ie 'em de deur uitgooit, zodra die 't waagt weer een voet in huis te zetten."
      "Je vergist je Marie." Thans mengde Thérèse zich in 't gesprek. "Als die meneer terugkomt, wordt hij ontvangen. Olga heeft me verteld, wie hij is. 't Is in orde."
      "Hm. Als U 't zegt. Maar hoe heet-ie dan? Ik moet toch weten wie hier komen."
      "De Ham van Beest."
      "Wat zegt U! De Ham van Beest? Een zuster van me moeders eerste man heeft bij een familie de Ham van Beest gediend in

                         41.

den Haag. Hele deftige mensen. Hij was generaal. Hoe is 't mogelijk? En dan in zulke kleren. De Ham van Beest. Ja, dan kan-ie natuurlijk wel bij ons komen. Maar dan moet-ie toch een beter costuum aantrekken.  Zó gaat 't niet."
      "Zal wel in orde komen, hoor Marie. Zorg jij er nu maar voor, dat Dierk hem behoorlijk ontvangt, als hij komt."

      "Jij bent toch ook een sufferd", schold Marie tegen Dierk, toen zij in de keuken was teruggekeerd, waar Dierk in gespannen verwachting zich voorbereidde op wat hij horen zou. "Jij leert 't ook nooit. Al heeft iemand nou een sjofel pakkie an, daarom kan je nog wel zien of er een heer onder zit of niet. Weet je wie dat was, mannetje?"
      Beteuterd schudde Dierk het hoofd.
      "Een de Ham van Beest. M'n moeders eerste man z'n zuster heeft bij een familie van die naam gediend in den Haag. Erg deftige mensen, net zo deftig als wij hier. Dacht jij nou heus, dat freule Olga niet weet met wie ze wel en met wie ze niet kan spreken. Hier! breng de warme melk naar binnen; de freules wachten er op."
      Bedrukt droop Dierk af. 't Leven kwam hem zeer gecompliceerd voor. Waarom zegt zo'n man dan niet hoe-ie heet; waarom zegt-ie : zeg maar dat Klaas er is,
      Hij schudde 't hoofd, Rare mensen.

                         -----------------

      's Avonds om half acht betaalde Klaas aan Mr.Willem Ras vijftienhonderd gulden uit aan het raamtafeltje in de kroeg van Trui en deelde hem tevens mede, dat hij zich uit de zwarte handel terugtrok.
      "Wat bezielt je nou?" was 't antwoord, dat hij op deze mededeling ontving. "Wat is nou vijftienhonderd gulden?"
      "Veel geld; voor mij tenminste voorlopig genoeg."
      "Maar wat moet ik dan? Hoe moet ik dan met jouw relaties in contact komen? Of wou je me die rechtstreeks doorgeven? Je kunt natuurlijk provisie bedingen."
      Klaas maakte een afwerend vermoeid gebaar.
      "Ik zal ze aan Dorus doorgeven. Dan verdient die tenminste wat; anders komt ie toch maar in de nor terecht. 't Gaat weer helemaal mis met 'em."
      "Jawel, maar ik voel er niets voor om met Dorus zaken te doen. Met jou is 't wat anders. Jij bent tenminste presentabel."
  "Behalve op "Berkenhove", niet waar? " Klaas' stem klonk ijzig koel.
      "Nou ja, neem me niet kwalijk, maar er zijn grenzen. Ik snap niet, dat je dat niet inziet. Er is toch verschil tussen onze zakenwereld en mijn privé relaties. Dat moet je toch inzien."'
      "Dat zie ik ook in. Daarom ga ik ook zo gauw mogelijk - en dat is nu - uit onze zakenwereld."
      "Verdomd geestig! Haha! Maar daarmee ben je nog niet in mijn kringen, beste kerel! Haha!" Van louter vreugde sloeg Mr.Willem Ras met de vlakke hand op tafel, zodat Trui ervan opschrok.
      Onverstoord keek Klaas hem aan.
      "Neen, in de mijne", zei hij toen de ander uitgelachen was.
      "Succes!" Met een handdruk nam hij afscheid, betaalde Trui en vertrok.
      "Die zijn die vijftienhonderd pietermannen in z'n bol geslagen. Voor zo'n beetje geld openen zich niet veel deuren

                         42.

kereltje", mompelde Mr.Willem Ras voor zich heen. "Stumper."

                 ---------------------

                        VII.

  Van de ruim tweeduizend gulden, welke hij had overgehouden, had Klaas een paar honderd besteed voor de verzorging van zijn uiterlijk; van hetgeen overbleef hoopte hij een jaar te kunnen leven.
      Hij woonde nu op de Prinsengracht, tamelijk dicht bij de Westertoren, welke voor hem het symbool van Amsterdam was. Hij kende de stad eerst sinds 1939, maar had haar lief gekregen om het vele oude, dat in haar bewaard gebleven was.
      Het nieuwe trok hem niet aan; alle nieuwbouw vond hij lelijk, nuchter, zakelijk, evenals de moderne mensen, massa-afdrukken van een vervelend negatief.
      In het verleden waren er anderen geweest, hard, koppig, met doorzettingsvermogen, agressieve kerels, die hun wil doordreven tegen de gehele wereld; die het Nederlands imperium stichtten, waarvan nu een week, slap en schipperend nageslacht profiteerde.
      Aan woorden, en vooral luidklinkende phrasen was geen gebrek geweest, maar toen de storm over ons land losbrak, waren de leden der regering - de kleinburgers - haastig overgestoken naar Engeland, en de generaals hadden de boel er bij neergelegd ondanks hun pertinente verklaringen omtrent de onneembaarheid van de vesting Holland. Er was nadien ter verontschuldiging veel gesproken over het gepleegde verraad, waardoor de verdediging onmogelijk geworden was. Maar had de regering voordien niet nadrukkelijk verklaard, dat zij de verraders de baas was? Woorden, niets dan woorden had men gehoord. En het resultaat was, dat ons schatrijke land zich op genade of ongenade had overgegeven en dat de enorme voorraden werden weggesleept.
      Verloren de vrijheid, de trots en fierheid. En toch hadden eens de Verenigde Nederlanden onder leiding van Holland de vaan der vrijheid geplant in de wereld, had de geweldige koopmansstad Amsterdam zijn fabelachtige rijkdom en macht gesteld in dienst ener wereldpolitiek.
      Wie de oude stad doorkruiste, werd telkens weer getroffen door de vergane grootheid - al te zeer vergaan helaas - en als de klokken der Westertoren hun lied zongen in de nacht, trilde in het hart van Klaas een droeve weemoed om al wat ondergegaan was, om de vernedering. Het liefst zat hij in zijn kamer, lezend of nadenkend over de dingen van de dag ; een enkele maal slechts gingen zijn gedachten terug naar het jonge meisje, dat hem zo spontaan had uitgenodigd om haar zijn levensgeschiedenis te vertellen. Want dat was toch kennelijk haar bedoeling.
      Het viel hem moeilijk te besluiten om er heen te gaan. Waarschijnlijk was het een gril van haar geweest, waaraan zij niet meer dacht of misschien een enkele maal terloops. Hoe kon zijn leven interesse hebben voor een schatrijk kind, dat zijn dochter zou kunnen zijn?
      Maar niet gaan was minstens een pijnlijke nalatigheid, omdat zij toen althans werkelijke belangstelling scheen te hebben en

                         43.

hij het haar bovendien beloofd had. Als hij nog lang wachtte, maakte hij het zichzelf onmogelijk. Hij wist wel, dat hij zich altijd maar zo'n beetje drijven liet, en wachtte tot het toeval hem ergens bracht.
      Zo een toeval was het, toen hij op een middag de Dam overstekend Mr.Willem Ras ontmoette.
      "God kerel, hoe maak je 't? Reuze leuk je weer eens te zien. Je bent opgeknapt, zeg. Wat doe je tegenwoordig?"
      Klaas liet het enthousiasme over zich heengaan en antwoordde op droge toon :"Niets."
      "Helemaal niets? Maar man, waar leef je dan van? Loop een eindje mee op en laten we een glas port drinken in de Poort."
      Joviaal greep hij Klaas bij de arm en voerde hem langs het Koninklijke Paleis. Klaas zweeg.
      "Merkwaardig, dat je niets meer uitvoert", hervatte Mr.Willem Ras het gesprek. "Teer je op die paar mille? Dat is net genoeg voor een maand."
      "Of een week, een nacht, een jaar." Dit laconieke antwoord bracht de woordenstroom van de ander tot stilstand. Zwijgend stapten zij de Bodega binnen en bestelden port.
      "Die koffiezaak was enorm. Jammer, dat je er uitgegaan bent. Met Dorus is weinig te beginnen; die zuipt teveel. Enfin, doet er niet toe, ik heb nog wat anders aan de hand, een reuze grondspeculatie. Gaat om een half millioen."
      "Oef!" zuchtte Klaas. "Wat is dat dan voor een zaak?"
      "Je kent "Berkenhove" hè? Nou daarnaast ligt "De Vossenberg" daar wou ik een villapark stichten. Heb al een bespreking gehad met de notaris, die de zaak in handen heeft. Reuze project."
      "Was je nog op "Berkenhove"?" Het project interesseerde Klaas niet; hij vermoedde, dat het humbug was, zoals zoveel aan zijn vroegere zakenvriend, en dat deze "reuze-zaak" alleen maar vuurwerk was om de aandacht af te leiden van het ware doel, dat hij nastreefde. Welk doel dat was, interesseerde Klaas al evenmin, daarom begon hij over "Berkenhove" om van al dat gezwets over al die reuze-projecten af te komen.
      Neen, de ander was nog niet op "Berkenhove" geweest sinds de keer, dat Klaas hem daar zocht. Hij was veel te geaffaireerd voor visites momenteel; dat kon Klaas zich natuurlijk wel voorstellen. Maar hij dacht er binnenkort weer eens heen te gaan, want 't waren een paar aardige vrouwen. Vooral de jongste - een mieters kind, wat? Zou de moeite zijn om die 't hof te maken; maar hij had er tot nu toe in 't geheel nog geen gelegenheid voor gehad, ofschoon ze hem graag mocht ; dat had hij wel gemerkt. Maar ja, hè zaken gaan voor 't meisje. Hij ging voort over de zusters te spreken en vooral over Olga, vertelde, dat zij elkaar zeer goed kenden, al jaren en dat hij erover dacht binnenkort eens een week-end met haar op stap te gaan. Klaas, die anders over haar dacht, ergerde zich aan de holle opsnijderij en obscene bluf van zijn metgezel.
      "Hoe heet ze eigenlijk?" vroeg hij quasi argeloos.
      "Van Rozenburg", antwoordde Mr.Willem Ras docerend, "freule van Rozenburg."
      "Ja, dat weet ik, maar ik bedoel haar voornaam."
      "Wat gaat jou dat aan? Hoe heet jij eigenlijk, dat heb je nooit verteld."
      "Jansen!"
      "Geen originele naam", meende de ander te moeten opmerken.
      "Neen, Ras is beter, vooral in deze tijd van rassentheorieën."
      "Geestig zeg; je bent verdomd geestig soms; ik zal die mop

                         44.

onthouden."
      "Dat is goed", antwoordde Klaas, "maar ik vroeg naar de voornaam van dat meisje."
      "Waarom wou je dat weten...?" Mr.Willem Ras kreeg het benauwd, want hij had geen vermoeden hoe zij heette; hij was zo onder de indruk geweest van haar verschijning, dat hij op haar voornaam niet eens gelet had.
      "Omdat ik meer om voornamen dan om achternamen geef." Klaas bleef hem voortdurend aanzien, constateerde zijn verwarring, maar was voor dit keer wreed genoeg om niet los te laten.
      "Annie! heet ze", antwoordde Mr.Willem Ras ten einde raad; "aardige naam hè."
      "Ze heet niet Annie, beslist niet Annie." Nadrukkelijk schudde Klaas het hoofd, zo nadrukkelijk, dat de ander overtuigd raakte zich vergist te hebben. Wat was dat toch voor een beroerling die kerel? Hij had altijd wat. 't Was soms of hij door je heen keek.
      "Nou goed, dan moet jij het beter dan ik." Mr.Willem Ras zocht, zoals steeds zijn toevlucht in bluf.   "Ik ken haar..."
      "Helemaal niet", interrumpeerde Klaas. "Je had haar zelfs nog nooit gezien, toen ik haar sprak. Mr.Willem Ras. Je bluft, zoals je altijd gebluft hebt."
      Purperrood was de aangesprokene geworden en het zweet parelde op zijn voorhoofd. Wie was die duivelskerel? Hoe kent hij zijn voornaam en titel, en hoe weet hij, dat hij dat kind nog nooit van tevoren gezien had? Wat weet hij nog meer van hem? Klaas Jansen - jawel, maar wie zegt, dat die naam niet gelogen is. Als hij... ach onzin; natuurlijk kende hij de freules niet. Hij schepte maar op, probeerde te intimideren. Maar toch... gelijk had hij, dat kind heette niet Annie, maar hoe - goddome - heette ze dan toch ook weer wel; en hij was Mr.Willem Ras ; nooit had hij hierover iets gezegd tegenover die stiekemerd; hoe wist hij dat dan ineens en waarom had hij nooit iets laten blijken. Waarom was hij hem nagereisd naar "Berkenhove".
      "Wat is eigenlijk je bedoeling?" bracht hij er tenslotte met moeite uit, waarbij hij Klaas half smekend, half woedend aanzag.
      "Niet anders, dan mijzelf te sparen voor jouw geblaaskaak. 't Kan me niet schelen wie en wat je bent, en evenmin wie je kennissen en vrienden zijn, maar ik heb geen lust altijd voor bewonderend publiek te fungeren; dat bedoel ik alleen maar. En nu nog dit ene. Wees voorzichtig; je speelt een gevaarlijk spel."
      Nu laaide de sluimerende woede in Mr.Willem Ras hoog op.
      "Vraag ik jou wat? Weet jij wat ik op "Berkenhove" zoek? 't Gaat je geen bliksem aan, meneer Jansen." Meteen voelde hij, dat hij zich door deze uitval bloot gaf. Stom om dat over "Berkenhove" te zeggen; vervloekt stom.
      "Ik doelde niet op je bezoek op "Berkenhove". Maar ik heb meer lui ontmoet, zoals jij, die altijd reuze-zaken deden en reuze-relaties hadden en tenslotte reuze-oplichters werden; dat gaat zo ongemerkt, vanzelf, helemaal vanzelf."
      De ernstige toon, waarop Klaas sprak, werkte kalmerend; tegelijkertijd echter voelde Mr.Willem Ras zich als een schooljongen, die een terechtwijzing gekregen heeft; hij had een bittere smaak in de mond.
      "Je praat als een afgescheiden dominee. Wat zal jij nou voor mensen gekend hebben? Ja, lui als Dorus; maar ik ben Dorus niet."
      "Dat weet ik. Je bent meester in de rechten en waarschijnlijk

                         45.

van goede familie. Maar je bent maatschappelijk niets. Ik ook niet, maar ik doe ook niet alsof, niet altijd zo reuze. En verder heb ik vermoedelijk meer van de wereld gezien dan jij. Ik heb bijna twintig jaar in het buitenland gezworven. Laten we afrekenen."

  Na dit gesprek ontbrak Mr.Willem Ras de lust om verder zaken te doen; schuw had hij afscheid genomen en met hetzelfde gevoel ging hij naar zijn kamers; ineens twijfelde hij weer aan zichzelf, aan alles. Het woord oplichter vrat in zijn hersens; hij zag het, toen de conducteur zijn kaart knipte; hij zag het in de ogen van het meisje tegenover hem, dat van tijd tot tijd terloops naar hem keek; hij zag het in de weerspiegeling van zijn gezicht in de tramruit; en toen hij op zijn divan lag en zijn gedachten probeerde te ordenen, drong dat verdomde woord telkens er tussen, en maakte hem dol. Een blinde haat tegen Klaas vlamde in hem op. God weet, wat die schoft zelf had uitgevoerd; natuurlijk heette hij niet Jansen; wilde alleen zijn naam niet zeggen; wie weet wat een beruchte boef hij was. En die informeerde naar "Berkenhove", alsof hij daar ooit een voet in huis zou kunnen zetten, die schoft.
      Oplichter, goddome! Op z'n bek had hij 'em moeten slaan! De woede deed hem goed, hielp hem over zijn depressie heen. In gedachten zei hij al datgene, wat hij niet gezegd had, omdat hij volkomen knocked-out geweest was. Maar nu hij een fictief gesprek voerde, waarin hij kon uitrazen naar believen en de meerdere spelen, herkreeg hij zijn evenwicht en gevoel van superioriteit tegenover Klaas en de mensen in het algemeen. Na een half uur stond hij verkwikt weer op, bracht zijn kapsel in orde en greep een spoorboekje om te zien hoe laat hij naar "Berkenhove" zou kunnen vertrekken. Maar toen hij een geschikte trein had uitgezocht, legde hij het weer weg. Vandaag toch maar niet.
      Plotseling trok een brede grijns over zijn gezicht. Reuzeidee! Vanmiddag naar Trui; Dorus zou er wel zijn; die zou hij dronken voeren en dan eens horen wat-ie van Klaas wist. Dorus en de politie kenden elkaar; dat had hij allang begrepen. Dorusje zou dus ook wel iets weten van die meneer Jansen, Hahaha! Enorm.

      Dorus wist niets. Hij had nooit iets gevraagd, in zijn kringen deed men zo iets niet. En Dorus voelde helemaal geen sympathie voor die opschepper tegenover hem, die je altijd behandelde of je zijn loopjongen was. Meneer Ras; wat Ras? Rasploert, rasschoft, rasidioot? Nou geeft-ie borrels weg, omdat-ie wat te weten wil komen. Wat een leuke sufferd. Nou zwamt-ie nog maar zo'n beetje, maar als ik een stuk in me kraag heb, gaat-ie natuurlijk op de man af. Klaas kan me niks verdomme, maar hij heit z'n zake toch maar aan me overgedaan, zo maar voor niks, cadeau. En die kale meneer? 't Kost je heel wat vader, want ik kan wel wat hebben. Desondanks werd Dorus tenslotte dronken; veertien borrels waren zelfs voor hem teveel. En nu achtte zijn tafelgenoot het ogenblik gekomen om onomwonden zijn vragen te stellen.
      "Man wat zanik je toch. Ik weet niks van 'm. Hij heit een jaar bij me gewoond en al ze cente an me vrouw gegeven. Klaas en de pelisie? Ik weet 't niet. Ga naar de pelisie toe. Ze zulle je misschien graag ontvangen. Doe ze dan meteen

                         46.

de groeten van mij, van Dorus. As je je eige smoel nou es zien kon, man wat zou je lachen. Wil ik je es wat zegge, vader. Klaas is een heer, een echte heer. Daar kan jij niet an tippe. Trui! een rondje voor mijn rekening."
      "Je krijgt niks meer. Je hebt al teveel gehad. Maar meneer Ras kan er nog wel een krijgen." Trui greep de kruik, maar het was niet nodig. Bleek en toornig stond Mr.Willem Ras op.
      "Je bent een schoft." Toen ging hij naar de toonbank om af te rekenen.
      "Ieder vogeltje roept z'n eigen naam", riep Dorus grinnikend hem na. "Zeg Trui, hij heit de pest in, omdat ik niks niemendal van Klaas wil zeggen. Daarvoor gaf-ie nog wel veertien borrels weg. Hohohoho!"
      Onderzoekend keek Trui de man voor de toonbank aan; rimpels in haar voorhoofd.
      "Wat wou U over Klaas horen? Moet U daar iemand dronken voor voeren?
      "Ach, hij kletst maar wat." Mr.Willem Ras legde een tientje neer.
      "Hebt U niet kleiner? 't Kleine geld is zo schaars."
      Zenuwachtig grabbelde hij in zijn vestzak. In de hoek zat Dorus te grinniken.
      "Wat een sufferd. Hohohohoho. Wat een idioot. Tot ziens, meheer de detective", schreeuwde hij de vertrekkende na. "En doe de groeten aan de polisie. Hohohohoh."
      "Schei uit met je geschreeuw", snauwde Trui. "Wat wou-ie van je?"
      "Wete of Klaas wat op z'n gewete heit. Klaas hêt 'em verteld, dat-ie Jansen heet en nou gelooft-ie dat niet en denkt, dat Klaas wat op z'n gewete heit. Wat zeg je van zo'n kale salamander!"
      Trui zei niets. Zij was ernstig uit haar humeur, niet wegens het gebral van Dorus, maar omdat die snoeshaan, die Ras, Klaas scheen te verdenken. Hij mocht wel eens op zichzelf passen; wat deed iemand als hij in haar kroeg? En dan zwarte handel. Goed, dat had Klaas ook gedaan, maar die deed niet zó. Op Klaas viel niet dàt aan te merken, een fijne, stille man, heel wat anders dan die ander met z'n air en z'n "Zag Trui, een klaare!" En nou dat informeren. Wat betekende dat? Zij zou eens gaan informeren, wacht eens even, bij Annie, haar achternichtje, dat bij dokter Ras diende. Misschien kende die die snuiter. Ze had wel eens geklaagd over de broer van de dokter, dat die zo'n opschepper was, die zich heel wat verbeeldde.
      "Ik ga sluiten, Dorus!" riep zij als gevolg van haar overpeinzingen tot de eenzame klant, die in een zachte dommel ver- zonken was.
      "Hè, wat! Sluiten? Mens ben je nou gaar? Nou al?"
      "Voor vandaag is er niet veel meer. Alleen nog wat bier, maar daarvoor blijf ik niet open."
      "Nou afijn! " - Dorus stond op, geeuwde en rekte zich uit - "ik heb me portie gehad; veertien en dat voor niks; en nog lol toe. Had je dat smoel moeten zien, Trui."  Weer bulderde Dorus' lach door het vertrek.
      "Ja, schei nou maar uit. Veertien! 't Is een schandaal; zestien hadden jullie er samen en ik dacht er juist over, dat 't welletjes was, maar jij hebt bijna alles alleen opgedronken. 't Is een schande."
      "Schande? Schande? Waarom? Hij gaf ze me toch. Ik had 'em wel door, maar jij had niks in de smieze."
      "Hoe gaat 't met je vrouw en kinderen?" Verbaasd keek Dorus haar aan.

                         47.

  "Hoe kom je daar ineens op, mens? Met me vrouw en kindere! Goed! Best! De kindere schrijfe me elke week. Ja, 't is toch eigenlijk wat. Me vrouw en kindere! Weg, foetsji! En dat zomaar ineens. Niemand heit ze wat gezeid. Alleen an Klaas. En die hield z'n kop dicht. Gaf nog al z'n geld ook. Snap jij zoiets nou, Trui. D'r was nou net niks an dat mens en hij geeft 'r al z'n cente. As 't nou een knap grietje geweest was, maar niks, niemendal."
      "Klaas is een fijne vent. En dat je niks kwaad van 'em heb willen vertellen, vind ik netjes van je. As je niet dronken was, kreeg je een borrel van me. Maar nou niet. Een volgende keer."
      "Morgen ben ik hier. Reken maar."
      "Goed en hoepel nou op. Ik ga op visite."
      "Zo? Nou prettige avond." Toen flitste een grapje door Dorus' brein, een van zijn grapjes, waarbij de maagdelijkheid van Trui in het geding gebracht werd, maar hij dacht aan zijn borrel en zweeg.
      "Besjoer dan!"
      "Goeien avond!" Trui doofde de lichten en sloot de deur.

                       ---------------------

  In de keuken van het avondstille huis van dokter Ras zaten zij tegenover elkaar, de een jong en blozend als een rijpe vrucht, een pittig en knap gezichtje en een slank lijf, de ander zwaar en omvangrijk, het gelaat ietwat opgezet, met een netwerk van blauwe aderen, de haren grijzend en dof. Alleen haar ogen waren levendig, maar hard.
      Trui beschreeg zo nauwkeurig mogelijk hoe de klant, die zich Ras noemde, eruit zag, zowel wat betreft zijn gelaat als zijn kleren.
      "En dan heeft-ie een karbonkel van een steen an z'n rechterhand; daar sla je van achterover; ik geloof nooit, dat dat ding echt is."
      " 't Is 'em; o ja, 't is 'em beslist." Annie knikte zeer nadrukkelijk en haar gelaat vertoonde een trek van innige tevre- denheid. "Zo, zo, komt-ie bij U. Nou, nou! Niet om wat van je café te zeggen, hoor nicht, maar daar hoort de broer van de dokter toch niet. Zeg nou zelf."
      "Nee, daar hoort-ie niet. En wat je zegt dat-ie meester is, zoiets als advocaat, nee, dat doet de deur dicht."
      Ze raakte er niet over uitgepraat en Annie was blij een gelegenheid te vinden om al haar grieven tegen Mr.Willem Ras te luchten.
      Of ze 't aan de dokter en mevrouw zeggen ging? Natuurlijk, maar niet zo maar direct, zie je. Als er de gelegenheid eens toe was; wanneer 't gesprek op meneer z'n broer kwam of iets dergelijks. Maar zeggen zou ze 't zeker; ze hadden binnen ook al niet veel op met dat broertje.

  Wie, zoals Annie, op een geschikte gelegenheid loert om iemand een hak te zetten, vindt er allicht een.
      Toen zij om negen uur binnen kwam in de huiskamer om de thee te serveren en mevrouw informeerde of ze bezoek had, was de gelegenheid er meteen.
      Ja! ze had bezoek; haar nicht Geertruida, eigenlijk een nicht van m'n vader ziet U; die nicht, die dat cafétje hield.
      Juist, juist, men wist er alles van. Of het nogal liep in

                         48.

deze tijd van schaarste?
      Ook dit kan Annie tot haar voldoening bevestigen. En nu kwam hèt, het grote nieuws. "En raadt U eens, wie klant bij haar is?"
      Annie keek, alsof zij op het punt stond het interessantste geheim van de wereld te ontsluieren.
      "Hoe kan ik dat weten, kindlief?" zei de dokter schouderophalend.
      "Uw broer!"
      De dokter klapte het boek, dat hij in zijn handen hield, dicht, zette zijn bril af en keek zijn gedienstige ietwat beduusd aan.
      "Mijn broer?"
      Annie knikte triomphantelijk.
      "Maar weet je dat wel zeker, Annie?" vroeg mevrouw ongelovig.
      "O ja, vast! Nicht heeft hem beschreven, en ook die ring van Uw broer, weet U wel. En z'n gladde haar en zo. Hij is 't zeker. 't Kwam allemaal toevallig ter sprake, omdat ze gehoord had, dat die meneer ook Ras heet. Want ze praat nooit over haar klanten."
      "'t Is in ieder geval een merkwaardige ontdekking."
      Wat zoekt hij om godswil in dat café? Grote café's, vooral luxueuze, vindt hij mooi.
      "Is dat zo'n chic café van je nicht?"
      "Neen dokter; 't is een heel gewoon arbeiderskroegje. Maar Uw broer is in de smokkel. Daarom komt-ie daar."
      "Wat zeg je me nou meer? In de smokkelhandel?"
      De dokter zweeg en zuchtte. "Dank je!" zei hij tenslotte.
      Annie maakte een knix, wat ze anders nooit deed, maar ze voelde zich thans zo heel erg blij en gelukkig; toen ging ze.

  Nadat de deur achter het meisje gesloten was keken de heer en mevrouw Ras elkaar aan.
      "Nou dat weer," zuchtte mevrouw.
      "Ja, nu dat weer, herhaalde haar echtgenoot. "En ons zanikt hij over z'n project voor een villapark. Dat is dus gelogen, want als 't ernst was, zou hij geen smokkelzaken doen. Maar wat wil hij dan? Van freule van Rozenburg hoorde ik, dat hij ook al bij haar geweest is voor dat park. Hij zal toch niet... Zij is schatrijk..." Nerveus begon hij de kamer op en neer te lopen.
      "Wat bedoel je? Waar ben je bang voor?" De stem van mevrouw klonk bezorgd.
      "Dat hij geld probeert los te krijgen voor een of ander krankzinnig plan; of zo maar... dat hij... "
      "Maar dat zou toch je reinste oplichterij zijn!" Mevrouw Ras verwierp dit vermoeden blijkbaar ten ene male.
      "Ja, dat zou 't zijn. Hij heeft nog nooit iets dergelijks gedaan. Maar wat niet is kan komen."
      Met een diepe zucht liet hij zich in een armstoel zinken en sloot de ogen.
      Mr.Willem Ras... en verder?" zei hij half fluisterend.
      Zwijgend schonk zijn vrouw thee, terwijl zij bezorgd naar haar man koek. Hij had het niet getroffen met zijn broer.

                         -------------------

  Het gesprek over "Berkenhove" deed Klaas besluiten om eindelijk zijn belofte gestand te doen en een bezoek te brengen; dit besluit stond nog vast, toen hij "die Poort van Cleve" ver-

                         49.

liet, weshalve hij het postkantoor binnenstapte en een gesprek met "Berkenhove" aanvroeg.
      Hij moest geruime tijd wachten, en gebruikte deze om nog eens over een en ander na te denken. Ras had blijkbaar bedoelingen. Welke? Die zou hij waarschijnlijk alleen maar zelf weten. Enfin, dat is zijn zaak. In ieder geval zou hij nu binnen enkele ogenblikken weten of het dat meisje ernst geweest was met haar uitnodiging, of dat zijn niet weer verschijnen haar vrij koud gelaten had. Misschien was ze 't alweer vergeten. Maar vast stond, dat zij nu wel kan vatten, dat 't hem er niet om te doen was deftige relaties aan te knopen. Enfin, zometeen wist hij het.
      Een stem riep de door hem gevraagde plaats en telefoonnummer.
      "Dus U blijft nog steeds bij Uw uitnodiging?"
      ---------
      "Dan zal ik zeker komen en heel graag, freule."
      ---------
      "Ik kon wel eerder, maar... enfin, dat vertel Ik U wel."
      ---------
      "Heel graag. Dus morgenmiddag om drie uur ongeveer."
      ---------
      "Dineren? Kan dat in deze bonnentijd?"
      ---------
      "O juist! Ja, wij in Amsterdam hebben geen boeren. Heel graag dan freule. Dus tot morgen."

  't Was dus toch geen opwelling geweest. Merkwaardig. Enfin, 't kon prettig worden.
      Ik moet toch ook weer eens naar Trui toe, dacht hij. Zaterdagochtend maar; dan is 't er stil.

  Een grijze motregen aarzelde in de straten. Huiverig en in hun jassen en mantels gepakt, liepen de mensen haastig hem voorbij, misschien verwonderd, omdat hij zacht voor zich heen neuriede.

                         -------------------

                               VIII.

Olga ontving Klaas evenals de eerste maal in de bibliotheek, waar thans een groot houtvuur in de haard vlamde. Dit vuur diende meer voor de gezelligheid, dan voor de warmte, maar het was bij de heersende regenachtige weersgesteldheid voldoende. In normale gevallen werd "Berkenhove" centraal verwarmd, maar daartoe bestond momenteel geen mogelijkheid, want wel hadden de zusters beschikking over voldoende kolen, maar het zou teveel opvallen als de centrale verwarming gestookt werd.
      De bibliotheek was het grootste vertrek van het huis, gemeubeld in Cubaans mahonie; voor de haard stonden twee leren armstoelen naast een ronde zware tafel, en verder een schemerlamp op hoge voet, door een licht goudgele zijden kap overhuifd. Door de tot aan de zoldering reikende vensters, omzoomd door eveneens goudgele gordijnen, vloeide het licht van de regenmiddag zacht grijs naar binnen en schiep er een stille spheer, die wonderwel paste bij de stilte, waartoe de honderden boeken langs de muren noodden.

                         50.

     Op een tafel bij de vensters stond een vaas met goudbruine chrysanten, roerloze bloemen tegen het zilver der licht-door-zeefde ruiten.
      Slechts waar beiden zaten was een grillig kleurenspel van de stoeiende vlammen in de haard, een spel, dat goud en roodgloeiend een waardig décor vond in de stille zilvergrijsheid over de dingen rondom.
      Hun stemmen klonken zacht; het zou niet passen hier luidruchtig te zijn. Slechts een blijde lach zou nog mogelijk zijn, als in harmonie met het blijde stoeien der vlammen over de houtblokken.
      "Waarom ik zo lang wegbleef? Omdat ik tot gisteren, toen ik U opbelde, niet overtuigd was, dat Uw uitnodiging uit iets anders voortvloeide dan uit een opwelling."
      "Ik ben niet grillig."
      "Ook ontroering kan tot een dergelijke spontaniteit leiden, freule."
      "Maar waarom zou ik ontroerd zijn geweest? Vond U Uzelf destijds dan zo meelijwekkend?"
      Klaas glimlachte. "Ik heb nooit medelijden met mijzelf, maar ik vermoed, dat u achter mijn uiterlijk een drama vermoedde, zo dat uiterlijk al niet zelf een drama was."
      "Drama! Drama? Ach dat is zo'n groot woord. Ik vond U zo triest - en zo vereenzaamd, zo eh... van God verlaten; snapt U wat ik bedoel? En toen voelde ik: de behoefte om U wat warmte te geven. Waarom? Zij haalde de schouders op. "Misschien alleen maar uit pure vrouwelijkheid."
      De vlammen zetten een ogenblik haar gelaat in gloed, zodat Klaas, geheel door haar aanblik bevangen werd. Hij antwoordde niet, hij keek slechts naar haar.
      "Gelooft U mij niet?" vroeg zij, zijn zwijgen verkeerd uitleggend.
      "Pardon. Eh. Ja natuurlijk. M'n excuses freule, dat ik niet antwoordde, maar U was zo mooi in dat licht." En toen hij merkte dat zij twijfelde aan de bedoeling zijner woorden voegde hij er zacht aan toe - "Vergist U zich niet freule. Ik ben geen man voor banale complimentjes. Maar U bent mooi en in dat licht was U een schoonheid."
      Olga knikte glimlachend. "Goed, goed. Maar laten wij niet over mijn schoonheid, of wat daarvan zij, spreken. Ik heb U de waarschijnlijke beweegreden van mijn uitnodiging medegedeeld. Vindt U 't nu heus zo gek, dat ik 't deed?"
      "Ik vond 't niet gek, freule, maar twijfelde tot gisteren aan de duurzaamheid Uwer belangstelling. Dat is nu voorbij. Triest, zei U, ben ik en eenzaam. Ja, dat is wel zo. Dat wil zeggen, alleen zijn vind ik niet onprettig, maar wel als 't leven al te leeg is, U noemde dat 'van God verlaten'; dan is een mens wel eens triest. En ik ben alleen, wanneer ik niemand heb aan wie ik mijzelf kan mededelen."
      "Had U dan nooit iemand?"
      "Eens. 't Was een vriend van me. Een stille drinker. Op een dag hing hij zich op. In een briefje aan mij, deelde hij mede dat het dronken zijn hem verveelde en dat hij daarom ermee uitscheed. Hij dronk, omdat hij 't leven niet verdroeg. 't Was hem te rauw, te nuchter, te materialistisch."
      "En hoe vindt U het leven?"
      "Niet veel anders, maar ik drink niet, d.w.z. ik bedrink me niet.
      "Ik vind 't ook een tamelijk slappe houding."
      Klaas haalde de schouders op. "Wie het leven niet verdragen

                         51.

kàn, moet er af. Daar is niet aan te ontkomen. En of je 't verdraagt, is aan kwestie van gevoeligheid, of, als U wilt, overgevoeligheid. 't Is mij om 't even. 't Gaat alleen om 't feit. De een vlucht in de drank, de ander in een klooster, weer een ander in spiritisme, of hij wendt zich af naar het verleden, zoals ik doe."
      "Maar U bent toch smokkelaar?" Olga bloosde lichtelijk, terwijl zij deze opmerking maakte.
      "Dat is alweer voorbij. Die koffie-affaire waarvoor ik hier kwam, is in orde gekomen en leverde me genoeg op voor een jaar. Nu houd ik mij weer met lezen bezig. Ik zou nog wel wat anders ook willen doen, maar... m'n leeshonger moet eerst bevredigd zijn."
      "Hier staan boeken genoeg, antwoordde zij met een gracieus gebaar om zich heen wijzende. U kunt uitzoeken wat U wilt."
      "Graag, straks, later", antwoordde hij. "Nu wil ik praten... omdat ik zolang zweeg. U bent nog heel jong. Ik heb waarschijnlijk het dubbele aantal jaren geleefd, maar U bent zo bereid en ik ben innerlijk wel een beetje verkleumd."
      "Had U dan nooit iemand na die vriend? Was er nooit een vrouw?" Haar stem daalde verlegen tot bijna fluisteren.
      "Er waren wel vrouwen, freule. Vele zelfs. Ook 't begin was een vrouw, maar de meeste vrouwen was 't niet erom te doen, mij te vatten. 't Ging altijd om wat anders. Ik ben misschien niet makkelijk voor een vrouw, want ik eis nooit iets met zoveel woorden. Als ze 't niet voelen, hoe ik ben en wat ik vraag van de mensen, kan ik 't niet zeggen."
      "Dan bent U wel veeleisend."
      "Vindt U? En toch nodigde U mij direct uit de eerste keer, dat U mij zag. 'Ik ben niet nieuwsgierig' zei U. Goed. Dan kan 't alleen maar dat andere zijn."
      Olga knikte nadenkend. "Oh, juist. Dat wist ik niet", zei ze tenslotte. "Gaat U verder. Neen, wacht even." Zij drukte op een schelknop, die naast de haard hing. "Ik zal eerst thee laten komen. Wilt U roken? hier staan cigaretten."
      Even later klopte Dierk en vroeg, wat er van dienst was.
      "Wil je de thee serveren, Dierk?"
      De knecht boog en verdween zwijgend.
      "Die had de vorige maal niet veel met me op", zei Klaas glimlachend.
      "Hij is een beste, goede man, doodsbezorgd voor m'n zuster en mij en met heel weinig hersens. Hij was waarschijnlijk bang, dat U me kwaad zou doen, want ik kwam hem tweemaal in de gang tegen, toen U hier was; de eerste keer toen ik meneer Ras ging zoeken en de tweede keer, toen ik U uitliet. Oef, daar heb ik nog wat over te horen gekregen."
      "Van wie? Van Uw zuster?"
      "Neen, van Marie, onze oude getrouwe, een familie-erfstuk. Ze is..."
      Er werd geklopt.
      "Binnen!" riep olga.
      In plaats van Dierk verscheen Marie op de drempel, een zilveren theeblad in beide handen. Zij was geheel in 't zwart gekleed, maar zonder enig spoor van dienstbaarheid, zoals het volgens haar een huishoudster betaamde.
      "Dat is lief van je, Marie, dat je ons zelf bedient", zei Olga vriendelijk lachend. "Wil je ook het eerste kopje thee inschenken?"
      "Graag freule!" Stijfdeftig groette Marie de gast, waarbij zij een onderzoekende blik op hem wierp, welke blijkbaar tot

                         52.

bevredigende resultaten voerde, want vrolijk babbelende schonk zij de thee in. "Thee is toch maar 't beste wat er is, vindt U ook niet, meneer? Met zulk weer tenminste."
      "Volkomen waar, juffrouw", antwoordde KLaas, terwijl hij haar galant de theemuts reikte, welke uit haar bedrijvige handen geglipt was.
      "Dank U vriendelijk, meneer." Marie straalde. "Dan ga ik maar weer. Freule! Meneer!" Weg dribbelde zij.
      "Dat was contrôle", zei Olga, toen Marie vertrokken was. "Ze moet toch weten, met wie Olgatje zo alleen in de bibliotheek zit. M'n zuster rust momenteel. Ze is de laatste tijd erg gauw moe. Volgens haar arts zijn het de omstandigheden die haar zo moe maken. Maar al zat Thérèse bij ons, dan nog zou Marie komen, want zij moet weten wie hier in huis komen en of haar kinderen geen gevaar lopen."
      Klaas had schik in het geval. "Dus zij was er ook al niet over te spreken, dat U mij uitliet. Maar ze had ons niet eens gezien, tenminste ik herinner me niet... "
      "Neen, ze had ons ook niet gezien. Maar Dierk had zijn hart gelucht.
      "Oei, oei" antwoordde Klaas. "Dan wordt U beiden hier wel goed bewaakt."
      "Oh geweldig. Ik heb Marie al wat grijze haren bezorgd, tenminste dat beweert ze. Als ik 's nachts om twee uur thuis kwam, soms nog wel met een man bij me, die dan nog bleef logeren op de koop toe. 't Waren dan wel heren, en dat is voor Marie van 't grootste belang, maar 't gaf toch geen pas, oordeelde zij. Ja, dat was nog mogelijk, toen we geen last hadden van verduistering en benzinegebrek. Enfin, laten we erover uitscheiden. U wou vertellen over U zelf, omdat U aanneemt, dat ik bereid ben naar U te luisteren; dat is ook zo. Ik ben heel benieuwd en toch - niet om 't verhaal, maar om... ik weet niet waarom."
      Langzaam liet zij zich in haar stoel achteroverglijden en keek in het vuur.
      Klaas vertelde.
      't Begon met een vrouw. Zij was bijna dertig, getrouwd, moeder van twee kinderen. Ik was twintig jaar, student in Delft; zij woonde in den Haag. Ik was verliefd tot over mijn oren; ze was heel mooi, heel lief en heel verdrietig soms. Waarom? Omdat haar huwelijk niet goed was. Tenminste dat zei ze. Ik idealiseerde haar en mijn liefde voor haar, 'onze liefde' zoals zij ze noemde. Onze Liefde! Jawel. Ik wilde haar meenemen, met haar vluchtten. Ik had een fantastisch plan; haar juwelen - ze was schatrijk - zouden we verkopen en dan naar Parijs gaan - natuurlijk naar Parijs; waar moet een verliefd stel anders heen vluchten? Londen is goed voor zakenlui en Berlijn voor officieren en revolutionairen. Vanuit Parijs zouden we schrijven naar mijn ouders. Die moesten ons helpen. M'n ouders waren nogal gefortuneerd, en m'n vader had een hoge staatsbetrekking. Ze was enthousiast. Tot in détails werkten we het plan uit. Toen kwam de avond, waarop wij vluchten zouden. Ik wachtte aan het station, een uur vóór het vertrok was ik er al; de biljetten had ik gekocht bij een of ander reisbureau. Maar op het vastgestelde uur verscheen niet zij, maar de huisknecht, die mij een brief overhandigde. Zij schreef, dat het niet ging, nog niet; dat haar man blijkbaar achterdocht had, dat hij die avond onverwacht thuisgebleven was, enz. Wanhopig rende ik naar haar huis om haar desnoods uit de armen van haar tyrannieke heer gemaal te scheuren.

                         53.

Zij lag niet in zijn armen, maar in die van een vriend, toen ik vertwijfeld en onder hevige protesten van het personeel haar boudoir binnenstormde. Ik heb een ontzettende scène gemaakt, gehuild, gesmeekt, gedreigd, een vaas kapot gesmeten. En zij... behandelde me alsof ik een gymnasiast was, deed alsof ze er niets van begreep. Wat ik in mijn hoofd haalde?
      Ja wat? Dat wist ik eigenlijk ook niet. Tot de vriend - een potige artillerie-officier - me de deur uit gooide.
      Die nacht heb ik rondgedwaald als een krankzinnige, vertwijfeld en mijzelf dure eden zwerende, dat ik nooit meer een vrouw zou geloven.
      's Morgens, moe en uitgeput, vond ik mijzelf terug op een bank in het Voorhout.
      Wat nu? Een schandaal was onvermijdelijk, want het personeel had alles natuurlijk gehoord. Zij zou mij waarschijnlijk voor krankzinnig verklaren of God mag weten wat; haar man zou 't er niet bij laten; de positie van mijn vader kon er ernstig door in gevaar komen, want haar man was een zeer invloedrijk grootindustrieel met machtige politieke relaties. Het schandaal nam in mijn vermoeide brein steeds machtiger proporties aan. Ik besloot te vluchten, temeer waar niet alleen den Haag, maar heel Holland mij walgde. Dat ik mijn studie in de steek moest laten interesseerde me niet, want ik voelde er niets voor; 't was meer een kwestie van familie-traditie, dan van belangstelling voor het vak van ingenieur, wat me naar Delft gevoerd had. Ik voel niet voor mechanica en dergelijke dingen.
      Waarheen? Natuurlijk naar Parijs. Het overtollige biljet wierp ik met een verachtelijk gebaar weg. Alleen zou ik gaan, om in de lichtstad, de stad van de dichterliefde - zo dacht ik toen - mijn smart te vergeten; dat zei ik tenminste tegen mijzelf, maar ik bedoelde natuurlijk mijn smart te koesteren.
      Parijs was eerst een teleurstelling; de aankomst aan het gare du Nord is nu eenmaal niet indrukwekkend.
      Later werd het beter, behalve financieel. Ik had mijn moeder een briefje geschreven, waarin ik mededeelde, dat ik om redenen, die ik niet nader wilde noemen, voorlopig buitenlands moest vertoeven. Ik was nu in Parijs en ging binnen enkele dagen verder naar Weenen. Dat loog ik natuurlijk. Mijn ouders hebben nooit een poging gedaan om mij te vinden. Dat had vanzelfsprekend gemakkelijk gekund, maar 't gebeurde niet. Mijn moeder was een harde vrouw, vader was niet tegen haar opgewassen, in geen enkel opzicht. Moeder zal waarschijnlijk wel iets gehoord hebben van wat er gebeurd was, want den Haag is een groot dorp. En zodoende zal ze 't wel erg rustig gevonden hebben, dat ik verdwenen was. Misschien heeft ze me, toen ik klein was, wel eens een zoen gegeven, maar ik herinner me geen enkele hartelijkheid van haar. 'Een man moet flink zijn, hard voor 't leven en niet verwend' was haar leuze. Zij had ook beslist, dat ik naar Delft moest, ofschoon ik schilder wilde worden. Geen sprake van! En praat er niet meer over!
      Toch schilderde en tekende ik - al op 't gymnasium, maar in 't geheim - en later in Delft.
      Klaas zweeg enige ogenblikken. Inmiddels schonk Olga thee in zonder hem aan te zien. Hij was zo alleen met zijn verhaal.

                         54.

  "Met caricatuur- en sneltekenen heb ik me goeddeels door 't leven geslagen; 's avonds en 's nachts werken in "le Jockey" en dergelijke kroegen, waar veel vreemdelingen komen, die menen, dat elke Frans sprekende bezoeker een artist is, en elke tekenaar een vertegenwoordiger van de Franse kunst.
      Tien francs voor een krabbeltje. Als je er maar eerst een te pakken hebt 's avonds, volgen er wel meer. De provincialen die voor 't eerst of voor de tweede maal Parijs bezoeken, menen dat zoiets echt bohémien is. Maar vaak ook liep 't tegen ; vooral 's zomers viel 't niet mee.
      De eerste zomer bofte ik. Ik was verliefd op een danseresje uit een variété, dat naar Nice vertrok voor 't zomerseizoen, d.w.z. dat danseresje en haar collega's gingen er heen, ik reisde met haar mee. Daar had ik 't razend druk. Later in 't seizoen toen zij naar een Engelsman gedeserteerd was, ben ik naar Italië gegaan. Een tijdlang heb ik in Rome en Napels gewerkt, 't was er armoe lijden, want in Rome was ik meer in de musea, dan in de kroegen. De hele winter ben ik er gebleven; toen kreeg ik een gelegenheid om naar Parijs terug te keren met een z.g. privé-reisgezelschap, waarvan de gids ziek achter moest blijven."
      Weer zweeg hij enige tijd. Daarna hervatte hij zijn verhaal, waarbij hij zich tot Olga overboog.
      "Ik zal niet trachten U een chronologisch verslag van mijn jaren in het buitenland te geven; samanvattend kan ik U het volgende beeld geven. Centrum van mijn bestaan was Parijs. Mijn werk was in hoofdzaak tekenen en gids spelen, zelfs op de straten van Parijs. Dat is 't ergste. Allerlei runderen, die van elk aesthetisch gevoel verstoken zijn, rond te zeulen langs kathedralen en musea, langs Leonardo en Rembrandt en langs de Griekse kunst, waaronder de Venus van Milo.
      Ik weet nog zo heel goed, hoe op een prachtige zomerdag, een Amerikaan van middelbare leeftijd mij aansprak vóór het Louvre, waar ik op buit loerde.
      - Of ik de Venus van Milo wist te vinden.
      - Zeker, ik ben gids, zelf artist, schilder.
      Hij keek mij een beetje twijfelend aan; de combinatie was hem blijkbaar niet recht duidelijk.
      -"Come along! "
      Een vrachtje tenminste. Eigenlijk ben je een soort kunst-kruier. Met dat al viel m'n Amerikaantje mee; hij luisterde aandachtig naar wat ik zei omtrent de geschiedenis van het beeld en wat het bijzondere eraan is. Nadat ik uitgepraat was, ging hij een tijdje ernaar zitten kijken. Toen hij opstond, zei hij alleen maar "wonderfull" ; wij wandelden weer de trap op, maar hij wilde niets anders meer zien en gaf me twintig dollar."
      "Deze man was dus blijkbaar geen rund", merkte Olga op.
      "Blijkbaar niet. Maar hij was een uitzondering, ook wat de betaling betreft. Enfin laat ik doorgaan. Hoofdschotel was dus Parijs, verder voornamelijk de zuidkust, Italië - Venetië is de wonderlijkste droomstad, die ik ooit zag - en een paar maal Normandië en Bretagne.  Ik heb daar gewerkt, d.w.z. geschilderd een enkele maal verdiende ik er ook wel eens wat, maar dat was uitzondering. Daarvoor is Parijs beter en Napels. Als de vreemdelingen van de boten komen en ze zien je zitten werken aan een luchtige krabbel van de haven of iets dergelijks, blijven ze al gauw even staan kijken. Dat is het moment. Je maakt bliksemsnel een tekening van een jong vrouwtje, dat innig op de arm van haar

                         55.

man leunt, of een mooie dochter, die onder de hoede van een altijd min of meer op haar verliefde papa een trip-maakt. En dan laat je die zien. De vrouw is enthousiast, voelt het als een hulde aan haar schoonheid. De man of vader betaalt dan wel - en neemt haar snel mee, weg uit de nabijheid van die vervloekte artist, die natuurlijk erop uit is haar 't hof te maken, zo niet erger. Ze weten immers hoe mooi en verleidelijk ze is.
      In '39 ben ik weer naar Holland teruggegaan; de oorlog maakte Parijs tot een doods geval; reizen naar andere landen was al te bezwaarlijk; ik raakte door mijn geld heen en kocht een biljet naar Holland, waar ik sinds twintig jaar ongeveer niet meer geweest was en vanwaar ik nooit iets gehoord had. Wat ik er zocht? Misschien alleen het thuis van het vaderland, nu de storm opstak.
      Ik kan niet zeggen, dat ik ontroerd was, toen ik de grens overschreed - dit laatste natuurlijk in figuurlijke zin, want ik zat in de trein.
      Rozendaal was vervelend om aan te zien; gezeur met bagage en paspoort - bagage had ik nauwelijks; eindelijk den Haag. Toen begon het vreemde - ik hoorde er niet bij; er was niets en niemand bij wie ik thuis hoorde, ofschoon ik er de helft van mijn leven gewoond had. Omdat 't al laat was, besloot ik een klein hotelletje op te zoeken, want ik bezat nog maar een tientje; de volgende dag zou ik dan eens op onderzoek uitgaan. Toen ik wegging had ik een vader en moeder en een zuster. Misschien was er nog iets van te vinden. De telefoongids gaf geen opheldering. Dus ging ik naar het bevolkingsregister, waar ik te weten kwam, dat mijn ouders gestorven waren en mijn zuster getrouwd en naar Amsterdam verhuisd.
      Dientengevolge ging ik naar Amsterdam; ik bezat nog drie gulden; aan het opgegeven adres woonde zij niet. Weer naar het bevolkingregister. Eindelijk stond ik voor haar deur. Mevrouw was niet thuis. Het dienstmeisje vroeg of ze kon zeggen, wie er geweest was. Ik negeerde de vraag en zei, dat ik wel waar terug kwam.
      Dan maar naar een hotel. Met een gulden vijftig in mijn zak stapte ik er binnen; logies met ontbijt kostte een rijksdaalder; ik voelde mij een oplichter, maar bedacht nog tijdig, dat ik in het bezit was van een gouden horloge, dat ik eens van een jonge weduwe ten geschenke had gekregen. Dit stelde mijn geweten gerust.
      De volgend morgen was ik weer bij mijn zuster. De ontvangst was uitermate koel. Ze hadden mij allang afgeschreven, zelfs rechtsvermoeden van overlijden doen uitspreken en de erfenis van de oude lui was voorlopig door mijn zuster en haar man ingerekend; grondig, heel grondig.
      Ik moest 's avonds maar eens terugkomen.
      De man was een vervelende stijlharige meneer, van beroep chemicus; hij praate voortdurend over Gods rechtvaardigheid en mijn zuster kwezelde met hem mede. Gods rechtvaardigheid bleek dan hieruit, dat zijn straffende hand de boze (dat was ik ) strafte en de vrome ( dat waren zij beiden ) zegent, welke zegen bestond uit een inkomen van acht mille per jaar en en de gehele erfenis van mijn ouders.
      Ik vroeg of ik iets van deze zegen deelachtig zou kunnen worden en hij raadde mij de kerk aan. Ik echter sprak over herziening van het vonnis en over mijn erfdeel. Dat was niet zo eenvoudig, merkte hij op. Bovendien waren er tegenslagen geweest, koersdalingen, ziekte en ongeval, wat ik in strijd achtte

                         56.

met de qualificatie Gods zegen, welke opmerking door hem als godslasterlijk werd gedisqualificeerd.
      Het slot van de voorstelling was, dat hij beloofde er eens met zijn advocaat en notaris over te zullen spreken. Wanneer ik geld nodig had, wilde hij me wel honderd gulden voorschieten. Meer kon hij werkelijk niet doen. Het vermogen van de oude lui was al niet zo groot meer, toen moeder stierf, doordat zij na vaders dood merkwaardigerwijze zeer verkwistend geleefd had. Ik geloofde er niets van, vermoedde een samenspanning tussen mijn moeder en zuster en zei dat ook openlijk. ' Ze heeft jullie de boel natuurlijk gegeven voor ze stierf.' ' Hoe ik zoiets durfde denken. Onze goede, lieve mama, die ik 't hart gebroken had door mijn schandalig gedrag.' Ik was zo wee van de huichelarij, dat ik opstond en met een zeer onvriendelijke opmerking hun gastvrije woonkamer verliet. Toen ik op straat stond, besefte ik, dat ik een lijk was. Er was immers een acte van vermoedelijk overlijden. Maar hoe was dat mogelijk; ik had toch mijn telkens weer verlengde pas. De overheidsinstanties schijnen zeer los van elkaar te werken, dat zoiets gebeuren kan. Ik wist het niet uit te maken en weet het eigenlijk nog niet, want ik heb mij over die dingen nooit meer druk gemaakt. Alleen toen de bonnengeschiedenis begon werd het lastig; maar desondanks heb ik een stamkaart en wat dies meer zij, weten te krijgen. Dat ik officieel dood was, heb ik verzwegen; ik werkte met mijn onogelijke pas en mijn twintig jaar in het buitenland; bovendien scheen de ambtenaar het niet zo belangrijk te vinden of er al of niet een stamkaart teveel werd uitgegeven.
      Omdat ik een pas had, bekommerde ik me niet om m'n identiteitsbewijs, maar nu met die persoonsbewijzen wordt 't lastiger.
      Zal ik nog wat hout op 't vuur gooien, freule?" onderbrak hij zijn verhaal. "En zullen we niet eens over iets anders gaan spreken?"
      "'t Eerste is goed, maar 't laatste niet. Maakt U de geschiedenis nu maar even uit."
      "Zoals U wilt freule."
      "Zeg Olga en je, alstublieft."
      Verwonderd keek hij haar aan.
      "Waarom verbaast U dat?" Haar stem klonk lichtelijk geërgerd "Ik hoor heel Uw leven; U komt helemaal naar mij toe. Dan vind ik het onbehoorlijk, wanneer ik op een distantie blijf en een vormelijke barricade opwerp - me afsluit."
      "Dan zult U toch ook mij moeten tutoyeren."
      "Vindt U dat nodig? Misschien later nu nog niet."
      Klaas vatte ten derde male zijn verhaal op.
      "Ik verkocht mijn horloge, alles wat ik verder had, huurde een zolderkamertje, verkocht eigengemaakte prentbriefkaarten aan kleine boekhandelaars, scharrelde in gestolen benzine - van de Weermacht gestolen - leed honger en nog eens honger.
      Toch heb ik 't uitgehouden tot verleden jaar zomer. Toen ben ik na weer eens een paar dagen zonder eten te hebben rondgezworven in het Vondelpark in elkaar gezakt en werd toen gevonden door Dorus, een weinig eervol lid der samenleving, dank zij wien ik in de zwarte handel verzeilde. Een jaar heb ik het bij hem en zijn vrouw uitgehouden, alleen maar terwille van zijn vrouw, een zielig, afgewerkt vervallen schepsel met een stel kinderen. Ze is nu van hem weg.
      En hiermede is 't verhaaltje uit."

                         57.

  "Ik heb niets gehoord van dat meisje van Leonardo da Vinci, wier blik aan de mijne doet denken."
      Peinzend keek Klaas in het vuur, als aarzelde hij even alvorens te antwoorden. Toen wendde hij langzaam zijn gelaat naar Olga toe. "Zoals ik vertelde ging ik wanhopig uit den Haag weg, nadat die vrouw mij bedrogen had; ik was zo teleurgesteld, zo ontzettend treurig - omdat ik niet meer in de vrouw geloofde. Mijn moeder had me weinig liefderijks geleerd in dit opzicht; liedjes over moeders en moederharten irriteren me dan ook altijd. En m'n eerste liefde was een platvloers bedrog, zo misselijk ordinair. Ik vond de vrouw - verachtelijk. Tot ik dat schilderij zag. Waarom dat? Ik weet het niet. Maar 't was een levende vrouw geweest en haar ogen waren als spiegels van een schone ziel. Voor dat schilderij - niet van de Mona Lisa - heb ik mijn geloof weergevonden. Toen ik jou zag, moest ik aan haar denken en aan mijn herrijzenis zoveel jaren terug in het oude Louvre.
      En nu is er een bijgelovig vertrouwen in me en wel, dat er weer iets nieuws, iets lichters in me geboren gaat worden. Ik heb mijzelf er om uitgelachen. Ook daarom wilde ik niet komen."
      Olga knikte. Even bleven zij nog zwijgend tegenover elkaar zitten, elk in zijn eigen gedachten. Toen drukte haar hand weer de schelknop en ten tweede male verscheen Dierk op de drempel.
      "Is mijn zuster al beneden Dierk?" vroeg zij.
      "Jawel freule; al een kwartier ongeveer", antwoordde Dierk. "Moet ik haar verzoeken namens U om hier te komen?"
      "Als je wilt, graag. Vraag dan of ze hier een aperatief komt drinken en breng de bar hierheen, wil je."
      "Tot Uw dienst, freule."
      Even later verscheen Thérèse in een lichtblauwe zijden middagjurk, die haar flatteerde.
      Zodra zij binnentrad, sprong Olga overeind en liep op haar toe. "Ben je wat uitgerust? Je ziet er snoezig uit." Beschermend legde zij haar arm om de smalle schouders. Ik heb een mooie middag gehad, Thérèse; dank zij meneer van Beest."
      Klaas en Thérèse reikten elkaar de hand. Olga liet haar plaatsnemen in de armstoel, welke zij zo juist verlaten had en trok voor zichzelf een pouff naast de stoel.
      " 't Was je reinste roman, Thérèse. En meneer van Beest gelooft, dat ik een soort gelukspoppetje voor hem ben. Hoe vind je dat?"
      "Hebt U dat gezegd meneer van Beest?" vroeg Thérèse enigs- zins bezorgd naar het tweetal kijkend. Wat betekende dit; zoiets zegt een ernstig man toch niet tegen een jongmeisje, dat hij nauwelijks kent.
      "Ach wel neen, malle meid", riep Olga lachende. "Natuurlijk heeft hij dat niet gezegd. Dat maak ik er maar van. Hah! daar is Dierk met de drankwagen." Dierk rolde voorzichtig een zeer luxueuze bar over de spiegelende parketvloer tot voor het haardvuur, opende hem en begon kruiken, flessen en glazen te étaleren, waarbij hij informeerde wat de freules en meneer wensten te drinken.
      Olga was plotseling erg vrolijk en vertelde haar zuster, dat zij de heer van Beest gezegd had haar bij haar voornaam te noemen en haar te tutoyeren, omdat alle vertrouwelijkheid niet van een kant kan komen. "Ik zeg natuurlijk meneer; hij kon

                         58.

mijn vader wezen.
      "Maar Olga!" berispte Thérèse. "Dat is toch heel weinig complimenteus."
      "Tut-tut! Wat weet jij ervan. Meneer van Beest ziet er wel erg jong uit, maar hij is al over de veertig. Hij zei tenminste dat hij wel twee maal zo oud is als ik. Cheerio!"
      Zij hief haar glas en nipte er even van.
      "Geef me een cigaret Dierk."
      Dierk voldeed aan haar verzoek. Die freule Olga toch ; altijd even vriendelijk en aardig. "Alstublieft freule; hier is vuur freule."
      Olga inhaleerde diep en liet daarna heel zachtjes de ijl geworden rook tussen haar lippen uitkronkelen, terwijl zij in het vuur staarde.
      Eerst nu kreeg Klaas gelegenheid om zich tot Thérèse te wenden; zij vonden een aanknopingspunt voor een gesprek in Rilke en over de ontzagwekkende hoeveelheid boeken, die op "Berkenhove" aanwezig waren.
      "Dit is niet alles", lichtte Thérèse in; "op zolder staan nog kisten vol, ongeacht de boeken op de kamers van Olga en die van mij. Ik heb dit alles meegeërfd met "Berkenhove", maar nooit is iemand ertoe gekomen ze te katalogiseren, zelfs niet mijn oom, die zich vrijwel al deze boeken heeft aangeschaft; hij was maniakaal op dit gebied."
      "Dus U weet niet wat U in huis hebt?" Klaas' stem klonk eerlijk verbaasd.
      "Neen!" antwoordde Thérèse vermoeid. "En ik weet ook niet hoe ik daar achter moet komen."
      "Katalogiseren!"
      "Wie moet dat doen?"
      "Ik wil 't met 't meeste genoegen voor U opknappen. "
      Thérèse antwoordde niet direct. De man tegenover haar sprak geheel onbevangen en maakte een zeer sympathieke indruk; mogelijk meende hij 't, zoals hij 't zei, waarschijnlijk zelfs, maar hij was toch ook een kennis van Mr.Ras en die was wel een erg onprettige figuur. Als hij de bibliotheek ging katalogiseren, zou hij hier heel dikwijls moeten komen. En ze wist niets van hem, behalve zijn naam, die een goede klank had, en zij zag zijn uiterlijk, dat beschaafd was, voelde zijn liefde voor literatuur, welke haar echt leek.
      " 't Lijkt me een ontzettend vervelend werk", zei ze tenslotte; "Olga vertelde me, dat U haar gezegd had, dat U kunstenaar was. Gelooft U, dat 't U veel genoegen zal doen titels op te schrijven?"
      "Neen freule", antwoordde Klaas, die iets vermoedde van wat er in haar omging. "Maar ik houd van boeken en ben nieuwsgierig om te weten welke literaire kostbaarheden hier te vinden zijn. Als Uw oom een verzamelwoede had, zoals U zegt, zal hij wel niet alleen mooie banden gekocht hebben. Maar denkt U er nog eens over. 't Heeft geen haast."
      Thérèse knikte. "Welke kunst beoefent U eigenlijk?"
      "Ik schilder en teken freule. Beter gezegd : ik deed het, want de laatste jaren heb ik geen penseel en potlood aangeraakt."
      "Geen lust?"
      "Geen geld, freule."
      "U bent toch in de zwarte handel? En daarin wordt toch zoveel verdiend."
      "Meneer van Beest is al lang niet meer in dat smokkelgedoe", merkte Olga op, iets te voortvarend.

                         59.


      "Hij leeft nu van zijn geld."
      "Wordt daar zoveel in verdiend?" vroeg Thérèse verbaasd. Zij dacht aan wat haar verteld was over de "zwerver " die Mr.Ras wilde spreken en hoe die zich gegêneerd had voor deze relatie. Dat was nog maar enkele weken geleden. Hoe kon hij dan nu al van zijn geld leven?
      Klaas glimlachte. "Ik leef inderdaad van mijn geld freule, maar anders dan Uw zuster suggereert. Ik heb zoveel verdiend, dat ik een jaar ongeveer bescheiden kan leven. Dan zal ik wel weer verder zien."
      Thérèse ademde verlicht op. "Is meneer Ras er ook mee op- gehouden?" vroeg zij belangstellend om iets naders omtrent die onwaarschijnlijke man te vernemen, die met dat twijfelachtige verhaal van een grondspeculatie bij haar binnendrong.
      "Ik weet het niet freule. Ik spreek hem alleen nog maar als we elkaar toevallig ontmoeten"
      "Kent U hem goed?"
      "Neen freule. In die soort zaken ken je elkaar nauwelijks."
      "Wat is Uw indruk van hem?"
      "Een Streber! Ik zou dit niet zeggen, wanneer ik het hem niet reeds zelf gezegd had. Overigens lijkt hij mij niet kwaad en niet onintelligent, maar... enfin... " Hij wenkte af met een snelle handbeweging. Wat interesseerde hem Mr.Willem Ras.
      Maar Thérèse liet niet los. "Weet U iets van die grondspeculaties, meneer van Beest?"
      "Niets weet ik er van, freule; niets. Hij heeft me zoiets wel aangeduid, maar ik heb er verder niet naar gevraagd, want ik heb er geen belangstelling voor."
      "Laat Mr.Willem Ras nu alsjeblieft in zijn vet gaar smoren, Thérèse", mengde Olga zich in het gesprek. "Wees blij dat de man nooit meer teruggekomen is. Neem nog een sherry, zusje, dat is beter. Wacht, ik zal jullie inschenken."
      Veerkrachtig stond zij op, vulde de glazen en stelde voor te drinken op het heil van alle kunstenaars, die het leven accepteren, zoals 't valt. Thérèse lachte ietwat nerveus. Wat was er aan de hand met Olgatje? Deze man maakte indruk op haar; dat was duidelijk. En niet eerst nu, maar reeds bij de eerste ontmoeting, anders had hij hier niet gezeten.
      "Ik geloof, dat U het leven te zwaar opneemt, freule", zei Klaas wien de nervositeit van Thérèse niet ontgaan was.
      "Maar 't is toch een ernstige aangelegenheid."
      "Zeker, freule, maar niet om over te tobben. Wij moeten 't aandurven met al zijn vreugde en al zijn verdriet. Prosit, freule".
      Ze was niet mooi, in 't geheel niet, maar haar ogen en haar stem brachten hem in verrukking. Als ze nu eens niet zo bleek was, niet zo huiverend in zichzelf bevangen. Als ze nu eens een beetje verhit werd door de drank en daardoor ook wat minder beklemd. Zou ze dan ook niet een ogenblik lang geloven, dat het leven ook anders geleefd kan worden, dat niet een apathisch en omzichtig meedrijven het ware was, dat het levensdoel niet was : de schaduwkanten te vermijden, maar het te grijpen met beide handen.
      Thérèse had nauwelijks aan haar glas genipt; aarzelend zet- te zij het weer neer, toen zij de blik van Klaas ontmoette.
      "Ik mag niet veel drinken, heeft de dokter gezegd." Zij bloosde toen zij deze woorden uitsprak.
      Die blos staat haar goed, dacht Klaas.
      "Freule" ik heb alle eerbied voor de medische wetenschap, maar dokters letten vaak wat al te

                         60.

zeer op de physische kant van een mens. Ik zou 't meer op prijs stellen, als ze van de psychische kant begonnen d.w.z. om te beginnen zich de vraag stelden : hoe moet deze patiënt leven? Welke levenswijze - niet eet-drink-en slaapwijze - heeft deze patiënt nodig en hoe breng ik mijn adviezen daarmee in overeenstemming? Maar ze letten altijd op de buitenkant, waarvoor ze zeer waardevolle, maar volkomen theoretisch geconstrueerde methoden hebben. Zoudt U nu zin hebben in een flinke slok sherry?
      Zij knikte. "Ja, maar..."
      "Neemt U die dan! Waarom mag U niet drinken? Als ik tenminste zo onbescheiden zijn mag dat te vragen."
      "Mijn hart is niet in orde."
      "Een hart is een van de meest geschikte lichaamsdelen, freule, om psychische stoornissen te registreren. Is er een afwijking gevonden? "
      "Neen, 't is helemaal goed, zegt de dokter, maar zwak."
      "Drinkt U dan gerust Uw glas leeg. Voor 'n keer zal 't niet schaden en misschien voelt U dan beter, wat ik bedoel. Prosit, freule."
      Verlegen nam zij haar glas en dronk het leeg. "U maakt me nog lichtzinnig", zei ze blozend.
      "Kom dan toch vooral dikwijls hier, meneer van Beest", riep Olga enthousiast. "Voor Thérèse is niets beter, dan dat ze een beetje lichtzinnig wordt." Ze sloeg haar armen om de knieën van haar zuster en keek heel innig naar haar op. "Thérèse, ik wil zo graag dat jij een blij mens wordt."
      Haar stom klonk heftig geëmotioneerd, alsof zij aan een illusie dacht, die in haar zelf ontwaakt was? Afwezig streelde Thérèse haar over 't hoofd. Een blij mens zijn. Een mens, die 't leven aandurft.
      Op dat moment klopte Dierk, en deelde mede, dat het diner gereed stond.


      Marie had blijkbaar besloten er aan mede te werken, dat de onaangename indruk, die aan het eerste bezoek van Klaas verbonden was, grondig werd uitgewist; vandaar dat de tafel prijkte met allerlei goede gaven, welke in deze tijd van rantsoenering aandeden als historische bezienswaardigheden. En aangezien er bovendien een voortreffelijke Bordeaux door Dierk geserveerd werd, heerste aan tafel een dusdanige intieme stemming, alsof men elkaar reeds jaren kende en oude vrienden was.
      Klaas vertelde allerlei komische ervaringen uit zijn veelbewogen zwerversleven en wist het haar beiden voor te stellen, alsof dit leven alleen maar zonnig en vrolijk geweest was. Zelfs Olga, die beter wist, leefde in deze verbeelding, terwijl in Thérèse een nauwelijk merkbaar verlangen begon te groeien om ook eens te gaan, waarheen het toeval leidde, zorgeloos de dag plukkend - de blauwende verten, wijde horizonten tegemoet.
      "Het leven zo te kunnen ondergaan, dat moet heerlijk zijn, maar dat moet je ook kunnen", verzuchtte zij.
      "Waarom zou U dat niet kunnen en ik wèl?"
      "Omdat U een kunstenaar bent!"
      "En zou een vrouw, die zulke wonderklare ogen heeft als U en wier stem klinkt als een zang, de schoonheid van het leven niet kunnen drinken?" Thérèse onderging zijn woorden als een zaligspreking. Zij was het niet gewend complimenteuze woorden te horen, en bovendien had zij de echte

                         61.

bewondering voor haar ogen en stem in zijn woorden onderkend. Zou het toch mogelijk zijn, dat haar leven rijker werd, voller aan geluk?
      Slechts enkele malen - en zij was toen reeds de vijfentwintig gepasseerd - was zij in het buitenland geweest met Olga en onder de hoede van Marie. Voordien had zij zich alles ontzegd, omdat zij haar jongere zuster niet achter wilde laten. Altijd had zij dit mooie kind bewonderd en in een overmatige zelfonderschatting bevangen, zich ten doel gesteld Olga gelukkig te doen worden.
      Toen Olga vijftien jaar was en haar voogd eindelijk toestemming gaf voor een buitenlandse reis, eerst toen was ook Thérèse over de grens getrokken en had voor het eerst een ander landschap dan het Hollandse gezien. Zij hadden Engadin bezocht en er geleefd, zoals alle rijke touristen leven, echter zonder deel te nemen aan de frivoliteiten ervan. Thérèse had wel het een en ander waargenomen van de flirtations en liasons, die er schering en inslag waren, had geconstateerd, dat het huwelijk aldaar vaak een problematische waarde kreeg, maar zij had zich van dat alles verre gehouden zonder critiek of bitterheid, maar in de wrange overtuiging, dat voor haar het simpelste geluk niet was weggelegd en evenmin het erotische spel, waarin de velen hun geluk zoeken - de jacht naar erotiek, emotioneler wanneer jachtbuit en jager het spel van de echtbreuk speelden. Zij had een vage, maar pijnlijke herinnering aan het huwelijk van haar ouders, dat zeer zeker geen lofzang op de liefde geweest was, al was er nooit ruzie. Altijd hing er een kilte in het huis, zoals door een zonnige voorjaarsdag soms een late winteradem huivert. Kil en stil waren de uren, waarin men samen was en van enige vreugde was slechts sprake wanneer men met één van hen beide of wanneer men alleen was. Toen was moeders dood gekomen en kort daarop die van vader. Ofschoon schatrijk door de onverwachtse erfenis stond zij vrijwel alleen in de wereld met het kleine zusje, onder voogdij gesteld van een knorrige oom, die wel goed was, maar het te druk had met zijn jicht en zijn zaken om zich veel om zijn nichtje te kunnen bekommeren. Tante lag sinds jaren langzaam weg te teren in Zwitserland aan een ongeneeslijke longtuberculose.
      Zo groeide zij op onder de hoede van een dame-huishoudster die eerlijk poogde vriendelijk te zijn, maar toch weinig gesticht was over het feit, dat zij, die nooit gehuwd geweest was, thans in de stille, sombere woning aan de deftige Amsterdamse gracht werd opgescheept met twee kinderen, waardoor zij bovendien te maken kreeg met een kinderjuffrouw en een voedster, die zich vanaf de eerste dag argwanend tegen haar gedroegen. Een troost voor Thérèse was het geweest, dat Marie met haar meegegaan was naar het grote huis in Amsterdam. Hiervoor had vader gezorgd. In een brief aan zijn broer, die hij in zijn testament tot voogd benoemd had, had hij erom gevraagd.
      De dame-huishoudster was 't minst van alles met Marie ingenomen, omdat deze haar eigen gang ging en slechts één doel kende: de kinderen.
      Toen zij meerderjarig geworden was, had zij oom om toestemming verzocht om op "Berkenhove" te gaan wonen met Olga. Oom had gevraagd of het haar in zijn huis dan zo slecht beviel en wat zij daar in 's hemelsnaam in haar eentje op "Berkenhove" moest uitvoeren. Oom moest haar begrijpen; hij was heel goed voor haar en Olga geweest, maar zij geloofde, dat het voor Olga beter was, wanneer zij buiten woonde, in een huis dat niet zo

                         62.

stil en somber, maar licht en luchtig was, en waar zij zonder bezwaar zoveel kinderen zou kunnen uitnodigen, als ze wilde. Dat ging toch niet in dit huis, het huis van Oom. En dan - oom moest niet boos zijn - allen hier in huis waren zo heel veel ouder dan Olga, en schuw van het lawaai en geschreeuw, dat gezonde kinderen met zich brengen. Marie nam zij natuurlijk mee en oom kon toch zo vaak komen kijken als hij wilde, want hij bleef immers de voogd van Olga.
      Oom had toegestemd. "Ja zeker, komen kijken, zeker met mijn jicht. Als je nog eens wat weet. Maar ik kom wel, ik kom wel. Wij hier zijn te oud voor jullie. Je hebt gelijk. En jou kan ik wel vertrouwen. Maar 't zal hier toch wel erg stil worden. Ja,ja. Jullie horen er bij - al zo lang. Enfin. Ga met Gods zegen."
      Zo nu en dan was hij op bezoek gekomen en had goedkeurend gesproken over het huis en de inrichting en over de mensen, die er kwamen. Tot hij ging sukkelen en zij met Olga hem moest bezoeken. Vrij onverwachts nog was hij gestorven; zijn vermogen had hij eerlijk tussen zijn neven en nichten verdeeld; alleen Thérèse had hij uitgezonderd en daarvoor in de plaats Olga een dubbele portie nagelaten. In zijn testament stond hieromtrent slechts dit : mijn nicht Thérèse niets, wat zij zal begrijpen en billijken.
      Zeker begreep Thérèse en zij was dankbaar voor de twintig duizend gulden, welke Olga ten deel gevallen was. Omdat Olga nog steeds minderjarig was, had zij in overleg met de toeziende voogd ervoor gezorgd, dat zij tot voogdes benoemd was en zo had zich dan haar wereld gesloten, drong er geen buitenstaander meer in door, behalve wie zij er vrijwillig in betrok, en in deze wereld heerste een gelijkmatige rust, welke Olga soms benauwde, zodat zij plotseling het huis met mensen vulde en er een jolijt en drukte heerste, waar Marie het hoofd over schudde.
      En nu zat hier deze man voor wie het leven blijkbaar een aaneenrijging van improvisaties geweest was en leerde, dat het anders, zonniger, dwazer ook, zijn kon. Zou zij ooit dwaas kunnen doen? Olga zeer zeker; maar zij? Zou men haar niet uitlachen?
      Niet tobben nu. Haar hoofd gloeide; zij had iets teveel gedronken. Of was het de wonderlijk spheer, die om deze vreemde hing, die haar lichtelijk bedwelmde?
      Haar hart? Het klopte vrolijk en sterk, zoals zij het in maanden niet gevoeld had. Zou het toch waar zijn, wat hij zei over de dokters en hun patiënten?
      "Als U Olga zegt, moet U mij ook maar tutoyeren." Zij hoorde het zichzelf zeggen; het was als het einde van een gedachtegang waarvan hij het middelpunt geweest was. En toch had zij nauwelijks aan hem gedacht.
      "Heel graag, maar zeg dan ook Klaas; en jij ook Olga."
      "Allright, old chap!" Glimlachend hief zij haar glas op en liet het even tegen het zijne tinken. "Op onze vriendschap! Thérèse wat denk je nu van de bibliotheek?"
      " Ach natuurlijk moet hij die katalogiseren. Allicht! Kom hier vaak, wil je? "
      Dierk trad binnen om de koffie te serveren. Iets van de spheer, welke er heerste, scheen zich aan hem mede te delen, want tegen zijn gewoonte in richtte hij ongevraagd het woord tot Thérèse.
      "Neem me niet kwalijk freule, als ik een beetje vrijpostig ben ; neem me niet kwalijk, maar wat ziet U er vanavond bovenstebest uit." Een ontroering gleed over zijn gezicht, toen Thérèse hem blij glimlachend toevoegde : "Ik voel me ook zo goed Dierk, zo goed, dat ik bijna aan een wonder zou geloven", waarop Dierk

                         63.

niets anders wist te doen dan een buiging maken en geluidloos de kamer verlaten.

  Toen Klaas vertrokken was om hard hollende de laatste trein te halen trok Olga haar zuster tegen zich aan. "Was je gelukkig vanavond? En toen Thérèse knikte, fluisterde zij heel zacht : "Heerlijk! Ik ben zo blij. Oh Thérèse!"

                         -------------------

                                IX.

  Enige maanden geleden had Mr.Willem Ras een vroegere studiegenoot ontmoet, die hij sindsdien op gezette tijden placht te treffen in het café van het American hotel. Meestal was de vriend dan reeds aanwezig en in gesprek met enige heren met wie hij de hemel mocht weten wat te verhandelden had. Nooit had hij hem aan hen voorgesteld, maar na beëindiging der conferentie afscheid van hen genomen en zich dan neergelaten aan het tafeltje waar Mr.Willem Ras hem wachtte.
      "Zakenrelaties?" had deze eens geïnformeerd.
      De ander had ontkennend het hoofd geschud, iets gemompeld wat op "doet er niet toe" leek en verder over allerlei dingen van het heden en het verleden gebabbeld.
      Soms maakte hij opmerkingen over de internationale toestand, die Mr.Willem Ras ten hoogste verbaasden, omdat hij niet begreep hoe iemand dergelijke dingen weten kon.
      Ook nu hadden zij weer een afspraak en het bevreemde Mr.Willem Ras, dat hij zijn vriend niet bij de anderen zag aanzitten zoals altijd, naar elkaar toegebogen over de tafel en zacht sprekend. Een der heren aan het tafeltje scheen hem bemerkt te hebben; hij zei althans iets tegen de anderen, stond daarna op en kwam naar hem toe.
      "Weet U het nog niet? " vroeg hij zonder zich voor te stellen.
      "Wat?" vroeg Mr.Willem Ras ietwat verward onder de onderzoekend koele blik, waarmede de ander hem aankeek.
      "Dat Lou gearresteerd is."
      Mr.Willem Ras schrok.
      "Waarom?" vroeg hij, van zijn stoel opstaande. De blik uit de hoogte intimideerde hem.
      Een vaag gebaar was 't antwoord.
      "Loopt hij gevaar?"
      De ander knikte. "Hij zal wel tegen de muur gezet worden." Na deze woorden nam hij afscheid met een lichte buiging en keerde terug naar het tafeltje, waar zijn vrienden hem wachtten.
      Het was juist op tijd; anders zou hij gezien hebben dat Mr.Willem Ras bijna door zijn knieën zakte, toen de Jobstijding tot hem doordrong. Hij was blij dat hij weer zat.
      Tegen de muur! Wat had hij dan uitgevoerd? Spionnage misschien? Godallemachtig. En hij vertoonde zich herhaaldelijk met hem in 't openbaar, vooral hier, waar hij natuurlijk zijn complotten smeedde. Wat deden die lui anders aan dat tafeltje?
      Zijn vingers waren stijf toen hij zijn glas naar zijn mond bracht om het leeg te gieten. Hij voelde de koude jenever door zijn lichaam branden, wenkte de kelner en bestelde er nog een.
      Die twee Duitsers daar keken al maar zijn richting uit. Zouden ze...? Ach onzin. Jawel, maar je kon nooit weten. Zo gauw mogelijk hier weggaan. Neen natuurlijk niet doen; dat zou

                         64.

argwaan wekken.
      Eigenlijk geen manier van Lou. Had hem toch moeten waarschuwen. Verdomme, hoe is dat nou mogelijk? Z'n tweede pas, en nu werd hij al dronken.
      Wild vlamde de angst in hem op. Stel je voor, dat hij ook gearresteerd werd. Dit onder geen voorwaarde! Hij zou lid van de N.S.B. kunnen worden; dat was een verdomd afdoende veiligheidsmaatregel. Neen, dat toch niet, N.S.B.-er, neen, dat was te gek. Zou 't bovendien nog wel helpen? Als ze hem zochten... Verdwijnen, weg hiervandaan uit Amsterdam; geen zwarte handel - niks meer.
      Hij steunde het hoofd in de handen. De lichte roes door nervositeit gewekt, ebde af.
      Even rustig denken. Als hij dat huwelijk voor elkaar kreeg ; als hij daar nu eens serieus aan ging werken. Zo'n moeite zou 't toch niet zijn om dat manke mens aan de haak te slaan. En dan rustig op "Berkenhove" gaan wonen; zoolang de bezetting duurde niets meer doen, waarop aanmerking gemaakt zou kunnen worden, en geen een van z'n Amsterdamse kennissen en vrienden opzoeken; je wist nooit, wat die uitvoerden.
      Ja, dat was 't beste. Hij zuchtte en ging weer rechtop zitten. Die Duitsers keken nog steeds zijn kant uit. Nu zo ongemerkt mogelijk hiervandaan en morgen naar "Berkenhove". Goddank dat hij ditmaal niet door een of andere Klaas gestoord kon worden.
      Morgen, beslist morgen zou hij gaan.
      Mr.Willem Ras rekende af en ademde verlicht op, toen hij uit de draaideur in het stervende daglicht trad.
      God, god, wat een emoties. Dat kwam ervan, als je zoveel relaties had. Enfin, voorzichtig zijn. Hij had geen zin om last te ondervinden. Er waren genoeg liefhebbers, die voor de vrijheid en zo wilden sterven. Hij bleef maar liever leven; die vrijheid kwam wel weer; daar hoefde hij zich niet druk over te maken.
      Hij zou nog wel een borrel lusten. Even naar Trui; daar kwamen nooit Duitsers. Bovendien moest hij toch zien nog iets te verdienen, want als hij met aan freule ging trouwen, had hij geld nodig. Hij kon toch geen voorschot vragen op de bruidschat. Hoeveel zou dat eigenlijk zijn, die bruidschat? Vermogen hadden die twee zusters natuurlijk, anders kon je niet zo'n staat voeren... Als er nu zometeen maar een goeie affaire was. Dorus, die schoft, die rotkerel, had misschien toch nog iets. Hij zou maar door de zure appel heenbijten en die ruzie beschouwen als dronkemansklets; misschien herinnerde die drankwagen zich niet eens meer precies wat er gebeurd was; hij was toen zo zat. En als Dorus niks had, dan misschien de anderen...
      Al fantaserende kwam hij tenslotte bij het kroegje van Trui, waar het vrij druk was; men kon de rook snijden en wat voor 'n rook; 't stonk gewoonweg; schandalig, welke vuiligheid ze je tegenwoordig als cigaretten durven verkopen en dan peperduur ; zwendel gewoonweg.
      Trui groette stijf afgemeten. Onbelangrijk. Waar was Dorus of de anderen?
      "Hé Ras!"
      Omkijkend zag hij Dorus aan een tafeltje zitten met een man in een zwart leren jekker. "Kom effe!" Dorus wenkte familiaar.
      "We hebbe wat voor je."
      Zonder antwoord te geven liet hij zich neer bij het tafeltje en keek Dorus onderzoekend aan.
      "Kijk maar niet zo astrant, vader. Drie honderd kruiken Bols. Zeven en twintig honderd piek. Hebben?"
      Mr.Willem Ras dacht even na. Negen gulden de kruik. Elf en

                         65.

een half kon hij ervoor krijgen. Zeven honderd vijftig gulden winst. Hm. Niet onaardig. Meteen maar even afdoen.
      "Accoord. Wacht hier op me. Binnen een uur ben ik weer terug!" Meteen stond hij op en verliet zonder groeten het lokaal.
      "Is die snuiter betrouwbaar?" vroeg de man in de jekker aan Dorus.
      "Die? Ach man, een hufter is-ie, maar je 'hoeft voor hem niet bang te zijn. Klaas en ik hebben al veel met hem gedaan. Maar hij trekt altijd een gezicht of ie rechter van instructie is. Daar heit-ie mij niet mee. Ik ken de echte rechters van instructie; hij is alleen maar een slechte immetasie."
      Dorus grinnikte, nam de lege glazen en stapte naar de tapkast.
      "Twee stuks Trui. Ik kom ze maar hale, mens, want as jij al die klante bediene mot, heb je straks geen bene meer. Jezus Trui, wat zou je dan een hoge kruk motte hebbe. Hahaha!"
      Ook Trui moest lachen om 't denkbeeld, maar toch vroeg ze even langs haar neus weg, waarom Ras zo gauw er vandoor gegaan was.
      "Hij mot effe een zakie voor ons afdoen. Jenever."
      "Ik dacht, dat-ie je niet meer aan zou kijken, na die scène laatst."
      "Ach kom. As je 'em geld laat ruiken heb je 'em zo."
      Minachtend trok Trui haar neus op. "Bah! Wat een vent. Dan was Klaas toch anders, hè. Die kreeg je niet voor geld."
      "En ik dan?" Dorus keek lichtelijk verontwaardigd. "As ik 'em toen die keer gezegd had : alles best en wel vader, maar eerst honderd piek op tafel en anders zwijg ik over Klaas had ie zo gedokt. Geloof mijn maar. Maar dat doet Dorus niet."
      "Nee, dat is waar." Trui sprak langzaam, knikte nadenkend. "Ja, dat was toen een fijne streek van je. Hier, neem je borrels nou mee, ik moet bedienen."
      Met een tevreden trek op zijn gelaat keerde Dorus terug naar 't tafeltje. Dàt most ze 'em toch toegeven, dat-ie z'n vriende niet zou verraje en evenmin bekladde. Maar die Ras. "Hier broer, en op je gezondheid!" In een slok verdween de borrel door Dorus' keelgat.
      "Drink nou niet zo vlug; we moeten nog zaken doen", meende de man in de jekker te moeten waarschuwen.
      "Zeg! Ik ben geen zuigeling. 't Is me derde pas!" Wat dachten ze wel van 'em. Drie borrels. 't Mocht wat. Na de tiende pas werd-ie wat licht in z'n hoofd, maar daarvóór - niks hoor.
      Voor hij aan z'n tiende toe was, trad Mr.Willem Ras reeds weer binnen. "Is in orde! Om negen uur vanavond afleveren; hier is 't adres; ik ben er zelf. Hoe brengen jullie 't?"
      "Auto van de Weermacht. Hij is chauffeur!" antwoordde Dorus met een hoofdbeweging in de richting van de man met de jekker.
      Er was even een nerveuze trilling om de ogen van Mr.Willem Ras. 'Weermachtschauffeur. Nooit eerder gezien. Verdomme. Zou toch geen spion zijn van de Duitsers. Zouden die twee hem verlinken? '   Onderzoekend keek hij de twee mannen aan.
      "Wat is er?" snauwde Dorus. "Is 't soms niet goed?"
      Mr.Willem Ras schrok. "Nou, nou, kalm een beetje. Ik ken deze meneer toch niet."
      "Nee, en hij jou evenmin, maar hij weet, dat ik nooit iemand zal verraje!"
      O die zat. Die kon die hufter in z'n zak steken.
      Mr.Willem Ras stak de toespeling ook in z'n zak, want hij kreeg een kleur.

                         66.

Trui kwam naar hun tafeltje met een bolskruik en een jeneverglas in haar handen. Zonder vragen schonk zij een borrel voor Mr.Willem Ras in. Ze kende de smaak harer klanten.
      "Schenk ons er ook nog maar es in, Trui; dat spaart je een lopie", zei Dorus, toen zij het meegebrachte glas had gevuld.
      "Jij drinkt toch geen Bols", meende Trui te moeten tegenwerpen.
      "Ach mens wat zou dat. 't Is toch jenever. Je hebt 't druk genoeg vanmiddag."
      Trui zweeg en vulde de glazen. Dorus had kennelijk weer een vriendelijke bui. Sinds zij hem een compliment gemaakt had over zijn houding jegens Klaas, deed hij blijkbaar zijn best om de goede indruk niet weer te bederven.
      "Nou, omdat je ze nooit drinkt, krijg je 'em dit keer van mij, Dorus."
      Ziezo! Nou kon die Ras zien, dat Dorus een streepje voor had. Hem zou ze zeker geen borrel cadeau geven.
      "Je bent toch een reuze wijf, Trui." Een vriendelijk schouderkloppen begeleidde deze woorden van Dorus, en hij keek erbij als een veldheer, die zojuist een slag gewonnen heeft. "Een reuze-wijf, Trui."
      "Al goed!" antwoordde zij, waarna zij naar het buffet terugkeerde. Mr.Willem Ras besloot niet langer te blijven; het gezelschap verdroot hem. Plebejerbende!
      "Ik moet gaan heren. Dus om negen uur." Een uiterst lichte buiging, een paar veerkrachtige schreden naar het buffet om af te rekenen en daarna snel de deur uit.
      Ik zal de hemel danken, als ik hier niet meer hoef te komen, dacht hij. Enfin, morgen eens zien, en m'n best doen. Ze zal wel happen.

                         ----------------------

  De volgende middag tegen drie uur gaf Mr.Willem Ras zijn visitekaartje af aan Dierk.
 "En jij dacht nog wel, dat we van hem af waren", zei Thérèse tot Olga, toen Dierk vertrokken was om de bezoeker binnen te laten. Olga haalde de schouders op. "Kan 't je veel schelen? Hij zal wel merken, dat hij niet welkom is, en dan definitief verdwijnen."
      "Dat geloof ik niet Olga. Hij komt hier met een bedoeling, want die grondspeculatie is onzin."
      Mr.Willem Ras trad binnen ; beminnelijk glimlachend, boog diep over de hand van Thérèse, iets minder diep over die van Olga en nam plaats, toen hem dit verzocht werd.
      "Buitengewoon charmant, dat U mij weer ontvangt. Ik was bij de notaris en meende niet heen te mogen gaan zonder U te begroeten."
      "Heel attent!" antwoordde Thérèse; "had U succes bij de notaris?"
      "Ach, U begrijpt, eh... een transactie van vijf ton is niet zo simpel. Maar ik heb er vertrouwen in dat de zaak in orde komt. Gaat het U beiden nogal goed ondanks de oorlog, bezetting en distributie?" Hij haastte zich om van het pijnlijke onderwerp af te stappen, want zijn gesprek met de notaris was geenszins bemoedigend geweest. De oudeheer had wel begrepen, dat Mr. Willem Ras in 't geheel niet in aanmerking kwam voor de aankoop van "de Vossenberg"; het gemak, waarmede deze zijn plannen wijzigde in overeenstemming met de bezwaren, welke geopperd werden, had hem de overtuiging geschonken, dat de jongeman niet serieus

                         67.

was en geen zakenman. "Kijk eens, meneer Ras, de zaak is doodeenvoudig. Of U koopt de bezitting voor Uw privé gebruik of dat van een ander, of U koopt ze niet. Van verdeling in percelen is geen sprake. Wij willen hier geen villaparken." Hiermede was het gesprek geëindigd.
      Er restte Mr.Willem Ras niets anders dan heen te gaan na de notaris verzekerd te hebben, dat hij er dan nog eens over denken zou om het goed als geldbelegging voor zichzelf te kopen. Er was een ondeugende twinkeling geweest in de ogen van de oude heer, maar deze was Mr.Willem Ras ontgaan. Het kwam niet in hem op, dat men zo maar aan hem zien kon, dat hij niet goed was voor een half millioen. Zijn costuums waren immers uiterst verzorgd, zijn haar zat onberispelijk en dan de ring aan zijn vinger. Overigens interesseerde "de Vosseberg" hem niet meer. "Berkenhove" had zijn zijn belangstelling.
      Hij praatte opgewekt tegen de zusters, drukte er zijn medegevoel over uit, dat zij - twee vrouwen alleen - zich in deze moeilijke tijden door het leven moesten slaan. Veel vrouwen waren alleen en hadden het zwaar en als hij dat bedacht, geneerde hij zich soms, dat hij nog altijd als vrijgezel rondliep. Maar ja, je kon toch niet uit medelijden trouwen of bij wijze van hulpbetoon."
      Hij lachte zeer correct om deze geestigheid.
      "Voor U "de Vossenberg" koopt, moet U maar eerst trouwen, meneer Ras", merkte Olga laconiek op. "Een man alleen in dat grote huis is niets gedaan." Weer lachte Mr.Willem Ras uiterst correct.
      "Inderdaad, freule, inderdaad. Maar..."
      "Zouden we niet over iets anders praten dan over trouwen", interrumpeerde Thérèse. "t Komt mij voor Olga, dat meneer Ras dergelijke dingen voor zichzelf moet uitmaken."
      "Volkomen juist freule; maar Uw zuster sloeg de spijker op de kop; 't vraagstuk houdt mij, juist in verband met de aankoop van de "Vossenberg" bezig."
      "U wou het toch niet voor Uzelf kopen?" Thérèse's stem klonk niet vriendelijk.
      "Oorspronkelijk niet, freule. Maar ik weet momenteel niet of ik het toch niet doen zal. Twee zulke charmante buurvrouwen zijn wel verleidelijk."
      Olga keek hem aan met een vragende blik, waarin tevens een lichte spot besloten lag. Dit ontging hem niet en maakte hem onzeker. Zou ze hem door hebben? Uitgesloten; daarvoor was hij te handig. Zo'n kind, dat tussen de koeien was opgegroeid, kon onmogelijk een ervaren man doorzien.
      "'t Was niet een beleefdheidsphrase, freule", zei hij zich tot Olga wendend. "Deze tijd is te ernstig voor koele woorden."
      "Ik zei toch niets, ook niet dat het beleefdheidsphrase was, meneer Ras", antwoordde Olga langzaam en nadrukkelijk.
      Hij glimlachte ietwat pijnlijk; dan kon ze zien, dat hij zich miskend voelde. Daarna wendde hij zich tot Thérèse om naar haar gezondheid te informeren. Zij stelde hem met een paar woorden gerust.
      Verdomme, wat waren die vrouwen toch weinig spraakzaam; hij moest ze de woorden uit de mond trekken. Maar wat kon je ook verwachten van twee van die provinciaaltjes, waarvan de een al aan 't verzuren was.
      "Ziet U die man nog wel eens, die de vorige maal hier voor U kwam; die Klaas?" vroeg Olga quasi-argeloos.
      Verschrikt keek Thérèse naar haar zuster. Wat ging ze nu doen? Waarom bracht ze het gesprek op Klaas?

                         68.

  Mr.Willem Ras maakte een afwerend gebaar, glimlachte toegefelijk. "Neen, freule; gelukkig niet. Ik heb die man eens toevallig leren kennen en hem toen geholpen. Hij schijnt nu zijn eigen boontjes te doppen. Des te prettiger voor hem."
      "Juist, juist!" Olga keek nadenkend. "Ja, we moeten elkaar allemaal wel eens helpen. Ik vind 't prettig, dat u daar ook zo over oordeelt."
      Mr.Willem Ras knikte zeer ernstig.   Thérèse echter kreeg een lichte blos van verlegenheid. Zij schaamde zich over het figuur dat hij sloeg, zonder er iets van te vermoeden.
      Hij schreef haar blos toe aan ontroering over zijn goede hart. En hij geloofde op dit ogenblik zelf aan dat goede hart, aan wat hij gezegd had over de moeilijkheden van alleenstaande vrouwen, aan zijn zelfcritiek inzake zijn staat van vrijgezel.
      "Ja freule", zei hij, zich tot Thérèse wendende, "meer dan ooit moeten wij elkaar nu helpen. Gisteren hoorde ik, dat een van mijn vrienden gearresteerd is en wel ter dood veroordeeld zal worden." Hij was nu eenmaal ernstig geworden ondanks zichzelf en had de behoefte om in deze stemming te blijven.
      "Is 't zo erg?", vroeg Thérèse, die twijfelde aan de juistheid van zijn woorden.
      Hij knikte. "Ja, ja" - een zucht - "en er gaan er zovele."
      "Wat heeft hij dan gedaan?" vroeg Thérèse onder de indruk van zijn ernst.
      Hij haalde de schouders op.
      "Maar hoe weet u dan, dat hij doodgeschoten zal worden?"
      "Een vriend van hem zei het me."
      "Zei die vriend dan niet, wat er aan de hand was?"
      "Neen freule. Alleen maar, dat hij tegen de muur zou gaan."
      Er viel een stilte. Hij voelde, dat het hem niet gelukt was indruk te maken, en dat hij dus weg moest gaan, of het gesprek een dusdanige wending geven, dat er tenminste enige belangstelling gewekt werd.
      "En moet U nu de nagelaten betrekkingen van Uw vriend helpen?" vroeg Olga, die blijkbaar zijn goede hart niet vergeten had.
      "Misschien freule; dat weet ik nog niet. Mogelijk zijn ze goed bezorgd. Als 't niet nodig is, kan ik natuurlijk mijn aandacht aan anderen besteden. Maar weet U" - thans wendde hij zich weer tot Thérèse - "soms heb ik zelf wel eens behoefte aan een mens, die zich om mij bekommert. Altijd alleen zijn met al je moeilijkheden en levensvragen is niet zo prettig." Veelbetekenend keek hij haar aan. "Vindt U ook niet?"
      "Olga en ik hebben elkaar", antwoordde zij, "en U hebt toch Uw broer."
      Wat bezielde die man? 't Leek wel een huwelijksaanzoek.
      "M'n broer en ik verschillen teveel in levensopvatting, dan dat we elkaar tot steun zouden kunnen zijn."
      Thérèse begreep het niet. Dokter Ras was een uiterst serieus man en had haar zovaak geholpen, als zij neerslachtig was. Hoe kon deze onbenullige figuur tegenover haar dan zeggen, dat zij elkaar niet tot steun konden zijn. Natuurlijk zou dokter Ras nooit steun vinden, maar ook nooit zoeken bij zijn broer; andersom echter leek het haar allerminst ongerijmd.
      " 't Lijkt mij vreemd", aldus besloot zij haar gedachtengang; "maar ik kan er niet over oordelen natuurlijk."
      "Neen freule, allicht niet. En bovendien - de ware steun in 't leven vindt een man alleen maar bij een vrouw, en... andersom." Met een tevreden glimlach stond hij op.  "En nu zal ik U niet langer dérangeren. Au revoir, freules!"

                         69.

Weer de zeer diepe en de minder diepe buiging over de handen der vrouwen. "Als U 't permitteert, kom ik graag nog eens praten. 't Doet een mens goed in gezelschap als 't Uwe te zijn."
      "Kijkt U maar eens. Misschien komt U nog wel eens hier in 't dorp", antwoordde Thérèse koel.
      "Voor "de Vossenberg", vulde Olga aan.
      "Bijvoorbeeld." Mr.Willem Ras glimlachte allercharmantst, strekte de rug en verliet met afgemeten passen het vertrek, uitgeleide gedaan door Dierk, die Olga te tevoorschijn gebeld had.
      "Snap jij wat die hier komt doen?" vroeg Thérèse, zodra de deur zich achter hem gesloten had.
      "Ik geloof 't wel", antwoordde Olga. "Hij zoekt een bruidschat".
      "Dus dan moet ik verwachten, dat hij vandaag of morgen jouw hand komt vragen", zei Thérèse hoofdschuddend.
      "Of de jouwe? Jij bent rijk; ik niet; die twintig mille zijn niet de moeite waard."
      "Maar dat weet hij immers niet. Hij denkt natuurlijk, dat je even rijk bent als ik. En daarom zal hij eerder jou kiezen dan mij."
      Olga haalde de schouders. Zij wilde haar gedachten niet uitspreken; wilde niet zeggen dat juist het feit, dat Thérèse niet mooi was, haar tot geschikte jachtbuit maakte voor een bruidschatjager.
      "Bah!" zei ze tenslotte uit haar gepeins ontwakend. "Wat een misselijk sujet."

  Het sujet wandelde intussen met langzame schreden langs het zandpad, dat naar de grindweg voerde, niet ontevreden over het bereikte resultaat.
      Juist dat zij hem niet aanmoedigde om te komen, bewees, dat zij begreep, waarom het ging; haar ontroering was hem niet ontgaan, en hij kende de mensen, vooral de vrouwen. Natuurlijk was zo'n vrouw overgevoelig voor elke aanduiding in de richting van een huwelijk.
      Nu de volgende stap. Wacht eens, 't was vandaag 3 December. Prachtig; overmorgen dus Sinterklaas; hij zou een geweldige mand bloemen sturen, aan de oudste natuurlijk. Thérèse noemde haar zuster haar. En dan tussen Sinterklaas en Kerstmis nog eens een bezoek afsteken. Als dat zusje er nu maar niet eeuwig en erfelijk bij zat. Verdomd mooie meid overigens. Tjonge, tjonge ; zonde en jammer toch, dat je zo een je mond voorbij moest laten gaan.

  De vijfde December arriveerde inderdaad een prachtige bloemstuk op "Berkenhove", voorzien van het visitekaartje van Mr.Willem Ras.
      Thérèse was woedend, maar Olga schaterde van het lachen. Marie, die er bij stond toen de mand werd binnengebracht, begreep er niets van. "U bent toch niet jarig. En de dokter heeft U nog nooit bloemen gestuurd."

  "O Marie", lachte Olga, "'t is verrukkelijk. 't Is niet van de dokter maar van z'n broer. Weet je wat die mand betekent? Een huwelijksaanzoek!"
      "Een huwelijksaanzoek? Van de dokter z'n broer? Maar die man is hier pas twee keer geweest? Zeg kind, daar ga je toch niet op in!"
      "Ben je gek geworden Marie." Thérèse's gelaat was met een diep

                         70.

rood overtogen; haar ogen vlamden.     "Als hij weer komt, wordt hij niet meer ontvangen."
      "Hè toe, Thérèse", vleide Olga. "He ja, wèl doen. Ik zal jullie alleen laten. En zeg hem dan eens de waarheid."
      "Waarom Olga. Wij kunnen hem toch evengoed belet laten geven. Ik voel er niets voor met die man te praten. Bah!"
      " 't Zou zonde zijn, als hij er zo goedkoop afkwam, hij is zo'n schoft" antwoordde Olga thans heel heftig.
      "Kindje, kindje, wat ben je opgewonden", kalmeerde Marie; "laat die kerel naar de pomp lopen, en ontvang hem niet meer."
      "Dat vind ik ook", viel Thérèse bij.
      "Als jij hem niet ontvangt, doe ik het", antwoordde Olga, en het was duidelijk te horen, dat het haar ernst was. Marie zuchtte. "Doe het dan maar liever zelf, kind", zei ze tot Thérèse;
      "want als Olgatje 't moet doen, weet ik niet waar 't op uitloopt. Waarom ben je toch zo gebeten op die man?" wendde zij zich tot Olga.
      "Doet er niet toe", antwoordde deze. "Geef die bloemen maar aan de chauffeur, dan kan die ze voor z'n vrouw meenemen."
      Gedwee nam Marie de mand op. Als Olgatje in zo'n stemming was, was 't het beste haar haar zin te geven; zij wist haar zin door te zetten, evenals haar vader.
      Thérèse lei haar arm om Olga's middel en keek een weinig verdrietig naar haar op. "Wat is dat nu Olgatje? Eerst had je zo'n schik in het geval; en nu ben je zo woedend?"
      "Stil maar", suste Olga; " 't Is alweer over." Zij lachte. "Ga je mee de koffietafel mooi maken, voordat Klaas komt. Er zijn goddank nog andere mannen, dan Mr.Willem Ras."
      Zwijgend trok zij haar zuster mee naar de eetkamer.
      Er zou die avond een groot feest zijn op de "Berkenhove", waar vele gasten - buren en familieleden - waren uitgenodigd. Dagenlang had Klaas zijn kundigheid aangewend om artistieke surprises te maken en de zusters hadden geconstateerd, dat zij haar verwachtingen niet ten onrechte op hem gesteld hadden. Met oude lappen zijde en fluweel, welke op de zolder in kisten sluimerden sinds vele jaren, met gouddraad, verf en papier, had hij poppen, clowns, Oostinjevaarders en wat al niet gecreëerd - en elk dezer producten verborg en geschenk.
      Olga verwachtte zeer veel van de avond - zulke surprises hadden hun gasten nog nooit ontvangen - en de ontwerper en uitvoerder ervan zou zelf aanwezig zijn. O, 't zou een dolle avond worden.

  's Middags was zij met Klaas bezig om de tafel met de geschenken te arrangeren.
      "Vindt je 't eigenlijk niet een beetje kinderachtig?" vroeg zij, terwijl zij aandachtig een clowntje bekeek, dat zijn tragisch masker neerboog als een totaal gebroken mens.
      " 't Is toch ook een kinderfeest", antwoordde Klaas zonder van zijn bezigheid op te zien. "Van tijd tot tijd hebben grote mensen de behoefte kinderen te zijn. Als je kindertijd maar niet al te bar was, heb je er altijd een beetje een herinnering aan als een verloren paradijs. Ik weet wel, dat daar wetenschappelijk het een en ander op aan te merken is, maar herinneringen hebben met wetenschappelijkheid niet veel te maken; 't zijn allemaal min of meer vervalsingen, soms groteske vervalsingen."
      "Maar de tijd is nu toch eigenlijk te ernstig voor dergelijke kinderachtigheden", vervolgde Olga haar overpeinzingen.
      Klaas haalde de schouders op. "Deze tijd is verschrikkelijk.

                         71.

Daarom mogen wij ons wel een enkele maal van het tijdsbeeld afwenden. Overigens geef ik toe, dat er iets geforceerds in zit, in dit kinderspel van grote mensen. Maar aan de andere kant geeft het ook zoiets prettigs. Iets dat je heel gelukkig maakt, de verrassing, in de ogen der vrouwen. Jullie hebt zo graag een verrassing.
      "Heb je er ook een voor mij?" vroeg Olga zich over de tafel heen naar hem toebuigend.
      Hij glimlachte. "Wat denk je?"
      Haar hand raakte toevalligerwijze de zijne, toen zij het clowntje verschikte; zij bloosde, terwijl zij ja knikte. Even was er een conflict in hem, voelde hij de aandrang om haar hand te grijpen, maar hij beheerste zich.
      't Was niet voor het eerst, dat hij hiertegen te strijden had. Ze was zo heel onbevangen verliefd op hem, en zo mooi. Maar ze was ook pas eenentwintig, en hij was in haar leven gekomen als een romantisch geval. Het kon dus moeilijk anders of dit levenslustige, heftige kind moest verliefd op hem worden. Hoe vaak waren ze niet samen in de bibliotheek. Maar hij wilde niet. In zijn verleden was geen plaats geweest voor een vrouw als zij, rijk en zorgeloos opgegroeid met bepaalde eisen aan 't leven; hoe zou er dan plaats zijn voor haar in zijn toekomst? Had hij bovendien niet al te veel achter de rug, waarnaar hij niet terugverlangde, terwijl zij van levensdrift gloeide en het leven wilde genieten. Al te duidelijk achtte hij het, dat hij voor haar slechts een teleurstelling kon zijn; en dus zij voor hem, omdat hij haar niet zou kunnen geven, wat zij verwachtte.
      Hij zou zijn bezoeken wel verminderd hebben, als Thérèse er maar niet geweest was; Thérèse die opgebloeid was sinds hij hier vriend des huizes geworden was en in wier wondere ogen soms een innigheid zijn kon, welke hem ontroerde.
      Zij kwam juist binnen, toen Olga het clowntje had losgelaten en met enigszins verward gevoel zich oprichtte.
      "Ik kom eens kijken of jullie al opschieten, de thee is klaar en we kunnen niet te laat dineren vandaag, want het bezoek komt al vroeg."
      "We zijn practisch klaar", antwoordde Klaas dankbaar voor de afleiding, welke zij bezorgde. "Hoe vind je het?"
      "Prachtig!" juichte Thérèse opgetogen; "gewoonweg prachtig. Je bent toch wel een echte kunstenaar, Klaas. Waarom schilder je nooit meer?"
      "Ik probeer wel weer wat de laatste tijd", antwoordde hij op weinig overtuigde toon.    "Maar in 't voorjaar wil ik weer eens heel echt aan 't werk. Voorlopig lees ik maar liever; ik heb nog steeds een leeshonger, zoals altijd als ik lange tijd geen boek in handen heb. Mijn verblijf bij Dorus was daar niet bepaald geschikt voor."
      "Waarom ging je dan nooit naar een leeszaal?" vroeg Olga, die zich geheel van haar verwarring hersteld had.
      "Ik heb een spheer nodig om te lezen en vind ik niet in een leeszaal. In Parijs is 't me soms gelukt, maar meestal niet. Laten we nu gaan theedrinken."

  De avond verliep in vrolijke stemming. Algemeen was men vol bewondering over de prestaties van die onbekende met de bekende naam, die de meeste gasten hier nog nooit gezien hadden. Waar zou hij ineens vandaan zijn gekomen? De zusters schenen wel heel erg in te zijn met hem; 't leek wel of ze hem jaren kenden en dat was toch beslist uitgesloten.

                         72.

Wel een sympathieke verschijning, maar alles bij elkaar leek de situatie toch een tikje overdreven volgens sommigen. Overigens buitengewone surprises. Olga lijkt wel verliefd. Of Thérèse? Belachelijk... Thérèse. Ofschoon - ze was puissant rijk en als die artistieke meneer dat niet was - fortuinjagers van goede stand waren er ook genoeg. Stel je voor... Thérèse! Ze was anders wel opgeknapt. Dat cadeau dat ze hem gaf, was toch wel heel opmerkelijk - een antieke zilveren ring met lichtgroen émail. Hij was blijkbaar zeer onder de indruk van dit geschenk. "U moet hem aan Uw vinger doen", zei een jonggetrouwd vrouwtje, terwijl ze hem coquet met de waaier op de ringvinger tikte.
      "Daar is hij te mooi voor", antwoordde Klaas, terwijl hij het doosje dichtknipte en in zijn zak stopte. "Er zijn dingen, die je niet moet gebruiken, alleen maar bekijken."
      Van Olga had hij een likeurstel van Venetiaans maaksel ontvangen. "Misschien droom je dan nog eens van je lagunenstad", had ze gezegd. Wat hij haar verteld had over zijn veertiendaags verblijf in Venetië, had indruk op haar gemaakt.
      Plotseling greep hij Olga bij de arm en voerde haar naar Thérèse. "Ik heb voor jullie allebei een kleinigheid, maar zonder surprise", zei hij op gedemte toon: "Please". - Na deze woorden gaf hij haar elk een pakje. Thérèse had het hare het eerst geopend en keek vol bewondering naar het portret van Olga, dat eruit te voorschijn kwam. Olga was te nerveus om het touwtje los te maken, zodat Klaas haar te hulp moest komen. Ook haar pakje bevatte een portret, dat van haar zuster.
      "Heb jij die gemaakt?" vroeg Thérèse in uiterste verbazing.
      Hij knikte.
      "Maar hoe dan? Wij hebben toch geen van beiden geposeerd? Tenminste ik niet? Deed je dat zo maar uit je hoofd?"
      "Neen, neen; je moet niet vergeten, dat ik een expert ben in sneltekenen; een paar krabbels kon ik gemakkelijk ongemerkt op een papiertje zetten. De rest wist ik wel."
      Thérèse werd stil; ook Olga zweeg. Met hoeveel liefde was dit geschilderd. Dit was toch heel echt Thérèse - en beslist niet geflatteerd. En zijzelf - was zij zo verdroomd somwijlen? Aandachtig keek ze naar het miniatuur in de handen harer zuster. Ja, zo kon ze kijken, als ze aan hem dacht. Zij bloosde en boog het hoofd over het beeld van Thérèse in haar handen om haar verlegenheid te verbergen. Klaas zag het, liep snel naar het midden der kamer en zei : "Nu alle geschenken zijn uitgedeeld, verzoek ik de aanwezigen te zingen : Dank je Sinter- klaasje! Maar allen met het gelaat naar de schoorsteen, want dat is zijn verblijfplaats."
      Olga stond aan de tegenovergestelde zijde der kamer.
      Gegiechel, proesten, uitroepen als "leuk"; "Hoe moet dat?" klonken. Driemaal mislukte het, maar Klaas was onverbiddelijk ; de vierde maal echter verklaarde hij, dat Sinterklaas tevreden kon zijn. Olga had nu tijd genoeg gehad om zich te herstellen.
      De miniaturen gingen van hand tot hand. Het viel niet te ontkennen - de man kon schilderen. Eigenaardig. Wie zou het toch zijn?
      Een fatterig jongmens, verloofd met een nichtje der zusters, nam het woord. Hij was een tikje aangeschoten en had het plan opgevat geestig te zijn. Die kerel kon schilderen, mis en waarachtig en hij wàs artistiek, maar hij werd toch wel een beetje al te veel gefêteerd. Verdomme! Even in 't zonnetje zetten.
      "Meneer de Ham van Beest!" begon hij ietwat te luidruchtig en geaffecteerd. "Mijn complimenten en waarschijnlijk wel van ons allen, over Uw buitengewone prestaties. Wij hadden nooit van U

                         73.

gehoord, maar wij weten nu in ieder geval, dat U een verfijnde smaak hebt, en dat u in staat bent van een charmante vrouw een engel te maken. Die portretten zijn byoux. Maar nu een vraag meneer." Hij glimlachte zeer zelfbewust, terwijl hij steun zocht bij een stoelleuning om een lossere houding te kunnen aannemen. Waarom noemt U zich de Ham van Beest?"
      "Ik noem mij niet zo, ik heet zo", antwoordde Klaas wie het ridiculiserende in de stem van de spreker niet ontgaan was.
      "Goed, goed!" antwoordde deze steeds glimlachende. "Maar alle ham komt toch van een beest."
      Een gevoel van onbehagelijkheid ging door de gasten, met uitzondering van enkele jongelui die zachtjes gichelden.
      "Niet alle, jongeman!" zei Klaas rustig, alsof hij niet de bijbedoeling van de spreker gemerkt had. "De houten ham niet!"
      Een luid gelach begroette deze woorden. Men voelde zich opgelucht. Zij, die straks gegicheld hadden, lachten het luidst. Het jongemens trachtte de situatie te redden.
      "Enorm!" riep hij veel te luid. "Enorm gepareerd. Komt U ook uit den Haag?"
      Klaas knikte. "Daarom heet ik de Ham van Beest."
      "Enorm gepareerd!" schreeuwde een oud heertje geagiteerd. "Als ik jou was, zou ik er verder maar 't zwijgen aan toedoen. Je bent nog veel te groen, mannetje, om het tegen een man met hersens op te nemen. M'n complimenten, meneer van Beest, over uw gevatheid; m'n complimenten. Overigens een prachtige avond" - zijn stem klonk nu weer gewoon - "een prachtige avond, u moet 't die kwajongen maar niet kwalijk nemen; hij is een beetje dizzy."
      Er kwamen nog meer mensen om Klaas heen staan met de bedoeling hem te complimenteren en elk vermoeden weg te nemen, als zouden zij enige onvriendelijke gedachten over hem gekoesterd hebben.
      Hij kwam dus uit den Haag? O juist! Had hij twintig jaar in het buitenland vertoefd? Ah, c'est ça. Vandaar dat ze hem niet kenden. Langzamerhand voelde men zich gerustgesteld. Het onhandige jongemens was verdwenen. Het oude heertje vertrouwde Klaas toe, dat hij aan die jongeman geparenteerd was en dat hij niet begreep, hoe het mogelijk was, dat die kwast zo'n snoezig meisje had gekregen.
      Klaas luisterde met een gelijkmatig maar allervriendelijkst gebrek aan belangstelling, naar iedereen en zegende het ogenblik toen de eerste gasten begonnen te vertrekken; het waren diegenen, die per rijtuig de op vier kilometer afstand gelegen provinciestad nog konden bereiken en vandaar per trein de plaats hunner inwoning. De overigen, negen in getal, waaronder Klaas, die de zusters verzocht hadden nu ook eens te blijven logeren, zouden de nacht op "Berkenhove" doorbrengen.

                         ------------------

  Mr.Willem Ras had die middag enkele inkopen gedaan voor de kinderen van zijn broer. Hij vond dergelijke boodschappen lastig, want hij had generlei belangstelling voor kinderen, al simuleerde hij terwille van de ouders somtijds enige interesse. En nu was de kwestie nog veel moeilijker, dan de andere jaren, want er was letterlijk niets te koop. De winkels leverden een armzalige aanblik op, en met een gevoel van kregelheid had hij enkele étalages in ogenschouw genomen.
      Wat een toestand en hoe lang kon dat nog duren?
      't Zou 't beste zijn om een boekwinkel binnen te gaan; de

                         74.

verkoopster moest dan maar wat voor hem uitzoeken. Zo kwam hij in 't bezit van drie boeken, waarvan hij de titels al vergeten was, toen hij buiten de winkel stond.
      Vanavond maar naar broer toe; hij was er al zo'n lange tijd niet geweest. 't Was er ook nooit echt lollig, en ze lieten je soms zo heel erg duidelijk voelen, dat je geen persona grata was. Er zijn per slot van rekening grenzen. Maar ja, je moest in 't leven over dingen heen kunnen stappen. En een avond als deze - vroeger bij de oude lui was 't altijd erg prettig geweest - een echt kinderfeest toch... al die mooie dingen en lekkers. Even ging er iets als schuldbesef door hem heen, toen hij aan de drie boeken dacht, die hij onder de arm hield. Zou hij nog wat lekkers kopen? Even kijken bij de banketbakker. Wat staat er op dat lijstje? O juist, alles wat je niet kunt krijgen en dat is nou precies, wat de kinderen zo lekker vinden. Alles wordt verpest in deze tijd. Hij vloekte en vervolgde zijn weg.
      Vanavond alleen blijven leek hem niet. Hier in Holland was de Sint Nicolaasavond er nu eenmaal een, waarop een mens niet alleen bleef, als 't enigszins kon. Misschien wordt het vanavond wel gezellig. Even cigaretten kopen. "Cigaretten uitverkocht!" prijkte aan de winkeldeur. Wel verdomme! Uitverkocht, uitverkocht, alles uitverkocht!
      Een paar heren voor hem praatten over wat de Londense zender had medegedeeld. Hij versnelde zijn pas. "U praat te luid", zei hij in 't voorbijgaan. "Dank U!" Toen hij ze gepasseerd was, had hij plotseling een echte Sint Nicolaas stemming.

  Zolang de kinderen op waren, hing er een vrolijke spheer in de huiskamer van dokter Ras. Maar nauwelijks waren ze met hun moeder vertrokken om in dromenland verder te spelen met alle cadeautjes, die ze gekregen hadden - en in dat land kun je er zo heerlijk veel mee doen en met alles tegelijk bezig zijn - nauwelijks waren ze de kamer uit, of de dokter wendde zich quasi-argeloos tot zijn broer met de vraag of hij nog vaak bij Trui kwam.
      Mr.Willem Ras had een gewaarwording, alsof hij van het dak viel, en verschoot van kleur. Zozeer schrok hij, dat hij er geen ogenblik aan dacht het te ontkennen, wat toch gemakkelijk genoeg geweest zou zijn. Het enige wat hij wist te antwoorden was : "Hoe weet jij dat?"
      "De wereld is klein en Trui is familie van onze Annie."
      "Ja, ik kom er nog wel eens. Je wordt er met de borrel niet gerantsoeneerd." Hij probeerde zich een onverschillige houding te geven. Per slot van rekening was 't zijn zaak, waar hij wilde gaan om een borrel te pakken. Hij was zijn broer toch zeker geen verantwoording schuldig.
      "Verdien je nogal wat met die zwarte handel?" informeerde deze onverstoord verder.
      "Gaat wel, ja; gaat wel." Geen erg geven; 't ging hem geen bliksem aan.
      "Heb je daarvoor eigenlijk rechten gestudeerd?"
      "Neen... daarvoor niet. Maar wat doet dat er toe?"
      "Oh neen, niks. En hoe gaat 't met je grondspeculatie? Je was bij freule van Rozenburg hè?"
      "Ja; ik ben er een paar maal geweest. Ach, 't gaat wel. De vooruitzichten zijn niet slecht."
      "Hoe wil je aan 't geld ervoor komen? Uit de zwarte handel?"

                         75.

  "Neen! Dat levert niet genoeg op. Die grondzaak is een kwestie van combinatie."
      "Welke lui heb je er al voor?"
      "Hoor eens broertje, nu vraag je teveel. Ik mag nog geen namen noemen."
      "Mag je niet of kan je nog geen namen noemen? "
      "Tut-tut; niet zo opdringerig. Ik laat niets los voor ik dat noodzakelijk of wenselijk acht. Ik heb mijn eigen plannen en als ze slagen, zul je verbaasd staan te kijken. Jij hebt nu eenmaal geen vertrouwen in me. Maar wacht maar, misschien verandert je oordeel nog wel eens grondig."
      Mr.Willem Ras voelde zich weer geheel meester van de situatie, maar dokter Ras was niet gerustgesteld. Een paar maal was hij dus al op "Berkenhove" geweest. Thérèse van Rozenburg had toch maar over één bezoek gesproken. Naar hij had haar de laatste maand niet op zijn spreekuur gezien; ze scheen zich dus nogal goed te voelen.
      "Wanneer was je de laatste maal op "Berkenhove?" informeerde hij.
      "Eergisteren. Ik heb de dames een kort beleefdheidsbezoek gebracht, omdat ik bij de notaris moest zijn en dus als 't ware haar deur voorbij moest."
      't Klonk allemaal zo erg aannemelijk en 't zou ook wel aan te nemen zijn, als hij maar een ander type was. Maar niet verder vragen; de knaap liet toch niets los. Misschien was hijzelf werkelijk te achterdochtig.
      Cobi kwam binnen, praatte direct druk over de kinderen, hoe vol ze waren van hun cadeaux. "Ze zijn erg blij met je boeken, Willem", voegde zij haar zwager met een dankbare glimlach toe; "je hebt ze blijkbaar met zorg uitgekozen; heel erg lief van je, hoor."
      Dokter Ras glimlachte. Zo, dus die rare kwast had toch wel hart voor de kinderen. Gelukkig. Wie weet... per slot van rekening was 't voor hem toch ook wel een moeilijke tijd, en die zwarte handel was wel is waar een zonderling gedoe, maar ja... de kerel moest leven...
      De avond verliep in een ongestoorde vriendelijke stemming en toen Mr.Willem Ras het huis verliet, deed zijn broer hem uitgeleide. "Tot ziens en succes met die grondaffaire", zei deze, hem de hand drukkend. Als 't de jongen nu eens lukte. Misschien zou hij dan toch nog iets kunnen worden, na de oorlog een of ander baantje bij de regering, of zich inkopen in den advocatenkantoor in de provincie...

  Mr.Willem Ras wandelde rustig huiswaarts. Ze waren verdomd hartelijk geweest en schenen eindelijk fiducie in hem te hebben. Als het hem nu eens werkelijk lukte met die grondspeculatie. Hij glimlachte. Zij wàs toch grondbezitster. Reuze-mop!
      Maar als 't niet lukte. En als z'n broer er dan achter kwam. Ach onzin. 't Moest lukken. Als zelfs z'n broer vertrouwen in hem had, waarom zou hij dan aan zichzelf twijfelen? Belachelijk.

---