Infor-
matie.


-6-

Vervolg: Romance rondom een Toren.

Hoofdstuk II.


    Zij was nu drie dagen in Amsterdam en had haar tijd grotendeels besteed aan besprekingen. Dit was de eerste dag, waarop zij geen afspraken had en daarom was zij de stad ingegaan om winkels te kijken. Een enkele maal was zij er een binnengelopen en had iets gekocht wat daarginds in het dorp niet te krijgen was. Moe was ze geworden van al dat geslenter en nu zat zij rustig voor een der brede vensters van het "Poolsche Koffiehuis" in de Kalverstraat, dromerig kijkende naar de mensen die voorbij gingen.
    Opeens zag zij een bekend gericht. Iemand van vroeger toen zij nog in de hoofdstad woonde. Nu kwam hij voor 't raam staan. De man met het bekende gezicht. Hij keek naar haar. Zij bloosde en knikte. Vriendelijk glimlachend lichtte de man zijn hoed, liep naar de ingang. Zij voelde zich zenuwachtig worden. Dokter Reygersberg! Zou hij haar komen begroeten?
    Hij kwam regelrecht op haar tafeltje toegelopen. "Wat prettig U weer eens te zien", zei hij, terwijl hij haar de hand reikte. 't is al zoveel jaren geleden. weet U nog?"
    Zij knikte verbaasd en verlegen.
    "Bent U weer terug in Amsterdam, of bent U nooit weggeweest?"
    "Ik ben hier voor een paar dagen, meneer Reygersberg" antwoordde zij.
    "Mag ik plaats nemen?"
    "Graag".
    "Vertel eens, hoe gaat 't?"
    "Goed, meneer Reygersberg. Ik heb nogal veel te doen. Vertaalwerk uit 't Slavisch."
    "Nog altijd zo Russisch gezind."
    "Ja. Tenminste Dostojewskisch. Ik ben van afstamming helemaal Nederlands, door en door." Maar ik voel me verwant met Dostojewski. Vreemd hè? Wat me verbaasd is, dat U onthouden hebt, dat wij daar destijds over gepraat hebben".
    "Vindt U? We hebben er overigens vaak genoeg over gesproken."
    "Ja, heerlijk was 't. Ik heb nooit iemand ontmoet, die zo goed Dostojewski begreep en aanvoelde."
    "Alles is te begrijpen, juffrouw ... Daarom hoop ik, dat u begrijpt dat ik Uw naam vergeten ben."
    "Janine Anders."
    "Prachtig. Juffrouw Anders dus. Een interessante naam, want alles is altijd ook anders. Niet duidelijk? Doet er niet toe. Geen philosophie in een kroeg. Laten we een kop koffie drinken."
    "Ober!"
    De kelner naderde met afgemeten passen. Haast was een ongekendheid in dit café.
    "Een wijs man", zei Reygersberg, toen hij de kellner zo langzaam zag naderen. "De hedendaagse wereld leeft in de waanvoorstelling, dat haast een essentiële voorwaarde is voor levensgeluk, althans voor een goed functionneren van het maatschappelijk bestel. En aangezien ieder de ander wil overtreffen, gaat alles steeds sneller. En wij worden steeds gelukkiger en verzadigder".
    "Wilt U dan terug naar de tijd van de trekschuit, meneer Reygersberg?"
    "Ik wil nooit terug. God bewaar me."
    "Dat hoop ik, meneer Reygersberg, maar waarom bent U zo pessimistisch?"
    "Ik ben niet pessimistisch, juffrouw Anders. Maar het leven

-7-

is een ernstige aangelegenheid en soms kan het een mens duidelijk worden, dat hij er niet helemaal voor deugt."
    "Foei, dat zegt U, een filosoof. Die kunnen 't leven toch altijd aan."
    "Ik zeg toch niet, dat Ik het niet aan kan".
    Zij gaf geen antwoord, doch keek onderzoekend naar hem. Zijn blik was naar buiten afgedwaald. Het was zachtjes begonnen te regenen en het scheen, alsof het glimmende asphalt al zijn belangstelling tot zich trok. Hij mocht dan geen pessimist zijn, opgewekt was hij toch ook niet, dacht zij. Waarom zei hij, dat hij voor 't leven niet deugde? Hij was getrouwd, had twee kinderen en voorzover bekend was zijn huwelijk goed. Waarom deugde hij dan niet voor 't leven?
    "Ik ben een bijster onvriendelijk gezelschap, juffrouw Anders" onderbrak hij haar overpeinzingen. "Ongemanierd gewoonweg. Laten we een borrel drinken. Houdt U van port?"
    "Wis en zeker, meneer Reygersberg. Dat vind ik een van de lekkerste dranken, die er bestaan".
    "Een goed teken, juffrouw Anders. Port is een nobel vocht. Ik heb geen bezwaar tegen jenever. Maar ten eerste is dat goedje alleen te drinken tussen vijf en zeven, half acht, acht uur desnoods en verder verhoudt jenever zich tot port als een Yankee tot een Franse markies. Waar is de kelner? Ober heet hij tegenwoordig. Ieder wil meer schijnen dan hij is."
    Hij tikte met zijn lepeltje tegen 't schoteltje. De kelner naderde met langzame schreden.
    "Twee rode port. Maar zeg eerst eens welk merk?"
    "Douro, meneer."
    "Hm. Breng maar. Dat woord Douro zegt niet veel.
    "De kelner bracht het gevraagde. Reygersberg nipte aan zijn glas. "Niet gek, waarde vriend. Als we in Frankrijk waren zou ik verzoeken de fles op tafel te zetten. Maar zover zijn we hier in Holland niet. Kijk maar niet zo ernstig. Ga vast nog maar twee glazen halen." En zich tot Janine wendend: "Prosit, juffrouw Anders".
    Zij dronken. Zijn blik bleef op haar gevestigd, alsof hij een schilderij of een beeld bekeek. Janine voelde een blos opkomen, maar ook dit scheen hij niet te merken.
    "U bent een merkwaardige vrouw" zei hij ten langen leste.
    De kelner bracht de tweede bestelling.
    "Drink gauw Uw glas leeg, dan bestellen we een derde" zei Reygersberg.
    "Om hemelswil nee, zoveel kan ik niet drinken, meneer Reygersberg. En 't gaat zo vlug.
    Tijdsverschijnsel, kindlief. Wij leven in de eeuw van de haast, maar U hebt gelijk. Kalmpjes aan. En dan nog een glas?"
    "Nee heus niet, meneer Reygersberg, heus niet."
    "Goed. Breng mij dan zometeen nog een port, ober. Maar kalmpjes aan, de juffrouw heeft gelijk."
    De kelner verwijderde zich met de lege glazen.
    "Het is nu bij half een" zei Reygersberg tot Janine. "Zullen we samen lunchen?"
    "Moet U ... pardon ... eh?"
    "Wat zou ik moeten? Dat begrijp ik niet."
    "Ach, 't was een domme vraag. 't Gaat me immers niets aan."
    "Nee, 't gaat U niets aan. Ik weet alleen niet wat U niets aangaat."

-8-

    "Nu ja, ik dacht dat U thuis zou moeten koffiedrinken."
    "O zo. Juist. Niet zo gek. Dat kan ik natuurlijk ook doen. Maar ik wou met U deze betrekkelijk noodzakelijke bezigheid verrichten. Als U er tenminste iets voor voelt. Ik ben zo vreselijk vaak thuis. Daar is 't nieuwtje wel af. 't Is trouwens niet goed altijd 't zelfde te doen. Ik heb een heilige angst een mechaniekje te worden."
    "Maar dat is toch onmogelijk. U kunt dat toch nooit worden."
    "Waarom niet? Ik doe toch ook mee in 't dagelijks leven. En dat kan wel degelijk mechanisch worden. Vergeet niet, een philosooph is ook anders."
    Zij glimlachte.
    "Wij houden er nu eenmaal ook gevoelsleven op na", vervolgde hij, "of dacht U van niet?"
    "Naar Uw liefde voor port te oordelen, moet ik in ieder geval concluderen, dat U 't goede der aarde niet versmaadt, dus 't behagelijke gevoel."
    "Reken maar. Waar gaan we lunchen?"
    "Zegt U 't maar."
    "Ik? Hm. Hier niet. Wat denkt U van "De Smörre"? Of de Chinezen?"
    "Hè ja, bami".
    "Goed. bami. Waar blijft m'n derde glas?"
    "De kelner is bij 't buffet bezig; hij zal direct wel komen."
    Ze kreeg gelijk. In de verte naderde de kelner. Reygersberg rekende meteen af, toen zijn derde glas gebracht was, dronk het snel leeg en stond op. "Zullen we gaan? Ik vind 't hier ineens stom vervelend. 't Is zo groot en hol, soms is dat wel leuk, maar 't hangt van je stemming af en de mijne is nu niet afgesteld op holle grootheid en grote holheid."
    Hij hielp haar in haar mantel, waarna zij vertrokken.

-o-

    Tijdens de lunch vertelde zij hem alles van de toren, van Egon, de dijkwerkersfamilie en het dorpje in de buurt van haar woonstee. En ook sprak zij van haar werk, dat niet altijd even interessant was, omdat er ook allerlei droge kost te vertalen viel. Hij luisterde aandachtig, stelde een enkele maal een vraag. Over zijn eigen leven sprak hij niet.
    "Is 't daar ginds niet al te stil?" vroeg hij tenslotte.
    "Soms", antwoordde zij.
    "Komt er nooit bezoek?"
    "Zelden. 't Is zo ver weg."
    "Leven Uw ouders nog?"
    "Ja, ik heb ook nog broers en zusters, maar die zijn allemaal getrouwd en hebben hun eigen kennissenkring. En vader en moeder zijn te oud. Bovendien kan ik in de toren maar één logé hebben. Er is boven waar ik woon een grote kamer, die de helft van de woonruimte beslaat, de andere helft is verdeeld in een keuken en twee slaapkamers, waarvan ik de een als logeer-eetkamer gebruik. Ik ben bovendien een beetje uitzonderlijk in de familie en ze vinden me allemaal eigenlijk niet goed wijs, omdat ik daarginds in een uithoek woon in dat oude bouwsel. Maar 't is er zoo prachtig aan dat brede water. U zou 't moeten kunnen zien als de maan erop schijnt."

-9-

    "Waarom zou ik 't niet kunnen zien?" Vragend keek zij hem aan. "Wou U komen logeren?"
    "Bent U bang voor mij?"
    "Neen. Maar U bij mij?"
    "Wat is daar voor raars aan?"
    "U bent zo geleerd."
    "Is dat een bezwaar?"
    "Ach. U begrijpt me toch wel. Ik ben maar een doodgewone vrouw.
    "Ben ik dan niet gewoon? Dood ben ik niet, maar toch wel gewoon."
    "Ik vind het een geweldige eer".
    "Ik ook. Alleen die hond van U zal 't anders opvatten."
    "Nu ja, dat komt wel in orde".
    "Goed. Maar vertel me nu eens, waarom U daarginds zo helemaal alleen woont? Wereldvlucht?"
    Zij schudde bijna driftig het hoofd. "Dat wordt me herhaaldelijk gevraagd. De mensen begrijpen blijkbaar niet, dat er ook wel eens iemand is, die van eenzaamheid houdt.
    "Daar houd ik ook van en ik vind haar in m'n studeerkamer."
    "Waarom wilt U dan bij mij komen logeren? Toch zeker niet om de drukte?"
    "Neen, om de stilte."
    "Waarom is 't dan zo gek, dat ik in die stilte woon?"
    "Omdat U er woont. Ik trek me erin terug van tijd tot tijd".
    "Ik vind 't best, maar bent U anders dan ik. Ik houd niet van mensen, behalve een enkele uitzondering".
    "Ik weet iets geweldigs voor U. Ik zal U in kennis brengen met m'n vriend van Polar. Die is ook zo'n mensverachter."
    "Dat ben ik helemaal niet".
    "Goed, goed, niet alles zo letterlijk nemen, als we een beetje babbelen. Hij houdt ook niet van mensen."
    "Wie is die meneer?"
    "Een echte graaf. Vreselijk correct, vreselijk kunstzinnig. En nog rijk ook. 'n Merkwaardig type."
    "En hoe wou U mij met hem in kennis brengen?"
    "Dat weet ik nog niet. Ik zal wel zien".
    Zij praatten nog een tijdje. Midden in het gesprek keek Reygersberg plotseling op zijn horloge. "Allemachtig, wat is het laat; ik moet weg".
    Janine keek teleurgesteld.
    Hij zuchtte. "Zo ben ik. Er ligt nog werk te wachten. En dat moet ik nu afmaken. Zoiets komt ineens over me. Vanzelf. Soms kost 't me m'n nachtrust. Soms betaal ik 't met ruzie. Maar ik kan er niets aan doen. Je hebt mensen, die er een onwrikbare dagindeling op na houden. 't Is me nooit gelukt en 't zal me nooit lukken. Ik ben niet zo kalm als de mensen denken. Helemaal niet. Enfin, ik zal afrekenen."
    Hij betaalde. Janine bracht hem naar de tramhalte.
    "Zie ik U nog dezer dagen?" vroeg hij, "U kunt me opbellen. M'n nummer staat in de gids."
    "Dat zal ik zeker doen."
    Op dat moment hield de tram stil bij de vluchtheuvel.
    "Dag, meneer Reygersberg."
    "Dag juffrouw Anders. Tot ziens."
    Zij stond er nog toen de tram uit het gezicht verdwenen was.
    Enige dagen later ging ze naar huis terug.

-o-