Infor-
matie.

-59-

Een Romance rondom een toren.

Hoofdstuk VIII.


     Hij was hier nu ruim een maand. Over zijn vertrek was door geen van beiden meer gesproken sinds de middag, toen zij voor 't eerst een uurtje op was geweest. Maar hij kon hier niet altijd blijven en dus begon hij er plotseling over op een avond, terwijl zij aan haar schrijftafel zat te werken.
     "Ik wist dat het eens moest komen oom Arthur, maar dat verandert niets aan het feit dat ik het heel erg vind."
     "Ben je dan niet meer graag alleen Janine ?"
     "Ik weet het niet oom Arthur. U bent mij nog nooit in de weg geweest, geen ogenblik."
     "Vraag of Reygersberg komt."
     "Nee, oom Arthur, ik zou hem nu niet kunnen verwerken onmiddellijk na U. Al is hij met U bevriend, hij is zo heel anders."
     Zij zwegen. Janine had zo nu en dan wel aan Hektor gedacht en zich verwonderd afgevraagd hoe het mogelijk was dat zij in het geheel niet naar hem verlangde. In Friesland was zij nog ervan overtuigd geweest, dat zij in 't minst genomen verliefd op hem was. En zij wist heel zeker dat zij niet verliefd was op oom Arthur, dat hij Hektor niet verdrongen had, tenminste niet in dat opzicht, maar wel in andere zin. Oom Arthur had iedereen uit haar gedachten en gevoelens verdrongen. Hij vulde haar leven, waarin haar werk een hinderlijke noodzakelijkheid geworden was. Het was dus niet meer waar, dat eenzaamheid de spheer was waar ze van hield en evenmin dat zij in haar werk levensvervulling vinden kon. Dat alles had hij haar ontnomen en nu ging hij weg.
     "Ik kan toch niet altijd blijven Janine. Je weet dat ik het hier volmaakt goed vind."
     "Wat gaat U nu doen oom Arthur, als U hier weg bent ?"
     "Eerst naar Amsterdam. In Mei ga ik naar Zuid-Frankrijk. Ik heb daar relaties.
     "Familie ?"
     "Neen, vrienden als je 't zo noemen wilt."
     "Dan zie ik U voorlopig niet. Blijft U lang weg?"
     "Twee maanden."
     Zij gaf geen antwoord.
     "Excuseer me, dat ik je gestoord heb."
     "O, 't betekent niets."
     Zij boog zich weer over haar werk.
     "Heb je zin om mee te gaan Janine ?" vroeg hij na een poos.
     "Meegaan ? Maar dat kan toch niet oom Arthur."
     "Waarom niet ? Wij logeren in een particulier huis, zijn daar en famille. Niet al te familiaar hoor, dat begrijp je wel. Een echtpaar van tussen de zestig en zeventig. Witte Russen. Hij heeft een wijngaard in Frankrijk en exploiteert die zelf.
     "Maar oom Arthur, ik heb geen geld en hoe moet 't dan met m'n werk ?"
     "Dat kun je daar ook doen. Bovendien spreek je Russisch; dat zullen ze heel prettig vinden."
     "Maar ik kan niets betalen."
     "Dat is in orde. Ik zal het op prijs stellen als je die kwestie aan mij wilt overlaten. Zeg me liever of je mee wilt."
     "Ja natuurlijk, 't lijkt me heerlijk, zalig. "Maar ..."
     "Laat nu alle "maars" Janine. Jij bent mijn kameraad. De enige. Ik ben blij dat je meegaat. Uit deze toren weg. Ik houd van de toren maar ik vind het onverdragelijk je hier te moeten achterlaten. Altijd heen en weer pendelen tussen je toren en Amsterdam met als enige afwisseling een sterfgeval in de familie. Je bent

-60-

zo vitaal, zo verrukkelijk jong. Voor de jeugd is deze toren een graf. Ik kan toch mijn enige kameraad niet in een graf achterlaten."
     "O, oom Arthur. Ik ..." Ze was opgestaan, kwam aarzelend naar hem toe.
     "Als je me een zoen wilt geven, zal ik dat heel erg op prijs stellen."
     "Zij deed het. Ditmaal op zijn wang."
     "Mag Egon mee ? Ja hè."
     "Natuurlijk. We kunnen hem toch niet achterlaten. Ik ben dol op 'm."
     "Egon, zalige Egon." De hond sprong op zijn achterpoten, legde de voorpoten op haar schouders, met de tong uit de bek keek hij haar aan. Zij sloeg haar armen om zijn hals, drukte haar gezicht tegen zijn kop. "Egon, we gaan op reis met oom Arthur. Hoor je 't ouwe lobbes ? Hoor je het ? We gaan op reis." Lachend en zingend begon zij de kamer met hem rond te dansen. "Oom Arthur is de liefste man, die ooit geschapen is Egon."
     Eindelijk kwam zij tot bedaren en liet zich in een stoel vallen om uit te blazen. Van Polar genoot van haar blijdschap.
     "Daar moeten we op drinken oom Arthur."
     "Prachtig, ik zal wel inschenken."
     "Nee hoor, dat doe ik zelf. Ik heb geen rust om stil te zitten. En ik werk vandaag ook niet meer."

     Zij spraken af, dat zij de volgende dag naar Amsterdam zouden gaan. Janine moest er enige inkopen doen en kon dan meteen afscheid van Hektor nemen.
     "Die treft 't niet", merkte van Polar op, "ik voel me een beetje schuldig, want ik loop hem voortdurend in de weg."
     "Dat is niet waar. Eerst was 't moeders dood en toen dat ongeluk."
     "Maar ik ben hier aldoor gebleven en daardoor kon hij niet komen."
     "Ik had hem toch niet kunnen ontvangen, dat weet U immers."
     Van Polar knikte. "Hoe doe je met je werk ?"
     Zij haalde de schouders op. "Momenteel heb ik er helemaal geen lust in en meenemen doe ik het zeker niet. De heren zullen moeten wachten of een ander nemen."
     "Je bent in een "après nous la déluge" stemming."
     "Dat zijn wij jongeren eigenlijk altijd. Maar zeg oom Arthur, nu ga ik met de auto naar Amsterdam. Reusachtig."
     "En als je er geen bezwaar tegen hebt ook naar Frankrijk."
     "Zalig. God wat een heerlijkheden allemaal."
     "Heb je nooit een grote autotocht gemaakt ?"
     "Nee oom Arthur."
     "Dan is dat tenminste ook weer iets nieuws."
     "Alles met U is nieuw. God, wat ben ik toch gelukkig."

Vroeg gingen zij ter ruste.


     Evenals de vorige maal logeerde zij bij van Polar en ook nu weer belde zij terstond Hektor op.
     "Ik heb reuze nieuws voor je. Wanneer kan ik je zien ? En waar ?"

. . . . . . . . .

-61-

     "Morgenochtend ben ik in de stad. Boodschappen doen."

. . . . . . . . . .

     "Goed. Tot morgenochtend dan."

     Terwijl Reygersberg op haar zat te wachten, vroeg hij zich af wat voor nieuws zij hem zou kunnen mededelen. Als zij hem in ieder geval maar niet kwam vertellen, dat zij ging verhuizen. Hij hoopte heel sterk, dat zij nu eindelijk een afspraak zouden kunnen maken. Hij had dringend behoefte aan rust en sinds hij die toren ontdekt had, was er voor hem geen volmaakter rustoord denkbaar. De toren en zijn bewoonster.
     Weer daar zitten, een beetje babbelen zo nu en dan, veel lezen en heel veel uitzien over het brede water. Hij genoot bij het vooruitzicht. Ha, daar kwam Janine binnen. De begroeting was van weerszijden hartelijk. "Ik ben blij dat je weer helemaal beter bent, Janine. Je ziet er puik uit. En je ogen glanzen als sterren. Ga zitten en vertel me, wat er voor nieuws is.
     Janine knoopte snel haar mantel los en nam plaats tegenover hem.
     "Je kunt 't toch niet raden, daarom zal ik 't je maar zeggen. Ik ga met oom Arthur naar Frankrijk en Egon mag ook mee. Geweldig hè. We blijven twee maanden weg."
     Reygersberg schrok, maar zij was te opgewonden om het te merken. Hij herstelde zich snel. "Dat is heerlijk voor je. Waar gaan jullie heen ?"
     "Naar 't Zuiden, de kant van de Pyreneeën. Ik vind 't zo zalig." Zij vertelde verder, dat ze per auto zouden gaan en gingen logeren bij een Russische familie. Leuk leek het haar veel Russisch te kunnen spreken.
     "Schrijf je me eens van daarginds ? Geen prentbriefkaart hoor, een brief."
     "Beslist." En toen plotseling en als het ware een beetje schuldbewust: "'t is wel erg jammer, dat jij nu nog langer moet wachten. Had je er erg op gerekend ?"
     "Ik had natuurlijk gedacht, dat ik nu gauw een paar weken onderdak bij je zou kunnen krijgen. Maar je zou wel dwaas zijn als je daarvoor je reis opgaf of uitstelde. Hoe eerder jullie gaan des te beter, want als 't seizoen eenmaal begonnen is struikel je er over de mensen. Maar als je dan weer thuis bent, kom ik. Dat is toch afgesproken, hè ?"
     Zij reikte hem de hand. "Je bent lief Hektor. Ik bof toch maar met twee zulke vrienden."
     "Je vergeet Egon."
     Zij glimlachte. "Die vergeet ik nooit. Maar die is heel apart. De vriend in de eenzaamheid."
     "Is Polar al die tijd bij je geweest ?"
     "Ja. We zijn gisteren samen naar Amsterdam gegaan. Maar ik moet je nog veel meer vertellen. Oom Arthur is een engel."
     En nu vertelde zij hoe het ongeluk had plaats gevonden en hoe van Polar voor haar geweest was. Naarmate haar verhaal vorderde, maakte meer en meer verwondering zich van Hektor meester, maar hij sprak er niet over.
     Zij vertelde hem niet van de bloemen en niet, dat zij hem tweemaal een zoen gegeven had en ook niet, dat zij hem, Hektor, eerder had kunnen laten komen, doch het niet gewild had.
     "Ik ben hem heel dankbaar", zei Reygersberg toen zij was uitgesproken, "dat hij zo goed voor je gezorgd heeft. Hij is een fijn mens."

62

     Zij vroeg naar zijn werk. hij naar het hare. "Ik ga over een paar dagen weer terug, want ik wil toch nog even iets afmaken. 't Wordt heel hard werken. Egon zal wel kwaad zijn, want dan heb ik haast geen tijd voor 'm. Maar daar kan ik niets aan doen."
     "Nog één glas port Janine, dan zal ik je thuis brengen."


     Reygersberg ging even mee naar binnen om van Polar te begroeten en hem een goede reis te wensen. "Als je terug bent, kom ik weer eens met je praten."
     Van Polar antwoordde zich reeds te verheugen op het vooruitzicht.

     Nu liep hij langzaam langs de Herengracht in gedachten verzonken. Polar en Janine gingen dus naar Zuid Frankrijk. Zoiets kon hij haar niet aanbieden.
     Twee maanden zouden ze gaan, en wat verder? Wat was er met Polar aan de hand ? Met Janine niets, dat was duidelijk. Maar zou hij haar niet verliezen aan Polar ? Niet dat die twee zouden trouwen, maar dat er geen plaats meer zou zijn in haar leven voor hem.
     Hij had iets voor haar betekend. Op dit moment was daar geen sprake van. Als ze wegviel zou 't een schurkenstreek zijn van 't lot. Zoiets alsof je een uitgehongerd mens een stuk brood voor houdt en 't dan aan een ander geeft. Maar die ander, Polar, had ook honger. Anders dan hij, maar wat deed dat er toe.
     Hij haalde de schouders op. Ieder smeedt z'n eigen noodlot. Ik heb haar zelf met hem in aanraking gebracht. En als ik 't niet gedaan had, als 't puur toeval geweest was, dan nog, was hij toch de smid geweest. Hij had zich immers klakkeloos toegeworpen aan een vrouw, die hij nog maar heel kort kende. Zo was hij nu eenmaal. Een eenzame wolf, die een veilig hol zoekt.
     Bij de Leidsestraat gekomen, stak hij over naar de tramhalte. 't Was al laat en hij wilde ze thuis niet laten wachten.
     Thuis. Z'n vrouw en z'n twee jongens. Hij glimlachte toen hij aan ze dacht. Ze hadden het niet met hem getroffen, maar ze hielden allemaal van hem. En ook daar was hij geborgen, maar niet zijn eenzaamheid.
     Plotseling voelde hij zich weer heel moe en oud.

-o-