Infor-
matie.

-76-

Hoofdstuk X.

     De hitte wilde niet wijken. Janine zat voor het open venster met een boek in de hand, maar zij las niet. Over een paar uur zou Hektor komen ; van Polar had hem tien dagen geleden haar uitnodiging overgebracht en hij had omgaande geantwoord.
     De afgelopen dagen waren goed geweest. Heerlijk was het weer alleen te zijn, tot je zelf te kunnen komen. Zij had zoveel indrukken te verwerken gehad.
     Geërgerd had zij zich alleen aan de brieven van haar opdrachtgevers. Ze dachten zeker, dat ze bij hen in dienst was. Behalve één die haar een gemoedelijk briefje geschreven had, dat eindigde met de verzuchting, dat hij hoopte, dat zij ten lange leste de temptatie van de hitte zou kunnen overwinnen,
     "Vroeger sprak men van hittegolf", schreef hij, "maar dit is een hitte-oceaan."
     Hem had zij geantwoord, dat zij hem het werk al binnen acht dagen zou afleveren. De anderen had zij doen weten, dat zij niet meer voor hen wenste te werken.
     Een was gaan terugkrabbelen en had een epistel van drie kantjes gezonden. Zij wilde niet. Voorlopig in elk geval niet.
     Van de notaris in Friesland had zij bericht ontvangen dat haar erfdeel ruim zevenduizend gulden bedroeg, in elk geval voldoende om een paar jaar van te leven, als ze die ene uitgever aanhield. Ze was van mening, dat ze niet weigeren kon voor hem te werken, omdat hij helemaal niet boos geweest was, ondanks de schrikwekkende vertraging.
     Oom Arthur had haar een erg leuke brief geschreven, snoezig gewoonweg. Als Hektor geweest was, zou ze hem gauw weer uitnodigen. En dan wilde ze deze zomer ook nog naar Friesland gaan. Kijken hoe het met vader gaat.
     Ze keek op de klok. Ik zal maar koffie gaan zetten. Over een half uur kan Hektor hier zijn.
Zo geschiedde. Hij kwam binnenstappen alsof hij de toren in bezit kwam nemen. "Voorzichtig een beetje, Hektor, denk om Egon."
Egon stond roerloos van kop tot staartpunt, maar hij herkende hem wel, want hij gaf geen geluid.
     "Eindelijk zijn we dan zover" zei Reygersberg. "Het spijt me dat ik je niet kan omhelzen en zelfs geen hand geven, gezien je ondier."
     "Geen kwaad spreken van Egon, Hektor, overigens bestaan er geen ondieren, meneer de denker. Ga zitten of liggen, wat je wilt. Misschien wil je je eerst wat luchtig kleden."
     "Dat is niet zo'n gek idee. Ik zal dan maar naar de logeerkamer gaan. Tot zo meteen."
Hij keerde terug in short en wit hemd. "Mag 't zo?"
     "Allicht, je ziet er keurig uit."
     "Een beetje te jong, hè?"
     "Wat een onzin. Je bent toch geen grijsaard?"
     "Enfin, ik kom hier voor een verjongingskuur. Vertel eens wat van je reis."
     "Heeft Oom Arthur dat dan niet gedaan?"
     "Die is niet bijster mededeelzaam. En dan hij heeft zovéél gereisd."
     "Was hij opgewekt?"
     "Nee, nogal stil. Ik weet niet, wat er met hem aan de gang is. Nooit is hij met iemand op reis geweest ; helemaal niet met een vrouw, behalve in zijn jeugd met z'n kinderjuffrouw. Nu plotseling gebeurt het en als hij terugkomt is hij vreemd stil. Zeg, lieve schat, hij is toch niet verliefd op je. Ik zou 't me kunnen voorstellen. Als ik zolang met je op reis geweest was, hadden we al een kind.
     "Knap is dat in twee maanden."

-77-

     "Nu ja, bij wijze van spreken. Maar wat denk je? Als je er niet over praten wilt, is 't natuurlijk goed."
     "Grote hemel, Hektor, jij met je verliefdheid van oom Arthur. We zijn de grootste vrinden ter wereld, daarmee uit."
     "Goddank. Dan heb ik mijn kansen tenminste niet verspeeld."
     "Begin je nu al, je bent er nauwelijks."
     "Goed, goed, goed. Ik zal braaf zijn. Maar doe niet zo ijzig. In deze hitte smelt alles. Vertel liever. Je koffie is zalig. Dit tussen haakjes."
     Zij vertelde een en ander, maar kon geen vertrouwelijke toon vinden. Hij liep ook zo hard van stapel.
     Reygersberg interrumpeerde plotseling. "Vertel eens, hoe was Polar. En geloof nu, dat 't me ernst is met deze vraag. Ik ben ongerust over hem."
     "Waarom om godswil?"
     "Omdat hij, sinds hij jou heeft leren kennen, dingen doet, die helemaal niet bij hem horen, die hij ook nog nooit gedaan heeft."
     "Een mens kan zich toch wel ontwikkelen. Jij vertelt tot in den treure, dat dat ieders taak is."
     "Weet je zeker, dat 't bij hem een kwestie is van ontwikkeling? Of is 't alleen maar, dat jij sterker bent dan hij?"
     "Ik vind hem niet zo zwak. Zou 't niet kunnen zijn, dat ik hem ontdooi?"
     "Je bent een zonnetje. Dus kan 't."
     "Je zei dat 't je ernst was, blijf dan ernstig."
     "Tot uw dienst, freule,"
     Zij lachte. "God, Hektor, wat ben je toch een zot."
     "Een wijze zot is de volmaaktheid zelve. De nar is het geweten des koning. Maar ter zake. Ik weet het niet, maar ik vind 't vreemd, heel erg vreemd. Arthur van Polar, de kluizenaar in de grot der schoonheid. De van de wereld en mensen afkerige rent plotseling achter een jonge vrouw aan. Snap je dat ik 't vreemd vind."
     "In ieder geval vreemder dan ik. En toch kan ik het 't beste beoordelen."
     "Ik hoop 't."
     "Doe niet zo dramatisch."
     "Weet jij of 't geen drama wordt?"
     "Ach plof."
     Zij zweeg boos. Egon had zijn kop geheven en keek naar Reygersberg.
     " 't Is wel goed, Egon. Koest maar."
     "Wat is er nu weer met die hond?"
     Een mensenkenner ben je wel, maar een hondenkenner zeker niet."
     "En Polar ken ik ook niet."
     "Hektor, schei uit met je gezeur over van Polar. Je maakt me wee." Zij sprak heftig. Egon blafte en keek dreigend naar Reygersberg. "Snap je 't nu?" vroeg Janine."
     "Wat is dat beest toch lastig ; hij bemoeit zich overal mee."
     "Hij is een schat. Kom maar hier, Egon. Zo ja, leg je kop naar op m'n been hoor. Je bent lief."
     Reygersberg keek nauwlettend. De hond liet zich vertroetelen, maar keek intussen zijdelings naar hem. Hij vond het zeer merkwaardig en interessant.
     "Janine, één ding staat vast - dat beest is verduiveld intelligent."
     "En een verduiveld trouwe vriend, Hektor."
     "Vond hij 't prettig op reis?"
     "Heel veel dingen wel, maar hij voelt zich hier toch meer op z'n gemak. Hij ging als een bezetene te keer, toen wij de toren naderden. Hij was niet te houden."
     Het gesprek over Egon ging verder en deed alle geprikkeldheid van Janine verdwijnen.
     Zo bleef het de eerste week. Hun leven verliep rustig ; Egon was weer gewend aan deze gast en bemoeide zich niet met hem.

-78-

     Janine sprak zo nu en dan over haar indrukken en vooral over wat zij op de heenreis in Parijs gezien had. Hij kwam dan steeds vanzelf op de historie van Frankrijk, waarvan Parijs als het ware een monument is.
     Geleidelijk hervond zij haar oude hartelijkheid voor hem en realiseerde zich, dat hij bij haar zijn toevlucht zocht. Zijn vrouw en kinderen waren ver hiervandaan en speelden geen rol. Zij daarentegen een grote. Zij had zich herinnerd, hoe hij geklaagd had steeds aan dichte deuren te kloppen. Het was niet in de haak, als ook zij haar deur gesloten hield. Hij merkte haar veranderende stemming en begon op een avond over hun verhouding te praten. "Waarom moet ik eigenlijk in die logeerkamer slapen?" vroeg hij tenslotte. Zij keek hem aan en wachtte enige ogenblikken alvorens te antwoorden. Eindelijk begon zij te spreken, langzaam en rustig. "Omdat alles tussen ons nog zo jong is. In het begin had het gekund. Ik was toen wat we maar zullen noemen weg van je. Toen kwam de scheiding en raakten we elkaar weer ontwend."
     "Ik jou niet."
     "Goed, maar ik jou wel. En kijk, Hektor, als ik nou ja zou zeggen, zou ik 't wel kunnen, want tenslotte kunnen wij vrouwen veel doen uit ons moedergevoel. Maar het zou alles bederven. Ik ben er niet rijp voor, nog niet. Je zult geduld moeten hebben, Hektor. Ik vind 't verdrietig, dat ik weigeren moet, ik weet wel wat ik voor jou ben. Maar 't is beter. Als ik ja zou zeggen, zou ik misschien opzien tegen je volgende bezoek."
     "Zou 't ook niet kunnen, dat je er dan naar zou verlangen? Kan een verhouding ook niet ontwikkelen, groeien langs die weg?"
     "'t Kan, maar ik weet niet, ik geloof niet, dat dit het geval zou zijn bij ons, bij mij."
     Hij zuchtte, haalde de schouders op en ging weg van het venster waar hij zat.
     "Jij hebt 't voor 't zeggen. Ik zal wachten, geduld hebben. Misschien dan later. Neem me niet kwalijk, dat ik het vroeg. Je kent de oorzaak. En wees ervan verzekerd, dat ik van je houd, ook zonder dat, al is dat de finishing touch."
     "Mits niet voortijdig. En bovendien - oom Arthur en ik houden beslist van elkaar, maar van dit is nooit sprake geweest. Er is geen spoor erotiek."
Hij keek haar aan zonder te antwoorden.
     "Zullen we een eindje gaan wandelen?" vroeg ze.
     "Accoord." Zijn stem klonk opgewekt. Wonderlijk mens dacht Janine.
     Gedurende de dagen die hem nog restten kwam hij niet op het onderwerp terug. Zij roeiden, zwommen, maakten pret. Voor 't overige bracht hij zijn tijd lezende door, maar hij las uitsluitend romans.
Toen hij op 't punt stond te vertrekken, greep hij haar handen en keek haar aan met een zo kinderlijk goedhartige blik, dat Janine ervan ontroerde.
     "Ik dank je voor dit bezoek", zei hij ; "ik weet, dat je me niets kwalijk genomen hebt. Ook daarvoor dank ik je. En ik hoop, dat alles tussen ons goed worden zal. Ga niet van me weg. Als jij voorbij zou gaan Janine, zou 't nacht worden. Nu is 't schemering. Die is er ook vóór de dag aanbreekt. Tot ziens."
Hij kuste haar niet.

     Alleen gebleven dacht zij na over de woorden, die hij zojuist gesproken had. Had ze verkeerd gehandeld? Waarom liet zij haar eenzame wolf alleen zwerven in de wildernis. Waarom kon

-79-

zij niet de wolvin zijn die met hem meeging en met hem een leger zocht? Zij was jong en wilde toch wel graag dat beleven, waarvan Hektor sprak. Zij was waarlijk niet zonder erotische gevoelens. Maar met Hektor zou ze 't niet gekund hebben. In elk geval zou ze er niets in beleefd hebben. Moederlijke gevoelens voor Hektor? Ja, die had ze wel. Vrouwelijke ook, maar toch. Nee, nog niet.
Raar was 't. Geen spoor van erotiek voor oom Arthur. Dan nog eerder Hektor. Hij noemde zich een wolf, maar je zou hem evengoed beer kunnen noemen. En soms was hij een malle beer. Zij lachte hardop. Egon antwoordde met een korte blaf.

     De avond van dezelfde dag schreef zij aan van Polar en vroeg hem haar te melden wanneer het hem schikte. Daarna zou ze naar Friesland gaan. Zij had bericht ontvangen, dat de oude man de hitte niet goed verdroeg en had gevraagd te waarschuwen wanneer het gewenst was, dat zij kwam. Maar niet op het nippertje. Daarom moest oom Arthur maar gauw komen. Wie weet, hoe lang zij weer in Friesland zou moeten blijven.
     Drie dagen later arriveerde van Polar.

-o-