Website
inform.

Brieven aan Yvonne

Opsporing en overgetikt: FdZ
Laatste correctie: H.W.

Een lauwe voorjaarsavond. Door 't venster, dat wijd open staat, drijft uit den tuin een zwakke bloemengeur mijn studeerkamer binnen.
Er is een hevig verlangen in me om te gaan zwerven langs de wijde wegen van dit lage land; om de zee te zien en het melancholieke geloei van het vee te hooren in den vallenden avond.
Nu zijn de wegen nog stil. Later als het z.g. seizoen komt, zijn ze onbegaanbaar. Dan drommen de duizenden op fietsen, in auto's en trams en zoeken allen dezelfde "mooie" plekjes, waar ze van elkaars lichaamsgeuren kunnen genieten. De verrukking der gezellige drukte in bosch, hei of aan het strand is onbeschrijvelijk. Zij uit zich in geschreeuw, gejoel, grammophoongeschetter en vertooning van lelijkheid en banaliteit.

Nu echter is het nog geen tijd voor hun gezelligheid. Nu zijn de wegen en stranden nog verlaten en heerscht er de weidsche wijdheid.
Nederland, ik heb je zoo lief. Meer dan alle berglandschappen en heuvellanden.
Ik heb je lief om de zee en het eindelooze strand, de polders. Altijd weer kan ik door je grootsheid zwerven, drink ik de kleur van je eeuwig wisselende luchten, onverschillig of de zon schijnt of dat de storm jaagt, de regen striemt of een grijze nevel over een stille wereld hangt.

Uit een kamer klink muziek. Anna speelt. Chopin, zooals zoo dikwijls. Ze is een beetje melancholiek geworden in ons huwelijk, wat niet verwonderlijk is, want ik ben een vreemd soort echtgenoot.
Eigenljk zou ik nu naar beneden moeten gaan om haar gezelschap te houden, maar het venster en mijn verlangen houdt mij vast.
Ik heb teveel eerbied voor haar om medelijden met haar te hebben, wat zij trouwens ook niet zou willen en ook niet heeft met zichzelf. Ze heeft mij trouwens gewild en wil mij nog. Misschien verandert dat eenmaal; nu is 't in elk geval nog niet zoover en zoekt haar vrede in de muziek. 2

Ik wilde, dat ik niet zoo onrustig was. Laat ik Yvonne schrijven; misschien wordt dan het verlangen minder.
Een dwaze liefde. Wij houden zooveel van elkaar en haar verlangen om bij mij te zijn is zeker even groot als het mijne, maar ze blijft hartnekkig in Parijs, omdat ze bepaalde opvattingen heeft omtrent huwelijkstrouw, die ik niet deel.
Wat wordt het leven waard, als men er voorgoed alle dichterlijkheid en romantiek uitbant? En hoe zijn die te beleven anders dan in een hevige liefde met al het hunkerend verlangen, de hartkloppingen en de intense vreugde om elke ontmoeting? En waarom zou dit een inbreuk beteekenen op de huwelijkstrouw?
Ik schrijf dit niet voor de filisters, die zich als straatterriërs door hun geslachtsdrift laten voortjagen naar onverschillig welk opject. Over hen praat ik niet, maar over den groote minnaars en minnaressen voor wie elke liefde een schoon doorwrocht en diep doorvoeld gedicht is.
Yvonne zou dit kunnen beleven, maar ze wil niet. 3

Yvonne, liefste,
Waarom schrijf je zoo weinig? Ik ben onrustig en gejaagd, en woedt een opstand in me, dien ik tracht meester te worden door dezen brief.
Ik heb den laatsten tijd hard gewerkt, eigenlijk veel te hard, en ik was inmiddels een braaf echtgenoot, die trouw aan alle maaltijden deelnam, menigmaal 's avonds in de huiskamer vertoefde en naar de radio luisterde, op regelmatige tijden naar bed ging en alleen maar aan zijn plicht dacht, althans deed alsof. Want altijd is er wel een oogenblik waarin een beeld opflitst of een verlangen omhoog stuwt. Maar er was het werk, dat gedaan moet worden.
Je weet, dat ik van mijn gezin houd en het prettig vind, als ze blij zijn, omdat vader in de huiskamer is en meedoet. En ik doe dan ook echt mee. Maar diep in me sluimert het conflict, dat losbreekt, zoodra al dit huiselijke zich als sleur aan me opdringt, als de gezichten, de gesprekken, het interieur al te bekend worden. Dan wordt alles mechanisch, dan sterft het weer eens. Niet voor goed, o neen, ik houd immers van ze. Maar dan moet ik los uit dit leven van alle dag, alleen zijn, of met een anderen mensch. De gewoonte brengt zoo haar gemakken mee, maar tusschen menschen is ze een doodelijk gevaar, tenminste voor iemand, zooals ik ben, die altijd hevige impulsen noodig heeft, omdat hij het leven beleven wil en zijn gevoelsleven zonder die nieuwe impulsen verkommert.
Dat het hierbij om meer gaat dan om zingenot of hoe men dat noemen wil, blijkt uit mijn werk, dat zonder mijn beleven onmogelijk zou zijn. Jij zegt zelf, dat werk hoogst belangrijk is, en je bent niet de eenige, al stel ik jouw oordeel bijzonder hoog.
Je weet, dat ik me in mijn werk heelemaal geef als levend mensch; ik ben geen machine en kan het niet zijn, en zoo kan ik ook geen massamensch zijn. Wat ik je schrijf, is dan ook niet op die menschen toepasselijk. 4
Natuurlijk ligt het voor de hand, dat mij wordt toegevoegd, dat ik pedant ben, omdat ik voor mijzelf een bijzonder recht opeisch. Eerstens doe ik dat niet alleen voor mijzelf. Wat ik verdedig is de simpele waarheid, dat de mensch het recht heeft te eischen, dat hij kan doen, wat hij is. Want de mensch doet wat hij is; hij verwerkelijkt immers zijn eigen innerlijk.
En daarom kom ik ook op voor mijn recht, dat ik stel tegenover dat der z.g. groote massa, wier recht ik erken. Maar het hunne is het mijne niet. En ik ben niet de eenige, die zijn recht tegenover dat van hen stellen kan.
Wanneer in de wereld de een een veel grooter inkomen heeft dan den ander, zegt men dat dat zijn goed recht is, dat hij dat verdient. Natuurlijk veroordelen de communisten de groote kapitalistische inkomens, maar die in de Sovjet-Unie keuren zij in ieder geval goed.
Mij interesseren al die groote inkomens niet, maar wel mijn recht om mijzelf te zijn. Ik heb mijn inkomen aan belevenissen, dat grooter moet zijn dan van een ander, of als je wilt van een andere samenstelling. Jij hebt zooveel op met Rodin. Ken je zijn leven? Rilke had er zekere bezwaren tegen, maar als er ooit een zonderlinge getrouwde man geweest is, dan is het wel deze dichter, die het nog bonter maakte, dan de Kaveliers van Eukebij(?). Heb je die geschiedenis wel eens gelezen, dat wondere verhaal van Gösta Berling, den sterkste en zwakste van alle mannen? Zoo ja, dan begrijp je, hoe ik het waardeer.
Overigens realiseerde ik me nu pas goed, dat ik het waagde een critische opmerking omtrent Rilke te maken. Je weet, dat ik groote bewondering voor hem heb, als schrijver en dat ik vele werken van hem bezit; ook brieven; ik houd van brieven. Maar ik weet ook, dat jij tot degenen behoort, die hun vereering voor den dichter tot cultus hebben opgevoerd en dus loop ik gevaar, dat je denkt, dat ik iets onvriendelijks bedoelde te zeggen. Bij een vereering, zooals die van jou speelt n.l. het vooroordeel een groote rol, en dergelijke oordelen, die geen werkelijke oordelen zijn, maken de menschen in hun desbetreffende gevoelens licht kwetsbaar, juist omdat hun oordeel geen werkelijk is.
Daarom verzeker ik nadrukkelijk, dat mijn opmerking omtrent zijn opvatting en practijk van den huwelijksen staat geenszins beteekent, dat ik die opvatting en practijk afkeur. Ik schreef je immers al, dat de mensch doet, wat hij is.
Natuurlijk zul je het afgezaagde argument (neem me niet kwalijk lieve, maar het is heusch afgezaagd) aanvoeren, dat een mensch zijn plicht moet doen en zich moet beheerschen. Je weet, dat ik het daarmee volkomen eens ben, maar ik weiger mee te doen aan het omkeeren van de bekende woorden: Quod licet Jovi, no licet bovi. (wat Jupiter vrij staat, staat nog geen os vrij, d.w.z.: mag het gewone volk nog niet doen.)
Het is tegenwoordig mode om Jovi en bovi van plaats te doen verwisselen en het woordje "non" te schrappen; the man in the street, die een uitgesproken kuddekarakter heeft, meent daartoe gerechtigd te zijn, omdat hij zich als de maat van alle dingen beschouwt.
Maar je begrijpt wel, dat ik dit niet met hem eens ben, en hem dus ook zeker ziet zal steunen in zijn pretentie, al laat hij met zijn kuddegenooten een nog zo luid geloei hooren.
Rilke had andere, hoogere plichten dan the man in the street, en die heeft hij vervuld. En verder was hij dan op zijn manier getrouwd.
The man in the street heeft niet het minste recht Rilke tot voorbeeld te nemen, noch Rodin. Hij is immers normaal, terwijl de twee door mij genoemde kunstenaars abnormaal zijn.
Ik ook.
Of ik me dus met hen op één lijn stel?
Ik stel me met niemand op één lijn; daarvoor heb ik teveel zelfrespect.
Ik behoor in ieder geval tot de categorie der abnormalen, zij het dan niet dezulken als in gekkenhuizen en gevangenissen gevonden worden. 6
Ik heb een geweldig plichtsbesef, anders was ik allang van huis weggeloopen. Ik maak het zelfs niet zoo bont als voornoemde kavalier of als Rilke, maar ik moet nu eenmaal ook mijn eigen leven kunnen leiden, want ik kan niet alleen maar getrouwd zijn. Dit laatste is buitengewoon goed voor dien man in the street; het past geheel bij hem.
En nu leeft heel sterk in mij het verlangen om jou in mijn leven te betrekken, niet als tijdverdrijf of voor de verandering, maar omdat ik bij jou mijzelf ben, heel hevig levend. Als het mij om wat anders te doen was, zou ik het jou niet moeilijk maken, niet zoo veel met je correspondeeren, je niet vragen om naar Holland te komen, naar dit heerljke open land met zijn hooge lichte luchten.
Er gaat voor mij van jou een bevrijding uit zoo groot, dat ik mij volkomen gelukkig en rustig voel in je tegenwoordigheid.
Je weet, wat vrijheid voor mij beteekent.
Vrijheid - dat is geheel bij jezelf zijn; van niets en niemand afhangen dan van jezelf.
Welnu, bij jou ben ik thuis als bij mijzelf. Daarom ben ik bij jou zoo vrij.
Het huwelijk is een oude en eerbiedwaardige instelling, maar de begrippen liefde en instelling verdragen elkaar slecht. Bovendien is in een huwelijk niet de waarheid der liefde of in waarheid de liefde vastgelegd, aangezien de waarheid zich niet ergens in laat vastleggen. Wie dus zegt, dat het huwelijk het ware is, spreekt niet helemaal de waarheid omtrent het huwelijk.
Overigens zou ik het niet graag zien afgeschaft, want wat zou er van the man in the street, alsmede zijn vrouw en kinderen terecht komen, wanneer hij niet werd vastgelegd.
Hoe graag hij ook Jovi en bovi van plaats wil doen verwisselen, hij blijft wat hij is. En stieren legt men aan een ketting of zet ze in een stal. Alleen als ze heel jong zijn, mogen ze in de wei.
Dat je hartnekkig weigert te komen, begrijp ik niet. Als er daar in Parijs iemand was, dien je zoudt liefhebben, had je het me wel geschreven, want je weet, dat ik mij dan direct terugtrek. En je bent toch ook niet een vertegenwoordigster van den brave burgerlijkheid, wat overigens niet wegneemt, dat je tot nu toe wel erg burgerlijk argumenteert. Speelt je afstamming je parten?
Yvonne, ik heb het moeilijk met mezelf, en ik verlang zoo naar je. Ik zou aan je voeten willen zitten met mijn hoofd in je schoot, je hand woelende door mijn haar.
Herinner je je nog het gedicht, dat ik eens schreef over den zwerver, die de vrouw zoekt, die niets vraagt, maar "hem de troost harer liefde zegt". Ik schreef het vóór ik jou ontmoette. Sindsdien heb ik je leeren kennen en ik weet, dat jij die vrouw bent. Waarom kom je dan niet, lieve? Mijn innigste gedachten gaan naar je uit.
André
Amsterdam April 19-

De wind is opgestoken; het raam klappert en roept herinneringen wakker aan een zomernacht in een dorpsherberg, waar wij - een zij en ik - gestrand waren.
Laat in den nacht waren wij wakker door het lawaai, dat het raam maakte, knarsend op de vensterhaak in den storm. Ik ben opgestaan en heb in den door de bliksem van tijd tot tijd doorlichten nacht gekeken; de regen sloeg in mijn gezicht en doorweekte mijn pyama, maar zoo groot was de vreugde, die mij doorgloeide, dat ik niets voelde. Vreugde om het geweld der natuur, die als een indrukwekkende coulisse stond tegen de warme vertrouwelijkheid van ons beiden. Het leven klopte tot in mijn vingertoppen en was als een geweldige spanning in mij, die uiterlijk altijd rustig is.
Kinderen - al of niet volwassen - uiten hun levensdrift door drukke gebaren, geloop en geschreeuw. Maar wie het leven verinnerlijkt, kan slechts op enkele wijzen en in een spheer van beslotenheid zijn levensdrang tot gelding brengen.
Die hotelkamer, vele jaren geleden, was een volslagen wereld - anders dan de werkelijke, anders dan al wat wij kenden, waaraan wij gewend waren. Een oord van wedergeboorte - verzinken en herrijzen - een intense vreugde om de felle beleving van het leven.

Wij zijn uit elkander geraakt, want zij vroeg tenslotte om iets anders, omdat zij zich ontwikkelde tot een vrouw, die heel eenvoudig het huwelijk wil. Een respectabel doel, maar dat niets meer gemeen heeft met het levensgeluk in den onweersnacht.

Koel en blank is het denken en bestendig het werk, evenals het huwelijk. Zoo heeft het dagelijks leven zijn vasten voortgang, dien ik soms doorbreken moet, omdat ik het grijs worden der dingen niet verdraag. Dan vraagt mijn hart om het andere, het onverwachte en felkleurige, het nieuwe en soms stil, soms hevig bewogen, of het teer melancholische, het zachtmoedige - al datgene, wat levensschoonheid en levensvreugde genoemd wordt.
Een weinig verkommerd leeft in mij den dichter, die bij tijd en wijle zijn recht opeischt, welk recht ik erken.
Ik kan en wil hem niet dooden, want ik houd teveel van het leven en zijn dood zou mij tot levend lijk maken.
Koel en blank is het denken, maar wie kan in een abstracte levenswijze volharden, wanneer in hem de dichter fluistert van warme donkerroode leven, dat om vervulling roept.
Denken is leven - het leven der gedachte.
Maar het leven is meer dan gedachte en het wil niet alleen doordacht, maar ook beleefd worden als bloedwarme werkelijkheid. De dichter in mij is de zwerver, de romantische avonturier, eenzaam maar hunkerend naar levensgeluk zooals in den onweersnacht.

De piano zwijgt. Ik zal naar beneden gaan. Anna wacht zeker op me. Morgen ga ik een paar dagen eruit - zwerven.

***

Ik ben langer weggebleven dan ik dacht; de zee heeft mij weer veel verteld, heel veel, met haar kleuren van parelmoer tot blauw en haar stromende wildheid. Zóó was zij symbool van den geschiedenis der menschheid. De onstuimende kracht der verre breede golven doet denken aan de wereldmachten, die oprijzen en zich hoog verheffen, maar dan weer neertuimelen, en tenslotte vervloeit alles op het zand en laat ten hoogste een zwakke, nauwelijks zichtbare grillige lijn na.

Er is een brief van Yvonne.
Natuurlijk komt ze niet; die illusie heb ik achtergelaten aan het strand.
Het heeft zijn bijzondere charme om den brief nog even ongeopend te laten; nog even.

Parijs April 1947
Chéri, Grijs was de lucht vanochtend, een lichte ochtendnevel hing over de stad en deze was van een ontroerende schoonheid. Juist dit gedempte licht geeft een weemoedig leven aan de oude gebouwen, die ons zoo dierbaar zijn, omdat wij nu zoo het gemis voelen van een grootschen tijd.
En je brief gaf mij hetzelfde weemoedig gevoel en ik wist het eerst eigenlijk niet wat ik moest doen. Je bent zoo onrustig en overwerkt, je denkt bij mij te kunnen uitrusten en de ware vrijheid te vinden, maar is dat wel zoo?
Je bent vastgeloopen in de sleur van je huwelijk, evenals ik in het mijne, maar hebben wij niet meegedaan om er een sleur van te maken?
En heb jij ook voor Anna niet het leven tot sleur gemaakt, jij met je eeuwige werk en groote activiteit? Ik denk, dat zij, toen ze met jou trouwde, wel een ander beeld voor oogen gehad heeft, net als jij.
Ik argumenteer burgerlijk zeg je en natuurlijk doet m'n afkomst daarin mee, maar ik argumenteer ook vrouwelijk en dat is b.v.: zou jij niet genoeg krijgen van de sleur van een verhouding?
Natuurlijk weet ik evengoed als jij de romantiek van het nieuwe opwindende en alles wat jij daarover schrijft, maar als dat nieuwe ook weer bekend is en als er een zekere regelmatigheid ontstaat - de mensch is een ordelijk en ordenend wezen nietwaar? - loop je dan niet weer vast? Want je groote vrijheidsdrang zou dan nog minder kans hebben wezenlijk te worden. Jaag je geen droombeeld na? Ook ik ben de volmaakte vrouw niet, zeker niet die uit je gedicht, ik ben een mensch met fouten, gebreken en wat goede kanten; die fouten etc. zie je nu niet, maar later?
En tegenover dit alles sta je met het verlangende gebaar van de pas volwassene.
Dat is het verleidelijke in je en daarom moet ik zoo serieus denken over al datgene waar jij over schrijft. Want gevoel en verstand - es gibt zwei Freunde, die werden Feinde, wenn Sie sich trennen - je kent het wel. En ik kan je op verschillende vragen nog geen antwoord geven, maar ik denk erg veel over ons beiden en ik kom op al die kwesties nog terug als ik weet, hoe ik er over denk.
Misschien drukken inderdaad mijn verplichtingen te zwaar op me en kan ik daarom niet tot het enthousiasme van jou komen, maar ik kan ze toch niet terzijde schuiven, daar Paul voor mij steeds als levende factor mee doet. En hij rekent toch op mij, want ondanks de sleur is er tusschen hem en mij geen enkele wrijving. Was die er maar, dan was de zaak veel eenvoudiger. Dat ik in Parijs blijf is om met mezelf uit te vechten wat ik moet doen en deze kwestie met m'n gevoel in het reine te brengen; wees maar niet jaloersch.
Ik heb hier wel aardige mannen ontmoet, o.a. een Griek, maar daar schrijf ik je wel een volgende keer over.
De stad zelf is als vanouds zoo mooi en gaaf, een wonder dat zij gespaard bleef. Alleen het dagelijks leven herinnert te veel aan de misère en de bezetting en daar wil je juist niet graag aan herinnerd worden.
Nu is de gouden zon toch door de nevel gebroken en, zooals jij nu gaat zwerven langs wegen van ons lage landje, ga ik loopen langs de Seine. Het is hier echt voorjaar. Ik blijf voorloopig ook liever uit je buurt, want je invloed kan wel eens gevaarlijk zijn voor me en ik weet niet of dat de juiste manier is om de problemen op te lossen.
Dag, veel liefs van
Je Yvonne

Amsterdam Mei 1947

Yvonne, liefste, Dat je niet komen zou wist ik reeds vóór ik je brief las. Dat had de zee mij verteld, de zee, die altijd zooveel te zeggen heeft aan wie haar verstaat; ze vertelde mij o.a. ook, dat het totaal verkeert zou zijn, wanneer je niet vrijwillig zoudt komen, uit innerlijke noodzaak, maar alleen omdat ik naar je verlang.
Verlangens moeten wederkeerig zijn, om bevredigd te kunnen worden. En hoe kun je naar mij verlangen, wanneer je over een verhouding tusschen ons denkt, zooals je doet.
Want je spreekt over de onvermijdelijkheid van het versleuren van elke verhouding. Ik houd niet van dat woord, 't riekt zoo philisterachtig. Waarom niet spreken van vriendschap of beter nog van liefde?
Wat jij je daarvan voorstelt, is datgene, wat zoo talloos vele mannen en vrouwen doen: hun huwelijk verdubbelen, waarbij event. vergissingen op rekening van den wettigen echtgenoot komen. Natuurlijk wordt zoo'n "verhouding" sleur en sterft alle romantiek erin. Maar dat beoog ik niet. Driemaal in de week naar den vrind of vriendin en de overige dagen zijn gereserveerd voor den wettigen echtgenoot of echtgenoote. Er zijn ook lui, die driemaal in de week naar de bioscoop gaan; dat is op den duur misschien nog opwindender.
Yvonne, kun je je niet voorstellen, dat ik plotseling uitbreek uit mijn werk en op een van mijn zwerftochten ga en dan bij jou - of laten we het geheel neutraal stellen - ergens binnen te vallen, waar ik weet van ganscher harte welkom te zijn, waar ik niets behoef te doen dan stil te zijn en uit te rusten van het dagelijksche, van de grijsgeworden dingen - om dan langzaam den dichter te voelen ontwaken in de beslotenheid van het samenzijn en zijn stem diep in mij te hooren.
En dan weggaan voordat men zich zat gedronken heeft, opdat het verlangen niet sterft.
Of jij de volmaakten vrouw bent of niet, kan me niet schelen. Als je dat eene maar aankunt: het verlangen verdragen naar een zwerver, die onverwacht komt en nooit blijft.
Je schrijft brave dingen over het feit, dat jij en ik hebben meegedaan om onze respectievelijke huwelijken tot een sleur te maken. Natuurlijk hebben we meegedaan, want het huwelijk is nu eenmaal wat het is en wij sloten het vrijwillig, en hadden natuurlijk illusies. Zonder de bekende rose bril zouden er alleen maar zakelijke huwelijken gesloten worden.
De rose kleur vervaagt en dan ziet men elkaar nuchterder met als gevolg: echtscheiding en nieuwe huwelijken of overspel. Er wordt enorm veel overspel bedreven en wetgevers, die erop uit zijn de echtscheiding te bemoeilijken, werken het overspel ijverig in de hand.
De stumpers.
Onze grootouders? Die hadden het te druk met hun talrijk kroost om zich met elkaar te kunnen bemoeien. Wij willen een zoo talrijk kroost niet meer, behalve waar de pastoor het voor 't zeggen heeft. De tegenwoordige vrouw vraagt grooten zelfstandigheid en aangezien de hedendaagsche mensch in Europa weinig meer van de toekomst te verwachten heeft en geen hoog ideaal te koesteren, leeft in hem de drang niet meer om aan de toekomst van het werk mede te werken door het groot en sterk te maken.
In den tijd voor den tachtigjarigen oorlog was dat anders. Allicht!
Lieve schat, ik heb een binnenpretje gehad - niet boosworden! - om wat je schrijft over Paul als levende factor. Dacht je soms, dat Anne dat niet is voor mij? Dat ik niet van haar houd? Weet je, dat ze altijd zegt, dat ik zoo lief voor haar ben?
Een dubbele liefde dus? Ja, maar heel erg verschillend, zoo verschillend als een familieroman - een Nederlandse bedoel ik, zoo à la Herman Robbers - en een dichtbundel van A. Rolans Holst. Die laten zich niet eens vergelijken. Misschien vind je het een bezwaar, dat hij in Indië is. Kijk, Yvonne, als hij in een concentratiekamp vertoefde, of in krijgsgevangenschap, zou ik er niet aan denken je eenig voorstel te doen, want als de man onvrij is, heeft de vrouw de plicht innerlijk zijn lot te deelen.
Dit is een kwestie van huwelijkskameraadschap en fair play. Maar hij is een vrij man, die geheel vrijwillig naar het Verre Oosten ging om zijn werk te doen. En of hij nu daar of bij jou verblijf houdt, is hetzelfde. Hij heeft dezelfde mogelijkheden als jij.
Waarom moet er wrijving zijn tusschen jullie om de zaak gemakkelijk te maken? Denk daar eens over na. Is dat niet gebrek aan moed om verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen daden en dus je eigen leven? Dat leven bindt je aan hem, zal je misschien antwoorden. Ja! maar moet een mensch in een huwelijk volkomen afstand doen van zichzelf? Moet zijn persoonlijkheid er helemaal in ondergaan? Of is het niet eerder noodig, dat hij ook zichzelf blijft?
O Yvonne, wat zouden de philisters van dit alles maken, als ze het lazen? Ik heb er wel eens een gehoord, die voor een vuns scharrelpartijtje zich beriep op "De Idioot" van Dostojewski. Fijne lui, hè? Onbeschaamde vlegels voor wie niets heilig is. 13
Nu ik over Dostojewski schrijf, denk ook aan zijn boek: "De Halfvolwassene", mede doordat jij schrijft, dat ik tegenover de zaak sta "met het verlangende gebaar van de pas volwassene." Ik ben dus in ieder geval verder. maar wat ik je wil aanraden is dat boek te lezen, maar het liefst in de Duitsche uitgave van Piper; de titel luidt: "Der Jüngling", al betwijfel ik, of je het in Parijs kunt krijgen.
Laat gauw wat hooren van je Griek; je weet dat ik niet nieuwsgierig ben, maar ik weet, dat je een zwak hebt voor Grieken, ik hoop, dat hij je bevalt. Dag lieve Yvonne. Ik ga aan 't werk; ben een tijdje weggeweest en verlang weer naar mijn boeken.
Heel veel lieve gedachten en een handdruk - vanwege de neutraliteit -
van André

Zeg, kent gij de groote verlatenheid na een liefde, die verging, Een liefde, die ons niets overliet Dan de herinnering? ------

Ik meen, dat het Schiller is, die zegt, dat de mensch met duizend zeilen uitvaart, om op een stuk wrakhout aan den anderen oever aan te komen. Talrijk zijn onze illusies, en bijna even talrijk onze herinneringen, wrang, weemoedig, schoon, al naar 't geviel.
Liefde - de schoone droom, droom van schoon geluk, droom van het hooglied. Ik geloof in de liefde ondanks alles en ik heb geen spijt van mijn ervaringen.
Elke nieuwe liefde maakt een mensch rijper, is een belevenis. Maar niet altijd vreugdevol.
Overigens vallen onze illusies niet alle in de spheer der liefde. Het leven is veelvormig en veelkleurig, al staat het een ieder vrij het te ontkleuren en eenvormig te maken. Dan wordt het grauw en eentonig.
Geld verdienen, carrière maken, in aanzien stijgen - het zijn alle idealen, die mij niet aantrekken, omdat ik ze zoo onbelangrijk, zoo platvloers vind en omdat ze naast het leven blijven. 14
Maar ieder moet zalig worden op zijn manier. Ik zoek werk, mijn eigen geestelijke werk, en liefde.
De liefde laat zich vergelijken met den wijn; zij varieert van den lichten ochtenddrank tot den zwaren, weemoedigen donkere rooden wijn. En al is het goed somwijlen van den eerste te proeven, de laatste heeft mijn voorkeur - de donkere duizeling waaruit de mensch herrijst als ware hij wedergeboren. Toch gaat het niet alleen "daarom", zelfs niet in de eerste plaats, want het zwaartepunt ligt in het verlangen, het schoone verlangen, dit op te voeren tot dichterlijke hoogte is het ware. O zeker, dit is niet zonder leed, maar uit leed werd veel schoonheid geboren, inniger dan uit vreugde. Zingen de dichters niet van liefdeverlangen en liefdeleed?
Er is geen liefde zonder leed en wie het laatste verwerpt, verwerpt de eerste tevens. Alleen naïve zielen droomen van eeuwige liefdevreugde. Wat men in de liefde zoekt, hangt af van wat men uit den mensch d.w.z. uit zichzelf wil puren. En soms is men verwonderd over wat men vindt.
Yvonne schreef, dat ik onrustig ben en overwerkt, maar dat is een vergissing. Ik ben niet overwerkt, maar moe van de menschen, moe van alles, dat grijs geworden is en daardoor ben ik onrustig. Ik houd van de menschen op mijn wijze, want ik weet hun moeilijkheden en dikwijls troosteloosheid, hun levensangst en zoeken naar zekerheid. En zoo is er een mededoogen in mij om het levensleed.
Ik weet, dat ik troost schenk en dit weten is een bron van vreugde, maar niemand kan altijd schenken; ieder moet ook ontvangen. En wie hevig leeft, als ik, vraagt van tijd tot tijd de hevige wedergave.

Er is bij Anna een vrouw op bezoek, die mij liefheeft. Daarom blijf ik boven, want ik houd niet van haar. Zij heeft mij te lief.
Soms ben ik verdrietig om deze vrouw, die zoo hunkert, maar ik kan niet anders zijn dan ik ben. Wat moet ik met zooveel en zulk een liefde aanvangen?
Vaak ontloop ik haar om de droefheid in haar wonderschoone oogen niet te zien, de altijd daar wonende vraag.

***

O laat ons aan het strand elkander vinden
Daar waar de zee haar eeuwigheid vertelt
En waar de zon sterft in de wijde verte
Ginds waar de hemel met de zee versmelt.

O laat ons roerloos staan als onze handen
Elkander vinden in een stil gebaar
En laat de zon in onze oogen schijnen
Terwijl de wind speelt met je wilde haar.

Laat roerloos in ons glanzen onze liefde
De eeuwig zoete, eeuwig schoone droom
Laat ons de droom der eeuwen samen droomen
Stil en eerbiedig, zuiver, grootsch en vroom.

***

Dit vers is gewijd aan een herinnering aan Yvonne. Zij woonde toen in een kleine villa hoog tegen het duin. Op een van mijn zwerftochten was ik bij haar binnengevallen, omdat het te laat was om naar huis terug te keeren. Haar man was, zooals dikwijls, op reis.
Wij hebben den avond een groot deel van de nacht verpraat, zittend voor het breede open venster, dat uitzicht gaf op de zee. Er was een groote innigheid tusschen ons beiden, aan diepe warme vreugde, en een wereldvreemdheid omving ons als twee, die op een eiland alleen zijn. Toen de zon weer begon op te komen, is zij naar bed gegaan, terwijl ik alleen bleef in de kamer waar wij den avond en nacht hadden doorgebracht. 's Morgens bij het ontbijt glansden haar oogen in een hellen vreugde en toen ik haar vaarwel kuste glansden zij nog. Niet echter toen ik op het pad stond voor haar huisdeur.
In ons beiden pijnde de weemoed om het uit elkaar gaan, maar toch hebben wij niet geaarzeld. Alles was zoo gaaf geweest, van een zoo groote innigheid, dat wij het als een volkmaakte herinnering wilden behouden en ons niet zat wilden drinken.
Later zou ik terugkomen, na weken, zonder eenige bepaalde verwachting behalve die van een schoonheidsbeleeving.
Maar haar man liet haar naar Parijs overkomen, vanwaar hij na een maand naar Indië vertrok. Sindsdien wacht ik op haar terugkeer.

Parijs, Mei 1947
Cheri,
Het is goed, dat ik in Parijs ben en niet in Holland, want toen ik je brief gelezen had, was er - ondanks innerlijke tegenspraak - een groote behoefte om dadelijk naar je toe te komen.
Maar nu heb ik de indruk laten bezinken en heb heel ernstig nagedacht. Wat jij schrijft over 't zwerven en belanden in een huis, waar je weet dat je zóó welkom bent - dat doet mij denken aan oude verhalen van de zwervers over de wereld - en levenszeeën, ik voel het aan als een heel mooi, maar onbereikbaar ideaal.
Zooals Solvejg op Peer Gynt wachtte.
En ik heb lang over mijzelf gepuzzeld en dit weet ik nu zeker: ik ben Solvejg niet. Ik kan niet wachten en wachten om, na een kleumende wanhopige zwerver weer opgekalefaterd te hebben, hem weer te laten weggaan. Ik wil wel heel graag helpen en troosten en misschien is het egocentrisch, maar ik kan de man, van wien ik houd, maar niet rustig weg laten gaan om dan maar weer te mogen verlangen en wachten.
Ik vind dit trouwens niet in overeenstemming met de gelijkwaardigheid der sexen, waar jij het toch volkomen mee eens bent.
Je laat hier de man volkomen willekeurig, want naar zijn innerlijke behoefte - beslissen wanneer en voor hoelang hij wil komen. Maar als de vrouw nu gebrek lijdt doordat haar innerlijke behoefte niet bevredigd wordt door dit komen en gaan?
Hier komen wij dus bij onze kloof.
Ik geloof namelijk niet dat een vrouw in werkelijkheid zoo'n leven als haar ideaal kan zien. De vrouw is het conservatieve element zeg je zelf, maar houdt dat niet in dat zij daardoor zal streven naar bestendigheid en hoe staat zij in deze verhouding tot een kind? Wil eigenlijk niet elke echte vrouw - dus niet de surrogaat-vrouwen van heden - een kind van den man, waarvan zij houdt?
Ik voor mij ben mij daar van bewust en dus zou ik altijd een huwelijk willen en een gezin. En als dat er is, kan je daar niet uit wegloopen, tenzij er geen liefde meer is. En naar mijn meening ook, kan de vrouw haar liefde niet splitsen, het worden dan hoogstens "liefden" die aan de oppervlakte blijven, maar geen werkelijke diepte bezitten, of het worden zuiver sexueele verhoudingen.
Ik weet nu ook, dat je gelijk had, het gebrek aan moed te noemen, dat ik oneenigheid tusschen Paul en mij wou hebben om zoodoende aan een motief voor een verwijdering te komen, ik kan het toch niet zien als fair play beschouwen, ook al kan hij zich in Indië vrij bewegen. Dat is maar buitenland. Het gaat erom, hoe hij ons huwelijk ziet en dan weet ik, dat hij vast op mij rekent en daardoor ben ik gebonden.
Want al heeft hij dezelfde mogelijkheden, hij gebruikt ze wellicht juist niet omdat hij denkt dat ik het ook niet zal doen.
Maar zijn dat nu geen groote woorden van je, als je schrijft, "moet een mensch in een huwelijk volkomen afstand doen van zichzelf? Moet zijn persoonlijkheid er helemaal in ondergaan?"
Jij vooral drukt jouw persoonlijkheid heel sterk uit in je werk, je bent en blijft jezelf en het opgeven van de persoonlijkheid is eerder van je partner te verwachten.
Jij stelt: hier ben ik, ik ben zus en zoo en doe dit en dat (vaag hè, weer eens iets waarover je concrete vragen zal gaan stellen).
Begrijp nu wel, dat, wil je met zoo'n man in harmonie leven, je hem dus moet aanvaarden zooals hij zich stelt; dit kan een opofferen van de ander beteekenen, omdat deze andere verlangens en behoeften heeft, maar misschien vindt zij in haar offer het geluk, dat zij weet dat haar partner in zijn zelfverwezenlijking gelukkig is.
Dan is het voor haar geen offer meer.
Zooals jij het ziet, zie je het toch als een gescheidenheid waar partners elkaar beperken en niet de eenheid, die het huwelijk dient te zijn. Wat zeg je ervan? Nu ga ik je wat van "mijn Griek" vertellen.
Weet je, het is voor mij altijd nog een raadsel, hoe zien eigenlijk mannen van de Balkan de vrouwen? Mijn Griek is heel lief en zorgzaam en werkelijk van een voorkomendheid die mij telkens verbaast. Hij is erg intelligent, spreekt veel talen en is bereisd. Maar ik heb zoo'n gevoel dat als ze eenmaal getrouwd zijn, de vrouw hun eigendom geworden is en wel met zorg en luxe omringd zal worden, maar dat haar persoonlijkheid werkelijk ondergaat en zij alleen via hem haar leven lijdt. Ik vind ze erg charmant, ze hebben veel voor elkaar over en ze kunnen er zeker op rekenen dat ze in den vreemde door hun landgenooten geholpen worden - hadden wij die eigenschap ook maar. Natuurlijk zou ik dolgraag Griekenland zien - maar zonder verplichtingen aan een Griek.
Als echte noorderling valt mij het enthousiasme en de uitbundigheid waarmee de zuiderling (beneden de Moerdijk begint dat) leven. Dan voel ik mij akelig nuchter en zonder levensvreugde en toch - ik kan niet meedoen, is dat een kwestie van opvoeding of is er werkelijk zoo'n verschil in levenshouding? Want ik heb heusch wel plezier in m'n leven, lach graag en zie graag al het moois, dat er in de wereld te vinden is. Aan de andere kant weet ik dat ik - eerlijk gezegd - mijn levenshouding beter vind en blij ben dat ik niet zoo ben, wat mij dan weer ergert om de pedanterie. "De Halfvolwassene" heb ik in 't Hollandsch gelezen en hoewel ik de figuur prachtig vind, was de vertaling onaantrekkelijk en nam de bekoring en de spheer van een boek van Dostojewski weg. Ik zou het graag in het Duitsch overlezen, maar dat kan hier niet.
Het is zoo jammer, dat la douce France politiek niet tot rust kan komen, dat geharrewar laat overal zijn sporen na, juist nu er zooveel te doen is. Enfin, dat geldt eigenlijk ook voor alle landen, alleen varieert alsdoor het moeilijkheden thema.
Ik ben erg verlangend naar je volgende brief.
Heel veel liefs en wegens de neutraliteit
Shake hands
Your Yvonne

Amsterdam Mei 1947

Lieve Yvonne, Wat een lange brief en zoo wijs. Ik geloof, dat tusschen ons alles uitloopt op een min of meer wetenschappelijke discussie en dat het ideaal, dat wij eens beleefden in jouw huis in de duinen gedoemd is onder te gaan, langzaam aan te vervagen tot een schoone herinnering, waaraan zich geen enkele illusie, geen enkele verwachting meer vastknoopt. De herinnering aan dien eenen avond en nacht, waarin wij ons niet zat dronken. Ik sluit het gedicht hierbij in, dat ik naar aanleiding van het samenzijn gemaakt heb, niet om je te ontroeren of sentimenteel te maken - het is niet sentimenteel - maar om je te zeggen, hoe ik ons beiden toen heb aangvuld, zooals ik het nog doe.
Je spreekt in je laatsten brief over Solvejg en Peer Gynt en over een wanhopigen, verkleumden zwerver. Maar lieve, ik ben noch Peer, noch die zwerver. Solvejg is de ideale vrouw, die slechts één man lief heeft en kan liefhebben; die niet vraagt om huwelijk en kind, maar slechts de veilige haven zijn wil, waarin hij eindelijk terugkeert. Haar leven is vergaan in dit lange, lange smachten en zij vindt haar leven en vreugde in zijn wederkomst, als beiden oud geworden zijn en moe van van het leven, dat verging in bekommerd uitzien en rusteloos zwerven.
Ik weet, dat er iets van Peer Gynt in mij leeft, al ben ik ook weer zoo heel erg anders, want ik heb mijn vaste gedegen werk, maar ik ben toch ook een zwerver en volkomen eenzaam.
Je weet, dat dat geen leed voor mij beteekent, want ik ben zoo geboren. Als heel klein kind al trok ik mij terug en wilde niet op schoot zitten, zelfs niet bij mijn moeder. En als jongen ging ik het liefst er alleen op uit: fietsen, naar het museum (!) en nooit voelde ik mij zoo gelukzalig.
En als ik in mijn eenzaamheid een vrouw zoek om mijzelf te verwerkelijken en uit te spreken, om heel het intense gevoel van eenzame levensvreugde in uit te drukken, dan kan dat slechts een vrouw zijn, die even eenzaam is innerlijk al ik; die de eenzaamheid liefheeft boven de gemeenschap en slechts bij tijd en wijle den gouden roemer wil wil heffen naar het licht en in lange en langzamen teugen ledigen.
Twee eenzamen, die een korte stonde in elkaar verdrinken en wedergeboren worden. 20
Wie dit niet in zich in heeft kan het nooit navoelen en jij hebt het blijkbaar niet in je, want je spreekt van van een wanhopigen, verkleumden zwerver. Zeker kan ik moe zijn van sleur en allerdaagsheid, van gedwongen gemeenschappelijkheid. En dan moet ik eruit, alleen zijn, de vrijheid van den weg genieten op mijn oude fiets in zon, wind, regen - het doet er niet toe, want het is immers het Hollandsche weer, dat bij het Hollandsche landschap past; het zijn immers altijd de Hollandsche luchten boven ons wijde land, onverschillig of ze blauw zijn of grijs of vol hooge blinkende stapelwolken. En als er dan aan het einde van den tocht een is, die deze eenzaamheid en zwerflust verstaat, omdat zij evenzoo is, dan is er de volmaakte vreugde en levensvolheid.
Je praat over huwelijk en kind, maar dat is heel wat anders. Ik weet wel, dat ik niet deug voor het huwelijk, maar ik sla me er toch behoorlijk doorheen, zij het soms zuchtend en steunend, wat ik overigens zoo weinig mogelijk laat merken aan mijn huisgenooten. Desalniettemin weet ik heel wel, wat het huwelijk waard is en wat het inhoudt als duurzamen vorm van zedelijke regeling der geslachtelijke verhouding, voorzooverre deze gericht is op gezinsvorming.
Begrijp je overigens nu, wat een dwaasheid het is, wanneer twee menschen trouwen met het plan om geen gezin te stichten?
Vroeger was alles eenvoudiger. Een dozijn kinderen - en dus hadden de ouders geen tijd om zich met elkaar of zichzelf te bemoeien. Een heel simpele, maar volkomen natuurlijke oplossing van het vraagstuk. Wij zijn te beschaafd en dus tevens te decadent om zoo'n oplossing te accepteren. Dit is nu eenmaal een feit en feiten hebben we te aanvaarden, De kerken willen de zaak "verbeteren" door de klok terug te zetten. Dat wou Hitler ook.
Je weet, dat ik - ondanks den dwaasheid van het kinderlooze huwelijk - dit instituut voor de massa beslist noodzakelijk acht om te voorkomen, dat ze de beest gaat uithangen.
Maar er zijn enkelingen, die het slecht verdragen en ik verwijs je in dit verband waar de versregels van den dichter J.C. Bloem uit het sonnet "Dagelijksheid", welke luiden:

"Maar het ontwaken, zich wasschen en kleeden,
Het zitten aan 't gezamenlijk ontbijt,
Driehonderdvijfenzestig maal in 't jaar...

Dit maakt dat zij, die boven dagelijksheden
Elkaar voor immer dachten toegewijd,
Hoewel in tranen, scheiden van elkaar."

De scheiding is niet mijn oplossing. Het kan ook anders, mits men elkaar verstaat en vrij laat, en dat bedoel ik, als ik zeg, dat een mensch in het huwelijk niet volkomen afstand moet doen van zichzelf; dat zijn persoonlijkheid er niet heelmaal in moet ondergaan.
Voorwaarde is natuurlijk, dat die mensch een persoonlijkheid is. En dit is niet zoo gauw het geval.
Begrijp je nu ook, dat eigen leven niets met huwelijksontrouw te maken heeft. voor zooverre de mensch zoo eenzaam is als ik b.v., staat hij buiten zijn huwelijk.

Wat je man in Indië uitvoert, is onverschillig. Hij ging er heen om zijn werk te doen en liet jou achter. Speel jij nu niet t.a.v. hem een beetje de rol van Solvejg, al zal je dat wel mislukken, omdat hij waarschijnlijk over een jaar of zes terugkomt met een pensioen. Maar dat doet er niet toe. Hij zoekt in zijn werk zichzelf en terecht, evenals ik dat doe. Maar ik ben ook nog een ander d.w.z. heb ook nog een andere kant, die jou man mist en die ik in jou meende te ontwaren dien eenen avond en nacht. Ik schijn me vergist te hebben, wat me verbaast, want ik vergis me niet gauw in de menschen.
Dat andere in mij laat zich gelden op zijn tijd, sterker naarmate ik mij meer in de sleur van het werk en gezinsleven vastbijt en tenslotte jaagt het mij eruit. Begrijp je me, dat ik in mijn huwelijk meer persoonlijke offers breng dan een mensch, voor wien het de volmaakste vorm is van liefde- leven?
Dat andere, dat ik met jou beoogde, heeft niets met huwelijk te maken, maar wel is het een eenheid: de ephemere (kortstondige) eenheid van twee eenzamen voor wie het verlangen is de loutering en het samenzijn de wedergeboorte van het eenzame Zelf, dat in den ander onderkend werd.
Je hebt het gevoeld dien eenen keer. Nu ben je het weer kwijt geraakt.
Misschien ook was het momenteele overspanning, doordat even de poëzie je beroerde. Zij is machtig over onze zielen.

Met belangstelling las ik, wat je over dien Griek schreef, al praat je over hem, alsof hij je lijfeigene is. Maar misschien voelt hij daar iets voor.
Je bent blij, dat je niet zoo bent als die zuiderlingen en omdat je blij bent, vraag je je af, of dat niet eigenlijk pedanterie is. Dwaze vraag, als je de zaak anders stelt n.l dat je blij bent een Hollandsche te zijn van boven de rivieren. Een Griek moet Grieks doen en wij Hollandsch, maar een Griek moet geen Hollander en een Hollander moet geen Griek willen zijn. Ik weet, dat jij de levensvreugde kent, de heel diepe en innige blijheid om het leven en de schoonheid van den dag en den avond en van den donkeren nacht. Want eens heb ik je oogen zien glanzen.

La douce France komt niet tot rust?
Wat denk je van de rest van de wereld?
Maar laten we niet over politiek praten. Ik denk liever aan den glans in je oogen dien ochtend, toen ik je voor 't laatst zag.
Dag! Heel veel lieve gedachten
van André
***

23
Heeft het eigenlijk wel zin deze correspondentie? Al zou ze komen, welke waarde heeft het dan nog? Een vrouw die spreekt over de liefde, welk het Kind bezorgt, als de echte liefde, weet niet van wat ik noodig heb, weet niet van de laaiende vlam, die voor geen ander doel brandt dan terwille van haar eigen schoonheid en gloed en niet van liefde wier eenig doel is de diepe donkere bezwijming, de bewustelooze heerschappij van het bloed; liefde, die niet vraagt om tijd, niet om indeeling van de dag en nacht, maar slechts verwant is met den dood.
"Nu sterven".
De vereenzaming tot het uiterste in en met de eenzamen. Wie dit niet in zich heeft, kan het nimmer vatten.

Yvonne vraagt om het leven, om de bevestiging door een, die tusschen de beide gelieven komt en ze scheidt en bindt tegelijkertijd.
O zeker, het is alles in orde en ordelijk en het dwingt tot regelmaat: Onze wereld zingt het hooglied dier regelmaat: het lied van den motor. En haar iedeaal is het verzekerde inkomen en verder alles verzekerd, alsook alle levens en levensdagen gestandaardiseerd.
Niet meer het onverwachte.
Levens en liefdelevens als electrische klokken.
En dan de gemeenschapsidee! Alles samen doen; altijd in gezelschap van den eigen gezelligen kring; samen zijn binnen de eigen partij, de eigen coterie - natuurlijk gestandaardiseerd.
En altijd heel verstandig, behalve wanneer er pret gemaakt moet worden of lol, maar ook dan gestandaardiseerd en gesynchroniseerd.
De wereld van den massamensch, waarin hier en daar een opstandige staat, die het gareel niet verdraagt.

Yvonne's ideaal is goed. Maar er zijn andere; er zijn er immers zoovele en ze botsen, lokken uit tot strijd en brengen leed.

Onder de boomen van een bosch schrijdt een vrouw; haar zwartzijden kleed staat wijduit; groot zijn de donkere oogen in het teerbruine gelaat; haar handen hebben het vragend-denkende gebaar. Onhoorbaar gaan haar slanke voeten over het moschdek en slechts een nauwelijks waarneembaar knisteren der zijde is te beluisteren als zij voorbijgaat, waar ik voorover lig steunend op mijn ellebogen.
Onder haar kleed haar blanke lichaam en donkere schoot, bron van opperste dronkenschap.
Maar ik verlang niet.
Slechts is er het bedenken, dat zooveel verloren gaat, ook in vrouwen droomerig als deze.
Aan haar hand glinstert een trouwring, maar in haar oogen is de diepe droom, die zij niet waar zal maken.
En dat is maar goed ook, zeggen de moralisten.
Wie zal ze tegenspreken?

Omdat de wereld zoo ordelijk is en vol regelmaat, is de hang naar nihilisme zoo groot, en daarom de tegenbeweging van de tuchthuisdiscipline.
In zooverre hebben demagogen haar verdienste. Als de groote massa nihilistisch wordt in de practijk, komt zij noodzakelijk tot nazisme, dat dan de wijze is, waarop zij haar nihilisme gestandaardiseerd verwerkelijkt; want onder standaardiseering gaat het bij haar nu eenmaal niet. Haar hooge ideaal is iedereen tot nul te maken en wie dit niet wenscht, deugt niet in haar oogen.
Waag het niet een persoonlijkheid te zijn!
Haar gemeenschap is een van nullen, dus zelf een nul. Haar orde de regelmaat van het kerkhof.
De nazi's hebben het waargemaakt: de kadaverdisziplin der S.S.
Als de mensch nul is, blijft het beest over, zoolang hij leeft.
Wie geen nul en geen beest wil zijn, moet lijk worden. "Tegen de muur!"
Wat mij betreft: liever dood dan beestachtig.

De gemeenschapsidee is goed, maar niet als nul-idee. En zij is maar één zijde.
En er is de duurzamen gemeenschap en de incidentele.
Maar men eischt standaardiseering. 25
Het kuddeverband moet zijn. Want men heeft het leven gemechaniseerd en daardoor den mensch tot gewoontedier gemaakt, hem zijn persoonlijkheid en dus zijn wil ontnomen, hem ontgeestelijkt dus vernatuurlijkt en zoodoende ontmenschelijkt.
Vandaar de S.S. en de gaskamers; vandaar de onzelfstandigheid en de angst, want men liet hem niets geestelijks dus niets menschelijks.
God is dood. De mechanica nam zijn plaats in.
Angst en existentialisme, dat de levensangst uitschreeuwt. Wroeten in het onbewuste, vooral in de riolen van het menschenleven. Het lustleven om de grove lust als schuilplaats van de levensangst. En pornographie, die zich uitgeeft als romankunst en waarin men bevestiging en rechtvaardiging zoekt voor eigen levenshouding.
Zielig zijn de menschen en zoo troosteloos in haar worsteling met hun eigen schepping: de mechanische wereld, in hun angst en vertwijfeling.

Wie begrijpt, kent het mededogen; en wie het niet kent, begrijpt niet werkelijk. Maar wie begrijpt, noemt zwart niet wit, en eischt zijn recht op tegen dat der geteisterde menigte, die angstig samenhokt.
Hij veroordeelt haar niet, maar zal haar van tijd tot tijd ontvluchten om alleen te zijn, en soms zichzelf hervinden en zuiveren in een ander.
Het liefdeleven is meer dan een lijfelijken daad; het is psychisch beleven, zichzelf door de(n) ander herboren doen worden. Wat beleeft moet worden om tot vervulling van het eigen Zelf te geraken, hangt af van de psychische gesteldheid en gecompliceerdheid van den mensch.
De mensch der menigte is niet bijster ingewikkeld en zijn erotische behoeften evenaren die van den straatterrier.

Liefde verwant met den Dood en toch het verlangen om het leven te beleven in al zijn menschelijke grootheid. Is dat niet tegenstrijdig?
Maar heeft het Leven dan niet den Dood in zich? Is hij niet de heerser over het Leven? En kan ook hij dus niet beleefd worden?
Is volstrekte eenzaamheid niet volstrekte verinnerlijking, ontkenning? Dit is geestelijk mogelijk, maar ook gevoelsmatig als liefdebeleving, welke zoo is de ware zelfversterving.
Huwelijksbedrog is mogelijk, als men de(n) ander onthoudt, wat hij ontvangen kan. Niemand echter kan geven, wat de ander niet ontvangen kan, noch andersom. Daarom kan er zijn de noodzaak van ook een ander ter zelfhandhaving.
Want de beleving van den dood verzoent met het leven, dat anders onverdragelijk zou worden; waarin het levensleed zou overheersen, zooals het geval is met de door angst geteisterde menigte, die daarom vlucht in de lust, omdat zij niet louteren kan in de liefde, daar zij ontluisterd is.

Yvonne schrijft, dat de vrouw, die een man liefheeft, een kind van hem wil, waaruit volgt, dat van een vrouw als Yvonne de monogamie innerlijke noodzaak is.
Voor de meeste mannen is zij uiterlijke noodzaak om ze in toom te houden. Haar wil tot het kind is wil tot levensbevestiging door voort te zetten; kenmerkend vrouwelijke eigenschap.
De vrouw is de poort des levens.
Ook de vrouw, die, zelf eenzaam, den eenzame in haar schoot ontvangt; maar zij zijn tevens volkomen verschillend.

Dichters weten dit wel. En ook, dat de eeuwige droom altijd opnieuw beleefd moet worden door degenen voor wie deze droom levensvoorwaarde is, omdat zij de eeuwigheid en dat is op andere wijze de Dood erin beleven moeten.
Wie het Kind verlangt, verlangt het eindige en niet de eeuwigheid.

***
*