Website
inform.

III

Onder de papieren, die op het lijk gevonden werden, bevond zich ook de brief van Ann.
"In de bibliotheek van de dokter" stond er. Hij had dus met de assistente van Dr. Norman gecorrespondeerd.
De eerste impuls van mevrouw Bloeme was de dokter op te bellen en te vragen of haar man op de dag van het ongeluk bij hem geweest was, maar zij zag er van af, omdat zij hem niet vertrouwde. De ontmoeting waarbij hij elke inlichting weigerde, het feest, waarvan haar man dronken thuisgekomen was in gezelschap van die vrouw en dit gevoegd bij het feit, dat zij gehoord had, dat Norman een voorvechter was van emancipatie - hij verdedigde zelfs vrije sexuele verhoudingen, was haar verteld - dit alles ontnam haar de hoop op medewerking van zijn zijde.
En wat die assistente betreft, stond de zaak er nog slechter voor. Mevrouw Bloeme had toevallig in een oud tijdschrift een foto van die vrouw gezien - een reclame voor strandjurken. Zij deugde dus niet. En aan zo iemand had haar man geschreven, blijkbaar heel veel zelfs. Jammer dat zij haar achternaam niet kende. Op de enveloppe stond geen afzender en de ondertekening luidde alleen Ann. Ze liet de brief aan haar zwager zien, die erop wees, dat zij "Uw brieven" scheef en niet "jouw brieven". Daaruit bleek wel, dat zij tegenover de overledene afstand bewaarde.
-Het is niet goed om kwaad te denken. Wij weten niets af van de verhouding tussen deze twee mensen en ik kan mij niet indenken, dat mijn broer een immorele verhouding gehad heeft met dat meisje. 69
-Ik ook niet, maar waarom correspondeerde hij dan met haar? En ik heb van de mensen waar hij logeerde, gehoord, dat hij dag voor het ongeluk al was afgereisd. Waar is hij dan die nacht geweest?
-Geen insinuaties alsjeblieft.
_Maar dat mens deugt niet. Ik heb een foto van haar gezien in een strandjurk - voor reclame.
-Dan is of was ze fotomodel.
-En dan deugt ze niet.
-Niet zo overhaast. Het is een fatsoenlijk beroep.
-Dat zal wel. Enfin, ze is mooi en mannen kiezen altijd partij voor mooie vrouwen.
-Schei toch uit met dat geleuter. Ik heb haar nooit gezien. Ik zal naar die dokter gaan en met haar praten, al vraag ik me af waarom jij zo'n belangstelling hebt in iets dat in elk geval definitief voorbij is, Voor mijn gevoel is er iets onbehoorlijks in dit gesnuffel.
-Ik heb toch zeker het recht om ...
-Welk recht?
                         ------

Het gesprek tussen Norman en den broer van de overledene verliep rustig. Norman gaf inlichtingen, voorzoverre hij dit geoorloofd achtte en vertelde, dat dominee Bloeme een van die mensen was, die op een voor hen verkeerde manier hun verlangen aan moraal uitleven, waardoor hij zenuwoverspannen geworden was. Het feit van de correspondentie was hem bekend. De voorgestelde ontmoeting in de bibliotheek had niet plaats gevonden. Wat mevrouw Bloeme betreft, was hij er niet zeker van, dat haar motieven hem duidelijk waren. Voor het overige kon hij verzekeren, dat hij zijn assistente als mens buitengewoon waardeerde. Mevrouw Bloeme zou er goed aan doen deze zaak verder te laten rusten.

Mevrouw Bloeme dacht er anders over.
-Ik heb het nooit aan iemand verteld, omdat ik me doodschaam, maar op een nacht heb ik ze hier aangetroffen. Ik vind het vreselijk omerover te spreken. Hij was toen dronken. De zwager schrok.
-Ontzettend! Ontzettend! En zij, dat meisje?
-Zij niet. Ze had hem thuisgebracht met de auto. Zij kwamen van een feest bij Norman.
-Was er toen iets tussen die twee? Deden ze iets? Zoenen bijvoorbeeld, toen je binnenkwam.
-Neen, gelukkig niet. Zij stond op het punt om weg te gaan.
-En was ze behoorlijk gekleed?
-Ze droeg een mantel. Maar later zei hij - hij was erg dronken - waar Lise bij was, dat hij haar naakt gezien had.
-Dat zal wel dronkenmanspraat geweest zijn.
-Dronken mensen zeggen de waarheid.
-Neem dat niet te nauw. 71
-Jij verdedigt je broer.
-Allicht! Het bevreemdt me, dat jij hem voortdurend beschuldigt.
-Dat doe ik niet.
-Het lijkt er veel op.
-Ik wil weten of hij me bedrogen heeft.
-En als je dat weet, ben je dan gelukkig? En denk je er helemaal niet aan, dat hij zich niet kan verdedigen, gesteld dat er iets gebeurd zou zijn, wat ik niet aanneem.
-Verdedigen? Wat valt er te verdedigen, als hij overspel gepleegd heeft.
Overspel is overspel. Ik zal het te weten komen, anders vind ik geen rust.
-Jij zegt altijd een gelovige christen te zijn.
-Ben ik dat dan niet? En wat heeft dat hiermee te maken?
-Er staat geschreven: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Matt. 7:1)
Onderzoek je geweten. Vraag je zelf af, waarom je zo achter deze zaak aanzit. Laat de doden met rust. God alleen kan hem richten.
                         ------

Enige weken scheen het alsof zij de raad van zwijgen had opgevolgd, maar op een ochtend belde zij plotseling Theo op en vroeg hem of het meisje waarmee hij destijds een verhouding gehad had, Ann heette. Hij had vroeger alleen maar over miss E gesproken en toen de dominee wilde interveniëren hem op erewoord doen beloven haar naam en adres aan niemand te zeggen, omdat hij niet wilde dat zij lastig gevallen zou worden. De dominee had woord gehouden. 72
Theo vond het niet prettig, dat mevrouw Bloeme hem die vraag stelde. Zijn huwelijk was geen succes en Ann een pijnlijk zoete herinnering, waardoor hij een nauwelijks toegegeven grief tegen de dominee koesterde. Wat had het voor zin nu nog op die aangelegenheid terug te komen?
-Kom nu, je weet haar naam toch wel?
-Ja, maar waarom wilt U die weten?
-Dat is mijn zaak.
-Pardon mevrouw, dan is het mijn zaak U geen antwoord te geven.
Hij legde de hoorn neer.
Woedend begon zij opnieuw het nummer te draaien, maar brak halverwege af.
'Niet kwaad worden; dit was fout geweest.'
Mevrouw Bloeme besloot een andere weg te zoeken en het diplomatieker aan te leggen.

Een paar dagen later ontving Theo een brief, waarin zij hem uiteenzette, dat bij Dr. Norman een assistente werkte, die haar verteld had, dat zij bevriend was met het meisje waarmee hij vroeger omging en die assistente had dingen gezegd over wijlen de dominee, die zij toch wel zou willen controleren. Daarom zou zij het erg prettig vinden, als hij eens met haar naar het huis van de dokter zou willen gaan om te kijken of hij de assistente kende.
Theo kende geen assistente, die met Ann bevriend was, maar was wel benieuwd.
Vandaar dat hij besloot om er alleen heen te gaan. Maar hoe haar te spreken te krijgen? 73
Hij belde mevrouw Bloeme op.
-Vertelt U mij eens hoe wij het zouden moeten aanleggen om dat meisje te spreken te krijgen. Wij kunnen toch niet zomaar naar de assistente van de dokter vragen.
Mevrouw Bloeme straalde. Dit was de juiste weg.
-Oh dat is heel eenvoudig. We gaan zogenaamd naar de wachtkamer. Wanneer we een kwartier voor het hele uur komen, denk het dienstmeisje, dat we een afspraak hebben. En als ze het vraagt, dan zeggen we ja. Maar we gaan niet naar de wachtkamer, we lopen per ongeluk de biblotheek binnen.
Daar is zij. Snap je?
-Dan bel ik U een deze dagen op.

De volgende dag reeds voerde hij de door mevrouw Bloeme ontworpen manoeuvre uit.
Ann keerde zich om, toen zij de deur hoorde opengaan. Bijna op hetzelfde moment stonden zij in elkaars armen. Roerloos.
Eindelijk maakte zij zich los.
-Hoe kom jij hier en wat kom je hier doen?
-De assistente van Dr. Norman bekijken. Maar ben jij werkelijk de assistente?
-Welnee. Hij noemt me maar zo. Ik zit hier vaak te lezen en order en passant zijn biblotheek. Puur vriendschappelijk.
-Heb je een verhouding met hem?
-Neen, met niemand trouwens.
-Is er na mij niemand meer geweest?
-Ja, een maar die heb ik al maanden geleden weggestuurd.
-Hield je van hem?
-Nee. Ik was zo alleen, toen jij er niet meer was. En hoe is 't met jou gegaan? 74
Hij maakte een vaag gebaar.
-En je huwelijk dan?
-Dat was het werk van mijn moeder en de dominee. Door zijn vrouw ben ik hier.
-Snap ik niet. Misschien ook wel.
-Het is een hele geschiedenis, maar laten we hier weggaan. De kans is niet uitgesloten, dat zij ineens binnenkomt. Kun je weg?
-Ja natuurlijk. Waar wil je heen?
-Naar jouw huis.
-Toet toet toet! De bekende sfeer, herinneringen, en ik houd nog altijd van je. Zou je dat wel doen?
-Ja, toe nu maar.
Zij lachtte stil voor zich uit.
-Ik zal je thuis alles vertellen.
Het woord "thuis" trof haar.
-Ik zal achterin gaan zitten in het midden, dan ben ik niet goed te zien vanaf de straat.
Theo vond het uitstekend. Alles was opperbest, maar toch stond het bij hem vast, dat hij geen stommiteiten zou uithalen.

Gelukkig was het geen spitsuur en had hij nauwelijks last van stoplichten. Zodra zij in haar woning waren, nam hij haar in zijn armen.
-Theo, ik vind dit zalig, maar als we zo doorgaan, loopt het mis.
Hij haalde zijn schouder op.
-Wat is mis?
-Ik ga thee zetten.
Hij vertelde haar hoe hij ertoe gekomen was om het huis van Dr. Norman binnen te dringen. 75
Zo kwam de onrust van mevrouw Bloeme te sprake over het gedrag van haar man. Norman had Ann verteld van het bezoek van de broer.
-Je zult het misschien vreemd vinden, maar ik ben hem nog tot troost geweest. Hij heeft mij tientallen brieven geschreven, maar ik heb zijn vrouw nooit iets over hem gezegd. Zij liegt.
-Heeft hij jou geschreven? Waarover in hemelswil?
-Dat was alleen voor hem van belang.
-Oh preken natuurlijk. Hij deed nooit wat anders, om dood te gaan van verveling. Maar zeg, toch heb ik wel eens gezegd dat hij een beetje verliefd op je was. Stel je voor Ann, jij en die droogstoppel.
Hij schaterde en zijn lachen maakte hem een ogenblik tot een vreemde. -Het lijkt mij het beste, dat wij de dominee laten rusten. Alleen z'n vrouw levert moeilijkheden op.
-Ja, die schijnt aan niets anders te denken dan aan de mogelijkheid van overspel van haar man met jou. Snap jij dat nou?
-Het interesseert me niet. Vertel liever eens ... ach neen, vertel maar niet, ik weet het wel.
-Ik ben een ezel geweest.
-Moederskind.
-Sinds m'n huwelijk zijn mijn gevoelens voor m'n moeder bekoeld en de ouwe heer kan ik niet meer uitstaan. Omdat m'n vrouw geld heeft, leutert hij bij alle mogelijke gelegenheden, dat alles zo wonderbaarlijk door de voorzienigheid beschikt is. Naar de kerk ga ik niet meer. Als ik er met mijn vrouw binnenkwam, begonnen de mensen meteen met elkaar te fluisteren.
-Toen ik wegbleef, merkte ik dat ik niets miste.
-Toen je met mij bevriend was, ging je ook zelden.
-Uit angst, omdat ik me zondig voelde.
-En wat ben je nu verder van plan?
Hij haalde zijn schouder op.
-Kan je nog altijd niet zelf beslissen?
-Mijn vrouw zal nooit in een scheiding toestemmen.
-En daarom kun jij geen beslissing nemen.
-Wat bedoel je?
-Geen commentaar.

De stemming daalde. Er viel een loodzwaar zwijgen. Ann stond op om het licht aan te draaien.
-Ik kan je geen borrel aanbieden. Je moet rijden.
-Eén mag wel.
-Goed, maar geen jenever.
Hij haalde z'n schouder op.
-Zit niet te mokken als een kleine jongen.
-Je hebt makkelijk praten. Jij hoeft niet ... Ann, lieverd, kunnen we wij nog niet één keer?
-Neen! Ik heb te veel verdriet gehad. Weer samen zijn, en wat moet ik als je weg bent? Ik heb zelfs geen onderduikadres.
-Het is toch krankzinnig. Wij houden van elkaar en ...
-Houd je werkelijk van me? Heb je ooit van mij gehouden? Hoe kon je dan weggaan? Was het ooit meer dan een grote verliefdheid, omdat ik je eerste meisje was en je in m'n bed nam?
-Hij gaf geen direct antwoord. Alles is zo moeilijk. Je ontmoet een meisje, gaat ermee slapen; zij is beeldschoon en je bent dronken van aanbidding. Is dat dan enkel verliefdheid? Wat is dan liefde? 77
Hij vroeg het haar.
-Als je bereid bent je zelf voor de ander in te zetten, offers te brengen. Jij kon dat niet. Je was nog een kind.
-Nu nog?
-Dat weet ik niet.
Met een zucht stond hij op.
-Ik ga maar. Mag ik nog eens terugkomen?
-Natuurlijk, maar vraag dan niet weer.
-Erewoord.

Onbwegelijk stond zij in de kamer te luisteren naar het starten van de auto, die snel optrok. Het geluid verstierf.
                         ------

Even na het eten belde mevrouw Bloeme Theo op om te vragen wanneer zij zouden gaan.
-Ik heb gezegd, dat ik U zal berichten.
Na deze woorden legde hij de hoorn neer.
-Wie was dat Theo?
Mevrouw Bloeme natuurlijk.
-Wat vroeg ze?
-Gaat je geen bliksem aan.
-Maar, Theo.
-Ach loop naar de hel.
Even later hoorde hij de huisdeur dichtslaan.

Zonder vooropgezet plan reed hij de stad uit en nam de weg naar Arnhem.
Daar aangekomen, wist hij niet wat hij zocht. Hij zette de wagen neer bij "Royal", stapte binnen en bestelde thee.
Zijn vader zou zeggen, dat het de voorzienigheid was -ofschoon in dit 78 geval? Anderen zouden spreken van toeval. Zou het geen telepathie kunnen zijn, dat hij zijn oude vriend Terwingen aan de leestafel vond, uit de kerk gelopen, evenals hij en sindsdien voordrachtskunstenaar?
De begroeting was hartelijk.
-Hoe gaat het met je vrouw? vroeg Theo.
-We zijn gescheiden. 't Ging niet. Telkens ruzie. Op een ochtend ben ik ineens weggelopen.
-Zo maar?
-Neen, niet zomaar. We zaten aan 't ontbijt. Zij wilde de stad in om jurken te kopen, maar ik had die dag geen tijd; ik was aan een nieuwe voordracht bezig. En toen zei ze voor de zoveelste maal, dat ik haar verwaarloosde.
-En wat zei jij toen?
-Stik!
Theo had heel iets anders verwacht. Wat dat moest zijn, wist hij niet. Maar dat je zo afscheid nam voorgoed, viel buiten zijn bevattingsvermogen.
Peinzend keek hij voor zich uit.
-Vind je dat zo gek?
-Eigenlijk wel.
-Wat moet je dan zeggen? Een speech houden met verontwaardiging of tranen? -Hoelang was je getouwd?
-Een jaar ongeveer. 't Is zowat zes weken goed gegaan en toen begon het gedonder. Daar kwam bij, dat ze in bed erg tegenviel. Ik geef toe, dat ze in het begin haar best deed, maar het lukte niet. En jij? Ook getrouwd? Je had destijds een verdomd mooie vriendin. Iedereen benijdde je.
-Ik ben wel getrouwd, maar niet met haar. 79
-Dat moet dan wel een godswonder zijn, dat je er zo'n schoonheid voor in de steek laat.
-Ze is niks bijzonder. M'n moeder en de domineesvrouw, je weet wel die Bloeme, hebben me haar aangesmeerd. Ik was toen nog zo'n moederskind. Dat werd me van middag nog gezegd. Een lamstraal ben ik, vind je niet?
-Ach, dat weet ik niet. Maar waarom deden die ouwe tantes dat? Is ze erg vroom of erg rijk?
-Allebei! Nou ja, erg rijk niet, maar toch behoorlijk.
Je bent dus verkocht. Troost je, jô, dat is ook met Jezus gebeurd.
-Ik voel me niet erg Jezusachtig, maar ik hang wel aan het kruis.
-Zeg dan ook "stik".
-Ik ben niet zo als jij.
-Nog altijd moederskind?
-Dat geloof ik niet. Maar wat zou 't helpen als ik weg liep. M'n vrouw zal nooit scheiden. Het huwelijk is heilig, dat weet je nog wel. Ook het mijne. Ik ben vanavond kwaad weggelopen. Zij bemoeit zich met alles. Jezus Maria! Daar herinner ik me, dat ik haar gezegd heb, dat ze naar de hel kon lopen. De twee mannen gierden van het lachen, zo hard dat het boven de muziek uitklonk.
-Daar moet op geklonken worden.
-Ik ben met de wagen.
-Ben je bedonderd. Je blijft bij mij slapen. Kan je met m'n huisbaas kennis maken. Ook gescheiden. Z'n vrouw is er vandoor gagaan en daardoor heeft hij het rijk alleen in z'n villa. Hij is advocaat en heeft mijn echtscheiding behandeld. Ik ben bij hem gaan wonen. Twee treurende weduwnaars. We 80 wonen in Alteveer. Weet je wat, ik bel hem op om ons op te komen halen.
Hij is tijdelijk drooggelegd. Iets met z'n maag.
Om elf uur verscheen de advocaat, die hem aanraadde spuitwater te drinken, als zij nog prijs stelden op enige conversatie.
Toen de zaak gesloten werd, gingen zij naar huis, waar zij tot diep in de nacht bleven praten. Vooral Terwingen en zijn huisheer waren aan het woord.
Een vreemde wereld trok voorbij Theo's verbeelding.

Hij werd vorstelijk geinstalleerd in de eetkamer. Zijn gastheer wees hem waar de wisky stond, voor geval hij behoefte had aan een slaapmuts.
Ofschoon dit niet het geval was, dronk hij er een paar. Alleen beleefdheid belemmerde hem om de hele fles leeg te drinken.
Vanzelf kwamen zijn gedachten bij Ann terecht. Dat zij van hem hield, bewees toch duidelijk, dat hij niet enkel een sufferd was, een broekie, die niemand kende van de steilharige broeders en zusters, die zo nu en dan bij hem of beter gezegd bij zijn vrouw op bezoek kwamen.
Hij besloot Ann te vragen wat haar condities waren om opnieuw samen te beginnen.

De volgende ochtend gaf hij even buiten Arnhem een lift aan een paar jongelui om te verhinderen dat hij zou gaan piekeren.
De jongeman had naast hem plaats genomen en hield hem voortdurend bezig.
Het meisje dat op de achterbak zat, luisterde. 81
Zij hadden hun vacantie doorgebracht in Oostenrijk en waren nu op weg naar Amsterdam. Theo beloofde hen voor de deur af te zetten. De beloning voor hem was, dat hij dan langs de woning van Ann moest rijden.
'Net een schooljongen.'
Hij bracht het meisje het eerst thuis. Vervolgens de jongenman, die hem vroeg mee naar binnen te gaan, wat hij deed, omdat hij zijn thuiskomst zolang mogelijk wilde uitstellen.
Een heel lichte kamer, rommelig met overal boeken op de stoelen en zelfs op de grond. De boekenkast was nogal klein. Een fototoestel, projector en scherm.
'Natuurlijk dia's. Iedereen maakt dia's.'
-Bent U fotograaf?
-Amateur. 'n Kop koffie? Espresso, kwestie van vijf minuten.
'Als hij me dan maar niet een stel dia's met een viewer in m'n hand stopt.'
De jongeman zong.
-Ik vind het leven mieters, onderbrak hij zichzelf, U ook?
-Niet onverdeeld.
Er werd geen nadere verklaring gevraagd.
-Ik studeer. Bijna zou ik zeggen in m'n vrije tijd, want ik moet vaak op stap. Nederlands. Van een examen zal wel nooit wat komen. Ik wil schrijver worden. Werk nu al zo'n beetje op dat gebied als free lance. Ik heb een reuze-fantasie. Dat is geen opschepperij hoor. En je treft vaak genoeg lui of situaties waar wat van te maken is. 82
'Alweer een die durf heeft'
-Hier is de koffie. Verder heb ik niets in huis.
Theo gaf cigaretten, zei iets van studentikoos en artistieke wanorde en voelde zich afschuwelijk oud en wanhopig.
Zodra hij zijn kop had leeggedronken, ging hij weg.
-Cherio en nog welbedankt. Kom nog eens aan als U tijd hebt.
Hij beloofde.
Langzaam reed hij naar huis.
                         ------

De begroeting was, zoals hij verwachtte, gereserveerd.
-Wil je mij in het vervolg even bellen als je niet thuiskomt?
-Goeiendag.
-Mag ik weten waar je vannacht geweest bent?
-Bij vrienden van me.
-En hebben die geen telefoon?
-Schei uit met je geouwehoer.
-Leer je dit fraais bij je vrienden?
-Ik ga naar mijn kamer. Adieu.
-Theo, zou je tenminste niet de beleefdheidsvormen in acht nemen? Ik ben niet helemaal een vreemde.
Hij gaf geen antwoord. 'Eigenlijk heeft ze gelijk.'
Bovengekomen sloot hij zijn kamerdeur.
De telefoon zoemde. 'Wat heeft ze nu weer?'
-Mevrouw Bloeme is voor je aan de telefoon.
-Doe haar de groeten.
Hij legde hoorn neer, maar nam hem onmiddellijk weer op, schakelde over en draaide het nummer van Ann.
-Ga voorlopig niet naar Norman, in elk geval niet naar z'n biblotheek. Je hebt grote kans, dat de weduwe weer op bezoek komt. 83
Op haar beurt waarschuwde Ann Norman, die de biblotheek afsloot.
'een hardnekkig vrouwspersoon.'
Inderdaad verscheen mevrouw Bloeme, achterdochtig geworden, omdat Theo haar tweemaal voor het hoofd gestoten had. Zij wilde Ann overvallen en haar zeggen, dat zij Theo gesproken had en dat hij haar had verteld, dat zijn vroegere vriendin nooit bevriend geweest was met haar.
Het was daarom een teleurstelling, toen de dienstbode haar naam vroeg en bovendien op welk uur zij besteld was. Norman had daartoe instructie gegeven.
-De dokter kent mij antwoorde mevrouw Bloeme, maar hiermede stelde zij de ondervraagster niet tevreden.
-Mag ik Uw naam weten, herhaalde hij met nadruk.
-Ik ga wel in de wachtkamer zitten; ik hoef maar even wat te vragen.
Meteen zag zij kans langs de dienstbode te glippen en vlug naar de
bibliotheek te lopen. 84
Dat de gesloten was, werkte verlammend. Met een ruk keerde zij zich om en keek verschrikt naar de dienstbode, die kalm bij de voordeur stond te wachten.
-Waarvoor is de wachtkamer op slot?
De meid gaf geen antwoord.
-Of is dit de wachtkamer niet?
-Zou U maar niet liever weggaan?
En vervolgens op vriendelijke toon, die mevrouw Bloeme verbaasde:
-Of is er iets ergs aan de hand? U hoeft 't mij niet te vertellen, maar
waarom wilt U Uw naam niet noemen?
Zij keek op de gangklok.
-Ik hoor de patiënt al komen, die bij de dokter was, het uur is om. Zal ik hem even bellen?
Dodelijk vermoeid slofte zij naar de deur, die de dienstbode hoofdschuddend voor haar opende.

Buiten gekomen bleef zij staan. Achter zich hoorde zij de deur opnieuw opengaan en zag een man wegwandelen. Blijkbaar de patiënt, waarover het dienstmeisje gesproken had.
Zij kon hier niet blijven staan. Maar ze was zo moe. Neen, ze kon hier niet blijven staan. De assistente zou wel niet komen. Misschien was ze ergens anders in het huis. Als ze eens wachtte tot ze naar buiten kwam. Maar dat kon uren duren. En als ze er niet was? Weer hoorde zij achter zich de 85 deur. 'Stel je voor'
Het was Norman zelf, die door de diensbode gewaarschuwd was. Hij herkende haar, legde zijn hand op haar schouder en vroeg haar even binnen te komen. Zij volgde gedwee.
Hij ontsloot de bibliotheek en liet haar binnengaan.
-Neem plaats, mevrouw Bloeme en vertel eens wat U zo opjaagt en waarom U weer mijn assistente wilde spreken. Wat is er met die assistente?
Nerveus frommelde zij met haar zakdoek.
Norman wachtte geduldig.
Eindelijk bracht zij er met moeite uit, dat zij wilde weten hoe die vroegere vriendin van Theo heette en of zij werkelijk met de assistente van de dokter bevriend was.
-Waarom interesseert U dat zo?
-Dat weet ik niet.
-Natuurlijk weet U dat wel, maar U wilt het mij niet zeggen. Waarom niet?
-Omdat ik U niet vertrouw. U weet natuurlijk alles en U zult nooit iets zeggen, nooit. En ik word gek bij de gedachte, dat mijn man misschien ...
Zij voltooide de zin niet.
-Overspel gepleegd heeft, vulde Norman aan.
Haar ogen wijd opengesperd, staarde zij hem aan. Toen barstte zij los:
-Als dat zo is, weet U het, U. Maar U zwijgt. U bent een slecht mens.
Zij wilde opstaan, maar kon niet.
Norman belde.
-Breng even een glas droge witte bourgogne. 86
Mevrouw Bloeme keek angstig naar hem en haar hand beefde, toen zij het glas aannam, zodat hij haar helpen moest bij het drinken. Hij nam het lege glas van haar over en zette het weg.
Met gesloten ogen, het hoofd tegen de stoelleuning zat zij roerloos als een dode.
-'t Gaat al beter, dokter.
Dit was het eerste teken van leven, dat zij gaf. Weer zweeg zij geruime tijd.
-Ik ben erg onbeleefd geweest, U moet me maar vergeven. Ik heb het moeilijk.
Toen zij opstond, wankelde zij even, glimlachte tegen hem, toen hij haar arm greep en bedankte voor zijn zorgen.
-Ik zal U even thuis brengen met de wagen.
-Nee, dokter, nee, dat is teveel gevergd.
-Ja, mevrouw, ja, ik breng U met de wagen.
Onderweg spraken zij niet.
Maar alvorens uit te stappen zei zij:
-U bent in elk geval geen slecht mens. Maar ik begrijp U niet.

De dagen gingen voorbij. Het had gaan zin nog langer te pogen achter het geheim te komen van die ander vrouw.
Theo had haar in de steek gelaten en alleen zou het haar nooit gelukken. Het enige wat overbleef was te berusten.
Toen plotseling was het lot haar gunstig.
Norman en zijn assistente met Theo in druk gesprek achter een café- venster. Zij zagen haar niet. 87
Voor alle zekerheid ging zij eens terug en weer werd zij niet opgemerkt.
Onmiddellijk stormde het weer in haar.
Hij kende de assistente dus in elk geval. Dan moest hij ook weten van de verhouding van haar man met die vrouw. En dan als Theo haar kende, was zij dan misschien de geheimzinnige miss E? Miss Ann E? Ofschoon ...

Toen Theo thuis kwam, vroeg zijn vrouw hem of hij een prettige ochtend gehad had met Norman en zijn assistentje.
-Erg genoegelijk!
'We zijn dus gezien'
-Ik wist niet dat je die twee kende.
-O ja. Al een hele tijd. Tenminste Norman.
-Daar heb je me nooit iets van gezegd.
-Waarom zou ik?
-Ben je misschien in behandeling?
-Niks hoor.
-Nu weet je dus in elk geval of je vroegere vriendin werkelijk met Norman's assistente bevriend is.
-Ja, ook dat weet ik.
-En?
-Wat heb je daarmee te maken?
-O nee, niets. Ik heb nooit iets te maken met wat jij doet. Ik tel niet. Ik mag ook nooit met je mee. Zelfs niet een kopje koffie drinken in de stad. 88 Ook daar heb je anderen voor.
-Zanik toch niet. 't Was een afscheidsbabbeltje omdat hij morgen voor drie weken naar Florence gaat.
-En moest jij daarom aan dat meisje worden voorgesteld? Moet je haar misschien gezelschap houden, als meneer Norman weg is?
-Wat ben je toch een achterdochtig loeder. Norman gaat met z'n vrouw en dat meisje gaat ook mee. Mijn gezelschap heeft ze niet nodig. En schei nou uit, wil je. Je begint me kwaad te maken.
Hij was verdrietig, omdat Ann voor drie weken weg ging, ver weg. Ineens voelde hij een sterke neiging om verschrikkelijk te vloeken, maar hij bedwong zich.

Die middag ging hij naar de jongeman, die hij buiten Arnhem een lift had gegeven.
Hij wilde hem laten vertellen van zijn reizen, wilde dia's zien.
Maar hij trof hem niet thuis en ging daarom naar Arnhem.
Ditmaal belde hij 's avonds laat op.
                         ------

Omdat het zo niet langer ging, besloot zij de dominee in te schakelen. Dit had de eerste maal ook geholpen, als was het huwelijk, dat eruit voortgevloeid was een fout geweest van Bloeme.
Eigenlijk was het meer het werk van zijn vrouw geweest, die het zonde vond van zo'n nette knappe jongen, dat hij zich verslingerde. 89
En niet te vergeten Theo's moeder, verzot op geld en bekend als koppelaarster binnen de gemeente.
In Norman had zij al even weinig vertrouwen als mevrouw Bloeme, ofschoon die de laatste tijd milde over hem sprak. Hij was inderdaad erg zorgzaam voor haar geweest, ondanks haar zonderling gedrag in zijn huis. Zielig, dat die vrouw haar verdenkingen maar niet kon loslaten.

Het gevolg van deze overwegingen was, dat Theo op een ochtend na zijn "binnen" op een bescheiden klopje geconfronteerd werd met de man, waarop hij het minst gesteld was, temeer waar hij begreep waarom de dominee hem dit bezoek bracht.
Gelukkig was deze jonger dan Bloeme en minder bijbels in zijn woordkeus, maar desalniettemin volgden de bekende vermaningen met als slot:
-Stort je hart eens uit, jongeman. Ik ben immers de herder van mijn kudde; mij kun je dus vertrouwen.
'Minder zalvend, maar verder de oude koek.'
-Er valt niets uit te storten. Het enige wat er te zeggen is, heb ik al begrepen uit wat U door mijn vrouw is verteld, want U bent hier in haar opdracht.
-En wat heb ik dan begrepen?
-Dat ik niet gelukkig ben in mijn huwelijk.
-Kom, kom, kom! Je hebt een goede degelijke vrouw, een vrome christin. Wat wil je nog meer?
-Een beetje gluk.
-Waarom maak je je wijs, dat je niet gelukkig bent?
De pedanterie van deze vraag maakte hem woedend.
-Ik maak me niets wijs, bitste hij.
-Wat mankeert er dan aan? Toch niet dat wat je kende vóór je getrouwd was? Je leidde toen een zondig leven. Ik mag toch wel aannemen, nietwaar, dat 90 je daarnaar niet terugverlangt, dat je alles en iedereen van vroeger hebt losgelaten?
'De schoft! Mij uithoren. En wie geeft hem het recht mij te behandelen als een kleine jongen?.'
-Waarom al die vragen? Ik ben niet gelukkig. Basta!
-Was je dat vroeger wel?
-Wij praten over nu, niet over vroeger.
-Vindt je, dat je mij de les moet lezen? En waarom antwoord je niet op de vraag over vroeger?
-Laten we met dat onderwerp maar uitscheiden. Vertel mij liever, hoe het U bevalt in Uw nieuwe gemeente.
-Best, maar ik eis gerespecteerd te worden door mijn gemeenteleden. Daartoe behoor jij ook, al kom je niet meer in de kerk. Jij bent erin gedoopt, aangenomen en getrouwd en dus ben ik ook jouw dominee. Ik eis, dat je dit niet uit het oog verliest.
-U eist en eist, maar ik ben geen kind meer, en ik heb minder prettige ervaringen met de bemoeizucht van dominees. Daar weet U natuurlijk alles van. Ik pas voor een tweede keer.
-Noem jij dat benoeizucht, als een man als Bloeme zich inspant om je terug te brengen van de verkeerde weg?
-Ja, dominee.
-Zo, bemoeizucht is het, als een dominee probeert te verhinderen, dat een jongeman ondergaat in een wereld van zonde en lichte vrouwen; bemoeizucht. Ik geloof, dat belangstelling voor de medemens, echte christelijke belangstelling, geen bemoeizucht is. 91
Theo maakte een afwerend gebaar.
-Laat toch, dominee. Het heeft niet de minste zin. En let wat beter op Uw woorden. U praat over lichte vrouwen; vroeger was het er maar een. En die ene was niet zo licht en zo zondig. Een beetje meer respect zal mij aangenaam zijn.
-Als ik je zo hoor, krijg ik de indruk, dat je hart nog bij haar is. Allicht voel je je dan ongelukkig.
-Dominee, het spijt mij, maar ik moet weg, ik heb een afspraak. -Je zet me dus buiten de deur.
-U kwam ongenodigd.
-'t Is goed. Ik blijf tot je dienst en zal voor je bidden.
------

Een dwalen van schijnheiligheid, onwetendheid, gekonkel.

Er is een andere wereld, die hij zou kunnen binnentreden, maar de toegangsprijs is hoog.
Vrij zijn, jezelf zijn, ook in de keuze van je vrienden. Niemand weet wie "die vrouw" is. Je zoudt openlijk bevriend kunnen raken met de assistente van Norman. Maar het gesnuffel zal doorgaan, de dwalm zal blijven en hij zal geen rust kennen.
Alles op één kaart zetten.
Het leven als kansspel, als avontuur.
Zoals het nu is, kan hij het overzien: een rechte kale weg zonder zijwegen, zonder kruispunten, rechtstreeks naar de doodbidder, die nu al te zien is, die aan het einde staat en tegelijkertijd meegaat, want de weg is een doodsweg.
Eenmaal zal in de echtelijke woning harmonie komen; de harmonie van het begrafenismaal. En de mensen zullen zeggen, dat het een goed huwelijk is. 92
In zijn jeugd was hij een beetje loszinnig, maar de wilde haren zijn er vanzelf uitgegaan.
Dan zal hij weten, dat hij heel kort geleefd heeft en jong gestorven is. Hij zal geen herinneringen hebben, behalve die ene: Ann.
Zij vraagt niet om een huwelijk. Alleen dat hij een vrij man zal worden, die zichzelf durft te zijn. Maar als zij zwanger wordt? Als ...
Hij is in zijn jeugd alleen voorbereid op het leven als pelgrimstocht naar de eeuwigheid.
Rijk of arm, alleen op pelgrimage.
Maar rijk is prettiger, ook omdat het vermoeden van uitverkorenheid er door gerechtvaardigd wordt.
Je zaligheidsaandelen hebben dan een goede koers.
De rechte kale weg.
Als hij die nu niet verlaat met Ann, zal hij het nooit durven.
Dan zal hij de uitgestippelde weg gaan met de doodbidder en waarschijnlijk teruggaan naar de kerk. Of totaal vereenzamen.
                         ------

Mevrouw Bloeme praat nooit meer over de zaak, als hij haar ontmoet. Zij weet natuurlijk, dat Ann in Florence is. Het lijkt wel of er nooit onaangenaamheden tussen haar en hem geweest zijn. Op een keer vraagt zij hem zelfs of hij haar wil assisteren bij het ordenen van de nalatenschap- boeken en brieven. De theologische werken wil zij verkopen en van de brieven alleen die bewaren, die waarde hebben.
Welke waarde?
Hij kan niet weigeren, omdat hij er alle tijd voor heeft. 93
Eigenlijk zou hij een baan moeten zoeken.
Waarom heeft de man al die brieven bewaard?
Allemaal van parochianen. Om geldelijke hulp, om raad, over de laatste preek, instemmend of critisch.
Aan eigengereidheid is geen gebrek.
Volgende week komt Ann terug.
Waarom draait dat mens vandaag toch aldoor om me heen? Het lijkt wel of ik juwelen sorteer.
Er wordt gebeld, wat haar kennelijk nerveus maakt.
-Zal ik opendoen?
-Zoals U wilt, maar als de mensen mij dan straks zien weggaan, kunnen ze er wat van denken.
-Maar Theo! Foei!
Toen zij weg was, kreeg hij het briefje van Ann in handen.
"Ach stakker, had ik een kleur moeten krijgen?"
Opgewonden kwam zij weer binnen.
-Een foppertje.
-Moet dit bewaard blijven?
Zij was duidelijk verbaasd over de onverschillige toon van zijn vraag.
-Het is het enige bewijs dat mijn man met die vrouw gecorrespondeerd heeft.
-Wat hebt U aan zo'n brief? En wat kan U die hele correspondentie schelen?
Maar ik vind 't best hoor. Dan gaat ie in de klapper.
-Ach Theo, als je wist.
Tranen.
Cristenezielen! Zij hing om zijn hals. Hij onderging het, besluiteloos.
-Theo, haar stem daalde tot bijna gefluister,
-Ik ben zo bang, dat ik een zonde bega door over die dingen te praten. Ik ben nog niet zo oud, tien jaar jonger dan hij. Maanden lang heeft hij 94 niet ... je begrijpt het wel. En als ik er dan aan denk, dat hij misschien met een ander ... O Theo!
Zij huilde hardverscheurend, maar hij wist niet of het zondegevoel was, dat haar zoveel tranen deed schreien.
'Is dat de bedoeling? Juist.'
Hij dacht aan zijn vrouw en bedwong met moeite zijn lachen. De domineesweduwe als aspirant zondares en hij als medezondaar en verlosser. Zachtjes streelde hij haaar over rug en armen. Zij had hem Elsbeth aangesmeerd, zij en haar man en zijn moeder. Zou hij het haar betaald zetten? Haar onteren? Wat een ouderwets begrip. Haar betraande gezicht naar hem opheffend, zoende zij hem op zijn mond.
-Dank je, Theo, dank je, jongen, voor je hartelijkheid. Ik zal nooit meer vragen over dat meisje.
'Nu is "die vrouw" plotseling "dat meisje". De doerak.'

De scène bleef de verdere dag in hem rondspoken. Wat hem verwonderde en ergerde was, dat de herinnering aan haar lichaam tegen het zijne hem niet onaangenaam was. Het lichaam van een oude vrouw. Oud? Begin veertig. Oud voor hem.

Het duurde enige dagen voor hij mevrouw Bloeme weer opbelde en het gebeurde eigenlijk op instigatie van Elsbeth.
-Vind je het zo noodzakelijk?
-Ja! Dan doe je tenminste wat en maak je ook iets goed. Je hebt haar zo onbeschoft behandeld. En dan moest ze ook nog ontdekken, dat jij dat mens kent.
-Wie bedoel je?
-Die assistente. Dat weet je heel goed.
-Praat in het vervolg beleefder over haar, wil je?
-Weet mevrouw Bloeme hoe ze heet?
-Die heeft er geen belangstelling meer voor. Alleen jij roddelt nog. Adieu!
Hoe laat ik terugkom, weet ik niet.
                         ------

-Wat is de kapstok leeg.
-Het is toch vacantie! Ze zijn met z'n zessen naar ons vacantiehuis.
Haar stem klonk nerveus opgewekt.
-En dan kan ik je verder vertellen, dat ik dat briefje - je weet wel - verscheurd heb. Jij hebt gelijk.
Even maakt zich een triomfgevoel over hem meester.
-Dat is verstandig van je, echt verstandig.
Toen zag hij, dat zij een zomerjurk aan had, die van voren sloot.
'Ach zo, moeten we beslist zondigen?'
-Vind je m'n jurk niet leuk? Je kijkt zo critisch.
-Schattig! Staat je best.
Zij constateerde tegelijkertijd, dat hij haar tutoyeerde, waarbij zij verlegen glimlachte, wat haar jonger maakte.
-Zo met z'n tweeën kan dat wel, zei ze snel.
-Vind je het prettig, dat ik er weer ben?
Zij knikte blozend. 'Een erg zacht lichaam.' 96
-Hoe is je voornaam?
-Johanna.
Hoofdschudden.
-Ik zal je Carla noemen.
'Toch wel een knappe vrouw.'
Besluiteloos stonden ze tegenover elkaar. Afwezig begon hij te spelen met de trekker van de ritssluiting in haar japon, die hij plotseling in één ruk naar beneden trok.
-Theo, wat doe je?
Voor een domineesweduwe was er vrij veel naakt te zien.
Hij constateerde, dat zijn lichaam reageerde.
'Merkwaardig'
Zijn handen streelden, schoven de japon van haar schouders, zodat hij langs haat lichaam zakte. Toen kuste hij haar boven haar borsten.
Zij sprak geen woord, liet hem zwijgend begaan.
Hij voelde, dat hij dit spel niet meer kon staken; dat hij het tot het eind moest voortzetten.
Voorzichtig ging hij verder met haat te ontkleden, tilde haar op en droeg haar naar de divan.
Zij was licht.

Nog steeds had zij haar ogen niet geopend. Zij huilde geluidloos. Hij lag naast haar, streelde haar borsten, die vermoeid waren door het zogen. Het verbaasde hem, dat ze hem niet afstootten. Voorzichtig kustte hij ze.
-Zeg eens wat, Carla.
-Wat? Nu keek ze hem aan.
'Wat een droefheid. Zij wilde het toch zelf?'
-Was het goed? 97
-Ja, helemaal, beter dan ooit vroeger. En toch is het zonde wat wij deden.
-Waarom? Je bent toch weduwe.
-Wij zijn niet getrouwd. Jij wel. En dat maakt het nog erger.
-Laat het goed blijven, Carla. Geen berouw.
-Kan dat dan, Theo?
-Ja! God schiep je, zoals je bent.
-Maar jij. Jij bent getrouwd!
-Je maakt je daar een verkeerde voorstelling van, Carla. Elsbeth en ik zijn vreemden voor elkaar. En praat nu verder niet. Kom in mijn arm.
Zij voldeed aan zijn verzoek. Weer moest hij haar borsten strelen, lang, heel lang, en toen reageerde zijn lichaam opnieuw.
Met wijd opengesperde ogen keek zij hem aan, sloeg haar armen om hem heen, drukte haar lichaam tegen het zijne, zodat het pijn deed en kuste hem met steeds groter hevigheid, die aanzwol tot razernij, waarin zij zijn lippen stuk beet.
                         ------

Hoe was het mogelijk?
Een openbaring. Bevrijding. Geen dienstbetoon.
Het gelukte haar niet om berouw te voelen, ook niet tegenover Elsbeth.
Buiten heerste de zomer in laaiende uitbundigheid. En de zonde - want dat was het - kon het licht niet verduisten.
Zonde! Gelukkig zijn in zonde, echt gelukkig.
In haar gebeden sprak zij het uit zonder enige aarzeling en dankte ervoor.
-God begrijpt meer dan jullie denkt, had Theo gezegd.
-En daarom vergeeft hij ook veel meer dan jullie denkt. 98
Dat hij vergaf was duidelijk, anders kon zij niet zo gelukkig zijn.
Een enkele maal overviel haar angst. Als Norman langskwam, was zijn assistente er ook weer, jong en mooi. Zou Theo dan niet verkoelen, al was het maar door de uiterlijke tegenstelling? Elsbeth was niet mooi. Van die kant was geen gevaar. Maar dat meisje.
God was echt met haar, want Theo vertelde bericht te hebben gekregen, dat zij van Florence naar Rome waren doorgereisd en nog een paar weken zouden wegblijven. Die weken moest ze uitbuiten, want daarna zouden ook de kinderen weer thuiskomen. Hoe het dan moest, wist zij niet. Dan zouden alleen de avonden overblijven, maar Lisa ging nooit voor tien uur naar haar kamer en zag zo scherp. Ook was ze blijkbaar van veel op de hoogte.
De nacht, toen haar vader dronken thuiskwam, had angstige vermoedens gewekt, waarover zij nooit had durven spreken. Maar nu voelde zij zich daartoe in staat, nu zij wakker geworden was. Zelfs als Theo zou weggaan, zou zij niet meer inslapen.
Zij was veranderd, gedroeg zich anders en zag het in de blikken der mensen, die haar van vroeger kenden. En zij hoorde het in wat de dominee zei.
Ruim een uur had hij met haar gesproken over de overledene en meerdere malen gezegd, dat zij dit verlies wel smartelijk moest voelen, elke dag opnieuw. 99
Zij voelde het niet.
Vriendelijk dacht zij aan hem als aan een man, die naar het scheen tenslotte het spoor bijster geraakt was. Evenals zij. Maar hij was niet gelukkig geweest en daarover was zij soms eerlijk bedroefd.

Zonnige dagen vluchtig als het zonlicht zelf en evenmin vast te houden. Je ervan te laten doordringen, door de gouden glans en zoveel mogelijk drinken tot verzadiging toe.
Maar wie is ooit verzadigd van de liefde?
'Was het liefde?'
Het leeftijdsverschil was veertien jaar. En als het geen liefde was, hoe kon zij dan altijd zo mateloos naar hem verlangen?
Enkel verlate hartstocht? Een wedren met de tijd? En Theo?
'Niet meer vragen. Morgen komen de kinderen. Overmorgen Norman. Dan wordt alles beslist.'
Het was uitgesloten, dat Theo niet van haar hield. Hij sliep zelfs niet meer in dezelfde kamer met Elsbeth.
Theo ontkende, dat zij hem aan zijn vouw ontstolen had - Praat er liever niet over. Dat huwelijk heb ik je altijd kwalijk genomen.
-Ik dacht eerlijk, dat het voor je geluk was.
-Je dacht helemaal niet.
Elsbeth stond hem tegen en van Carla, die bijna tien jaar ouder was dan zij, kon hij niet genoeg krijgen.
Hij begon zich interessant te vinden, omdat ook Ann er nog was. 100
Carla leverde geen problemen op, stelde geen eisen. Het moest te schikken zijn, dat hij met haar liefde en met Elsbeth getrouwd was.
Alleen kreeg Carla voor een domineesweduwe teveel de allures van "Die lustige Witwe". Daar moest ze op letten.
Ann of Carla?
Een moeilijke keuze. Hij kon met Norman gaan praten, die zweeg beroepshalve. Maar wie garandeerde, dat hij onpartijdig was? Zouden hij en Ann ... dan was voor hem de kwestie opgelost.
Ann was verdomd mooi en van Norman zei men, dat hij Goetheaanse opvattingen koesterde op het gebied der liefde.
Voorlopig was het het beste af te wachten wat zij vertelde.

Zij sprak niet over Norman. Wel over Florence en Rome, over de musea, over Leonardo da Vinci, Michel Angelo, Raphaël.
Zij was van plan om voorlopig geen tentoonstellingen van moderne kunst te bezoeken, omdat elk contact ontbreken zou.
-De Renaissance is een en al psychologie en dat kun je ook wel zeggen van de moderne kunst, maar daarin is zoveel primivitisme, zoveel oer.
Enigszins spottend verwonderd keek hij haar aan.
-Hoe kom je aan al die wijsheid?
-Van Norman.
Hij had moeite zijn jalouzie niet te doen blijken.
-En vertel eens, jongeman, hoe heb jij het al die weken gehad? Wat heb 101
je uitgevoerd?
Maar hij voelde er voorlopig niets voor op haar vragen in te gaan en beperkte zich daarom tot een aantal vage beperkte algemeenheden. Als zij nu maar niet vroeg of hij al een beslissing genomen had. Ach nonsens, natuurlijk deed ze dat niet. Zij drong nooit aan.
'Wat is ze toch mooi. Gevaarlijk mooi.'
Verder informeerde zij of er nog steeds speurtochten naar de geheimzinnige vrouw aan de gang waren en was verbaasd te vernemen, dat mevrouw Bloeme de hele aangelegenheid had afgeschreven en zelfs de befaamde brief verscheurd. Waarom ze dat gedaan had, wist ze niet.
Voozichtig waagde hij één stap: zij waren zelfs goede vrienden geworden; toen zij van ddat alles afzag, had hij de strijbijl begraven.
-Heb je haar misschien ook je huwelijk vergeven?
-Neen, maar dat onderwerp laat ik rusten.
-En ga je nu naar de kerk?
-Ik denk er niet aan.
-Dat dus niet. Voor 't overige vindt ik alles nogal merkwaardig. Enfin, misschien hoor ik nog wel eens iets nader van je over deze verbazingwekkende ommekeer.
Onverschillig haalde hij zijn schouders op, maar hij begreep, dat zij zijn antwoorden als halve waarheden doorzag.
De vraag naar de relatie tussen haar en Norman brandde hem op de lippen.
Als zij "ja" zei, behoefde hij geen beslissing te nemen.
Maar hij durfde niet.
                         ------

102
Eenmaal moest er een einde komen aan het ordenen van de weleerwaarde nalatenschap.
De relatie met Carla wenste hij echter voort te zetten. Tegenover Elsbeth had hij geen enkel voorwensel nodig; zij vroeg nooit meer waar hij heen ging, en als hij 's nacht niet thuis kwam, nam zij aan, dat hij in Arnhem bij zijn vrienden was.
Nu de kinderen weer thuis waren, kon van overnachten bij Carla geen sprake meer zijn. Met het oog op Lisa kwam hij zelfs meestal 's avonds na tienen en omdat het meisje op de meest onverwachte tijdstippen 's nachts door het huis dwaalde, onthielden zij zich dan van elke intimiteit. Hiervoor waren zij aangewezen op de uren, waarop de kinderen naar school waren, wat de vreugde van hun samenzijn niet verminderde, al ervoeren zij de belemmering van hun spontaniteit als een pijnlijke beperking.
Ondanks alle voorzorgen begon een gerucht rond te waren, in de aanvang heel zwak, maar geleidelijk aanzwellend. Boze tongen beweerden, dat de weduwe van de dominee wel heel vaak bezoek ontving van die jongeman, die - een geluk voor de roddelaars - een liederlijk verleden had. Het werd een geliefd gespreksonderwerp van de broeders en zusters. Uiteraard werd Elsbeth er buiten gehouden. Er stond nog zo weinig vast en het was bekend, dat zij haar man ertoe had overgehaald om de weduwe te helpen bij het ordenen van de nalatenschap. Maar het gerucht bereikte wel de dominee 103
via een ouderling, wiens vrouw lang gezwegen had, maar tenslotte haar mond niet meer kon houden, omdat het zo interressant was.
Natuurlijk sprak zij geen kwaad over mevrouw Bloeme tegen haar echtgenoot. Integendeel. Toen zij verteld had wat de mensen zeiden, voegde zij er aan toe:
-Maar geloof jij, dat mevrouw Bloeme ooit tot zoiets in staat zou zijn? Waarop de ouderling antwoordde, dat het hem hoogst onwaarschijnlijk leek. Desondanks verteld hij het prompt aan de dominee, die er geen gras over wilde laten groeien. Zijn vroegere betogen hadden haar niet tot grotere zedigheid gebracht; nu zou hij opnieuw proberen haar te overtuigen van de ernst van de positie van domineesweduwe binnen de gemeente.
De grote moeilijkheid was, dat hij haar nauwelijks kende. In de kerk zag hij haar zelden; een weduwe met een groot gezin, waarvan de twee jongste kinderen nog te klein zijn om naar de kerk te gaan - ziet allicht geen mogelijkheid daarvoor. En de enkele malen, dat hij haar thuis had bezocht, waren niet voldoende geweest een oordeel over haar te vormen. Daarom besloot hij de kwestie op ambtelijk niveau te bespreken en alle gemoedelijkheid te vermijden. Vandaar dat hij haar aansprak met "zuster", wat tot gevolg had, dat zij zich terstond wapende.
-Zuster, de apostel Paulus zegt, dat wij ook de schijn des kwaads moeten 104
vermijden. Nu gaan er geruchten omtrent al te talrijke bezoeken aan U van een jongeman, die zowel Uw diepbetreurde echtgenoot als mij veel, zeer veel moeite en verdriet bezorgd heeft. Natuurlijk geloof ik niet, dat in die bezoeken iets kwaads steekt; dit stel ik nadrukkelijk voorop.
Hij wachtte, waarbij hij haar doordringend aankeek. Hij was erom bekend, dat hij iemand "regelrecht in zijn ziel kon kijken" en geloofde dat zelf.
-Er steekt inderdaad niets kwaads in.
Haar blik was volkomen onschuldig.
-Daaraan twijfel ik niet, zuster, maar dit wil niet zeggen, dat de apostel ongelijk heeft. Waartoe een verkeerde schijn te wekken? Een jonge getrouwde man dient bij zijn vrouw te zijn, wanneer zijn plichten hem niet naar elders roepen.
-Maar als hij nu niet de behoefte heeft om bij zijn vrouw te zijn, is het dan niet beter dat hij bij mij zijn tijd doorbrengt, dan in gelegenheden waar hij misschien in het geheel niet hoort te komen?
-Hij dient bij zijn vrouw te zijn.
-Ik zei U al, dat hj daaraan geen behoefte heeft.
-Maar wel om bij U te zijn. Wat zoekt hij hier dan?
-Hij praat veel over zijn moeilijkheden en ik luister. Ik heb gemerkt hoe belangrijk het is, dat iemand naar ons luistert.
-Bidt U wel eens met hem?
-Neen, ik vind, dat dat niet mijn taak is.
-Hij praat en U luistert. Raakt hij nooit uitgepraat?
-Soms zitten wij gewoon stil bij elkaar; hij leest veel. 105
Weer was er de doordringende blik.
-Ik begrijp, dat het een gezelligheid voor U betekent, maar toch blijf ik erop aandringen, dat U hem de deur wijst. De uren, die hij bij U doorbrengt, ontneemt hij aan zijn vrouw. Hij is getrouwd en dient dus thuis te zijn, bij haar en niet bij U.
-Ik zal het hem zeggen, maar als hij zich er niets van aantrekt, moet U het mij niet verwijten.
-U dient hem de deur te wijzen.
-Neen. Ik jaag een eenzaam mens niet weg.
-Hij behoeft niet eenzaam te zijn. Als hij bij zijn vrouw is, is hij niet alleen.
-Eenzaam zijn is niet hetzelfde als alleen zijn.
-Een gelovig mens is nooit eenzaam, want hij heeft de hemelse vader altijd bij zich.
-U weet toch, dat hij geen troost vindt in het geloof.
-Des te erger voor U. Een afvallige! En die staat U toe Uw naam in opspraak te brengen.
-Hij spreekt geen kwaad van mij.
-Zuster, ik weet, dat gij U laat leiden door christelijke naastenliefde, maar dit gaat te veer.
-Kan die ooit te ver gaan?
-Ik heb U gewaarschuwd. Als Uw kinderen zich over hun moeder gaan schamen ... Zij onderbrak hem scherp.
-Dominee, het is Uw taak de zonde der kwaadsprekerij te bestrijden.
-U lokt het uit.
-Is het mijn schuld, dat de mensen zo graag roddelen?
-U lokt het uit! Ontzeg die man Uw huis en met de kwaadsprekerij is het gedaan.
-Wat dunkt U van Christus?
-Wat bedoelt U?
Zij glimlachte ten antwoord. 106
-Wat bedoelt U? herhaalde hij met stemverheffing.
-Vreemd, dat U dat aan mij vraagt.
-Zuster, zuster, ik vrees, dat de invloed van deze afvallige U ter verderve zal strekken.
-Ik deel Uw vrees niet en eis verder respect voor de weduwe van Uw voorganger.
Geen enkel antwoord viel hem in.
                         ------

Het was een zware tijd. Het geloof verwaterde. De meesten beleden alleen met de tong. Soms had hij het gevoel, dat ook hij maar lege woorden sprak; vandaar dat zij zo vaak geen weerklank vonden.
Zou het kunnen, dat hij deze tijd toch niet begreep, dat zijn veroordeling van de hedendaagse wereld enkel berustte op de tegenstelling tot vroeger? Vroeger. Was toen alles goed?
Als hij luisterde naar de radiouitzendingen van de N.C.R.V. of keek naar die van de t.v., vielen hem de vele wereldse genoegens op, die geboden werden.
Het beeld, dat zijn vader hem gegeven had van de wereld der gelovigen, was heel anders.
Was die beter geweest? Was deze wereld slecht?
Hij wilde geen reactionair zijn, niet bij het oude zweren als het enig goede.
Waardoor kwam het, dat zijn gesprek met mevrouw Bloeme op niets was uitgelopen, evenals dat met de jongeman, wiens naam zo vaak met de hare genoemd werd?
Had zij gelijk? Moest hij de kwaadsprekerij bestrijden?
Moest hij aanvaarden, dat de relaties tussen mannen en vrouwen heel anders waren geworden? 107
Men had hem verteld, dat het huwelijk van de jongeman in hoofdzaak bekokstoofd was door zijn moeder en mevrouw Bloeme. Speelde berouw misschien een rol in haar houding? Deed zij boete?
Vragen, Vragen. Moeilijk was het ambt van dominee geworden.

De eerstvolgende zondag predikte hij over zonde der kwaadsprekerij, "een gruwelijk zonde, waardoor niet slechts reputaties, maar soms ook levens verwoest werden".
Velen onder zijn gehoor wisten, waarop de preek betrekking had. Er ontstond een sterk gevoel van onbehagen bij degenen voor wie roddelen het enige middel was om hun liederlijk gedachten te uiten, zedig verpakt in vrome verontwaardiging. Anderen hadden er vreugde aan, dat dominee het zo goed zei. Maar er waren ook, die zich afvroegen in hoeverre zij vrijuit gingen. De preek riep geen uniforme reactie op.
Vandaar dat na afloop van de dienst buiten de kerk zich groepjes vormden, waaronder er waren, die zich afvroegen waarom de dominee de weduwe van wijlen Ds.Bloeme zo in bescherming nam. "Want om haar ging het."
In de consistoriekamer werd hij rechtstreeks à faire genomen door de ouderling, die hem van de zaak op de hoogte had gesteld. Hij beschouwde de preek als een rechtstreekse aanval op zijn vrouw en op zichzelf, maar zoiets laat men niet blijken.
De tactiek eist een omzichtig voorwaarts gaan. -Het was een mooie preek, dominee, echt mooi, maar zit er in het onderling bespreken van de gedragingen van de broeders en zusters niet ook nog 108
iets anders? Moeten wij niet gezamentlijk waken over elkander?
-Gelooft U, dat wij dit doen, wanneer wij zonder enig bewijs onze boze vermoedens als vaststaande feiten rondvertellen?
-Maar de apostel Paulus zegt toch ...
Afwerend hief dominee zijn hand op. De apostel had een alleronprettigste uitwerking op hem, nadat de weduwe Bloeme Paulus in plaats van de zondige jongeman de deur had gewezen.
-Wij weten allen wat de apostel zegt omtrent het vermijden van de schijn des kwaads, maar is het beslist noodzakelijk om in een vriendschapsverhouding tussen een man en een vrouw alleen maar één mogelijkheid te zien?
-Die mogelijkheid is er toch, dominee.
-Naast vele andere. Wie enkel het kwade denkt, bedrijft kwaad.
-Hoe moeten wij dan waken?
-Waak over Uzelf. "Zet, Heer, een waacht voor mijne lippen. Behoed de deuren van mijn mond."
Het is beter om bij het beoordelen van de medemens van zijn goedheid uit te gaan. Er is zo weinig goedheid in de wereld van vandaag. Laat ons trachten het goede te denken. Kwade gedachten zijn er genoeg.
Een der diakenen viel hem bij.
-Zo is het, dominee. In de bijbel staat, dat elke dag genoeg heeft aan zijn zelfs kwaad, en ik zou willen zeggen, dat ook ieder onzer daaraan genoeg heeft en dat wij de anderen dus met rust moeten laten.
Deze bijstand was de dominee zeer welkom. Maar toen hij zich realiseerde 109
dat hij enkele dingen tevoren nog gedacht had als de anderen, schaamde hij zich.

De preek werkte na in vele richtingen en ook Theo vernam ervan door Elsbeth, die echter niet wist dat haar man in het gerucht rondom mevrouw Bloeme de hoofdrol speelde.
Zij vertelde, dat er een man in het spel was en dat er waren, die zeiden, dat de dominee wel niet voor niets zo duidelijk partij gekozen had.
-Als iemand het tegen mij zegt, sla ik hem of haar het ziekenhuis in.
-Wees niet altijd zo heftig. Er is nog veel meer aan de gang. Je weet nog wel, dat kort na de dood van Bloeme het gerucht ging, dat hij zelfmoord gepleegd zou hebben. Dat geklets is weer begonnen. "Hij deed het om een vrouw", wordt er gezegd.
Mevrouw Bloeme heeft het zelf uitgelokt door haar gesnuffel.
-Wat een waanzin. Een man als Bloeme pleegt toch geen zelfmoord en zeker geen overspel.
-Acht jij dat absoluut zeker?
-Als dat niet meer zeker is, is het ook mogelijk, dat jij er een vriendje op na houdt.
-Denk je dat misschien van me?
-Neen, dat zeg ik toch. Overigens zou ik je groot gelijk geven.
Voor Elsbeth, die zo frigide was als een bevroren kabeljauw, was deze opmerking een onvergefelijke grofheid.
Zij keek hem aan, alsof hij haar geslagen had. Eindelijk hervond zij haar spraak.
-Je weet, dat die kant van het huwelijk mij niet sympathiek is. Ik vind het zelfs erg als fatsoenlijke vrouw erover te spreken, maar je dwingt mij ertoe, omdat je opmerking een belediging voor mij is. 110
Ik ben verplicht en bereid je terwille te zijn, als je het wenst. Maar te denken, dat ik ooit naar zoiets zou verlangen, is afschuwelijk. Ik weet, dat je het mij kwalijk neemt, maar ik kan niet anders.
-Ik weet het en daarom val ik je niet lastig. Van kwalijk nemen is geen sprake meer. Ons huwelijk is een mislukking en dat heb ik geaccepteerd.
-Je had niet met mij moeten trouwen Theo, maar helaas heb ik geld.
-Daarom deed ik het niet. Mijn moeder en het echtpaar Bloeme vonden het zo dringend nodig. En je weet, dat ik geen sterke wil heb. Bovendien waren ze zo bang voor mijn zieleheil, dat door die andere vrouw in gevaar gebracht werd, zoals ze bij hoog en bij laag beweerden. Zo bang waren ze, dat ik het woord zieleheil niet meer kan uitstaan.
-Zou je naar haar terug willen?
-Dat weet ik niet.
-Denk je nog wel eens aan haar?
-Ja, allicht.
-Hield je van haar?
-Ik dacht van wel, maar zij twijfelde eraan.
-En zij van jou?
-Ja! Dat heeft ze gezegd en ze liegt nooit.
-Heeft ze het je moeilijk gemaakt, toen je met mij ging trouwen?
-Niet in het minst. Maar laten we over dit onderwerp ophouden. Ik voel er iets onbehoorlijks in tegenover haar.
-Misschien heb je gelijk. Maar uit wat je zegt, blijkt dat zij nog waarde voor je heeft. Dat zal wel niet anders kunnen. Zie je Theo, als zij er 111 niet geweest was, was het tussen ons misschien anders gegaan. Ik had als jong meisje heel bepaalde illusies omtrent het huwelijk als verbintenis tussen twee mensen voor wie nog geen ander bestaan had. Ze hebben mij overreed om met jouw te trouwen. Ik kreeg de taak van de reddende engel. En ik was de dertig al gepasseerd. De angst een oude jongejuffrouw te worden speelde dus ook mee. Nu ben ik het toch. Als je die ander niet had gekend voor je mij trouwde, zou je misschien meer geduld met me gehad hebben. Haar opvattingen omtrent de lichamelijke kant van het huwelijk verschillen natuurlijk hemelsbreed van de mijne. Ik had je niets te bieden na haar.
Haar woorden maakten hem zo verdrietig, dat hij neiging voelde om te huilen. Heel duidelijk zag hij hoe zij haar best deed om zichzelf en de grond van de mislukking van hun huwelijk aan hem te verklaren, nu zij zelfs over "die kant" sprak.
Zachtjes beroerde hij haar hand, die roerloos op de tafel rustte.
Langen tijd zaten zij zwijgend. Theo verbrak de stilte.
-Zullen we samen gaan slapen?
-Dan moeten wij jouw bed naar de slaapkamer overdragen.
-In het jouwe is plaats genoeg.
Er was een vreemde, droeve glans in haar ogen.
Hij wachtte. 112
Toen zij opstond, beduidde zij hem met een hoofdbeweging haar te volgen.
                         ------

Drie vrouwen! En wat nu?
Ann speelde momenteel de rol van de goede zuster, verder niet, maar Carla en Elsbeth waren dit allerminst en hij wist niet wat daaruit worden moest, temeer niet waar Elsbeth zo haar best deed, dat hij een enkele maal de indruk had, dat zij begon te ontwaken.
Het geroddel over Carla en hem bood hem de kans haar voor te stellen zijn bezoeken te verminderen, maar hartstochtelijk had zij hem toen zij samen over het geklets in de kerkelijke kringen praatten, verklaard, dat haar liefde zo groot was, dat geen macht ter wereld in staat was haar van hem te scheiden en dus had hij gezwegen en de kwestie verschoven naar een later tijdstip. Als het nodig was, zou zich nog wel een gelegenheid voordoen.
Wel bleef hij gewoonlijk 's avonds thuis, maar overdag zagen zij elkaar regelmatig en was er de hevigheid van hun samenzijn, waardoor hij de tijd vergat, zodat hij dikwijls Lisa voorbij reed op haar weg naar huis. Zij kende zijn wagen en wuifde jofiaal, maar altjd met een beetje spottende glimlach.

Toen Elsbeth voor een paar dagen op reis ging om bij haar grootouders te logeren, sprak hij met Carla af, dat hij twee nachten bij haar zou doorbrengen. Het zou dwaas zijn deze gelegenheid te laten passeren alleen vanwege de kinderen. Hij zou 's avonds om elf uur komen en om zes uur weer weggaan, zodat de kinderen niets zouden merken. 113

De avond na hun eerste nacht, die zij onstuimig gevierd hadden, zat Lisa met haar moeder in de huiskamer; de ander kinderen waren al gaan slapen. -Zeg mams, denken jullie erom in het vervolg niet zoveel lawaai te maken. Een van de kinderen zou wakker kunnen worden en het in zijn hoofd kunnen halen om te gaan kijken wat er aan de hand is.
Mevrouw Bloeme werd krijtwit en staarde verbijsterd naar haar dochter.
-Waar ... praat ... je ... dan over?
-Doe niet zo kinderachtig, mams. Ik weet heus wel wat er met jullie aan de hand is. Ik bemoei me er niet mee en praat er niet over. Allicht niet. Maar jullie maakten vannacht zo'n herrie, dat ik erover dacht jullie te waarschuwen. Maar ik vond het onkies.
Starogend bleef de moeder haar dochter aankijken.
-Hemelse goedheid, mams, doe niet zo idioot. Ik geef je volkomen gelijk.
Vader zal wel geen geweldige minnaar geweest zijn ondanks jullie zes kinderen.
-Kind, hoe weet jij ...?
-Aan de manier, waarop jullie naar elkaar kijkt.
-Weet jij dan wat er gebeurt tussen een man en een vrouw, als ze van elkaar houden?
-Ja mams, en het gebeurt ook wel, als ze niet van elkaar houden. Ik ben zeventien.
-Heb je misschien zelf ook een vriend?
-Niks hoor.

Lisa was een vrijmoedig meisje en afkerig van preutsheid, maar zij dacht er niet aan mee te doen aan de goedkope scharrelpartijtjes waarin sommige van haar klasgenoten pleizier zochten. Niet dat zij haar maagdelijkheid wilde bewaren voor de bruidsnacht, maar als het ertoe kwam, moest zij voor hem de enige zijn. Zij zou daarbij geen eden van eeuwige trouw eisen, noch een huwelijksbelofte, omdat trouwen een zaak apart is. Maar zolang het duurde mocht er voor hem geen andere zijn, noch voor haar.
Dit alles vertelde zij op een volkomen open manier, waardoor de ontsteltenis van haar moeder verdween en deze in staat wat tot een rustig gesprek met haar dochter.
-Zo'n jongen is er dus niet in jouw klas.
-Ach wel nee, die blagen. Wees maar niet ongerust hoor, ik heb geen haast. -Die nacht, toen je vader door dat meisje werd thuisgebracht, merkte ik al, dat je veel meer wist dan ik vermoedde. Sinds die tijd loop ik rond met het voornemen om er met je over te praten, maar ik stelde het telkens uit. Ik durfde niet. Diezelfde nacht heb je je ook erg oneerbiedig over je vader uitgelaten en zojuist sprak je weer laagdunkend over hem. 115
Hield je niet van hem?
-Ach jawel, maar niet om de gillen. Hij stond mijlen ver weg met zijn gepreek en geteem over de bijbel. En U deed braaf mee. Wat heb je daaraan als kind? Toen ik klein was, dacht ik dat het zo hoort, maar later vond ik het niet om uit te houden. Ik ben echt blij, dat U zo veranderd bent, dat Theo gekomen is. En U hebt hem eerst zo achter z'n vodden gezeten. Poor Teddy.
Mevrouw Bloeme glimlachte verlegen.
-Daar zit ik nu en m'n dochter leest me de les.
-Dat is niet waar. Ik vind het fijn, dat we eindelijk eens openhartig samen gepraat hebben. Nu heb ik een echte moeder.
De laatste woorden vertederden Carla zo, dat zij ervan bloosde.
-Een echte vader heb je dus nooit gehad?
-Neen, alleen een dominee.
-Hoe vind je de tegenwoordige?
-Die ken ik niet; ik kom nooit in de kerk. Daar heb ik goed m'n buik van vol. Zondags moet ik U helpen en kan dus niet naar de kerk gaan. Maar wij lezen vaders ouwe preken.
-Wat zeg je me nou?
-We moeten toch wat doen.
Mevrouw Bloeme lachte vrij uit.
-Hoe verzin je het?
-Er wordt genoeg gekletst.
-Heb je iets gehoord?
-Ja, maar laten we daarover nu niet gaan praten, het is niet de moeite waard. Het gaat niemand aan wat wij doen.
Op dat moment kwam Theo binnen.
-Stoor ik?
-Neen ik, antwoordde Lisa, gaf haar moeder een zoen en verdween.

---