Infor-
matie.

Tweede Bedrijf Speelt een half jaar later. Het toneel stelt de kamer van Madeleine voor ten huize van de dokter. Aan de achterwand een boekenkast, rechts daarvan, vanuit de zaal gezien de deur. In de achterste helft der kamer, naar het midden toe staat een schrijfbureau, waarachter een bureaustoel. Langs de linkerwand een divan, aan welks voeteneinde een tafeltje met radiotoestel. In de rechterwand een groot venster. Aan dezelfde kant op de voorgrond, iets naar rechts, een tafel met drie gemakkelijke stoelen. Als het doek opgaat, zit Madeleine aan het tafeltje, waarop een paar boeken. Zij heeft een boek op schoot en leest erin. Naast haar op de grond staan twee bierflessen, waarvan n leeg. Op het tafeltje een half leeg gedronken glas. Het is middag. (Er wordt geklopt) M. (zonder op te zien) - Binnen! (Frits de Hoogh komt op en gaat naar haar toe.) Frits - Hallo! Madeleine, stoor ik? M. - Ja, maar dat hindert niet; ga zitten. Frits - Drink jij bier, zo maar in je eentje? M. - Zoals je ziet. Ik heb dorst en kan trouwens de hele dag wel bier drinken. Wil je ook? Haal dan een glas of drink uit de fles. (Zij reikt hem het volle flesje, maar hij bedankt.) Frits - Neen, merci. Ik wou wat met je bepraten, wanneer wij tenminste niet gestoord kunnen worden. M. - Is 't zo geheimzinnig? Gestoord zullen we wel niet worden, want de dokter is niet thuis en zijn vrouw is op reis. De dokter is onver- wacht weggeroepen en zit nu achter een jongeling aan, die er met een vrouw van in de veertig vandoor is en met zelfmoord dreigt, wanneer hij niet onmiddellijk toestemming krijgt om met haar te trouwen. Hij is twintig. Frits - Wat een idioot. M. - Ach, waarom? Frits - Een vrouw van in de veertig - ze kon z'n moeder zijn. M. - Zoiets zal het ook wel wezen. Frits - Zou jij er met mij vandoor willen gaan? M. - Geen haar op m'n hoofd, dat er aan denkt. Frits - (Lachend) - Goed! Dat dus niet. Maar serieus - zou jij met me willen trouwen? M. - Je dreigt toch niet met zelfmoord, h? Frits - Wees maar niet bang. M. - Goddank! Want ik wil het niet. Frits - O! -24- (Er valt een zwijgen, dat door Frits verbroken wordt.) Frits - Je snapt natuurlijk wel, dat ik over de toekomst spreek en niet over nu. Wij zijn nog een beetje jong. M. - Waarom kom je dan nu al met je voorstel? Frits - Omdat ik van je houd. M. - En weet je zeker, dat dat in de toekomst ook nog het geval zal zijn? Frits - Ja, dat weet ik heel zeker. M. - Kunnen we niet over iets anders praten? Frits - Natuurlijk, maar ik wil graag, dat je aanneemt, dat ik maar niet zo wat zei. M. - Neen, natuurlijk niet. Een huwelijk is niet zo maar wat. Maar ik heb geen zin om er over te praten, want ik heb geen trouwplannen. Frits - Wil je jongejuffrouw worden? M. - Niks hoor. Frits - Ook dat niet, maar hoe dan ook, ik kom in elk geval niet in aanmerking. M. - Ik vind je vervelend. Hoe kom je zo plotseling op dat onderwerp? Frits - Het is helemaal niet zo plotseling bij me opgekomen, maar lang- zamerhand. Geen van de meisjes, die ik ken, kan aan jou tippen. Ik houd heus ontzettend veel van je, Madeleine. M. - Ach, Fritslief, laten we alsjeblieft over wat anders praten. (Zij verandert plotseling van toon.) - Neen, t'is beter, dat we het even af- handelen. Kijk jongen, ik vind de liefde op het ogenblik minder belang- rijk dan mijn werk. Je moet aannemen, dat ik volkomen ernstig ben, als ik zeg, dat ik kinderarts wil worden en zijn. Of ik ook nog eens trouw, is een kwestie, die ik later wel zal bekijken, maar voorlopig neem ik het zelfs niet in overweging. Je bent een lieve jongen, maar je had me evengoed kunnen vragen of ik de Mount Everest met je beklimmen wil. Dan zou ik ook neen gezegd hebben. En laten we het hier bij laten. Accoord? Frits - Allright! (Hij is zichtbaar teleurgesteld.) - Wat doe je ver- der vandaag? M. - Werken. Frits - Vanavond ook? M. - Gedeeltelijk en verder ga ik met de dokter naar de bioscoop. Frits - Je gaat veel met hem uit, h? M. - Niet zo bar, hij heeft weinig tijd. Frits - Jullie verhouding is erg merkwaardig. M. - Geen commentaar! Toe nu - niet naar doen. -25- (De deur wordt opengeworpen en Henri van Doorn komt binnenstormen. Hij is fors, groot, blond, welbespraakt, slordig gekleed.) Henri - hallo lui! Reuzennieuws. Ik zag de dokter met Oscar; Hij heeft hem meegekregen. Straks tranenrijke ouders plus verzoeningsfeest met wijn en veel gelieve-jongen. M. - Dus geen zelfmoord. Frits (tot M.) - Was dat die jongeling met de bloem van veertig? (M. knikt bevestigend en schenkt zich opnieuw een glas bier in.) Henri - Ben jij een stille drinker geworden? Gelijk heb je. Eet, drink en vrij, desnoods met een vrouw van veertig, maar zorg ervoor altijd vergif bij de hand te hebben. Frits - Leuke levensbeschouwing hou jij er op na. Henri - Leuk? Neen, practisch: Ik heb best pleizier in m'n leven, hoor, o ja, en ik doe graag mee, maar onder voorwaarde, dat ik kan blijven eten, drinken en vrijen. Frits - Neem me niet kwalijk, maar ik vind je gedaas niet erg heldhaftig. Henri - Zoals je wilt. Verschil van standpunt. M. - (tot Frits) - Ik ben het niet men Henri's opvatting eens, maar ik kan me zijn redenering wel indenken en ik vind hem erg dapper. (tot Henri) - Je bent vier en twintig, nietwaar? Henri - Ja, mevrouw, bijna een kwartje. Frits - (tot M.) - En, wat zou dat? M. - (tot Frits) - Dat zou dit - dat je moed moet hebben om er op je vier en twintigste uit te durven stappen. Henri - Alsjeblieft geen gefilosofeer over moed en dapperheid. Jullie mogen me een held noemen of een lafbek, naar verkiezing. (tot M.) - Zeg, Madeleine, ik heb twee plaatsen voor de schouwburg van- avond - gekregen hoor van een vriend, die er heen zou gaan met zijn geliefde, maar met griep ligt. Zullen we samen gaan? M. - Ik kan vanavond niet. Frits - Zij gaat met de dokter uit en die gaat voor alles. Henri (tot Frits) - Man, doe niet zo zuur. (Tot M.) - Dus niet. Jammer. M. (tot Henri) - Neem Frits maar mee. Henri - Die is me te zuur en bovendien geef ik de voorkeur aan vrouwe- lijk gezelschap. Ik zou Marie Louise kunnen vragen. M. - Die is de stad uit tot Donderdag. Henri - Dus ook niet. (Tot Frits) - Nou, ga jij dan maar mee. Frits - Merci! -26- Henri (tot Frits) - Beledigd? (Tot M.) - Drink niet teveel bier, dan word je dik en je figuur is nu aanbiddelijk. Maar zeg eens, heb je nog meer bier in huis? M. - Dat weet ik niet, ik zal even vragen. (Af.) Henri - Wat is er met jou aan de hand? Frits - Niks bijzonders. Henri - Je trekt een gezicht als een oorwurm en dat bij zo'n juweel van een vrouw. Frits - Ben je verliefd op haar? Ze is vrij hoor, maar ik geef je wei- nig kans. Zij wordt arts, kinderarts! Henri - Arme ziel! Een blauwtje gelopen. Dat spijt me voor je, maar niet voor Madeleine. Ik kan me voostellen, dat je verliefd op 'r bent; ze is mooi en verrekt interessant. Ik ben geen concurrent, hoor. Trouwen? Neen, merci, niet met haar en niet met een ander. Een vrouw, kinderen, vuile luiers en vandaag of morgen de grote kladderadatsch. Dank je vrindelijk - ik doe niet mee. Frits - Ben je ook al van plan om levenslang vrijgezel te blijven? Henri - Levenslang? Hoe lang is dat? (Madeleine komt binnen met een actetas, waarin bierflessen en glazen.) Henri - Hoera! Mijn keel is droog van het zwammen. Frits is zo spraak- zaam als een stervende roodhuid, maar wt hij zegt, is goud waard. Frits - Ach stik! (M. maakt een paar flesjes open en vult de glazen, ook een voor Frits.) Henri- Prosit! (Hij drinkt zijn glas ongeveer half leeg) - zeg lui, ik heb een club opgericht, dat weten jullie nog niet maar jullie moeten er lid van worden. Frits - Wat voor een club? Henri - De Drakendoders. Het Doel? Genadeloze strijd tegen alle schijn- heilige huisjes en alle aftandse leuzen. Iedereen zwetst over per- soonlijke vrijheid en wat we daar allemaal niet voor over moeten heb- ben, maar nauwelijks ben je geboren of ze beginnen je een geweten aan te praten. Als je maar doet wat zij zeggen, dan doe je goed. Ze kunnen barsten. Ik wil geen geweten van wie dan ook hebben en ik vertik 't om me voor het karretje van een stel oude knarren, demogagen en andere zwendelaars te laten spannen, al trekken die lui een smoel of ze onze lieve heer zelf zijn. Ik wil zelf uitmaken wat goed is. Doen jullie mee? -27- Frits - Je vader zal wel blij zijn met je club. Henri - Hij briest! Heel z'n kolonelsgewichtigheid is in het gedrang. Hij heeft al gezegd, dat hij ontslag uit dienst zal moeten nemen, als ik er mee doorga. Frits - En? Henri - Wat en? Dat moet hij toch weten. Wij zijn twee zelfstandige mensen; hij betaalt niet eens m'n studie. Frits - Wil je ouwe heer dat niet? Henri - O jawel, maar ik wil het niet. M. - Vertel eens van je Drakendoders. Henri - Er is verder niet veel te vertellen. Wie lid wordt, verplicht zich om het doel van de club vrijwillig zo nodig door daden te be- vestigen - een soort dienstweigering in het civiele. Frits - Over dienstweigering gesproken - moet jij nooit in militaire dienst? Ik ben afgekeurd, omdat mijn longen niet zo best zijn. Het is geen t.b. hoor, maar ze zijn niet van de bovenste plank. Maar jij - beer! Henri - Ook afgekeurd! Had je nooit gedacht, h? Wegens psychische ongeschiktheid. Ik ben te volgzaam. De ouwe heer is er weken lang van in de put geweest; hij schaamde zich dood voor zijn zoon. Toch heeft ie nog geboft en dat heb ik hem ook gezegd, want als ik was goedgekeurd, was ik 'm gesmeerd naar het buitenland - en dat zou zijn dood geweest zijn. Frits - Zou je het dan toch gedaan hebben? Henri - Ja! Maar vooruit, zeg op, word je lid of niet - en jij, Made- leine? Frits - (tot M.) - Wat denk je, Madelein? M. - Dat moet ieder voor zichzelf uitmaken. Ik wil wel lid worden, Henri, maar verwacht van mij niets opzienbarends. Ik ben zo vrij als een vis in het water en heb met niemand rekening te houden. Henri - Des te beter. En jij, Frits? Frits - Schrijf maar op. Henri - Zeg lui, we moeten ook een blad gaan uitgeven. (Tot M.) Zou de dokter daar de redactie van willen nemen? M. - (na enig nadenken) - Ik denk van niet en ik zou het hem ook niet durven aanraden. Hij wordt toch als zo becritiseerd van verschillende kanten, omdat hij altijd onze partij kiest. Henri - Onze! Wat is onze? M. - De jongeren. En als hij nu aan de spits gaat staan van jouw Dra- kendodersbeweging, ben ik bang, dat hij veel invloed verliezen zal. Henri - Dus jij capituleert voor de publieke opinie? -28- M. - Hij is geen man, die capituleert. Hij heeft het moeilijk genoeg, maar hij moet zich mijns inziens niet nodeloos kwetsbaar maken, want dat kan alleen maar nadelig voor ons zijn. Er moet niet gezegd kunnen worden, dat hij partijdig is. Frits - Je zegt anders zlf, dat hij altijd onze partij kiest. M. - Bij wijze van spreken. Maar jij weet even goed als ik, dat hij heel objectief is. Hij kan het niet helpen, dat de meeste en de groot- ste fouten gewoonlijk niet bij ons liggen. Henri - Dus de dokter zou van partijdigheid beschuldigd worden, als hij de redactie nam. Wel alle donders! De hele wereld stinkt van par- tijdigheid en partijschappen, die elkaar het liefst vermoorden, maar als jouw dokter ervan beschuldigd zou worden, zouden ze hem daarmee de nek omdraaien. Wat een tuig! 't Is altijd nog erger dan je denkt. Frits - Hoeveel kost dat lidmaatschap? Henri - Wat je te missen hebt. Ik verzamel geld voor het blad, zie je. Verder is er niets nodig. Frits - (haalt zijn portefeuille te voorschijn en geeft hem een biljet van vijf en twintig gulden) - Neem dit voorlopig maar. Henri - (enthousiast) - Merci! M. - Ik heb op het ogenblik niets. Zodra ik mijn maandgeld krijg, zal ik je wat geven, maar geen vijf en twintig gulden, want zoveel kan ik niet missen. Henri - Een riks is ook goed, of niets, als je het niet hebt. Ik heb in de eerste plaats lui nodig, die voor hun eigen overtuiging durven op- komen en die niet ergens een tweedehands-overtuiging met bijpassend geweten hebben opgeduikeld. Frits - Ik had niet het flauwste vermoeden, dat jij je druk zou maken voor dergelijke dingen, Je bent zo'n reuzen zwetsmajoor - net een elektrische gramofoon met automatische platenwisselaar. Jij kunt de indruk maken van een volmaakte leeghoofd. Henri - Dank je voor je complimenteuze woorden. Ja zeker complimenteus, want per slot van rekening vertel je me, dat ik meeval. Kletsen is ook een houding. Frits - Je kunt er zo fijn achter wegschuilen, wat? Of vergis ik me? Henri (tot M.) - Zo zie je, Madaleine, hoe goed jij en ik bij elkaar passen - de volmaakte tegenstelling, de Zwijgster en de Zwetser. Maar laten we het over de club hebben. Ik wil een stelletje leden bij el- kaar roepen om een plan op te zetten voor een georganiseerde propa- gandacampagne. -29- Frits - Wie had je alzo in gedachte? Henri - Jou natuurlijk en Madeleine en ... M. (interrumpeert) - Wat wil je met mij beginnen als propagandiste? Henri - Gelijk heb je. Goed, jij dus niet. Marie Louise? M. - Die is er geknipt voor. Henri - Yvonne Hasselaar! War denken jullie? Frits - Die opgebleekte blonde! Mooi kind, maar net speelgoed. Ken jij haar ook, Madeleine? M. - Nooit gezien. Henri - Ze heeft een heel klein stemmetje, waarmee ze vrijwel ieder- een van de sokken praat. Frits - Behalve d'r ouwe heer. Henri - Ik praat over mensen. Die vent is geen mens en ook geen dier. Een brulboei. Als ik zo'n vader had, sloeg ik hem dood - er zijn gren- zen. Frits - Een beetje sterk gezegd, vind je niet? Henri - Ja erg sterk, maar ik kan dat soort lui niet luchten of zien; ik kan ze wel in een hoek trappen. Frits - Eert Uw vader en Uw moeder. Henri - Als er wat aan te eren valt, maar laten we verder gaan. (tot Frits) - Jij dus, Yvonne, Marie louise, ik ... wacht eens, Hans Heyblom. reuzen geschikt type, net als zijn ouwe heer. Die twee kan je samen uit vissen sturen. Zijn vader is Indisch ambtenaar geweest en op dood spoor gerangeerd. Hij vond, dat inlanders - weet je nog? - de inlanders, zo heetten de Indonesirs vroeger en dat had zo onge- veer dezelfde betekenis als de bavianen - nou goed, die inlanders dan - de ouwe Heyblom vond, dat dat precies zulke mensen zijn als wij. Hij had nogal veel op men Multatuli. Nu is hij gepensioneerd. Een mieterse kerel. M. - Kan je men niet eens aan hem voorstellen? Henri - Natuurlijk, ga maar eens een keer mee. Maar eerst die vergade- ring. Kom jij toch ook maar, Madeleine. M. - Neem liever een betere. Henri - Laten we dan hier op jouw kamer bij elkaar komen; ik heb je er graag bij vanwege je morele overwicht. M. - Waarin zit dat morele overwicht. Henri - Dat weet ik niet, kan ik niet zeggen, maar het is zo. En dan is er natuurlijk je relatie met de dokter. M. (denkt na) - Hm. Goed. Kom dan maar hier. Henri - Wanneer? Morgenavond? -30- M. - Accoord. Henri - (tot Frits) - Jij komt ook? Maar ho! Stop! Marie Louise is er niet. (tot M.) - Donderdag komt ze terug? M. - Ja! N - Dan Donderdagavond, dus overmorgen. Zorg jij ervoor, dat ze present is, Madeleine? Frits - (tot M.) - Donderdagavond, schikt dat? M. - Ja, uitstekend. Ik verwacht jullie allemaal. Frits - (opgewekt) - goed, prachtig. Henri - Mieters. Ik smeer 'em. Ga je mee Frits? Frits (tot Henri) - Als je nog een ogenblikje tijd hebt, zou ik je wat willen vragen, als Madeleine het tenminste goed vindt, dat we nog even blijven. (M. knikt toestemmend.) Henri - Wat heb je op 't hart? Frits - Jouw levensbeschouwing, die zo hard is als een keisteen, zelfs als je over je vader praat. Je zou je zin doorzetten, ook al zou het hem het leven kosten - tenminste dat meen ik begrepen te hebben. Henri - Dat heb je heel goed begrepen, Maar 't is niet zozeer mijn zin doorzetten als wel mijn recht opeisen. Hij heeft niet meer recht dan ik. En verder staan we quitte, hij en ik. Als hij zijn wil doorzet, kost 't mij het leven. Je denkt natuurlijk, dat het opschepperij van me is, wat ik zei van vergif bij de hand hebben, maar je vergist je. Frits - Wat bedoel je met - als hij zijn wil doorzet. Henri - oorlog, dictatuur, onverschillig van wie, en dergelijke lief- lijkheden. Frits - maar ... Henri - (interrumpeert) - Niks maar. Wie trekken aan de touwtjes! Wij zker niet! En zij weten alles beter. Kijk maar om je heen. Onschul- dige lammetjes zijn ze, ongelofelijk onschuldig. Nooit hebben ze iets kwaads bedoeld, nooit van z'n leven. Allemaal even braaf en de wijs- heid in pacht. (Hij zwijgt even en vervolgt dan.) - Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Maar mij hebben ze niet. Niemand zal me hebben - zelfs geen vrouw. Frits - Bang voor vrouwen? Henri - Neen, o neen, Je denkt toch niet, dat ik bang ben voor jou, h Madeleine? Geen sprake van, hoor. M. - Wat klets je dan van 'zelfs geen vrouw'? -31- Henri - Ik klets niet. Een vrouw, kinderen, levenslange dienstplicht voor allebei - merci! Frits - Wat wil jij dan? Vrije liefde of zoiets? Henri - Praat me niet over liefde, j; alles boeken taal; kijk maar om je heen. Verliefd, verloofd, getrouwd - - en dan? Stel je voor, dat je je hele leven met een en dezelfde vrouw in n huis moet zitten, of een vrouw altijd met die ene man. Om slaap van te krijgen. Neem me niet kwalijk, Madeleine, maar zelfs met jou zou ik het niet uithouden. Frits - Polygamie? Henri - Onzin! Maar dat huis moet weg, dat ene gezamentlijke huis. Daar zou ik gek van worden. Dat huis zie je - dat is het hebben. Zeg, Madeleine, ik zie jou en mij al levenslng hebben in een hutje op de hei. M. - Ik zou meteen weglopen. Henri -Ieder een kant op - en dan de hele wereld rond, zodat je me- kaar tenslotte weer tegen het lijf loopt. Frits - En in die tussentijd? Henri - Wat? Frits - Je bent toch niet achterlijk? Henri - O, bedoel je dat? Zo nu en dan een bloemetje plukken? Ja, ja. Maar jij gelooft toch in de liefde? Als jij Madeleine tegen het lijf zou lopen na je wereldreis, wat zou je dan doen - in de lucht spring- en van louter vreugde of vragen - zeg, jongedame, vertel eens op, wat heb je in die tussentijd uitgevoerd? Frits - Ik zou 't beroerd vinden, als .. eh .. Henri - Present, kolenel! En doe mijn groeten aan de liefde. Ik geef toe, dat ik er niets van af weet, van liefde, maar ik stel me voor, dat je - als je van een vrouw houdt - nog tegen haar glimlacht, wan- neer ze je de keel afsnijdt. Maar misschien vergis ik me. Frits - (tot M.) - Zeg jij ook eens wat, Madeleine. Jij bent een vrouw. M. - Wat moet ik zeggen? Dat Henri gelijk heeft of ongelijk? Liefde is mijns inziens het meest misbruikte woord. En het huwelijk? Ik ge- loof, dat dat de zwaarste opgave is in een mensenleven. Maar zeker is, dat vrijwel niemand, die trouwt, daaraan denkt. Wat ik gezien heb, is dat het hutje op de hei al heel gauw een onbewoonbare woning wordt. Frits - Wat zegt de dokter ervan? M. - De dokter? Ik geloof, dat ik hem de keel zou kunnen afsnijden -32- en dat hij dan nog zou glimlachen. Frits - En ik dacht, dat ... Maar tussen jou en de dokter bestaan toch geen liefdesbetrekkingen? M. (kijkt hem heel ernstig aan) - Niet? Henri - Man, doe niet zo raar. Je lijdt aan begripsverenging. Jij praat toch over liefde met de grote L. Of denk je aan wat anders? Vroeger waren de lui in dat opzicht nogal eerlijk. Toen kocht een vrouw een man met een bruidschat en dat noemden ze liefde. Nog vroeger was het andersom. Veehandel! Frits - Wat ga jij toch altijd tekeer? Henri - Dat zegt de kolonel ook. Frits - Waarom praat je aldoor over de kolonel in plaats van over "m'n vader"? Henri - Die spreek ik zelden; meestal is de kolonel aan 't woord. Frits - Hou je niet van je vader? Henri - Wis en waarachtig! Maar de kolonel kan me gestolen worden. Frits - Weet hij dat? Henri - Reken maar. Hij weet het al vanaf mijn twaalfde, dertiende jaar. In 't begin geloofde hij toen nog in de alleenzaligmakende werking der discipline, maar sinds ik hem op m'n zeventiende door de serredeuren geslagen heb, heeft hij ook dat middel opgegeven. (Frits kijkt een beetje schuw naar hem.) Frits - Dat zou ik nooit gedurfd hebben. M. - Jij bent Henri niet. Frits (tot M.) - Zou jij zoiets durven doen? M. - Voor mij geldt hetzelfde - ik ben Henri niet. En bovendien kan ik me mijzelf moeilijk voorstellen bezig met mijn vader door de serre- deuren te slaan, maar ik ben op een andere manier niet gemakkelijk geweest. (Zij verzinkt even in gedachten en vervolgt dan.) - De ver- gelijking tussen Henri en mij gaat overigens niet op. Tussen mensen gaat nooit een vergelijking op. Henri - Daarom is het zo'n onzin, dat je altijd te horen krijgt: Neem een voorbeeld aan die of die. M. - Dat hangt er van af, hoe je die les ter harte neemt. Jij hebt een voorbeeld genomen aan de kolonel - hoe je 't niet moet doen. Henri - O juist. Jij zou voor advocaat moeten studeren. M. - Laat me maar studeren, wat ik zelf wil. Frits - Dat zou ik ook wel willen. M. - Daar zullen we het nu niet over hebben. Heb je nog meer te bepraten -33- Frits - Neen! (Tot Henri) - We zullen maar gaan, vind je niet. Henri (opstaande) - uitstekend M. - Dan ga ik nog wat werken. Frits - Doe dat. We hebben je lang genoeg opgehouden. Tot Donderdag, Madeleine, en bedankt voor je bier. Henri (tot M.) Dito. Donderdagavond bier na afloop. Goed? M. - Dat wordt me te duur en bovendien weet ik niet of de andere meisjes bier drinken. Henri - Dan drinken wij het op; geef ze maar wat anders. M. - Zeg, ik ben geen millionnair. Frits - Ik zorg wel voor bier en de rest. Laat maar aan mij over. Bye bye, Madeleine. Henri - Goodbye, dark flower. Beiden af. Als zij vertrokken zijn, neemt Madeleine weer plaats en hervat haar door het bezoek onderbroken lectuur, maar zij is nauwelijks begonnen, of Henri verschijnt opnieuw ten tonele, vergezeld door een jonge vrouw van omstreeks dertig jaar, gekleed in een tailor made. Madeleine kijkt ontstemd op, wanneer er geklopt wordt, maar haar hou- ding verandert, als zij de jonge vrouw - Julie Margot - ziet. Julie Margot - Dag Madeleine. Ik kwam Henri op de gang tegen en heb hem meegenomen, want ik moet iets met je bespreken, waar ik hem wel bij gebruiken kan. Henri - Zo zie je Madeleine, dat ik zelfs voor vrouwen bruikbaar ben. M. - Is Frits weggegaan? Julie - Die jongen, die bij Henri was? Ja, die ken ik niet en bovendien lijkt hij me nog wel wat erg jong. M. - Dat is hij ook. Henri - Ik denk, dat ik mijn baard laat staan. Julie - Wil je zo vriendelijk zijn ernstig te wezen. Ik heb je mee- genomen, omdat ik .... maar dat merk je wel. 't Was puur toeval, dat ik je zag, maar ik geloof, dat het toeval vaak niet helemaal toeval- lig is. Henri - Je wist dus, dat ik hier was. Ach zo - dan loop je me dus achterna. Julie - Precies! en hou je mond. (tot M.) - Madeleine, het is mis, tenminste dat geloof ik wel. M. - Wat is mis? Julie - Mijn huwelijksplannen. -34- M. - Hoe dan? Jullie houden zoveel van elkaar? Julie - Dat dacht ik ook. Henri - L'amour toujours l'amour. Julie - (tot Henri) - Hou je mond en wees alsjeblieft ernstig. (Tot M.) Ik dacht echt, dat John van me hield en hij bezweert me nog elk ogenblik, dat hij gek op me is, maar nu wil hij plotseling, dat ik mijn kind hier laat en dat vind ik verschrikkelijk. M. - Welke reden geeft hij daarvoor op? Julie - Zijn moeder. 't Is zoals hij zegt, al erg genoeg voor haar, dat ik ouder ben dan hij - je weet dat hij amper vijf en twintig is - maar als ik nu nog met een kind aankom en dan nog wel een onwettig, dan staat zij op haar achterbenen. Henri - Heeft ze nog andere? Julie - Henri, ik smeek je, wees serieus, anders kan je beter weggaan, maar ik heb liever dat je blijft. Henri - Mag ik weten waarom? Want je vraagt het beslist niet vanwege mijn aanminnige persoon. Julie - Omdat ik John hier verwacht. Henri - En? Julie - Ik ben bang. Henri - Voor John? Maar voor den duivel - enfin, ga maar door. Zeg alleen even of ik hem eventueel in puin moet slaan. Julie - Je mag hem geen kwaad doen. Henri - O juist. Goed dat je het van te voren zegt, want ik heb iets tegen moederszoontjes. M. - Is hij dan zo erg, Julie? Julie - Het lijkt er veel op. Omdat zijn moeder mij niet zou accep- teren, als zij het zou weten, wil hij, dat ik afstand doe van het kind. M. - Hij houdt dus niet van je, want dat kind - dat ben jij toch ook. Julie - Hij gneert er zich voor, denk ik. Henri - 't Burgermannetje, de monopolist! Wat een idioot! Je hbt dat kind toch. Julie - Maar hij wil het niet weten voor zijn moeder. Henri - Brengt ze hem 's avonds naar bed en trekt ze dan z'n hansop aan? Wat snoezig. Julie - Ach! Hou toch je mond en scheld niet direct zo. Hij is heus erg flink; vraag maar aan wie je wilt. Henri - Aan zijn moeder. M. - Is hij nog altijd bij de luchtmacht? Julie - Ja, maar hij gaat nu terug naar Amerika; maar we zouden eerst -35- trouwen en nu opeens dit. Henri - Is hij op het ogenblik hier? Julie - Ja, met verlof. Henri - Dan zal hij alleen maar zijn moesje terug moeten. Conflict tussen twee mama's, die allebei om hun zoontje vechten. Maar vertel eens, Julie, waarom verwacht je hem hier? Weet hij dat je hier bent? Julie - Ik ben weggelopen en heb gezegd, dat ik naar Madeleine ging om 't haar te vertellen. Hij was woedend. M. - Waarom? Julie - (een beetje verlegen) - Hij heeft iets tegen je; ik geloof, dat hij een beetje bang voor je is. Henri - Voor Medeleine? Wie voor den duivel is er nu bang voor Ma- deleine? Een engel in mensengedaante. Ik zou zelfs 's nachts niet bang voor haar zijn. Julie - Je moet niet overdrijven, Henri. Hij loopt niet voor haar weg. Henri - O! dat toch niet. Hij is alleen maar een beetje bang. Blijk- baar een slecht geweten. Julie - Meen je dat? Henri - Ja! Julie - Ik weet nooit of jij de boel voor de gek houdt, of niet. M. - Hij is serieuzer dan hij zich voordoet, maar ik begrijp niet, dat John bang voor me is. Julie - Voor je invloed op mij. Hij weet natuurlijk heel goed, dat jij zegt, dat ik onder die voorwaarde niet met hem mee moet gaan. Henri - Je kunt hem uit mijn naam zeggen, dat ik hem volkomen gelijk geef. Mijn grootvader vond ook ongehuwde moeders verdorven. Ik vind John's opvatting helemaal niet gek. Je moffelt het kind weg en zet tegelijkertijd de moeder overboord - die van het onwettige kind natuurlijk, niet je eigen moeder, want dat is een hoogst fatsoenlijk en presentabel mens - Eva met het trouwboekje bij wijze van vijge- blad. Die andere moeder met dat onechte kind is geen echte moeder, anders zou ze een echt kind hebben. Zo'n moeder is rommel, imitatie. De liefde van John is echt - wasechte fatsoenlijke stadhuisliefde. M. (tot Henri) - ben je klaar? Henri - Voorlopig wel. Ga je gang M. - Je moet natuurlijk niet met hem meegaan, want je kunt niet trou- wen met een man, die meer van zijn moeder houdt dan van zijn vrouw en z'n vrouw verloochent. (Julie huilt zachtjes.) Henri - Een huilende vrouw maakt me altijd beroerd. -36- M. - Dat is een mannenkwaal en dat weten alle vrouwen. Henri - Toch moet het een rare vrouw zijn, die mij naar het stad- huis huilt. M. - Vrouwen hebben meer verdriet, meer dan jullie. Julie - Ik heb al zoveel gehuild in m'n leven en ik vindt het zo naar om te huilen. Je wordt er zo vreselijk lelijk van. (Zij lacht door haar tranen heen.) Henri - Dan kan jij het niet. Sommige vrouwen staat 't wat goed. M. - Laat dat nu, Henri. (Tot Julie) - 't Is erg voor je, maar ik kan je toch geen andere raad geven dan hem los te laten. Julie - Dat zei John straks al - dat jij natuurlijk zou zeggen, dat ik niet mee moet gaan. Hij heeft erg onvriendelijke dingen over je gezegd. Ik zeg 't je nu maar vast, omdat hij elk ogenblik komen kan. Hij wou beslist niet, dat ik hierheen zou gaan. Ik wil niet, dat jul- lie over mij gaan zitten roddelen", zei hij. Henri - Zeg, propos, spreekt die Johannes van jou Hollands of niet? Julie - Ja, hij spreekt ook Hollands, alleen met een licht accent. Zijn ouders zijn immers Hollanders. Henri - Kauwgom-accent. Neem me niet kwalijk, dat ik even het juiste beeld kwijt was. Hij is, als ik het wel heb, je zesde of zevende ver- loofde en je derde aanstaande man. Julie - Jij noemt alles maar verloving. Henri - Zo gek ben ik niet. Maar ik zei het niet bij wijze van cri- tiek. De een heeft gauwer een ware Jozef te pakken dan de ander; voor mijn part werk je het hele alfabet af. Zoekt en gij zult vinden. Daar- om zoek ik niet. Julie - Ben jij zo'n vijand van 't huwelijk? Henri -Ik vind het een idioot instituut. (Er wordt geklopt; het dienstmeisje verschijnt en beduidt Madeleine dat zij iets te zeggen heeft. Madeleine gaat naar haar toe.) Het meisje - Er is een soldaat, juffrouw, die mevrouw (zij wijst naar Julie) komt halen, maar hij wil niet binnen komen. M. - Dan moet hij maar buiten wachten. Het meisje - Moet ik dat zeggen? M. - Ja! Het Meisje - Goed, juffrouw. (Af.) Henri. (tot Julie) - John staat buiten; hij wil niet binnenkomen. (Julie schrikt en wordt zenuwachtig.) M. - Ik heb laten zeggen, dat hij dan maar buiten moet wachten. Julie - Ja, maar ..... -37- Henri - (interrumpeert) - Niks maar; 't is hier geen besmet huis. Julie - (opgewonden tot M.) - Ik heb wel gelijk gehad, toen ik zei, dat hij komen zou. M. -Tot aan de voordeur! Verwachtte je dat ook? Julie - Neen - ik weet niet - hij wil niet, dat ik met je praat. Henri - Vroeger zei de kolonel altijd tegen me "jouw wil staat ach- ter de deur op een bezemsteel". Wat die bezemsteel ermee te maken had, begreep ik niet, want volgens mij 'hoorde die bij heksen, en wat je ook van me zeggen kunt, beslist niet, dat ik een heks ben. Misschien zit John's wil er nu op, op zo'n steel, omdat hij achter de deur blijft. Julie - Vertel toch niet allerlei onzin. Wat moet ik doen? M. - Hier blijven. Vertel maar verder. Julie - Wat? Ik heb alles verteld. Jij vindt dus, dat ik niet mee moet gaan. Ik vind het gemeen van hem zo gemeen (zij begint weer te huilen) - 't is toch mijn kindje. (M. staat op om haar te troosten, waarbij zij met de rug naar de deur staat. Deze wordt door het dienstmeisje geopend en John treedt binnen. Hij is niet bijzonder groot en gekleed in het uniform van een officier van de Amerikaanse luchtmacht. Henri kijkt strak naar hem als hij binnen- komt. Madeleine kijkt naar hem om zonder Jullie los te laten. Vervol- gens keert zij zich naar John en blijft a.h.w. beschermend tussen hem en Julie staan.) John - Ik kom Julie halen. (Julie maakt een schrikbeweging als zij zijn stem hoort.) M. - Gaat U zitten, zij kan zo niet mee. John - Waarom niet? M. - Omdat ze gehuild heeft; dat gaat de buitenwereld niet aan. John - Laat ze die tranen dan maar wegvegen. M. - Gaat U zitten alstublieft. John - (blijft staan. Tot Julie) - Zeg, Julie, ben je van plan om mee te gaan of niet? Henri - (die hem voortdurend heeft aangekeken) - Ga zitten! John - (negeert hem. Tot Julie) - Heb je me niet verstaan, Julie? Ik vraag je of je meegaat. Henri - Zeg, hemelridder, je bent hier in Europa, gedraag je een beetje Europees; je weet wel h - oude cultuur, beschaving en zo, wat jullie daarginds allemaal zo graag willen verdedigen. John - Ik spreek niet tegen U. Henri - Dat is ook niet nodig, als je maar gaat zitten. M. (tot John) - U moet buiten wachten of doen wat ik zeg. Ik kan niet toelaten, dat U Julie nog nerveuzer maakt. John - (neemt plaats in de bureaustoel) - Ik vermoed, dat U haar nerveus -38- maak. Zij kan haar zaken met mij bespreken. M. -Zij mag ze bespreken met wie ze wil. Julie - (tot John) - Wij zijn uitgepraat; ik ga niet mee naar Amerika; ik geef mijn kind niet op. John - Dus zoveel hou je niet van me. Julie - Je weet heel goed, dat ik van je houd, maar jij niet van mij, anders zou je 't kind accepteren. John - Nonsens! Ik wil met je trouwen ondanks dat kind, maar ik wil ook, dat je een nieuw leven begint met een schone lei. (tot Henri) - Ik weet niet of dat Amerikaans is of Europees. Henri - Europees! Negentiende eeuw. Lopen jullie daarginds allemaal zo achter? John - U bent zeker erg anti-Amerikans. Henri - Neen, anti-negentiende eeuws; die was door en door verrot van schijnheiligheid. John - Dus U vindt mij schijnheilig? Henri - Ja! Of U houdt van Julie, zoals ze is, of U houdt niet van haar, maar U praat niet van schone leien. John -Wat is er dan op tegen, dat ze haar verleden in Europa laat? Henri - Dat ze het er niet laten kan, ook al zou zij haar kind hier achterlaten. En dat weet U even goed als ik, maar U durft niet met zo'n vrouw aan te komen. John - Ik zou het zeker niet prettig vinden, als mijn ouders hier van wisten. Henri - Wie van de twee - vader of moeder? John - Allebei, maar natuurlijk in de eerste plaats mijn moeder. Het zou hoogst pijnlijk voor haar zijn, want dergelijke dingen liggen ge- heel buiten haar gezichtskring. Henri - Dan wordt 't tijd, dat U ze binnen die gezichtskring brengt en dat U ophoudt haar te bezwendelen. John - (kwaad) - Wat bedoelt U daarmee? Henri - U hebt natuurlijk naar huis geschreven, dat U een vrouw mee- brengt, maar niet dat die vrouw een kind heeft van een andere man. Dat noem ik zwendel. John - Ik wil mijn moeder geen verdriet doen. Henri - Neen! U doet Julie liever verdriet; dat is natuurlijk lang zo erg niet. John - Wie maakte de fout? Zij of mijn moeder? Henri - Heeft Uw moeder nooit een fout gemaakt? Julie - Niet z een. -39- Henri - Hoe weet U dat? John (springt overeind) - Ik duldt niet, dat mijn moeder beledigd wordt, zij is een hoogst eerbare vrouw, waarop niets aan te merken valt. Henri - (tot Julie) - Je hoort het, Julie, jij bent oneerbaar en er is het een en ander op je aan te merken. Blijf maar hier in Europa, hoor meid, en laat die luchtheld vliegen, die held, die te laf is om voor zijn vrouw op te komen en die aan moeders rokken blijft hangen. Laat hem naar die hoogst eerbare vrouw gaan en hoogst oneerbaar stikken. M. (tot Henri) Kalm, Henri! Je maakt je veel te kwaad. Je vergeet dat deze meneer aan de Amerikaanse ziekte lijdt - moeder is alles. John (tot M.) - Is dat dan niet zo! M. Neen! John - Zo! Nu dan valt er verder niet te praten. Dat wist ik trouwens wel; daarom wou ik niet, dat Julie hierheen ging. M. Denkt U even na, Het kind van Julie heeft ook een moeder! John - Ach wat! Een kind van drie jaar. Als hij een goed tehuis krijgt, zal hij niet beter weten, dan dat die vrouw zijn moeder is. M. - Dan is een moeder ook niet veel zaaks. John - Pas als je ouder wordt, leer je je moeder waarderen. M. - U vergist U. John - Goed, dan vergis ik me. Maar het is nutteloos om nog langer te praten. (tot Julie) - Wat doe je, Julie, ga je mee, of is het uit? Julie - Uit! Ga maar alleen naar je moesje, die is toch alles voor je. John - Ik ben blij dat ik een moeder heb, want nu heb ik een thuis in de wereld. Henri - Als je daar zo'n behoefte aan hebt, zou ik er zelf een fabrieken; je hebt er de leeftijd voor. John - (tot Henri) - Bent U getrouwd? Henri - Neen, maar ik heb ook niet zo'n dringende behoefte aan een thuis. Maar als ik ooit trouw, neem ik een vrouw met zes onechte kin- deren van zes verschillende vaders. Keer terug tot uw moeder, lieve zoon, berg Uw hoofd in haar schoot en snik over de verdorvenheid ener oneerbare wereld. John - (tot Julie) - Dus je gaat niet mee? Julie - Neen! John - Adieu dan ! Het ga je goed. (Julie geeft geen antwoord; als hij vertrokken is, barst zij in tranen uit. John af.) M. (tot Henri) - Jij moet straks met haar meegaan. Het is niet goed, als ze nu alleen blijft. Pas maar een beetje op 'r en ga wat met haar -40- uit. Julie - Ik wil niemand zien, ik haat de mensen. M. - Dat heb ik ook gekend. Julie - Jij? Maar jij bent toch nooit door een man in de steek ge- laten voor zijn moeder. M. - Neen! Ik werd in de steek gelaten door een moeder voor haar man. Julie - (grijpt de hand van Madeleine en drukt die tegen haar wang) - Ik zal flink zijn; ik zal een voorbeeld aan jou nemen. Jij bent zo .... zo beheerst, zo zeker van jezelf, maar ik heb altijd iemand nodig, die me beschermt. Henri - Gelukkig! Ik zoek net een beschermeling. Laten we samen een borrel gaan drinken en - allemachtig, dat is waar ook - ik heb twee plaatsen voor de schouwburg; we gaan er een reuze avond van maken. Kop op, meid, je bent nog lang niet aan de Z toe. (Julie staat op en glimlacht.) (Julie tot Henri) - Ach idioot! (tot M.) - Dag madeleine. (Zij geeft M. een zoen op de wang) - Ik ben zo blij,dat ik jou heb. Eigenlijk ben ik slecht, want ik kom alleen als ik je nodig heb. M. - Doe maar; het is wel goed. (Tot Henri) - Pas goed op haar, wil je. Henri - Wees maar niet bang, hoor. Ik ben een oppassende jongen. (Julie en Henri af.) Madeleine alleen. Gaat op de divan liggen, rookt een cigaret. Het wordt schemerig. Zij draait de radio aan - eerst zachtjes, maar als zij hoort dat het de Vijfde van Beethoven is, draait zij hem harder en luistert aandachtig, op haar zij gekeerd, de ogen neerwaarts. Het doek zakt langzaam. -----