SYLLABUS 4. Cursus: Het ontwaken der mensheid. Er wordt veel gesproken over oer-monotheisme, maar dit is niet anders dan het veronderstellen van een onvoorstelbare geheimzinnige hoogste macht. De eerste hoedanigheid, die eraan wordt toegekend is het hermaphroditisme. De ritus beoogt de mens te binden aan een innerlijke orde. Het element der binding leidt tot verstarring. De dienaren van het verstarde beogen vanzelfsprekend de verstarring te doen voortbestaan. De landbouw - het zaaien - het manlijke (actieve) komt meer op de voorgrond. In MesopotamiŽ blijft de Grote Moeder (Innin) de overheer- sende figuur. Naast haar haar zoon Tammuz. (Hieruit ont- wikkelt zich later de Mithra-dienst.) In hun wisselwerking zijn zij de cirkelgang van het leven. Aegypte kent dit vanzelfsprekend ook, maar de invloed van de aanblik der woestijn op het denken, stelt het eeuwige leven hiernamaals meer centraal. Niet als cirkelgang. Egyptische levenswijsheid eiste bescheidenheid, zwijgen, zachtmoedigheid. MesopotamiŽ - oudste litteratuur: het Gilgamesch-epos. Enkidu (de paradijsmens) leeft met de dieren. Gilgamesch verleidt hem door een vrouw. De Joden schrijven het paradijsverhaal Ī 2000 j. later en brengen dan natuurlijk een manlijke god ten tonele, ter- wijl zij de vrouw tot het beginsel der zonde maken. De Joden blijven formeel (zij zijn het begin), onder- drukken het vrouwelijke, maar overwinnen de Grote Moeder niet. Het woord "paradijs" is babylonischr amÍluras - sa-par-di-su. In het Gilgamesch-epos heet Noach Ut-napischti. Ook hij laat een duif uitvliegen. Alles als in de bijbel. De held Gilgamesch zoekt het eeuwige leven. Omstreeks 2700 v.C. is er in MesopotamiŽ de scheiding tussen "kerk" en staat: het koningsambt en het hogepriester- ambt zijn niet meer verenigd. Ongeveer 1600 jaar later voltrekt zich hetzelfde bij het volk van IsraŽl: Saul wordt koning. De Sumerische cultuur van 3100 - 2400 De Akkadische " " 2400 - 2170 Daarna beginnen de Assyrisch-Babylonische rijken. De taal der SumeriŽrs en AkkadiŽrs blijft de taal der ge- leerden, dichters en priesters. De overgang naar de landbouw schijnt in Irak en SyriŽ te liggen. Tussen 4 en 3000 is in MesopotamiŽ de landbouw geheel doorgevoerd. Alle land is eigendom van de hoogste godheid: De Grote Moeder Innin, wier vertegenwoordiger de heerser is. ---