SYLLABUS 3. Cursus. De christelijke idee als aardse werkelijkheid. De algemene bekende drie-eenheid is die van God de Vader, de Zoon en de H.Geest. Volstrekt algemeen en dus zonder enige voorstelling gedacht, luidt deze drie-eenheid: potentialiteit - realiteit - ide- aliteit; anders gezegd: aanleg (mogelijkheid) - werkelijk- heid - denkbaarheid. Zuivere idealiteit is zuiver begip. Als dit laatste spiegelt de werkelijkheid zich af in de (geest van de) enkeling, die de werkelijkheid denkend tot zuiver begrip kan opheffen. De enkeling, die hiertoe komt, is als individueel (dus rela- tief) Ik identiek met het absolute Ik. Het zuivere Ik is absoluut, omdat het zich uitsluitend tot zichzelf verhoudt. Het Ik is n.l. gedachte en als zodanig denken. Denkend verkeert het alle werkelijkheid tot gedachten en maakt haar dus identiek met zichzelf. Maar om te beginnen verhoudt het Ik zich tot het andere ervan, dat het als het niet-Ik van zichzelf onderscheidt. Door het niet-Ik tot zichzelf (eigen gedachten) te verkeren, identificeert het het niet-Ik met zichzelf en verhoudt zich zodoende enkel tot zichzelf. Uit hoofde van zijn middelmatigheid komt de massamens niet hiertoe. Hij kan het onderscheid niet tot tegendeligheid opheffen door de identiteit te stellen. De geest van Europa spiegelt zich dan ook niet zuiver in de massa af. Aangezien zij echter niet geheel van de geest verlaten kan zijn, doet deze onder haar mee als het onkenbare verhevene (de godsdienst). En aangezien haar Ik zich blijft verhouden tot het niet-Ik en dit niet kan verkeren, geldt voor haar als maximum en optimum het verstandelijke Ik, dat in de wetenschap zijn uiterste mogelijkheden bereikt. Het zuivere denken behoort tot de kategorie van het Zijn; zuiver Zijn. Het onzuivere denken is Zijn in verhouding tot iets anders, dat geen denken is. Dit zijn is het verkeerde; is het Hebben. Voor de massamens gaat alles op in deze kategorie. Zijn doelstelling (relatieve zelfverwerkelijking) is: hebben en houden (bewaren, sparen). Hij heeft geen behoefte om te geven. Daarom wordt dit laatste tegenwoordig voor hem georganiseerd; anders doet hij het niet. De massamens vindt leven in Liefde (dus ethisch verantwoord) abnormaal en liefdadigheid is voor hem een afwijkend gedrag. Het zuivere Ik interesseert zich niet voor het Hebben, al weet de mens, die zuiver denkt, dat ook hij bepaalde zaken moet hebben en sommige zelfs houden (kleren, een stoel, boeken enz.) Maar hem interesseert niet, wat al zo wordt aangeboden. ---