SYLLABUS 2. Cursus: "De droom en haar betekenis voor de ontwikkeling
der persoonlijkheid"
De bewustwording moet een doorgaand proces zijn, dat als onbewustzijn begint; maar dit proces stagneert dikwijls op verschillende punten. Vlgs. Freud is het onbewuste alles wat verdrongen is of vergeten. Verdringen geschiedt uit noodzaak. Vergeten uit gebrek aan belangstelling. Freud erkent dus alleen het persoonlijk onbewuste. Adler eveneens. Het onbewuste gebruikt zo nodig het bewustzijn voor zijn doeleinden, maar kan het eventueel ook vernielen. Normaal weten wij wel wat wij doen, maar het waarom ken- nen wij niet altijd. Wij zijn ons ook wel bewust van onze onmiddellijke gevoelens, maar weten niet waarom wij zus of zo gevoelen. Onze verhoudingen tot onze medemensen worden mede bepaald doordat de anderen als spiegel werken. Niet alle spiegels zijn helder. Onmiddellijk oordelen over een ander heeft zo zijn gevaar- lijke kant. De uitdrukking: "ik ken de mensen", betekent dikwijls niet anders dan: "ik wil mezelf niet kennen". Mensenkennis is zeer moeilijk en moet niet verward worden met een bepaalde handigheid om met mensen om te gaan, die b.v. handelsreizigers dienen te bezitten. Echte mensenkennis ver- eist om te beginnen zelfkennis en deze vereist eerlijkheid jegens onszelf. Ons bewuste leven kan bewust of onbewust in strijd zijn met onze wensen. Als de strijdigheid onbewust is, maken wij ons wat wijs. Het onbewuste tracht zijn doelgerichtheid kenbaar te ma- ken door dromen, versprekingen, symptoomhandelingen. Volgens Freud is terecht de droom de koninklijke weg. Ook de fantasie is van belang, maar minder onomwonden dikwijls dan de droom, omdat zij min of meer door het bewust- zijn wordt beiuml;nvloed. In de oudheid werd de betekenis van de droom beseft, later veel minder tot tenslotte de opvatting, dat dromen bedrog zijn, algemeen werd. Dit geschiedde in de tijd, dat de mensen geloofden, dat zij geheel uit hun verstand konden leven. Tot hun schrik bemerkten de mensen, dat het Ik geen baas was in eigen huis en zij lasterden Freud, die hun dit mededeelde. De droom spreekt onverdeeld over elk levensgebied. In deze voorgaande zin spreek ik Freud tweemaal tegen, want 1) Freud onderscheidt tussen de manifeste en de latente droom- inhoud; 2) hij beperkt zich tot de gebieden van sexe en doodsdrift. Dit hangt samen met de beperkte opvatting der Freudiaanse school omtrent het onbewuste. Natuurlijk ontkennen wij dit onbewuste niet. Freuds onbe- wuste is dat wat onbewust gemaakt is, wat dus niet meer be- wust is. Logischerwijze moet er dan ook zijn het nog niet bewuste. Dit laatste is principieel het belangrijkste, omdat het de creatieve aanleg bevat. Dat Freud vnl. op het niet meer bewuste stuitte, spreekt vanzelf, alsook dat hij daaruit zijn beperkte conclusies trok. ---