SYLLABUS 3. Cursus: "De droom en haar betekenis voor de ontwikkeling der persoonlijkheid". De Freudiaanse psycho-analyse berust op het geloof in de beslissende betekenis van "de familieroman". Zoals reeds gezegd is het persoonlijk onbewuste niet het enige, noch het belangrijkste; van groter betekenis is het algemene onbewuste, dat als zodanig aanleg is. Aanleg is altijd aanleg tot iets - in dit geval tot be- wustzijn. Het ontwikkelde bewustzijn is het Ik-bewustzijn en de ontwikkeling van aanleg tot Ik is het individuatieproces. Het Ik: het onbewuste = het punt: de ruimte, waarmede niet gezegd is, dat het onbewuste ruimtelijk is, al wordt het altijd zo voorgesteld. Het bewustzijn is de verhouding van het Ik tot een object, want bewustzijn is altijd bewustzijn van iets. Ieder onzer is een totaliteit van potenties, welke zich kunnen verwerkelijken tot natuurlijkheid als zinlijk leven, of op de wijze der ziel als beleven (zinlijk-onzinlijk) of op geestelijke wijze als abstract leven. Geen van deze drie wijzen bestaat op zichzelf; alles is slechts in verhouding te denken en op zichzelf niets. Wij kunnen iets slechts in iets anders uitdrukken. Het onbewuste moet niet verward worden met het zieleleven; dit laatste is aanvankelijke negatie van natuurlijkheid, dus nog niet volslagen niet-natuurlijk; dit laatste is het gees- tesleven, het abstracte leven. Het algemene onbewuste is de mogelijkheid tot zieleleven. Jungs voorstelling van het algemeen onbewuste - door hem collectief onbewuste genoemd - is onhoudbaar. Hij stelt het zich voor als een reus, die in de oneindig- heid blikt en alle ervaring der mensheid bezit. Dit is een beeld der alwetendheid, maar aangezien het algemene onbewuste aanleg tot zieleleven is, is het niet alwetend; wel is het het menselijk mogelijke. Jungs term: collectief onbewust, wordt door mij niet aanvaard, omdat het begrip "collectief" te veel aan con- structie doet denken, waarvan geen sprake is. De ziel spreekt in beelden over haar vreugden en verdriet. Individueel geschiedt dit in de droom; in sprookjes, religieuse voorstellingen en kunstwerken wordt gesproken over het leven van de ziel der mensheid - haar hoop, verlangen, moeilijkheden en strijd. Van deze beelden moet het denken zich meester maken. Opvallend is, dat wij nog oer-oude beelden gebruiken, welk verschijnsel Jung verklaart door zijn visie op het algemeen onbewuste, die hij uitdrukt in de alwetende reus. Het verschijnsel is alleen logisch verklaarbaar en als volgt: Wij leggen in de verschijnselen een bovennatuurlijke zin, d.w.z. dat wij er onze eigen bovennatuurlijkheid in leggen. Wij idealiseren de natuur, vermenselijken haar en schep- pen op basis daarvan beelden, die onze eigen idealiteit zo goed mogelijk uitdrukken. Aan deze idealiteit is het beeld gebonden en omdat ons geestesleven zijn eigen wetmatigheid kent, verloopt ook de beeldschepperij wetmatig. ---