SYLLABUS 3. Cursus: De Europese idee. Het Duitse idealisme. Kant (1724-1804) gaat vooraf. Hij vat het Ik op als receptief en autonoom creatief. De zintuigen bemiddelen tussen het Ik en de buitenwereld. Het denken verloopt volgens vaststaande kategorieën. Het denken is beperkt, want het kan het Ding an Sich nooit kennen. Later zegt hij, dat het Ik (het denken) en het Ding an Sich misschien wel hetzelfde zijn. Aangezien hij zelf "het stelsel" niet kan geven, draagt hij het op aan die na hem komen en stelt de voorwaarden: dat het zal worden opgebouwd zonder hypothesen of axioma's. Fichte (1762-1804) poogt om aan de opdracht van Kant te voldoen. Het Ik is de geest en deze is autonoom, krachtens welke auto- nomie het zijn eigen negatie stelt: het niet-Ik, en dit is de buitenwereld, die het dan denkende weer overwint. Schelling (1775-1854) is romantisch. De geest (het Ik) is kennen, opnemen èn de reactie: de wil. Ook de natuur is tegensprakig: aantrekken en afstoten. Natuur en geest zijn dus identiek. Dientengevolge komt hij tot de conclusie van het indifferente als het absolute. Hegel (1770-1831). Zijn gedachtenwereld is esoterisch. Hij aanvaardt de opdracht van Kant volstrekt en concludeert, dat het denken dus alles uit zichzelf moet opbouwen, voort- brengen, ook zijn eigen grondslag: de logica. Hegel vangt aan met het Zijn, aangezien dit de absolute kategorie is, waarin alles identiek is, want alles IS. De zelfweerspreking is het beginsel van het Zijn en dus ook van het denken. Inderdaad is dus Schellings gedachte der identiteit juist, maar zij komt pas bij Hegel tot haar recht. Ook in de geschiedenis is het beginsel der zelfweerspreking aanwijsbaar en dus ook in die van Europa. Renaissance, humanisme en protestantisme (die dezelfde strek- king hebben) zijn negatie van de middeleeuwen. Renaissance en humanisme erkennen in Europa het moment van de antieke Griekse geest. Het protestantisme geeft het geloof een hogere inhoud door de beeldspraak te vervangen door het woord. Gevolg: een grote opbloei op de gebieden der kunsten en wetenschappen. In de loop der XVIIIe eeuw worden hoogtepun- ten bereikt. In Duitsland moeten op litterair gebied als toppunten Goethe en Schiller genoemd worden. Goethe is te begrijpen als de gezuiverde renaissancemens, die een harde strijd met zichzelf heeft moeten voeren.