SYLLABUS 1. Cursus: De individuatie. Zoals reeds vele malen het geval was, verkeert ook thans het Ik weer in het gevaar van ondergang in het onbewuste. Vanzelfsprekend ontwikkelt zich tegen deze neergaande bewe- ging een opgaande, welke beoogt het Ik te redden en aange- zien het zich alleen zelf kan redden, is het een kwestie, die het individu aangaat. Het Ik is van groot belang, want zonder Ik geen wetenschap, geen verstandskennis, geen zuiver denken. Men zou zeggen, dat het Ik door zijn enorme kennis thans sterker is dan ooit, maar dit is schijn, want door deze ken- nis is het losgeraakt van zijn creatieve oergrond, die thans negatief zich laat gelden als de Verschrikkelijke Moeder, een archetype en daarom ontzettend machtig. De creatieve oergrond is archetypisch de Goede of Grote Moe- der, waaruit alles, ook het bewustzijn, geboren wordt. En aangezien het bewustzijn met manlijkheid geidentificeerd wordt, is zij in beginsel manlijk. Zij baart de Grote Zoon, de Verlosser, de Grote Enkeling. Bewustzijn is verhouding tussen een subject en object, ech- ter geen feitelijke verhouding, maar een abstracte. Te onderscheiden zijn, natuurlijk, verstandelijk en redelijk bewustzijn. Bewustzijn is altijd bewust zijn van iets. Adam moet in het paradijs alle dieren een naam geven, d.w.z. hij komt tot bewustzijn. In den beginne is de Grote Moeder, maar zij is niet zonder het manlijke. Vandaar dat zij gemeenlijk op enigerlei wijze vergezeld is door een slang (draak). Om te beginnen zijn manlijk en vrouwelijk niet uit elkaar te krijgen. Als dit gelukt, voert het tot twee eenzijdigheden, die dan als gescheiden ervaren worden. In waarheid zijn zij wel onderscheiden, maar niet gescheiden. Er is vrouwelijk en manlijk bewustzijn, resp. nacht- en dag- bewustzijn, resp. maan en zon. Omdat de aanvang vrouwelijk en het bewustzijn manlijk gesteld wordt, vertoont de cultuurhistorie de geleidelijke ontwikke- ling van de Grote Vader, die echter tevens de Grote Zoon = de Grote Enkeling is, gebaard door de Grote Moeder. In de mythologie derhalve veel strijd tussen moeder en zoon. D.w.z. uit de ongedifferentieerde eenheid maakt zich een zijde los door zich te ontwikkelen en tot zelfstandigheid te ge- raken. Dit geschiedt door symboliserend projecteren. Het manlijke is niet terstond ondergebracht in één God. Er is een veelheid van godinnen en goden, waaruit blijkt, dat de centrerende macht van het bewustzijn nog niet groot genoeg is om de veelheid te overwinnen. ---