SYLLABUS 5. Cursus: De individuatie. Het christendom luidt het echte Ik in. Voordien was het nog formeel. "Ik en de Vader zijn een." Ik staat voorop. De vader is de Grote Vader. Als Christus in de woestijn Satan afwijst, betekent dit, dat het Ik zich met het ideeële als het goede vereenzelvigt en het aardse als het algemeen kwade afwijst. Het Ik is gedachte en kan alles tot gedachte verkeren; het kan zich alles ideëel toe-eigenen en is dus ideëel almachtig. Het Ik begon zijn almacht te stellen als het Ik-Caesar. Dit Ik is aards almachtig en ook goddelijk, maar de romeinse goddelijkheid was nooit bijster verheven. Volgende phase: het Ik-paus, dat het Ik-keizer als wereld- lijke macht naast zich stelt. (Kerstnacht 800 kroning te Rome van Karel de Grote tot keizer van het heilige roomse rijk). Het pauselijke Ik was niet werkelijk ideëel gericht. Rome is nooit het meest geschikte centrum geweest voor de ont- wikkeling van het ideële. De paus was te zeer stedehouder; het pausdom een dwaling. Paus en Keizer - 2 patriarchale Ik's. De Hervorming. Het Ik tracht zich ideëel te bevrijden uit de patriarchale spheer, maar komt niet verder dan de gods- dienst, aangezien het geestesleven nog overwegend de geloofs- vorm had. In de wereldlijke spheer toonde Luther sterke eerbied voor de aardse autoriteit, wat een belangrijke factor geweest is in de staatkundige ontwikkeling van Duitsland. Calvijn was ook op dit terrein minder onderdanig. Na de hervorming wordt de wijsbegeerte zelfstandig, d.w.z. het Ik zuivert zich verder in ideëel opzicht, want bevrijdt zich meer en meer van de voorstelling. Het abstraheert meer en meer. Aan abstraheren laten zich onderscheiden en negeren bedenken. Consequent moet het wijsgerig denken dus komen tot het ne- geren van het enkel onderscheiden zijn van het onderscheidene en moet dus negeren tot identiteit (Hegel). Op het gebied van het aardse moet een parallel proces ver- lopen, want realiteit is realiteit van idealiteit. Veelheid is kenmerk der natuur. De strijd der koningen tegen de feodalen is de ontwikkeling van de staat, d.w.z. dat de idee der (zedelijke) eenheid in de spheer van het aardse het wint van die der (natuurlijke) verbrokkeling. D.w.z. de volkeren brengen hun eenheid tot stand onder de patriarchale vorm. De eenheid is dus nog primitief, de koning symbool. ---