SYLLABUS 4 Cursus: De mens en zijn goden. Het heelal is als totaliteit van verschijnselen een toevallige noodzakelijkheid en kan niet anders zijn, waarbij te bedenken, dat het heelal meer is dan die totaliteit, want verschijnend is het een onmiddellijke kennisgeving van het wezen, dat als zo- danig alleen denkbaar is. Wij zijn ons bewust van de verschijnselen, die tot bewustzijns-inhoud geworden, zelf bewustzijn zijn; aanvankelijk als beeld, vervolgens gedachte, die zichzelf ontwikkelt tot begrip, doordat het bewust- zijn zijn inhoud en dus zichzelf doorlicht. Het natuurlijke licht is aan het bewustzijn voorondersteld. Zonder dit licht zou geen bewustzijn mogelijk zijn. Doordenkend komt het bewustzijn tot het wezenlijke, dat het dan in de natuur als onmiddellijke kennisgeving onderkent. Bewustzijn is bewustzijn van iets en is dus in verhouding zijn. Dit geldt dus ook van het denken. Alles is slechts in verhouding te denken. In verhouding denken is: nader bepalen. Wij leven in verhoudingen. In de wijsbegeerte gaat het erom de dingen in de juiste verhouding te zien en niet om iets te be- wijzen. Om dit laatste gaat het in de wetenschappen, maar voor- zoverre deze op hypothesen berusten, staan alle bewijzen op losse schroeven. Vandaar het vele geharrewar. Zo is er meningsverschil over de gemeenschappelijke voorouder van mens en mensaap. Voor ons is van belang wat van deze voorouder te zeggen is. Natuurlijk was het een dier, dat de mogelijkheid bezat tot bewust- wording. En aangezien het enkel nog de mogelijkheid daartoe was, was het ook de eventuele onmogelijkheid ervan. Als de mensaap heeft de onmogelijkheid zich gerealiseerd. Als de mens de onmogelijkheid der onmogelijkheid, dus de noodzake- lijkheid van bewustwording. Het verschijnsel is de verkeerdheid van het wezen, welke verkeerd- heid als iets zijn aan zich meebrengt zijn eigen andere: niets zijn, dat zich stelt als ongesteldzijn: het denken. Geen gedachte houdt stand. De natuur is de eentonigheid zelve, als zelfherhaling, maar zij is niet zonder verandering: worden, verworden, evolutie. Het Zijn is door en door zelfweerspreking, want het is in het algemeen identiek met Niet-Zijn en tevens de negatie hiervan. Het moet zich dus zowel 1) als verschijnsel en 2) als het ver- schijnen negeren. Ad 1) Elk verschijnsel is verdwijnsel. En verder de evolutie. Ad 2) De verkering tot bewustzijn. ---