SYLLABUS 3. Cursus: De Mens in het Heelal. Het leven is organisch gestelde werkelijkheid: het geheel bestaat uit de delen en deze voor en door het geheel. Daarvóór is slechts mechanisch gestelde werkelijkheid: de delen verhouden zich tot elkaar onder de vorm ener eenheid, die echter slechts in schijn eenheid is. De cel is het eerste resultaat op de weg om de eenheid te stellen. Zij concentreert zich uiterlijk-innerlijk door de kernvorming. De cel is niet een object zonder antecedenten; zij is lang voorbereid en tenslotte geboren. Zij is gevolg van het overschrijden van de mechanische concentratiemogelijkheid. Zij is een veeleenheid. Dat het leven ontstaat is niet anders dan dat het eenheids- streven zich gaat realiseren. De ware eenheid is die der tegendelen, die wel onderscheiden, maar niet gescheiden zijn. Zij is geestelijk, ideëel. Concentratie als streven naar verwerkelijking der eenheid, gaat steeds voort. Zodoende komt het leven "vanzelf" en dit voert tenslotte tot het denken, dat nooit teneinde komt. Het ontstaan van het leven is een natuurlijke gebeurtenis en hangt dus van het toeval af. Het levende onderzoekt; het is spontaan, d.w.z. eigener beweging bezig. Dit onderzoeken is aftasten. Het gaat hierbij voort op goed geluk, maar komt door de zich ontwikkelende instincten tot selectie van levensvormen en -wijzen, die het vastlegt, als definitieve vorm en wijze, die niet definitief blijken te zijn. Elk instinct past bij een oplossing van het probleem van het leven. Instincten zijn erfelijk. Ook het instinctleven evolueert. De cel moge zich voortdurend herhalen, het wezen blijft de verandering en dus is het verschijnsel der mutatie geen verrassing. Het levende breidt zich uit door deling en doordringing. De eerste manier is a-sexueel te noemen; de tweede sexueel. Aanvankelijk overweegt de groep als vorm van leven. Van indi- vidueel bewustzijn (der individuen) is nog geen sprake. Het individu is enkel functie. Tastend differentieert zich de levende stof tot phyla (stam- men), die zich eveneens tastend verder differentiëren. Zo ontstaat phylum boven phylum. Slechts de laatste vertak- kingen zijn waarneembaar (de thans levende planten en dieren als definitieve resultaten) of naspeurbaar (de fossielen). ---