SYLLABUS 5. Cursus: De onbewuste ondergrond van onze catastrophale wereldsituatie. De primitieve mens kan niet uit zichzelf tot wetenschap komen en heeft er ook geen behoefte aan. Zijn wereld is hem duidelijk als beleving. De moderne mens wil haar begrijpen. De moderne mensen zijn te verdelen in: 1) de zich steeds meer specialiserende mensen der wetenschap; 2) de achterblijvende massa. Voor beiden geldt, dat de sector, die binnen het begrijpen (denken) valt, steeds kleiner wordt, waardoor het primitieve bewustzijn een steeds groter plaats inneemt. Voorbeelden: Nietzsche's leer der eeuwige wederkeer; de mythe van bloed en bodem en de Wodancultus; het dogma der Maria hemelvaart, waarbij het onderscheid tussen innerlijk en uiterlijk is weggevallen. het reïncarnatiegeloof; het existentialisme, voorzoverre dit teruggrijpt op het prae-rationele; Bergson, die de tijd opheft en vervangt door la durée. De grote moeilijkheid is, dat de moderne mens wel groten- deels uit het onbewuste leeft, maar het niet beleeft. 0m hiertoe te komen keren velen terug tot de religie. De religie put haar vernieuwing altijd uit het oer-onbewuste. Het Oer-onbewuste: de grote Moeder, waaraan de grote Vader wordt medegebracht. In hun eenheid zijn zij de sexueel-agres- siviteit. De moederreligies beogen wedergeboorte langs natuurlijke weg (door verzinking in het onbewuste door natuurlijke middelen). De vaderreligies beogen wedergeboorte langs de geestelijke weg. In de moederreligies vinden wij o.a. Bachantendom en sexu- ele orgieën Vaderreligies: Jodendom. Mahomedanisme en Christendom. De beide eerste god-vaders zijn abstract, eigenlijk alleen maar zedelijke wil. Zedenwet en creator (schepper). In het christendom is de god-vader concreet, want heeft hij een zoon en is niet alleen creator, maar ook generator (ver- wekker). De vrome mens beleeft zijn religie als de diepste levens- grond, die buiten de rede valt. De primitieve mens is totaal religieus. Naarmate het onderscheidend vermogen toeneemt en het Ik zich uitkristalliseert, ervaart de mens zich meer als te behoren tot twee onderscheiden werelden. Hij voelt zich dan in waarheid tot de ene (de ideële) te behoren en ervaart de andere als de onware. Hieraan tracht hij te ontkomen - zich eruit te verlossen: de verlossingsreligies, waarbij men geestelijk de weg terug wil gaan om tot eenheid te komen met het Oer (de oer-Idee). Wanneer echter het Ik zich vat als bewustwording, waardoor het tot de overtuiging komt, dat er geen weg terug is, maar tevens dat de mens nooit zuivere idee kan worden, komt het tot het inzicht van zijn onvolmaaktheid en daardoor schuldigheid. Het kan zichzelf niet redden en verlossen en moet dus verlost worden door god, wat slechts mogelijk is, als hij gehoorzaamt aan god als de zedelijke wet. Wegens zijn schuldigheid heeft hij geen recht op verlossing en dus is de verlossing genade. Deze opvattingen vatten wij samen als de gehoorzaamheids- religies. ---