website
inform.

Syllabus 2. Cursus: De opstandige jeugd en het bankroet der ideologieën. De middeleeuwse katholieke kerk handhaafde het collectivisme als het matriarchaat: de heilige maagd. De koningen streefden naar centralisatie, maar zij krijgen de betekenis van de Grote Vader en het volk van de kinderen. Hierdoor is de absolute monarchie in strijd met de tendenz tot individuatie. De kerken en kloosters worden machtiger en rijker en vervallen daardoor tot materialisme. Reactie: de hervorming en de renaissance. Het individu zet zich door op cultureel gebied; de blik richt zich naar het aardse leven. Scheiding tussen dit leven en het godsdienstige. Opkomst der wetenschap. Luther had de vorsten nog als door God aangesteld beschouwd. In het goddelijk recht der vorsten is God nog aanwezig. De Franse revolutie maakt een einde aan het paternalisme der vorsten. Met het hoofd van de koning valt het symbool der volkseenheid. Individualisme en materialisme triomferen. Met de koning verdwijnt de staatsidee; de staat gaat onder in de maatschappij. In deze sfeer komt het collectivisme in verzet als socialisme. De bourgeois-heerschappij. Nuttigheid; zakelijkheid. "Ieder is zichzelf het naast." "Liefdadigheid naar vermogen." Radicale negatie van de idee der naastenliefde. De bourgeois is de verzakelijkte mens, die zijn mens-zijn verzaakt en idealisme prijs geeft voor materialisme. Deze verzakelijking sijpelt door van de top naar beneden. Winst maken, geld verdienen als levensdoel. Het geestelijk leven verschraalt; hij gelooft in het verstand. Alles, ook wetenschap, moet nut afwerpen. In het begin van de 19e eeuw nog romantiek; deze verloopt tot sentimentaliteit. Reactie: het realisme. Dit is in overeen- stemming met het zakeljke bewustzijn van de bourgeois. Tegen het einde van de 19e eeuw kondigt zich in de kunst de beeldenstorm aan, die thans in volle gang is: het stukbreken van vormen en normen. Het leven wordt dor; vandaar het verlangen naar oorlog. De oorlog van 1914/'18 was een zakelijke aangelegenheid. De 19e eeuw is door en door kapitalistisch-individualistisch. Wie rijk is, staat in aanzien; wie arm is, wordt geminacht. Het christendom krijgt een nuttige functie, n.l. de armen onder de duim houden. De kunst wordt Bohème en deze geromantiseerd. --- 68/3