SYLLABUS 2. Cursus: De psychologie van Erich Neumann. De geboorte van het mensheids-Ik is het loskomen uit de identiteit met de uroboros, uit de embryonale toestand. Het pas geboren mensheids-Ik is zwak, nietig, weerloos tegenover het onbewuste, zoals een jonggeborene geheel afhankelijk is van de moeder. De mensheid is in haar aanvang vrijwel door en door na- tuurmens, bijna geheel afhankelijk van de natuur. Vandaar dat het natuurlijke, onbewuste, vrouwelijke ook wordt ervaren als het noodlot - het web van het noodlot - de sluier van Maja. Het geborgen zijn van het kind overweegt; vandaar de kinderoffers; terugkeer tot en geborgen zijn in de Grote Doodsmoeder. Deze terugkeer in de Grote Moeder wordt de uroboros-incest genoemd. De ontwikkeling van het Ik geschiedt projecterend. Maar deze ontwikkeling brengt ook het doodsprobleem met zich: het vrouwelijke is gegeven (de oorsprong), het man- lijke (het Ik) wordt en is dus vergankelijk. Het jongelingsachtige Ik is droevig (Weltschmerz). Het is nog niet bevrijd van de Grote Moeder en is nog geen werkelijk Ik, maar slechts identiek met zijn lichaam, waaraan hij zich als eenheid ervaart. Hij is de zoon-minnaar der Grote Moeder, d.w.z. enkel phallus. (Zich bevredigend verzinkt hij in de roes = het onbewuste.) De moeder-incest is genitaal, niet meer totaal. De phallische jongelingen zijn als de darren van de bijen- koningin, die ook gedood worden. Het jongelingsoffer wordt castratie, ook als tonsuur, vrouwenkleding enz. Het offeren van het manlijke is iden- tificatie met de Grote Moeder. Het orgiasme van de roes vertoont overeenkomst met de dood. Het orgiasme betekent verlies van het Ik. Oorspronkelijk werd overal het manlijk bevruchtende geofferd. De bevrijding van de jongeling uit de macht der Grote Moeder treedt op als het zich verzetten tegen haar macht en het daaruit voortvloeiende innerlijke conflict tussen zelfvernietiging (zelfmoord, zelfcastratie), centroversie (welke mislukt in het Narcissusgeval) of de drakenstrijd aanvaarden. ---