SYLLABUS 1. Cursus: De geboorte ener nieuwe moraal. In deze cursus wordt verstaan onder MORAAL - de algemeen aanvaarde zedelijke normen, en onder ETHIEK - de persoonlijk vastgestelde zedelijke normen De antieke moraal berustte op de goddelijke wetten en op de zeden der voorvaderen; zij was onwrikbaar. Sokrates luidde een nieuwe moraal in op grond van zijn eigen ethiek. Moraal is als vaststaand gedoemd te verworden, omdat ook zij aan het Worden gebonden is, maar zich niet kan ontplooien, omdat zij is vastgelegd. De in verval geraakte moraal dient dan nog als vlag, die zo nodig de meest rotte lading kan dekken. Zedelijkheid - negatie van natuurlijkheid en dus van ruimtelijke uitbreiding. Voorzoverre de mens zedelijk is, is hij bescheiden en dringt zich niet op; stelt ook zijn lijfelijkheid niet voor zichzelf op de voorgrond: bescheidenheid inzake eten, drinken, kleding, woning, bezit. Hij beperkt zich tot het subjectief noodzakelijke en streeft dus niet naar rijkdom. Rijkdom brengt armoede aan zich mede. De rijke bezit teveel, de arme te weinig. Aan rijkdom en armoede wordt de onzedelijkheid der hebzucht openbaar. In hoeverre heeft de mens recht op aesthetiek, wanneer zij voor hem tot het noodzakelijke behoort ? Onverkort blijft hierbij de eis der bescheidenheid. "In niets teveel", Apollinische spreuk in het oude Griekenland. Alle protserij is dus uitgesloten. Kunstverzamelen als belegging heeft niets met aesthetisohe noodzaak te maken. Zakelijke arbeid is zedelijk, voorzoverre zij dient om ons onze bestaansmiddelen te verschaffen en om onze zelfstandigheid te handhaven. Iemand in dienst nemen is onzedelijk; alleen vrijwillige samen- werking is dat niet. Het streven naar vrije tijd ligt in de rede, omdat arbeid in dienstbetrekking onzedelijk is en de dienende daarbij dus onvrij. De juiste wijze van vrije tijdsbesteding is de eigen zedelijke ontwikkeling, de culturele. Een geschikte wijze van cultureel leven is voor de massa (die niet aan een bepaalde rang of stand gebonden is) het religieuse leven, wat niet identiek is met het godsdienstige. Als godsdienst is het religieuse vastgelegd en daardoor is elke godsdienst ten ondergang gedoemd. --- 69/1.