SYLLABUS 2. Cursus: Het godsbegrip van Teilhard de Chardin. Om te ontkomen aan het materialisme kerstent Teilhard de materie en werkt hij met het begrip: "geest-materie" als eenheid. Hij constateert, dat de materie steeds complexer wordt en dat de complexiteit ervan evenredig is met de graad van bewustzijn. Zonder ordening der materie geen geestelijke mogelijkheden. Het bewustzijn is de supra-structuur op de infra-structuur der geordende materie. Hij aanvaardt, dat het bewustzijn als een anomalie wordt beschouwd, doch wijst erop, dat de anomalie de overdrijving is van een eigenschap, die allerwegen aanwezig is, maar aanvankelijk ongrijpbaar en die eerst door de overdrijving, toespitsing, waarneembaar wordt. De materie is een wijze van Zijn, evenals het bewustzijn. Het begin van het Zijn is het Niet-Zijn. Zij zijn onder- scheiden maar tevens identiek. Eén zijn zij als het Worden. Worden is niet-zijn in de vorm van zijn. Alles is in deze vorm. Het Zijn is de kategorie, waar niets buiten valt. Alles is identiek in deze kategorie. Te zeggen is, dat Niet-Zijn Niets is, maar bij Niets wordt iets voorondersteld, dat dus ook is. Aan Worden laat zich veranderen bedenken. Iets zijn, worden, iets anders zijn, anders worden. Alles wat te voorschijn komt, is al van te voren als aanleg. Het is niet en wel, het wordt en verwordt. Als de Natuur verschijnt het Zijn aan ons, dus aan zichzelf. Het leven komt eerst op den duur (in de tijd) aan het licht. Het is een andere wijze van Zijn dan die van de niet-levende materie, maar is in deze laatste wel voorondersteld. Teilhard noemt de materie de matrijs van de geest. De evolutie is voor het redelijk denken vanzelfsprekend, omdat alles wordt, maar zij staat thans ook wetenschappe- lijk vast. De wetenschap vraagt: hoe gebeurde het en wanneer ? De wijsbegeerte vraagt: hoe is het te begrijpen ? Het heelal vertoont uitzetting en concentratie - ruimtelijk zijn, worden, het worden der ruimte en de negatie ervan, centratie, binnendringen in een innerlijk "ruimte", die geen ruimte is. ---