SYLLABUS 5. Cursus: Het godsbegrip van Teilhard de Chardin. Het is moeilijk voor de mensen om de gedachte los te laten, dat hun leven naar een eindoplossing voert. Voor de meesten is het individuele leven een tocht van de geborgenheid in de Grote Moeder naar die in de Grote Vader, welke laatste zijn ontstaan te danken heeft aan de ontwikkeling van het Ik-bewustzijn. Uit een veelheid van goden en godinnen resulteert hij ten slotte als de Ene, die in het licht troont en licht is. Zijn schaduwkant wordt van hem afgesplitst: Lucifer's val uit de hemel. Wat "onder de hemel" is, behoort tot het rijk van Lucifer, ook de aarde. Het joods-christelijk bewustzijn voert tot allerlei split- sing; ook de mens wordt gespleten in goed en kwaad. God is enkel goed, dus eenzijdig en dus onvolmaakt. De aarde werd als kwaad en zondig veroordeeld en zodoende maakt het Ik zich los van het Zelf, dat als minderwaardig wordt afgeweerd. De reactie hierop is de terugkeer tot de aarde, welke terug- keer wij de renaissance noemen. Het Zelf is de identiteit der psyche als totaliteit met zichzelf. Het is resultaat van concentratie, van middelpunt zoeken. Voortgaande voert de concentratie tot het Ik. De ontwikkeling tot Ik bracht ook met zich de persoonlijke heilsverwachting. Eerst was deze collectief als verwachting voor de sacrale koning. Niet ieder had oorspronkelijk een individuele ziel. Geleidelijk verandert dit. Ik-bewustzijn - zich abstract tot zichzelf verhouden en bedenken, dat ook het Ik permanent in staat van wording, eventueel verwording, verkeert. Het Ik distantieert principieel, maar deze werkzaamheid voert in haar eenzijdigheid tot het uiteenvallen van alles: hemel en aarde, schepper en schepping, lichaam, ziel, geest, man en vrouw, buiten en binnenkant. Al deze onderscheidenheden behoren als tegendelen bijeen, d.w.z. dat zij een eenheid vormen, waarbij te bedenken is, dat de eenheid altijd alleen maar denkbaar is, terwijl de onderscheiden delen als verschijnselen of voorstellingen zijn, d.i. Zijn in het moment van het onderscheid. Het Zelf is onmiddellijk één met de buitenwereld, waardoor het "weet" hoe het moet reageren, terwijl het Ik zich distantieert, waarna het redelijk doordenkend de buiten- wereld weer opneemt als gedachte, haar verkeert tot gees- telijk leven. Dit echter is niet het volledige leven; het manlijke is niet het volledig menselijke. Volledig is Ik-Zelf. ---