CURSUS: OP LEVEN EN DOOD. SYLLABUS 4. Luxe en gemakzucht zijn verkwisting en werken degenererend met als gevolg geestelijke verarming. De menigte stompt af voor alle idealiteit. De wetenschap ondermijnt het waarheidsvermoeden, dat wij als godsdienstig geloof kennen. Het wordt inhoudloos. Het Ik kan er niet aan ontkomen zich breed te maken, aangezien het in zijn hebberigheid geen diepte heeft. Het is uiteraard agressief. Door zijn eenzijdigheid komt het niet tot volslagen zelfbewustzijn en niet tot wijsheid. Maar des- ondanks roept het zijn zelfontkenning aan zich op. Economisch begint het met de leuze der vrije concurrentie, maar die concurrentie heft zichzelf op dank zij de onbegrens- de hebzucht. Samenwerking wordt als vanzelfsprekend en verstandig beschouwd. Echter alleen voorzoverre het eigenbelang er door gediend wordt. De democratie begint plutocratisch: kiesrecht en bezit zijn verbonden. Het proletariaat is van de staatszaken uitgesloten. Wat de kunst betreft; deze is in de vorige eeuw romantisch, vervolgens realistisch, daarna naturalistisch. Dan begint het vernietigingsproces. De kunstenaar kan krachtens zijn wezen niet aan de kant der bezitters staan. De aristocraat niet aan de kant der burgers. De aristo- cratie verzacht de zeden der nieuwe rijken. Het Franse socialisme is utopisch en speculeert op goede bedoelingen. Het Marxisme is door en door Duits en leert, dat het socialisme dialectisch onontknoombaar is. Vandaar de haat der burgerij jegens Marx. Sinds Marx gaat de strijd wezenlijk niet meer tussen de Iks onderling, maar tussen subjectieve willekeur en objec- tieve wetmatigheid. Het theoretische en gevoelsmatige (zelfs instinctieve) verzet van het Ik verhindert echter niet, dat het zelfver- keringsproces formeel voortschrijdt, waardoor het Ik zichzelf gevangen geeft, aangezien dit formele proces zich voltrekt in de spheer van het hebben. Het Ik weet momenteel helemaal niet waaraan het bezig is en ook niet, dat de voortschrijdende wetenschap samenwerking afdwingt. Specialisten zijn eventl. verbluffend knap, maar geestelijk arm. Geestelijk behoren zij vaak tot de massa. Het Ik heeft zich wezenlijk nog niet verkeerd. Vandaar dat het het collectivisme verfoeit. Desondanks is het on- vermijdelijk. ---